OverzichtAlgemeenGeschiedenisHuisvestingHarzersWaterslagersTimbrado'sInterviewsVerenigingHome

 

 

Overzicht

 

 

Artikelen Contactblad

In onderstaande vindt men een bloemlezing van artikelen die eerder verschenen in het Contactblad van de Speciaalclub Zang NZHU.

Ze zijn gerangschikt in de volgende categorieën

 

Algemeen

-    Plokker, Jaap, Samen de schouders er onder! Een oproep. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie februari 2008, 24e jaargang, nr. 1, pp. 22-27.
-    Plokker, Jaap, Het fokken van zangkanaries en wetenschappelijk onderzoek. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie september 2009, 25e jaargang, nr. 3, pp. 38-49.
-    Plokker, Jaap, Tussen tulpen en de zee. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie februari 2012, 28e jaargang, nr. 1, pp. 32-37.

Geschiedenis
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Aria’s zingende goudvinken. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie juni 2006, 22e jaargang, nr. 2, pp. 7-11.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Feit, fictie en veronderstelling in de geschiedenis van de kanarieteelt. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie juni 2012, 28e jaargang, nr. 2, pp. 21-23.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Jean de Bethencourt. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie juni 2012, 28e jaargang, nr. 2, pp. 24-35.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Jean de Bethencourt (vervolg). In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2012, 28e jaargang, nr. 3, pp. 16-25.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Olfert Dapper. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari 2013, 29e jaargang, nr. 1, pp. 25-31.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Dr. Karl Russ en zijn navolgers. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari 2013, 29e jaargang, nr. 1, pp. 32-53.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Frans Vogelaer. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie mei 2013, 29e jaargang, nr. 2, pp. 16-27.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Kanarieteelt in Engeland in de 17e eeuw: Blagrave, Willughby, Ray & Cox. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie mei 2013, 29e jaargang, nr. 2, pp. 28-68.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Huiskamerkanaries in de Nederlanden in de 16e eeuw. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2013, 29e jaargang, nr. 3, pp. 12-27.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Petrus Nylant en Jan van Hextor. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2013, 29e jaargang, nr. 3, pp. 28-37.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Kanariehandel in de 16e eeuw vanuit West-Europees perspectief / Canary trade in the 16th century from West-European point of view. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2013, 29e jaargang, nr. 3, pp. 38-76.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Ambulante kanariehandelaren te Leiden in de 18e en 19e eeuw. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari, 30e jaargang nr.1, pp. 14-32 en mei 2014, 30e jaargang, nr. 2, pp. 10-36.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: De rijkeluiszoon, de vogelaar en de watergeus. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september, 31e jaargang nr.3, pp. 22-35.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Speurtocht naar de oorsprong van de waterslager-Inleiding. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie mei, 32e jaargang nr.2, pp. 16-18.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Speurtocht naar de oorsprong van de waterslager-Deel 1 - Gedragsmanipulatie - 'Konstige Kanarie-Vogels'. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie mei, 32e jaargang nr.2, pp. 19-31.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Speurtocht naar de oorsprong van de waterslager-Deel 2a - Zangmanipulatie - 'Spreken als een Mensch'. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september, 32e jaargang nr.3, pp. 23-31.
-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Speurtocht naar de oorsprong van de waterslager-Deel 2b - Zangmanipulatie - 'Geleerde Kanarie - Vogels'. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie mei, 33e jaargang nr.2, pp. 3-35 en editie september 33e jaargang nr. 3, pp. 3-7.

Huisvesting, voeding en gezondheid
-    Beer, Jacques de, Voordat je de jonge vogels op stok hebt. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie oktober 2006, 22e jaargang, nr. 3, pp. 2-3.
-    Beer, Jacques de, Tellen van dagen voorkomt problemen. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie november 2006, 22e jaargang, nr. 4, pp. 2-3.
-    Beer, Jacques de, Medicijnen of brandnetels, negerzaad en boerenwormkruid. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie oktober 2007, 23e jaargang, nr. 3, pp. 21-22.
-    Beer, Jacques de, Stuifmeel. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2008, 24e jaargang, nr. 2, pp. 3-4.
-    Beer, Jacques de, Baycox. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie september 2008, 24e jaargang, nr. 3, pp. 13-14.
-    Beer, Jacques de, Mijn ervaring met roofmijten. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari 2013, 29e jaargang, nr. 1, pp. 23-24.
-    Bruinink, Liesbeth, Hygiëne voorkomt problemen. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie mei 2013, 29e jaargang, nr. 2, pp. 5-6.
-    Plokker, Jaap, Probiotica in herhaling. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie juni 2005, 21e jaargang, nr. 2, pp. 5-9.
-    Plokker, Jaap, Stuifmeel in herhaling. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie september 2008, 24e jaargang, nr. 3, pp. 10-12.
-    Plokker, Jaap, Coccidiose. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie september 2008, 24e jaargang, nr. 3, pp. 15-20.
-    Plokker, Jaap, B(etere) S(pijsvertering). In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2009, 25e jaargang, nr. 2, pp. 25-32.
-    Plokker, Jaap, Vogelmijt bestrijding. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2012, 28e jaargang, nr. 3, pp. 3-6.
-    Plokker, Jaap, Bloedluis en andere ectoparasieten. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari 2013, 29e jaargang, nr. 1, pp. 14-22.
-    Plokker, Jaap, Op consult bij Hedwig . In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2017, 33e jaargang, nr. 3, pp. 14-32.
-    Plokker, Jaap, Palmolie. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2017, 33e jaargang, nr. 3, pp. 33-36.


Harzers
-    Beer, Jacques de, Harzers en hun lied – deel 1: holrol. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie februari 2009, 25e jaargang, nr. 1, pp. 21-27.
-    Beer, Jacques de, Harzers en hun lied – deel 2: knor. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2009, 25e jaargang, nr. 2, pp. 20-24.
-    Beer, Jacques de, Harzers en hun lied – deel 3: waterrol. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie september 2009, 25e jaargang, nr. 3, pp. 27-29.
-    Beer, Jacques de, Harzers en hun lied – deel 4: schokkel. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie februari 2010, 26e jaargang, nr. 1, pp. 19-20.
-    Beer, Jacques de, Harzers en hun lied – deel 5: kloeken. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2010, 26e jaargang, nr. 2, pp. 30-35.
-    Beer, Jacques de, Harzers en hun lied – deel 6: holklingel. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie september 2010, 26e jaargang, nr. 3, pp. 34-36.
-    Beer, Jacques de, Harzers en hun lied – deel 7: fluiten. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie februari 2011, 27e jaargang, nr. 1, pp. 31-34.
-    Beer, Jacques de, Harzers en hun lied – deel 8: Klingel en klingelrol. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2011, 27e jaargang, nr. 2, pp. 13-15.
-    Beer, Jacques de, Harzers en hun lied – deel 9: Klankbeeld. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie februari 2012, 28e jaargang, nr. 1, pp. 27-29.
-    Beer, Jacques de, Harzers en hun lied – deel 10: Stamharmonie. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie juni 2012, 28e jaargang, nr. 2, pp. 36-38.
-    Beer, Jacques de, Harzers en hun lied – deel 11: Predikaatpunten. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2012, 28e jaargang, nr. 3, pp. 26-27.
-    Beer, Jacques de, De harzer zangsport in mondiaal perspectief. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie april 2015, 31e jaargang, nr. 1, pp. 13-32.
-    Bestuur NZHU, Pleidooi voor gezamelijk beleid ANBvV en NBvV inzake harzers. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2010, 26e jaargang, nr. 2, pp. 3-6.
-    Gerhards, Max, Pleidooi voor gezamelijk beleid ANBvV en NBvV inzake harzers - een reactie. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2010, 26e jaargang, nr. 2, pp. 7-9.
-    
Plokker, Jaap, Een regenachtige dag in de Harz. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie september 2010, 26e jaargang, nr. 3, pp. 6-20.
-    Plokker, Jaap, Revolutie in de zangkast - deel 2 Harzers. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie mei 2015, 31e jaargang, nr. 2, pp. 16-44.
-    Plokker, Jaap, Oud nieuws - Big Business in de Harz, over het verband tussen de export van kanaries naar de VS en het ontstaan van de harzer  In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari 2016, 32e jaargang, nr. 1, pp. 14-35.
-    Plokker, Jaap, Wil de echte kloekrol opstaan? Over kloekrollen en kettingkloeken In: Contactblad Speciaalclub  Zang NZHU, editie september 2015, 31e jaargang, nr. 3, pp. 14-20.
-    Plokker, Jaap, Een harzerwedstrijd met de smart Phone In: Contactblad Speciaalclub  Zang NZHU, editie mei 2016, 32e jaargang, nr. 2, pp. 13-15.
-    Plokker, Jaap, Overpeinzingen bij de nieuwe keurmethodiek voor harzers In: Contactblad Speciaalclub  Zang NZHU, editie september 2016, 32e jaargang, nr. 3, pp. 15-22.

Waterslagers
-    Aelbrecht, Joop, Over indruk en strafpunten. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie september 2011, 27e jaargang, nr. 3, pp. 17-20.
-    Hendriksen, Gerwin, Mijn kweek met waterslagers. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2010, 26e jaargang, nr. 2, pp. 10-13.
-    Onderwater, Krien, Een avondje nachtegalen luisteren. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie september 2011, 27e jaargang, nr. 3, pp. 3-8.

-    Plokker, Jaap, Knorren en Chorren. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie juni 2005, 21e jaargang, nr. 2, pp. 5-9.

-    Plokker, Jaap, Overdenkingen bij de nieuwe keurlijst voor waterslagers. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie oktober 2007, 23e jaargang, nr. 3, pp. 3-20.

-    Plokker, Jaap, Opnieuw gewikt en gewogen. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie oktober 2007, 23e jaargang, nr. 3, pp. 23-27.

-    Plokker, Jaap, De nieuwe keurlijst voor waterslagers: waar gaan we in het nieuwe jaar naar toe? In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie februari 2008, 24e jaargang, nr. 1, pp. 16-20.

-    Plokker, Jaap, Nachtegalen In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2008, 24e jaargang, nr. 2, pp. 5-14.

-    Plokker, Jaap, De nieuwe keurlijst vanuit Belgisch perspectief. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2008, 24e jaargang, nr. 2, pp. 16-28.

-    Plokker, Jaap, Klokkende waterslag vanuit Nederlands perspectief. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie september 2008, 24e jaargang, nr. 3, pp. 31-32.

-    Plokker, Jaap, Bollende waterslag: al 70 jaar een twistpunt. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2009, 25e jaargang, nr. 2, pp. 13-19.

-    Plokker, Jaap, Pleidooi voor aanscherping keurcriteria ten faveure van de zuiverheid van het waterslagerlied. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie september 2009, 25e jaargang, nr. 3, pp. 7-15.

-    Plokker, Jaap, Revolutie in de zangkast, ontwikkelingen in de zangkanariesport 1970-2010 "deel 1 - waterslagers". In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie februari 2011, 27e jaargang, nr. 1, pp. 15-30.

-    Plokker, Jaap, Het lied van de waterslager. Deel 1 : Zangtheoretische begrippen. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2011, 27e jaargang, nr. 2, pp. 16-28.

-    Plokker, Jaap, Het lied van de waterslager. Deel 2 : Hoofd- of watertoeren. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie februari 2012, 28e jaargang, nr. 1, pp. 30-31.

-    Plokker, Jaap, Geschiedenis. Speurtocht naar de oorsprong van de waterslager - Inleiding. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie mei 2016, 32e jaargang, nr. 2, pp. 16-18.

-    Plokker, Jaap, Geschiedenis. Speurtocht naar de oorsprong van de waterslager - Deel 1: Gedragsmanipulatie - "Konstige Kanarie-Vogels". In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie mei 2016, 32e jaargang, nr. 2, pp. 19-31.

-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Speurtocht naar de oorsprong van de waterslager-Deel 2a - Zangmanipulatie - 'Spreken als een Mensch'. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september, 32e jaargang nr.3, pp. 23-31.

-    Plokker, Jaap, Geschiedenis: Speurtocht naar de oorsprong van de waterslager-Deel 2b - Zangmanipulatie - 'Geleerde Kanarie - Vogels'. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie mei, 33e jaargang nr.2, pp. 3-35 en editie september 33e jaargang nr. 3, pp. 3-7.

-    Plokker, Jaap, Een roller kan geen slager zijn. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari 2017, 33 jaargang, nr.1 pp. 23-33.
Plokker, Jaap, Een roller kan geen slager zijn - Terugblik. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2017, 33 jaargang, nr.3 pp. 8-13.

-    Posthouwer, Corrina, Mijn kweek met waterslagers. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2010, 26e jaargang, nr. 2, pp. 25-29.

-    Uittebroek, Benny, Waterslag. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie september 2008, 24e jaargang, nr. 3, pp. 21-30.

-    Zonderop, Jan, Knorren en Chorren in herhaling. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie februari 2006, 22e jaargang, nr. 1, pp. 6-8.                              

Naast informatie op deze site van de Speciaalclub Zang NZHU is ook veel over het houden en kweken en de zang van waterslagers te vinden op:
-    De site van de vogelvereniging De Kanarievogel te Katwijk www.kanarievogel.nl. Kies "Snelmenu" vervolgens "Artikelen en verslagen". Bijdragen over Waterslagers vindt men  onder "Zangkanaries" en "Waterslagers"
-    De vogelsite van Oege en Sibrand Rinzema, www.dekanarievogel.nl. Men vindt voornoemde bijdragen ook door in de Inhoudsopgave "Zangkanaries" te selecteren.

Timbrado’s
-     Geen

In gesprek met...     Interviews met leden.
-    Jaap Scholte. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, jaargang 2007, nr. 2, pp. 4-7.
-    Tinus Teeuwen. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU,
jaargang 2008, nr. 1, pp. 5-8.
-    Frans Christoffels. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU,
jaargang 2008, nr. 3, pp. 3-9.
-    Rob Bisschops. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU,
jaargang 2009, nr. 2, pp. 3-12.
-    Gerard de Brabander. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, jaargang 2009, nr. 3, pp. 16-26.
-    Jan Zonderop. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU,
jaargang 2010, nr. 1, pp. 22-30.
-    Henk van der Wel. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, jaargang 2010, nr. 2, pp. 14-24.
-    Jacques de Beer. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, jaargang 2010, nr. 3, pp. 21-33.
-    André Hageman, In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU,
jaargang 2011, nr. 2, pp. 5-12.
-    Willem de Jong, In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, jaargang 2011, nr. 3, pp. 9-16.
-    Ton Toet, In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU,
jaargang 2012, nr. 2, pp. 12-20.
-    André Toet, In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU,
jaargang 2012, nr. 3, pp. 7-15.
-    Piet van de Kuil, In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2013, nr. 2, pp. 7-15.
-    Hubert Martina, In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2013, nr. 3, pp. 5-11.
-    Max Gerhards, In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU,
jaargang 2014, nr. 2, pp. 3-9.
-    Freek Schot, In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU,
jaargang 2014, nr. 3, pp. 3-9.
-    Andries Gort, In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2015, nr. 2, pp. 3-13.
-    Joop Aelbrecht, In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU,
jaargang 2015, nr. 3, pp. 3-13.
-    Paul Schilte, In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2016, nr. 2, pp. 5-12.
-    Piet Drop, In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2016, nr. 3, pp. 8-14.
-    Henk Oudshoorn, In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2017, nr. 3, pp. 14-18.


 

Vereniging
-     In memoriam Dirk Venema
-     In memoriam Nico Disseldorp
-     Plokker, Jaap, Van Doelgroep naar Speciaalclub. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie februari 2012, 28e jaargang, nr. 1, pp. 03-14.
-     Plokker, Jaap, Van Doelgroep naar Speciaalclub (vervolg). In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie juni 2012, 28e jaargang, nr. 2, pp. 03- 09.
-     Plokker, Jaap, Samenwerking NBvV en ANBV en de toekomst van de speciaalclubs voor zangkanaries. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie mei 2016, 32e jaargang, nr. 2, pp. 03-04.
-     Plokker, Jaap, Samenwerking NBvV en ANBV en de toekomst van de speciaalclubs voor zangkanarie-vervolg. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2016, 32e jaargang, nr. 3, pp. 03-05.

 

TOP

Algemeen

 


”Samen de schouders er onder!” Een oproep.

 door Jaap Plokker


Jaarwisselingen geven aanleiding om terug te kijken en vooruit te blikken, soms om even te dromen over hoe het ook zou kunnen. Een toekomstdroom over onze sport leidde tot onderstaande hartenkreet.

Een droom
De zangkanariesport wordt al langer dan een decennium geconfronteerd met vergrijzing en een sterk tanende belangstelling; sterker dan de toch al verminderende interesse voor de vogelsport in het algemeen. Waar je zou mogen verwachten dat de mensen die de zangkanariesport een warm hart toedragen, zoals de bestuurders en zangkwekers van de beide bonden ANBV en NBvV, elkaar opzoeken en schouder aan schouder proberen het tij te keren zie je dat men in de praktijk er telkens weer in slaagt verschillen te creëren en er van een gezamenlijk, opbouwend, optreden te weinig terecht komt. Integendeel, men vervalt veel te vaak in navelstaarderij en het elkaar opzoeken én vinden in het, afkeurend, wijzen naar anderen. In plaats van oog te hebben voor de vele overeenkomsten is men gefocust op de verschillen; wat men scheidt krijgt veel te vaak meer aandacht dan wat men bindt.
Is dit het gedrag waarmee we onze geliefde zangkanariesport perspectief voor de toekomst kunnen bieden. Ik geloof er niets van. Willen we de meest klassieke tak van de vogelhouderij ook voor de toekomst veilig stellen dan zullen we ons moeten focussen op onze overeenkomsten en daar waar verschillen zijn die in het algemeen belang en met wederzijds begrip voor elkaar moeten oplossen. Onze zangkanariesport is er alleen bij gebaat wanneer we ons als één, enthousiast, front naar de in het houden en fokken van zangkanaries geïnteresseerde vogelliefhebbers presenteren.

De weerbarstige praktijk
Is er dan helemaal geen zwaluw die de eventuele zomer aankondigt. Eerlijk is eerlijk, de laatste jaren zien we onmiskenbaar een toenadering van de waterslagerkeurmeesters van beide bonden. We kunnen dit alleen maar toejuichen en stimuleren. De in 2007 gepubliceerde artikelen in Onze Vogels met betrekking tot de nieuwe keurlijst voor waterslagers ademen een sfeer van coöperatieve samenwerking. Ook tijdens de keuringen van onze wedstrijd, waar keurmeesters van beide bonden actief zijn is van enige animositeit geen sprake, althans ik heb er niets van gemerkt. Tijdens Vogel 2008 zijn mijn waterslagers gekeurd door Rio Fallaux, een keurmeester van de ANBV.
Dit zijn allemaal hoopvolle tekenen. Toch is van een eensgezind optreden nog lang geen sprake. In de loop van 2007 werden we via publicaties in o.m. Onze Vogels geconfronteerd met een nieuwe keurlijst voor waterslagers. Beide bonden, ANBV en NBvV, zouden die in het TT seizoen 2007/2008 introduceren en iedereen had zich daar dan ook op voorbereid. In oktober bereikte ons het bericht dat het bondsbestuur van de Algemene Bond bij nader inzien er toch van afzag om al met de nieuwe keurlijst aan de slag te gaan en bij de ANBV dus op de valreep alles bij het oude bleef. Als zangkanarieliefhebbers zijn we dus in het afgelopen seizoen geconfronteerd geworden met de situatie dat de waterslagers in Nederland zijn gekeurd met twee verschillende keurlijsten. Ik heb het afgelopen seizoen weinig signalen opgevangen van kwekers die over deze situatie erg enthousiast waren. Elders in dit clubblad wordt dan ook een pleidooi gehouden om voor het komende TT-seizoen terug te keren naar de situatie zoals die voor 2007 was: één gezamenlijke waterslagerkeurlijst voor zowel ANBV als NBvV. 
Helaas beperken de tekenen van samenwerking zich vooralsnog tot de waterslagerwereld. Wat betreft de harzers lijken we, wat ironiserend uitgedrukt, nog te leven in de tijd van de Hoekse en de Kabeljauwse twisten. Althans, als ik de verhalen die me ter ore komen moet geloven. Ik meen te mogen concluderen dat de kloof tussen de opvattingen van de bij de ANBV en NBvV aangesloten harzerkwekers wel erg groot is. Uiteraard claimt iedere partij de wijsheid in pacht te hebben. Ik krijg de indruk dat in de verhoudingen tussen de harzerkwekers van de NBvV en de ANBV vooral door emoties ingegeven argumenten, waarbij prestige, overgeërfde animositeit tussen beide bonden en het daarmee verbonden ‘wij- en zij gevoel’, wellicht ook de nodige betweterigheid, de boventoon voeren.
Op 10 november 2007 waren Ton Diepenhorst, Gerard van Zuylen, Theo Kramp en ondergetekende op een door de Federatie Harzers van de ANBV georganiseerde studiedag in Rotterdam. Terwijl er voor ons in november plek genoeg was om aan te schuiven wist Theo ons te vertellen dat jaren geleden het zaaltje uitpuilde. De teloorgang schijnt zelfs zo groot te zijn dat het voortbestaan van de Federatie in de regio Rotterdam aan een zijden draadje hangt.
Naar ik heb begrepen is dit geen incidenteel maar een landelijk beeld van hoe de harzer zangsport op dit moment binnen de ANBV en NBvV er voor staat. Terwijl het kringetje harzerkwekers steeds kleiner wordt valt de groep ook nog uiteen in kampen die elkaar betwisten over het afzonderlijk beoordelen van kloeken en klokkenrollen, klassieke vogels met een zo gevarieerd mogelijk toerenscala, moderne harzers met een beperkt repertoire, maar die uitblinken in de hoofdtoeren, etc. Leidt het brevet van onvermogen om te zoeken naar en elkaar te vinden in compromissen op den duur tot een zelfdestructie van de harzer zangsport?
Harzerkwekers, -keurmeesters en bondbestuurders van zowel ANBV als NBvV: Als jullie de vraag gesteld wordt welk belang behartigd wordt door je op te splitsen in kampen, ieder voor zich een eigen weg in te slaan en er voor de harzer verschillende keursystematieken op na te houden, wat zal dan jullie antwoord zijn? Is dan de reactie dat dit de weg is om de uitstraling van onze sport naar potentieel nieuwe kwekers te vergroten en de verdere teloorgang een halt toe te roepen? Of speelt in jullie diepste wezen iets mee van prestige, eergevoel, het niet onder willen doen voor de ander, het menen alleen de wijsheid in pacht te hebben? Kunnen jullie je indenken dat de gedachte wel eens in me opkomt dat dit laatste te vaak het geval is?
 
Samen kan wél
De praktijk laat zien dat er ook heel veel zangkanariekwekers in staat zijn over de grenzen van beide bonden heen te kijken. Zo blijkt o.m. de Doelgroep Zang NZHU in staat bruggen te slaan tussen de zangkanariekwekers van beide bonden. Het is wel degelijk mogelijk dat zangkanariekwekers ongeacht hun denominatie op een positieve manier met elkaar hun hobby kunnen beleven. Dit is, mijn inziens, ook de enige manier om onze sport op een adequate wijze te promoten. Het is, ‘dankzij’ de verschillende keurlijsten, een kwestie van geven en nemen, maar de harzerkwekers van beide bonden krijgen bij ons dezelfde waardering en hebben tijdens de zangwedstrijden gelijke kansen. Tijdens onze studiedagen zijn we samen zangkanarieliefhebbers en is er niemand die je vraagt van welke bond je bent. Tijdens de studiedag van 29 december 2007 hebben we, o.m., samen geluisterd naar de vogels en de bezielende en deskundige uitleg van Lis Reichgelt (ANBV) over harzers en Andries Gort (NBvV) over waterslagers; we hebben gekeken naar een oude video-opname van een t.v. interview met Wim Schimmel. De bevlogenheid waarmee deze kweker over zijn harzers sprak maakte op ons bijzonder veel indruk. Dan blijken de overeenkomsten tussen de leden van beide bonden en de manier waarop zij hun hobby beleven veel groter dan de verschillen. Maar hoe overtuigen wij die collega kwekers en bondsbestuurders die nog te veel ‘vastgeroest’ zitten aan het verleden en het eigen gelijk? En bovenal, zijn zij bereid, behalve naar de eigen sportbeleving, ook naar de toekomst van onze sport te kijken?
Het enige wat wij als leden kunnen doen is dat wij ieder binnen onze eigen organisatie onze bestuurders oproepen om te laten blijken dat de toekomst van de zangkanariesport hun na aan het hart ligt. Zij kunnen deze intentie voor iedereen waarneembaar maken door op korte termijn initiatieven te nemen dat uiteindelijk zal moeten leiden tot, voor zowel ANBV als NBvV, één gezamenlijke keurlijst voor waterslagers, één keurlijst voor harzers én een voor de afzonderlijke rassen uniforme jurering. Wat betreft de waterslagers heb ik er echt fiducie in dat in de komende jaren een verdergaande constructieve samenwerking mogelijk is. Het wachten is nu op ook hoopvolle signalen vanuit de harzerwereld. ‘Samen de schouders er onder!’ is mijn devies. Is mijn hartenkreet ook de jouwe? Wat let je dan?
 
Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2008, nr. 1, pp. 22-22.

TOP

-0-
 

Het fokken van zangkanaries en wetenschappelijk onderzoek

door Jaap Plokker

Sedert met name de jaren ’80 van de vorige eeuw richten steeds meer fokkers van zangkanaries hun blik op wetenschappers die de ontwikkeling van zang bij vogels onderzoeken. Het gevolg hiervan is dat, naar mijn stellige indruk, door de zangkanariefokkers tegenwoordig veel meer aandacht wordt geschonken aan het zangmilieu en de voorzang dan voorheen. Het bewust manipuleren van het zangmilieu met behulp van  streng geselecteerde voorzangers in zowel de natuurlijke verschijningsvorm als via cassetterecorders (vroeger) en CD-spelers (tegenwoordig) vindt steeds meer ingang. Via publicaties in vogeltijdschriften worden de zangkanariefokkers op de hoogte gesteld van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. In deze aflevering van het clubbad vinden jullie over dit thema nog een uitgebreid artikel van de hand van Gerrit Frank, een van de auteurs die al lang geleden kwekers op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en het belang van voorzang attent maakte. Ik krijg nog wel eens de indruk dat de resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar de oorsprong van de zangontwikkeling bij een specifieke vogelsoort vrij kritiekloos worden getransponeerd naar de zangontwikkeling bij zangkanaries. Hoog tijd dus voor enige nuance.

Elke zangvogel is nog geen kanarie

Eén van de doelen van wetenschappelijk onderzoek is het komen tot algemeen geldende uitspraken. Wanneer ik op 1000 verschillende plaatsen op aarde een appel loslaat zal de appel zich na het loslaten in de richting van het aardoppervlak bewegen. We kunnen deze proef nog honderdduizend keer herhalen, maar steeds zal de conclusie hetzelfde zijn, nl. dat de aarde voorwerpen aantrekt. We zouden dit een wetenschappelijk bewezen feit kunnen noemen en Isaäc Newton is met het voorbeeld van de vallende appel de wereldgeschiedenis ingegaan. Aantrekkingskracht van de aarde is geen uniek verschijnsel in het heelal, integendeel. Alles was massa heeft, hoe klein ook, bezit aantrekkingskracht. Dit geldt niet alleen voor Aarde, maar ook voor onze maan, Mars, Venus, Jupiter en ga zo maar door. Eén van de uitingsvormen van die aantrekkingskracht is gewicht. Echter, als Jaap Plokker in Katwijk aan Zee op de weegschaal gaat staan en de wijzer 100 kilo aangeeft, wil dat niet zeggen dat ik overal 100 kilo ben. Op onze maan ben ik veel lichter en van mijn gewicht op Jupiter ben ik in het Aviodome in Lelystad onlangs behoorlijk geschrokken. In wetenschappelijk opzicht maakt het zelfs uit of ik op Aarde me op de noordpool of op de evenaar weeg. Over mijn gewicht kunnen dus geen algemeen geldende uitspraken gedaan worden. Mijn gewicht als zodanig is dus geen wetenschappelijk feit. Dat wordt het pas wanneer ook wordt aangegeven op welke plaats ik me gewogen heb en hoe groot de gravitatie op die plek is.
Als we bovenstaande voorbeelden m.b.t. de zwaartekracht betrekken op de zangontwikkeling bij vogels dan moeten we veeleer kijken naar de variabelen die er t.a.v. van mijn gewicht bestaan dan naar de algemene wetmatigheid van de vallende appel ongeacht op welke plaats je je op aarde bevindt. Met andere woorden: conclusies van onderzoek naar zangontwikkeling bij merels gelden in de eerste plaats voor merels en of ze ook van toepassing zijn op waterslagers of harzers zal pas voor 100% zeker zijn wanneer we datzelfde onderzoek ook bij waterslagers en harzers hebben verricht. We mogen onderzoeksresultaten over zangontwikkeling bij een specifieke vogelsoort niet veralgemeniseren naar alle vogelsoorten, omdat wetenschappelijk onderzoek inmiddels ook heeft aangetoond dat er in de zangontwikkeling bij vogels grote verschillen tussen de diverse vogelsoorten bestaan. Ik heb de stellige indruk dat sommige auteurs die artikelen schrijven over de toepassing van wetenschappelijk onderzoek bij het fokken van zangkanaries hier nogal lichtvaardig mee omspringen en te snel geneigd zijn resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar de zangontwikkeling bij specifieke vogelsoorten direct op de zangkanaries te betrekken. Misschien is de wens wel de vader van de gedachte, maar helaas, de werkelijkheid is heel wat gecompliceerder. Veel conclusies die in de literatuur, zoals artikelen in Onze Vogels en Vogelvreugd, met een zekere stelligheid aan de zangontwikkeling van zangkanaries worden verbonden zijn niet meer, maar ook niet minder dan veronderstellingen. Als zodanig moeten we ze, vooralsnog, interpreteren en er in onze dagelijkse fokpraktijk mee omgaan.

(Neuro)fysiologen en ethologen
Op vragen zoals ‘Wat wordt in het uiteindelijke lied van m’n zangkanaries nu bepaald door erfelijke en wat door omgevingsfactoren?; ’Wanneer begint bij mijn zangkanaries de zangontwikkeling en hoe lang duurt deze periode?’; ‘Hoe groot is het imitatievermogen van mijn zangkanarie om kunstmatige voorzang blijvend in zijn lied te verwerken?’ willen we als kanariefokkers graag een antwoord. Eerlijk is eerlijk, we weten al veel meer dan vorige generaties zangkanariefokkers, maar er blijven nog veel vraagtekens over. Onderzoeksresultaten bij andere vogelsoorten kunnen een vingerwijzing zijn voor de zangontwikkeling bij onze waterslagers en harzers, maar zolang dit met specifiek onderzoek bij zangkanaries niet is aangetoond blijven het veronderstellingen.
Kijken we naar welke wetenschappers zich met de zangontwikkeling bij vogels bezig houden dan moeten we onderscheid maken in fysiologen en psychologen of ethologen. Ethologen zijn vooral geïnteresseerd in het waarneembaar gedrag van vogels. Fysiologen (neurofysiologen) kijken naar de processen die zich in de vogel zelf voltrekken en ten grondslag liggen aan het gedrag. Zij richten zich met name op het zenuwstelsel. Beide disciplines hebben hun eigen werkterrein, maar vullen elkaar aan zodat de verklaring van het vogelgedrag niet alleen voor ons zichtbaar en herkenbaar is, maar we ook inzicht krijgen waarom de vogel zich gedraagt zoals hij zich gedraagt.1

Aangeboren en aangeleerd
Wat wordt nu in vogelzang aangeboren en wat wordt geleerd? Wilde eendjes die in een broedmachine zijn uitgekomen reageren meteen de eerst keer op de roep van een wilde eend en kunnen de roep van andere erop lijkende roepen onderscheiden, zonder dat ze het geluid van een eend ooit gehoord hebben. Uit onderzoek is gebleken dat het heel goed mogelijk is dat de kuikens dit onderscheidingsvermogen niet alleen genetisch hebben meegekregen maar ook hebben geleerd, omdat in het ei eendenkuikens geluiden kunnen waarnemen die ze zelf maken of die in het nest door andere zich nog in het ei bevindende kuikens maken. Dit geluid lijkt overigens in de verste verte niet op het geluid van een volwassen eend. Mogen we op grond van het bewezen feit, dat eendenkuikens in het ei al geluiden waarnemen en dit invloed heeft op hun gedrag na het uitkomen, concluderen dat ook onze zangkanariejongen al in het ei geluid waarnemen wat wellicht van invloed kan zijn op het uiteindelijke lied dat ze zingen? Nee, dat mogen we niet, maar het onderzoek toont aan dat in de vogelwereld het verschijnsel van in het ei lerende jongen bestaat en we dus met de mogelijkheid rekening moeten houden dat dit ook bij onze zangkanaries zou kunnen gebeuren. Of dit werkelijk ook zo is zal onderzoek met zangkanaries moeten uitwijzen. Ik heb horen verluiden dat ook met andere vogelsoorten dan eenden vergelijkbare proeven zijn genomen, maar publicaties hieromtrent zijn mij onbekend. Het antwoord op de vraag of er ooit met kanaries soortgelijke proeven zijn gedaan moet ik dus schuldig blijven.

Voor zangkanariekwekers interessante proeven met de witkeelgors
Is zang nu volledig aangeboren of is het aangeleerd gedrag. Manning noemt de ontwikkeling van de zang van vogels één van de fraaiste voorbeelden van het volmaakt in elkaar grijpen van overgeërfde en aangeleerde componenten tijdens de ontwikkeling. Als voorbeeld geeft hij een onderzoek naar de zangontwikkeling van de Amerikaanse witkeelgors. De vinkensoort komt voor in een groot verspreidingsgebied aan de Noord-Amerikaanse Stille Oceaankust en als gevolg van dat grote verspreidingsgebied zijn er duidelijk verschillende dialecten te onderscheiden. Toen men jonge mannetjes onmiddellijk nadat ze uit het ei waren gekomen van het nest wegnam en ze in geluiddichte kamers liet opgroeien gingen ze uiteindelijk allemaal, ongeacht het gebied waar ze vandaan kwamen vereenvoudigde versies van de normale zang produceren, die sterk op elkaar leken. De zang van de witkeelgors was kennelijk aangeboren, het aan de streek gebonden dialect moest in de praktijk van de volwassen vogels geleerd en met hun eigen eenvoudige zangpatroon in overeenstemming worden gebracht. Tot de leeftijd van drie maanden kon men geïsoleerde mannetjes door het afspelen van op de band opgenomen zang zo ver brengen dat ze hun eigen of een ander dialect aanleerden, hoewel de resultaten van een dergelijke training pas merkbaar werden toen de vogels zelf enige maanden later begonnen te zingen. Toen ze ouder waren dan vier maanden waren de vogels niet langer ontvankelijk voor deze training; hun gezang, zoals dat tevoorschijn kwam toen ze gingen zingen, werd er niet meer door beïnvloed. De jonge vogels droegen de herinnering aan de zang die ze om zich heen gehoord hadden met zich mee en reproduceerden deze toen ze zelf begonnen te zingen.
In een ander onderzoek werden witkeelgorzen op uiteenlopende leeftijden volkomen doof gemaakt. Vogels die doof werden gemaakt juist nadat ze het nest hadden verlaten gingen later wel zingen, maar alleen een onsamenhangende reeks tonen. De witkeelgors moet zichzelf kunnen horen om het erfelijke zangpatroon te kunnen reproduceren. Het lijkt er dus op dat de witkeelgors niet het vermogen erft om de vereenvoudigde zang te produceren, maar eerder een soort neutraal voorbeeld van hoe de zang behoort te klinken, waarmee de vogel de tonen die hij zelf voortbrengt vergelijkt en waaraan hij deze vervolgens aanpast. Verder onderzoek toonde aan dat witkeelgorzen zichzelf moeten kunnen horen om het gezang dat ze voortbrengen in overeenstemming te kunnen brengen met het patroon dat in hun geheugen is opgeslagen. Hebben de gorzen hun eigen geluid eenmaal volmaakt en zelf de volwassen zang gezongen, dan kunnen ze verder normaal blijven zingen, zelfs als ze doof worden gemaakt. Bij de witkeelgors is dit het stadium waarin de ontwikkeling van de zang voltooid is; na zijn eerste lente is de vogel niet langer ontvankelijk voor verdere ervaringen en hij houdt gedurende zijn hele verdere leven vrijwel hetzelfde zangpatroon.3

Opgelet: Witkeelgorzen zijn geen waterslagers of harzers!
Wat valt de zangkanariekweker nu het meest op in deze onderzoeksresultaten met Amerikaanse witkeelgorzen. De gors heeft kennelijk een aangeboren vermogen om een neutraal soorteigen zang te produceren. Dit kan hij alleen ontwikkelen wanneer hij tijdens het leerproces zichzelf hoort. Er vindt een interactie plaatst tussen geheugen en gehoor met als resultaat soorteigen zang. Het ontwikkelen van dat geheugen is een combinatie van overgeërfde informatie en het horen van soortgenoten. Het ontstaan van regionale verschillen in de zang van de gors is niet aangeboren, maar uitsluitend het gevolg van horen en zelf leren zingen. De totale periode waarin de witkeelgors zijn eigen, persoonlijke lied ontwikkelt duurt vier maanden en beslaat een periode waarin de vogel zelf niet gezongen heeft. Na een jaar heeft de gors zijn volwassen zang ontwikkeld en hij blijft de rest van zijn leven dit lied behouden.
Het is nu heel verleidelijk om deze onderzoeksresultaten met witkeelgorzen te transponeren naar onze zangkanaries. Maar …… in dit experiment zijn witkeelgorzen bestudeerd en geen waterslagers of harzers en wie zegt dat wat voor de witkeelgors opgaat ook voor de waterslager of harzer geldt? Manning waarschuwt ons al volgt:
‘We mogen niet al te veel generalisaties afleiden uit dit voorbeeld, want een opvallend kenmerk van de ontwikkeling van de vogelzang zijn de grote verschillen tussen de diverse soorten’.4
De zang van de vink, bijvoorbeeld, ontwikkelt zich op ongeveer dezelfde wijze als die van de witkeelgors, maar Oregon-junco’s en indigovinken blijven hun zang nog minstens een jaar lang aanpassen naar gelang hun ervaringen. Merels kunnen hun leven lang kleine wijzigingen blijven aanbrengen in hun zang.5
En zangkanaries? Neurofysiologen hebben ontdekt dat de hersenomvang van zangkanaries, met name het deel waarin de zang wordt gereguleerd, fluctueert. Tijdens de rui, wanneer de vogel niet zingt, daalt het aantal zenuwcellen in het hersengedeelte dat de zang aanstuurt om vervolgens, naarmate het voorjaar nadert, weer in aantal toe te nemen. Met het afsterven van de zenuwcellen verliest de kanarie een deel van zijn zanggeheugen. Wanneer hij na de rui zijn zangstudie weer oppakt kan hij maar deels teruggrijpen op zijn geheugen waarover hij voor de rui beschikte. Het gevolg is dat het nieuwe lied dat de mankanarie gaat zingen kan afwijken van het lied dat hij voor de rui zong. Als zangkanariekwekers kennen we het verschijnsel dat we een man gekocht hebben die op den duur zijn zang helemaal aanpast aan het nieuwe zangmilieu waarin hij zich bevindt. Witkeelgorzen zou dit dus niet overkomen, zangkanaries wel. Dankzij de neurofysiologen weten we nu ook waarom en kunnen we ook onze methoden bedenken om de mankanarie te helpen zijn verloren gegane geheugen weer op te frissen in de hoop dat hij weer hetzelfde zingt als voor de rui.6   

Oude wijn in nieuwe zakken
Regelmatig wordt het imitatietalent van onze zangkanarie geprezen. Dat onze zangkanarie kan imiteren is een vaststaand feit. Al in de 18e eeuw, misschien zelfs al in de 17e eeuw, werden zangkanaries, die nog nauwelijks soorteigen zang hadden gehoord geïsoleerd en deuntjes aangeleerd met behulp van fluitjes, flageoletjes en zogenaamde zangorgeltjes of serinettes.7
Van Joop Aelbrecht kreeg ik jaren geleden een artikeltje uit De Telegraaf over een Amerikaans onderzoek dat dit oude gebruik bevestigt. De onderzoekers hadden zich blijkbaar niet erg verdiept in de geschiedenis van de zangkanarie, want wat zij als wetenschappelijk ontdekking presenteerden was 300 jaar geleden bij de vogelhouders al bekend.
“Jonge kanaries kunnen wezenvreemde liedjes leren, maar passen in hun volwassenheid de liedjes zo aan dat het toch weer kanariemelodietjes zijn. Dat blijkt uit onderzoek van wetenschappers van de Rockefeller University in de Verenigde Staten. Deze manier van herprogrammeren doet denken aan de flexibiliteit van mensen die in staat zijn om op volwassen leeftijd hun taal aan te passen. Deze vaardigheid is bij vogels niet eerder aangetoond, aldus de betrokken onderzoekers Fernando Nottebohm en Dorothea Leonhardt, die de resultaten van hun studie gisteren bekend maakten in het wetenschappelijke tijdschrift Science.
Er zijn maar weinig vogels die de specifieke vogelgeluiden van andere soorten imiteren. De jongen bootsen over het algemeen hun oudere soortgenoten na. Zo ook kanaries. Ze luisteren naar hun ouders en andere volwassen kanaries, imiteren, oefenen en zijn na verloop van tijd in staat de karakteristieke kanarie deuntjes te fluiten. De onderzoekers waren benieuwd of de anekdote, dat kanaries andere deuntjes kunnen leren, op waarheid berustten. Ze componeerden op de computer een wijsje dat niet overeenkomt met de regels van een kanarieliedje. Kenmerkend is dat ze veel in herhaling fluiten. Dit kenmerk werd weggelaten en zo ontstonden twee liedjes die nooit voorkomen in het repertoire van een volwassen kanarie. In totaal werden 16 kanaries bestudeerd die nooit een volwassen soortgenoot hadden horen zingen. De jongen werden van hun moeders gescheiden nog voordat de moeders geluiden hadden laten horen. De jongelingen kregen via de computer de speciaal gecomponeerde deuntjes aangeboden en tegelijkertijd werden de geluiden die de dieren produceerden opgenomen. Deze reeksen werden door de computer geanalyseerd. In totaal werden 15.000 liedjes opgenomen en voor ieder individuele vogel bekeken. Het merendeel van de onderzochte kanaries floot de aangeboden klanken na. Ze bleven de niet‑kanarieachtige reeksen klanken gedurende vele maanden produceren. Tot de volwassenheid toesloeg. Alle vogels pasten hun aangeleerde liedjes aan rond het tijdstip dat ze geslachtsrijp werden. Ze lieten de aangeleerde klanken voor het overgrote deel vallen en de geluiden die ze bleven gebruiken werden herhaald zoals volwassen kanaries dat plegen te doen. De proefvogels produceren tijdens hun volwassen leven overigens nog af en toe delen van de aangeleerde computerreeks. Volgens de onderzoekers betekent dit dat aangeleerde liedjes los kunnen staan van de deuntjes die gebaseerd zijn op volwassen kanarieregels. We hebben geen idee hoe dit op hersenniveau werkt. Het lijkt nog het meest op mensen die twee verschillende talen spreken, bijvoorbeeld Duits en Engels met twee totaal verschillende grammatica’s. Een niet geringe prestatie voor een vogel ", aldus Nottebohm.8
Ik heb ooit van een medeverenigingslid gehoord dat hij kanaries hield met wildzang en dat dit in het lied van zijn waterslagers te horen was. Maar hoe zit het met het imitatietalent bij andere vogels? Witkeelgorzen kunnen alleen de zang van de witkeelgors aanleren. Wanneer ze tijdens de gevoelige periode in aanraking worden gebracht met niet soorteigen zang dan blijkt dat uiteindelijk niet van invloed te zijn geweest op hun eenvoudige witkeelgorsliedje. Ook de gewone vink vertoont vrijwel hetzelfde gedrag. Wat betreft de bouw van de syrinx, het orgaan van de geluidsproductie, nauw aan de vink verwante vogels als de groenling en de goudvink vertonen een weinig ontwikkelde natuurlijke zang, maar kunnen goed imiteren en doen het gezang van vele andere soorten na. Een variatie op dit thema vinden we bij zebravinken. Daar blijkt de jonge zebravink zich voor de ontwikkeling van zijn eigen lied zich vooral te concentreren op de zang van het mannetje dat geholpen heeft hem groot te brengen, zelfs als dat geen zebravink is. Jonge zebravinken kiezen dus de vogel uit die ze als voorbeeld voor de ontwikkeling van hun eigen lied willen gebruiken. En de door pleegouders opgegroeide koekoek? …. Hij zingt als een koekoek.9

Conclusie
Zangkanariekwekers proberen de zang van de door hen gefokte mannen te manipuleren in de door hen gewenste verschijningsvorm. Ze proberen dat door het in hun ogen juiste fokmateriaal te selecteren en het gewenste zangmilieu samen te stellen. Dit laatste wordt gevormd door streng selecteerde voorzangers en/of het afspelen van geluidsdragers met de door de kweker gewenste vogelzang. Zangkanariekwekers hebben nog steeds geen afdoend antwoord gekregen op de vraag in welke mate de verervingfactoren en in welke mate het zangmilieu bepalend is voor het uiteindelijke lied van de zangkanarieman. Wel bestaat er min of meer consensus over de opvatting dat beide factoren van belang zijn. Op dit moment neigt men steeds meer naar de opvatting dat het zangmilieu meer invloed heeft op het uiteindelijke lied dan de erfelijke factoren. Op de vragen welke factoren van belang zijn bij de ontwikkeling van het uiteindelijk lied en in welke mate, kan gebruik gemaakt worden van wetenschappelijk onderzoek naar vogelgedrag in het algemeen en de zangontwikkeling van vogels in het bijzonder. Door het nauwgezet onderzoeken van vogelgedrag en neurologische processen is al veel bekend geworden over de zangontwikkeling bij diverse vogelsoorten. Het is verleidelijk om deze onderzoeksresultaten direct te betrekken op de zangontwikkeling bij zangkanaries, maar hierin schuilt een groot gevaar. Gebleken is namelijk dat er tussen de diverse zangvogelsoorten, zelfs genetisch zeer verwante soorten, grote verschillen kunnen bestaan in de ontwikkeling van de zang. Resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar zangontwikkeling gelden derhalve primair voor de soort die onderzocht is en mogen niet direct toegepast worden op de zangontwikkeling bij kanaries. Ze geven niet meer, maar ook niet minder een indicatie van wat ook op zangkanaries van toepassing zou kunnen zijn. Of dat werkelijk zo is kan alleen wetenschappelijk onderzoek naar zangontwikkeling bij kanaries aantonen.
Ik hoop dat zangkanariekwekers en lezers van artikelen in vogeltijdschriften, waarin allerlei beweringen worden gedaan over de invloed van erfelijkheid en zangmilieu bij zangkanaries aan de hand van proeven met vogels, de teksten met aandacht, maar ook met een gezonde kritische houding, zullen lezen en bovenstaande conclusie zich ter harte zullen nemen, wanneer ze de inhoud van desbetreffende artikelen zouden willen toepassen op hun eigen kweekpraktijk.
 

Noten
1. Manning, A., Diergedrag, Inleiding in de vergelijkende gedragsleer, pp. 1-2. Utrecht/ Antwerpen, 1982.
2. Ibidem, p. 31.
3. Ibidem, pp. 65-68.   
4.
Ibidem, p. 67. 
5.
Ibidem, p. 67. 
6. Nottebohm, F. & M.E. Nottebohm, Relationship between song repertoire and age in the canary, passim. Zeitschrift für Tierpsychologie nr. 46, 1978. Nottebohm, F., A brain for all seasons: Cyclical anatomical changes in song control nuclei of the cana-ry brain. Science 214: 1368-1370 (1981). Internet. Kirn, J.R., B. O’Loughlin, S. Kasparian,  F. Nottebohm, Cell death and neuronal recruitment in the high vocal center of adult male canaries are temporally related to changes in song. Proc. Natl. Acad. Sci. USA 19, pp. 7844-7848 (1994), Internet. Nottebohm, F., The neural basis of birdsong (2005), Internet.
7. Hervieux, J.C., Naaukeurige verhandeling van de Kanarivogels, pp. 87-97. Amsterdam 1712.
8. De Telegraaf, stadseditie, 14 mei 2005.
9. Manning, A., o.c. pp. 68-69.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2009, nr. 3, pp. 38-49.

-0-
 


TOP

 

Tussen tulpen en de zee

door Jaap Plokker

‘Tussen tulpen en de zee’ is de titel van een in het najaar van 2011 verschenen, bijzonder fraai vormgegeven boek, over de vogelwereld in de Duin- en Bollenstreek. In dit boek uiteraard ook aandacht voor de nachtegaal, bij wiens zang het hart van menig vogelliefhebber, met name dat van de waterslagerkwekers, wat harder gaat kloppen.

Iedere volkstuinder heeft jaarlijks momenten dat het aanbod van verse groente groter is dan de maag kan verstouwen. Omdat ik niet zo’n fervent voorstander ben om ieder overschot in te vriezen varen mijn familie, kennissen en buren er wel bij dat ik een volkstuin heb. Met mijn buurman Peter Spierenburg heb ik gemeen dat we beiden van vogels houden. Ik houd vogels in een kooitje en Peter trekt bij nacht en ontij en bij regen en zonneschijn met zijn fotoapparatuur, verrekijker en notitieblok er op uit om in de vrije natuur naar vogels te kijken en te registreren. Enige weken geleden stond hij opeens voor me met een lijvig boekwerk getiteld ‘Tussen tulpen en de zee’, dat hij samen met Jelle van Dijk en Hans van Stijn had geschreven. Hij wilde me iets teruggeven voor alle groente die hij inmiddels van mij had gekregen. Ik heb het boek uiteraard met grote dankbaarheid in ontvangst genomen en zodra ik er die dag gelegenheid voor had heb ik het ingekeken en doorgebladerd. Ik was onder de indruk van de vele schitterende, haarscherpe, foto’s die in het volledig in full colour uitgegeven, 368 bladzijden dikke boek zijn afgedrukt.1
‘Tussen tulpen en de zee’, met als ondertitel ‘Vogels van de Duin- en Bollenstreek’ is het resultaat van decennia lang vogels waarnemen en inventariseren in een gebied dat zich uitstrekt van Katwijk tot aan De Zilk. Gebeurde het waarnemen en inventariseren aanvankelijk op incidentele basis door enkele enthousiaste individuen, sedert de oprichting van de Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk in 1966 en met name vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw gebeurt dit steeds systematischer.
De Duin- en Bollenstreek is een voor vogellaars bijzonder interessant gebied, omdat binnen een paar kilometer je de meest uiteenlopende biotopen met een eigen vogelwereld aantreft. Allereerst is er het strand en de zeevogels, vervolgens het duingebied en achter de duinen de geestgronden waarop traditioneel bloembollen geteeld worden. Hoewel het areaal cultuurgrond de laatste jaren als gevolg van de verstedelijking van de Duin- en Bollenstreek aanzienlijk is gekrompen is er nog voldoende leefruimte overgebleven voor de op het akker- en weiland, in de bossen en bosjes en op en langs waterwegen verblijvende vogels. Daarnaast is vooral de zeereep een ideale plek om de vogeltrek te volgen. Zowel te Noordwijk als te Katwijk zijn vaste punten waar tijdens de vogeltrek vele vogellaars met verrekijker, fototoestel en notitieblok klaar staan om te registreren welke vogelsoorten er over zee, tot zover het oog reikt, of over de duinen passeren. De in de loop van de jaren verzamelde gegevens, incidenteel en structureel, zijn in het boek verwerkt en geven een goed beeld van de ontwikkelingen in de vogelstand in de Duin- en Bollenstreek in, met name, de afgelopen 30 jaar.
Al bladerende ging mijn bijzondere aandacht uit naar de in het boek beschreven lotgevallen van de nachtgaal. De trouwe lezers van ons clubblad weten inmiddels dat de fietsroute naar mijn volkstuin, vlakbij het voormalig vliegveld Valkenburg, langs de duinrand van de Katwijkse Zuidduinen voert en daar in het voorjaar, in de dichte struikbegroeiing, diverse nachtegalen hun lied laten horen. Ik vermeld in ons clubblad regelmatig wanneer ik in het voorjaar de eerste nachtegaal heb gehoord. Meestal is dat rond 20 april. Komend vanuit hun Afrikaans overwinteringsgebied arriveren de meeste nachtegalen tussen 10 en 20 april in de duinen. De vroegste waarneming is van 31 maart 2004. Wie in de zomervakantie naar Katwijk wil komen om naar nachtegalen te luisteren is te laat, want in de maanden juli en augustus vertrekken ze al weer richting het zuiden. De tot op heden laatste waarneming in de Duin- en Bollenstreek dateert van 5 september 2010.2
De Katwijkse Zuidduinen behoren tot een uitgestrekt duingebied tussen Scheveningen en Katwijk, dat alleen door een voor auto’s toegankelijke weg van Wassenaar naar Wassenaarse Slag wordt doorsneden. Ik ben geen fanatieke vogelspotter en doorkruis dit duingedeelte hooguit op de fiets over het pad wat van Katwijk naar Scheveningen voert, maar uit eigen ervaring weet ik dat, bijvoorbeeld, in het rijkelijk van struweel voorziene Meijendel ten westen van Wassenaar in het voorjaar ook volop de zang van nachtegalen te horen is.


Cover van het in dit artikel besproken boek.

Ontwikkelingen in het bestand van de nachtegaal
De Katwijkse Zuidduinen behoren niet tot het onderzoeksgebied van de Noordwijkse vogellaars. Dit geldt wel voor de Katwijkse Noorduinen, ook wel de Coepelduynen genoemd. Deze 4 km lange duinstrook, die niet verder dan 1,5 km landinwaarts reikt, bestaat voor het overgrote deel uit jonge duinen die in de vroege middeleeuwen in de verzande Rijnmonding zijn ontstaan. Dit duingebied was met name in mijn jeugdjaren me goed bekend, omdat ik met mijn vader er heel vaak naar toe ging om bramen te plukken. De Coepelduynen waren in mijn jeugdjaren heel open en er groeiden nauwelijks struiken. Tijdens inventarisatierondes in de jaren ’70 en begin jaren ‘80 werden hier geen nachtegalen aangetroffen. Inmiddels is het uiterlijk van dit duingebied aanzienlijk veranderd: veel gevarieerder geworden. Door afplaggen zijn onbegroeide stukken ontstaan waardoor weer natuurlijke zandverstuiving plaatsvindt en anderzijds heeft de schaars aanwezige struweelbegroeiing zich aanzienlijk uitgebreid tot in de richting van de zeereep. Bij een volgend inventarisatieproject gedurende de jaren 2003-2007 werden in dit duingebied 10 territoria van nachtegalen gesignaleerd. Tijdens een fietstocht door de duinen van Noordwijk naar Katwijk heb ik afgelopen voorjaar, op hemelsbreed nog geen 300 meter van het strand, een nachtegaal horen zingen.
Bovenstaande illustreert dat de nachtegaal in het duingebied zich vestigt in gebieden waar het struweel tot ontwikkeling komt. Een vergelijkbare ontwikkeling heeft plaatsgevonden in het duingebied tussen Noordwijk en  de provinciegrens met Noord Holland. Met dit verschil dat in de Noordwijkse Noordduinen in de jaren ’80 grote gebieden waren met dichte struikbegroeiing en daar de nachtegaal toen al volop aanwezig was. Ook in dit duingebied is het areaal struweel inmiddels gegroeid en met deze uitbreiding ook het aantal nachtegalen. Omdat er ook steeds meer broedende nachtegalen buiten het duingebied worden gesignaleerd bestaat de indruk dat er in het duinstruweel een vorm van overbevolking plaatsvindt en de nachtegaal dus op zoek moet naar alternatieven elders.
De nachtegaal komt, naar wordt aangenomen, als gevolg van een toename van het areaal struweel in de Duin- en Bollenstreek steeds vaker voor. De toename van het aantal territoria tussen medio de jaren ’80 en heden is significant. Men schat het huidige aantal broedparen in het gebied tussen Katwijk en de grens met de provincie Noord Holland op 500-550.
Inventarisaties elders in de Hollandse kuststrook vertonen een vergelijkbaar beeld. Men schat dat meer dan de helft van de Nederlandse populatie nachtegalen op dit moment in het Noord-Zuidhollands duingebied broedt. Deze groei staat in schril contrast tot de stand van de nachtegaal elders in Nederland. In grote delen van Nederland, met name op de zandgronden, is de nachtegaal als broedvogel verdwenen.3  


Geregistreerde territoria van nachtegalen in de Duin- en Bollenstreek gedurende de perioden 1984-1988 en 2003-2007. (Bron: Tussen tulpen en de zee, p. 291.)

Slot
Tijdens de studiedag van onze wedstrijd op 29 december jl. zat ik met een paar waterslagerkwekers te luisteren naar het lied van één vogel, omdat het leren herkennen en beoordelen van toeren dan veel gemakkelijker is. Een gespreksonderwerp was toen het verschil tussen een golvend en een geslagen lied en om dat verschil duidelijk te kunnen maken vroeg ik wie wel eens naar nachtegalen in de vrije natuur ging luisteren of geluisterd had. Het waren er niet veel. Ik ben van mening dat een waterslagerfokker, die zich wil ontwikkelen tot een specialist, kennis van het nachtegaallied zou moeten hebben. Dat kan uiteraard van een cd, maar wat is mooier dan op een zwoele voorjaarsavond, in het schemerdonker, in de vrije natuur van de zang van een of meerdere nachtegalen te genieten? Luisteren naar nachtegalen is niet luisteren naar het lied zoals we dat van onze waterslagers zouden moeten horen, maar wel teruggaan naar de bron waaruit onze sport en het zangkanarieras dat we kweken is ontstaan. Ik vind het belangrijk dat we ons contact met de bron van onze sport, het nachtegaallied, niet verliezen. Ik weet dat kwekers, en zeker niet de minsten, openlijk de mening ventileren dat de waterslager als nachtegaalzanger zijn tijd heeft gehad en we, in navolging van onze zuiderburen, het geslagen waterslagerlied, zijnde uit de tijd, vaarwel moeten zeggen. Het zal toch niet zo zijn dat we met het blindelings volgen van de waan van de dag en de grillen van de actualiteit onze traditie verwaarlozen en straks zal blijken dat we met het badwater ook het kindje hebben weggegooid? Laten we de eeuwenlange band tussen onze waterslager en het nachtegaallied met respect behandelen en in ere houden door het nachtegaallied als referentie te koesteren. Het is echt geen straf om bij de les te blijven door op zo’n zwoele voorjaarsavond naar nachtegalen te luisteren. Dat veel Nederlanders en waterslagerkwekers om die ervaring te kunnen ondergaan steeds minder dicht bij huis terecht kunnen, maar wellicht naar de duinen moeten gaan is natuurlijk jammer. In een artikel in het septembernummer van vorig jaar  heeft Krien Onderwater in ons clubblad verteld over zijn ervaringen met het luisteren naar nachtegalen in de duinen bij Katwijk. Hij nodigde mensen, die dat ook eens wilden meemaken, uit om met hem contact op te nemen. Grijp die kans komend voorjaar.

Noten
1.  Dijk, J. van, P.J. Spierenburg en H.J. van Stijn, Tussen tulpen en de zee, Vogels van de Duin- en Bollenstreek. Uitgave Vereniging voor Natuur- en Vogelbescherming Noordwijk. Noordwijk 2011. 368 blz. ISBN 978-90-805308-0-5.
2. Ibid. p. 291
3. Ibid. p. 291

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2012 nr. 1, pp. 32-37.


TOP


-0-
 

Geschiedenis

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

 

Aria’s zingende goudvinken

door Jaap Plokker

Wat doet een artikel over Europese cultuurvogels in het contactblad van een  zangkanarieclub? Aan het begin van dit artikel is dat voor u nog een vraag. Ik hoop dat deze aan het eind is beantwoord. Het houden van vogels vanwege de zang is al een oeroud gegeven. Wellicht wat minder bekend is dat mensen, naast het genieten van de natuurlijke zang, in het verleden - en ook nog  in het heden? - hebben gepoogd  vogels wijsjes te laten zingen. Men gebruikte hiervoor o.m. goudvinken en kanaries. We gaan ons wat verder verdiepen in dit verschijnsel. In dit artikel staan de goudvinken centraal, een volgende keer zijn de kanaries aan de beurt.

Al weer een tijd geleden ontving ik van onze voormalig secretaris Aad van Duyneveldt met de opmerking ‘Je kijkt maar of je er wat aan hebt’ een partijtje boekjes en brochures. Tussen de stapel bevonden zich een aantal gebonden afleveringen van het tijdschrift ‘De Pluimgraaf’ uit de jaargangen 1899-1900. De bundel was samengesteld door Gea Stoop, de huidige redactrice van ‘Onze Vogels’. Zij had deze allereerste jaargangen van het tijdschrift, dat mede het verenigingsorgaan was van de voor de eerste keer in 1897 opgerichte vogelvereniging ‘Luscinia’, ontdekt en aan het bestuur van ‘Luscinia’ aangeboden. Toen ik in deze bundel op zoek was naar informatie over een specifiek onderwerp viel mij in het overzicht van de prijswinnaars van de in februari 1900 te Den Haag gehouden 15e Internationale Tentoonstelling van de vereniging ‘Avicultura’ de volgende passage op: ‘Klasse 24. Ter opluistering (…) 3e pr. Paul Groesch voor Aria’s zingende goudvinken’. In het verslag van deze tentoonstelling kon redacteur Noorduyn het niet nalaten te vermelden dat hij vol aandacht had staan luisteren bij ‘de snoezig aria’s zingende goudvinken van Paul Groesch’.1  
Na lezing van deze fragmenten schoten mij twee vage herinneringen te binnen. De eerste betrof een tv-uitzending, ik meen een aflevering van Willem Duys’ ‘Voor de vuist weg’, waarin een goudvink duidelijk herkenbaar de melodie van het ‘Wilhelmus’ floot. Een andere herinnering betrof een door romanschrijver en bioloog Maarten ’t Hart vertelde anekdote uit zijn jeugdjaren. Hij groeide op in een orthodox protestants milieu in Maassluis. Eén van zijn vrienden had een goudvink de melodie van een psalm geleerd en de vogel vervolgens weer vrijgelaten. Sindsdien werden de buurtbewoners vanuit het struikgewas door de psalmfluitende goudvink toegezongen.
Enige tijd geleden kreeg ik van onze penningmeester Gerard van Zuylen van omstreeks 1900 daterende vogelliteratuur te leen. Nieuwsgierig geworden naar de wijsjes zingende goudvinken ging ik daarin op zoek en ja hoor, op diverse plaatsen vond ik informatie over het aan het eind van de 19e eeuw in Nederland en zeker ook in Duitsland nog veel voorkomende gebruik om goudvinken een melodietje te leren: ‘De goudvink is nog steeds een zeer gezochte vogel, zoowel om zijn fraaie kleuren als wegens de eigenschap van allerlei deuntjes te leeren nafluiten, als zij nl. jong uit het nest gehaald en opgekweekt worden.(…) Daar de ouden echter geen deuntjes leeren nafluiten, haalt men liever de jongen uit het nest, als de veertjes even doorgebroken zijn.’ 2 Behalve met het uithalen van nesten kon men natuurlijk ook jonge goudvinken verkrijgen door ze zelf te fokken.
In twee door R.J. van Hooijdonk (Gepensioneerd Kapitein) geschreven boekjes vinden we de volgende praktische wenken: ‘Wil men jonge vogels een airtje leeren, dan behoeft men hen slechts in een kamer te hangen, alwaar zij geen anderen zanger hooren kunnen. Geeft men hun driemalen daags door middel van een fluitorgeltje een bekend deuntje te hooren, bij voorbeeld: Wien Neerlandsch bloed of een stukje uit de Lancier of: Heb je geen geld, verkoop je vrouw, of iets dergelijks en men dekt den vogel gedurende het onderwijs eenige oogenblikken toe, dan kan men er zeker van zijn, hem na den ruitijd het geleerde te hooren voortbrengen’.3
Voor de nestuithalers heeft van Hooijdonk nog de volgende tips: ‘Wanneer men de jongen uit het nest opkweekt, hoofdzakelijk met gekookt zomerraapzaad, vermengd met fijn gemaakte beschuit en een weinig harden eidooier, dan zullen die kleine gasten goed opgroeien en hun weldoener spoedig leeren kennen. Men kan die jonge zeer goed een aria leeren, maar dan moet men hen die zuiver kunnen voorfluiten, anders is het beter zulks door een klein fluitorgeltje te doen, dat in den handel verkrijgbaar is. (…) Hebben zij eenigen tijd in de vrije natuur rondgevlogen, dan kan men hen geen aria meer leeren.’ 4  
Dat in de 19e eeuw ook in Duitsland deuntjes zingende goudvinken allerminst een curiositeit was, maar veeleer een volwaardig onderdeel van de vogelhouderij, waarmee zelfs ook de nodige penningen te verdienen waren, blijkt uit een uit het Duits vertaald artikel in ‘De Pluimgraaf’. Over het africhten van de goudvinken wordt het volgende geschreven: ‘De africhting der jonge bloedvinken wordt heden nog met dezelfde zorg beoefend als vroeger. De afgerichte vogels, van welke er verscheidene twee of drie liederen kunnen fluiten, hebben een, daarnaar afgemeten hooge waarde, en vinden hunne afnemers niet slechts bij ons, maar ook buiten Duitschland. Die vogels, die met den mond zijn geleerd (d.w.z. door vóórfluiten door den africhter), en het geleerde lied zuiver en met uitdrukking weergeven, hebben de meeste waarde, terwijl die vogels, welke door een instrument, vooral door een vogelorgel geleerd hebben, de melodie ook wel goed mee en nafluiten, maar zonder voordracht, om zoo te zeggen zonder geur of kleur, in één woord: net als een draaiorgel, waardoor zij minder waard zijn.
Het onderricht moet reeds in de vroegste jeugd een aanvang nemen, wanneer er iets goeds van den vogel terecht zal komen. De bergbewoners, die de jonge goudvinken uit hunne nesten nemen, vóór zij kunnen vliegen en hen dan, tot zij zelfstandig zijn, voeden met gekauwde raapjes en gekookt eigeel, onderwijzen de jonge vogels reeds vóór zij alleen kunnen eten. Bij de in gevangenschap gefokte jongen,
moet het onderricht ook zoo vroeg mogelijk beginnen en wel, wanneer men hen door de ouders zelf laat opvoeden, vóór zij zelfstandig worden. In het andere geval, wanneer men den ouden vogels dit werk afneemt en de jongen zelf geheel opvoedt, reeds vroeger. In den tijd van het onderricht moet men de jongen, zooals wel van zelf spreekt, scheiden, zoowel van de ouden als van andere zangvogels, en hen zelfs geheel buiten het gehoor dier anderen brengen, anders verkrijgt men stumperds, die ook andere vogelzangen bij het geleerde invlechten. De melodie, die men den vogel wenscht te leeren, wordt den jongen vogel met den mond voorgefloten, van het begin tot het einde zonder op te houden, en wel dagelijks zoo dikwijls als de tijd maar toelaat. Zoodra de jongen alleen kunnen eten, zet men elk mannetje alleen in een kooitje en zet de kooien boven op elkaar, of scheidt hen door tusschenschotjes, opdat de vogels elkaar niet kunnen zien, en door allerlei afleidingen de aandacht, die voor het onderwijs vereischt wordt, kunnen verliezen. Het vóórfluiten der melodie wordt zoolang voortgezet, tot elke vogel in staat is haar zonder fouten na te fluiten.’ 5
Het gebruik om goudvinken een melodietje te leren fluiten is al heel oud en kwam, zo is althans mijn indruk, verspreid over heel Europa voor. Zoals uit bovenstaande blijkt leerde men de vogels de deuntjes door ze zelf voor te fluiten of gebruik te maken van een vogelorgeltje. Aangenomen wordt dat men omstreeks 1700 is begonnen met het vervaardigen van vogelorgeltjes. De Franse stad Mirecourt, in de Vogezen, staat bekend als het belangrijkste centrum van de vogelorgelfabricage in de 18e en 19e eeuw. Deze in Frankrijk vervaardigde vogelorgeltjes of serinettes werden naar allerlei landen uitgevoerd, ook naar Duitsland en Nederland. In Franse musea en particuliere verzamelingen bevinden zich uit het midden van de 18e eeuw daterende en nog steeds functionerende vogelorgeltjes, die speciaal zijn vervaardigd voor het africhten van goudvinken.6
Meer nog dan van goudvinken is van kanaries bekend dat al in de 17e eeuw jonge mannetjes een deuntje werd aangeleerd. In de door J.C.
Hervieux en F. van Wickede geschreven boekjes over het houden en fokken van kanaries kan je in notenschrift uitgewerkte melodietjes, zogenaamde airtjes, vinden die je de kanarie met een fluitje, een zogenaamd flageoletje, of een vogelorgeltje kon aanleren.7 Dat dit gebruik tot in de 21e eeuw bewaard is gebleven valt te zien in de uit 2003 daterende documentaire ‘The sound of Russia’, waarin een portret geschetst wordt van enkele Russische zangkanariefokkers. Een kweker vertelt hoe hij één van zijn kanaries de eerste regels van de herkenningsmelodie van een Oekraïense radiozender had geleerd, daarmee alom bewondering had geoogst en toont de kijker met piano en accordeon hoe hij de vogel het wijsje voorspeelde.8
In onze hedendaagse vogelliefhebberij is het honderden jaren oude gebruik om kanaries en goudvinken een wijsje aan te leren helemaal verloren gegaan. Jaren geleden heeft er ter opluistering tijdens de tentoonstelling van de vereniging waarvan ik lid ben, De Kanarievogel te Katwijk, een echte ‘putter’ gezeten; ook al zo’n uit lang vervlogen tijden daterend fenomeen. De putter zat in een kooi met een emmertje dat door middel van een kettinkje aan de bodem van de kooi was bevestigd en door de werking van de zwaartekracht in het water hing. Als het puttertje dorst had trok hij met behulp van zijn snavel, waarmee hij aan het kettinkje trok, en zijn pootjes, waarmee hij het terugglijden voorkwam, het emmertje omhoog, om daar vervolgens uit te drinken. Velen keken vol bewondering naar de kunsten van het puttertje en vonden het allergrappigst, anderen betitelden ons als dierenmishandelaars.9
Onnatuurlijk, door mensen aangeleerd, gedrag van dieren was voor onze voorouders en in bepaalde opzichten ook nog wel voor ons, een middel om zich met dieren te vermaken. Alhoewel er in het geheel nog geen taboe ligt op sprekende papegaaien lijken toch de gedresseerde vogels en honden, dansende beren, etc. steeds minder in de West-Europese cultuur van deze tijd te passen. Voor de onderlinge tentoonstelling van De Kanarievogel in december 2005 werden 12 goudvinken ingeschreven. Ik denk dat er wel heel wat water door de Rijn zal stromen voordat in het vraagprogramma van de tentoonstelling van De Kanarievogel de klasse ‘zingende goudvinken’ wordt opgenomen en de goudvinken elkaar niet alleen bekampen om wie het fraaiste uiterlijk heeft maar ook om wie het mooist het ‘Wilhelmus’ of diens 19e eeuw concurrent ‘Wien Neerlandsch bloed’ fluit.
Zoals al eerder aangekondigd zullen we ons een volgende keer gaan verdiepen in ‘airtjes’ zingende kanaries.

Noten
1.     De Pluimgraaf, Weekblad voor Liefhebbers van Zang- en Kamervogls, Pluimvee, Duiven en Konijnen, tevens officieel orgaan van Luscinia, Vereeniging
        ter bevordering der liefhebberij van Zang-, Sieraad en Kamervogels. Uitgegeven door De Erven Loosjes, Haarlem, Jaargang 1900, p. 107 en 123 (resp. 16 en
        23 februari 1900). Uit: De Pluimgraaf, gebundelde jaargangen 1899-1900, in het bijzonder de onder redactie van  C.L.W. Noorduijn verschenen rubriek ‘Zang
        en Kamervogels’. De bundel is samengesteld door Gea Stoop en uitgegeven door de ’s  Gravenhaagse Vereniging van Vogelliefhebbers ‘Luscinia’, z.j. .
2.     A.G.E. Hoijer, De Inlandsche Kamervogels en de Kanaries, pp. 24 en 26. Uitg. Vennootschap ‘De Veldpost’ te Amsterdam, 1898. Goedkoope
        Landbouwbibliotheek nr. 29.
3.     R.J. van Hooijdonk, Handleiding tot de kennis onzer kanarievogels en andere gevederde zangers, p. 100. Uitg. D. Bolle te Rotterdam, 4e druk. Het moment
        van uitgifte van deze 4e druk wordt door mij geschat op medio de jaren ’90 van de 19e eeuw. 
4.     R.J. van Hooijdonk, Over kanaries en Volière-vogels, pp. 24-25. Uit de serie Vademecum, practische 10 cents bibliotheek onder redactie van J.A.H. Jockin.
        Amsterdam, Uitg. Van Holkema & Warendorf, z.j. Het jaar van uitgifte wordt door mij geschat op 1902 of kort daarna.
5.     De Pluimgraaf, o.c., pp. 282-283 (4 mei 1900).
6.     Onder meer op de website van de in Parijs gevestigde restaurateur van oude mechanische muziekinstrumenten, Bernhard Pin, is enige, weliswaar uiterst
        beknopte, informatie te vinden over het gebruik en de fabricage van vogelorgeltjes in Frankrijk in de 18e eeuw.(
www.bernard-pin.com) Verder dank ik Hans
        van Oost, van de Kring van Draaiorgelvrienden, voor de door hem aan mij verstrekte informatie.

7.     J.C. Hervieux, Naaukeurige verhandeling van de kanarivogels. Amsterdam, uitg. Hendrik Schelte, 1712. p. 96-97. F. van Wickede, Kanari-uitspanningen, of
        nieuwe verhandeling van de kanari-teelt, Amsterdam, uitg. Willem Holtrop, 1786, 5e druk, pp. 78-79.
8.     Ekaterina Eremenko, The Sound of Russia, 2003. (Documentaire over het houden van zangkanaries in Rusland en de Oekraïne. Deze documentaire werd in
        2005 door VPRO TV uitgezonden op Ned. 3)
9.     Zie ook: R.J. van Hooijdonk, Handleiding, o.c., pp. 98-99 en R.J. van Hooijdonk,  Over kanaries, o.c., pp. 22-23. Van Hooijdonk spreekt overigens over
        putters die zowel water als het voer naar zich toe trekken.

 
Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2006, nr. 2, pp. 7-11. 

-0-

TOP


Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

Feit,  fictie en veronderstelling in de geschiedenis van de kanarieteelt

door Jaap Plokker

In 2006 begon ik in ons clubblad een rubriek getiteld ‘Op ontdekkingstocht in de geschiedenis’. Hoewel in mijn bijdragen voor het clubblad bij gelegenheid uitstapjes naar het verleden zijn gemaakt heb ik rondom dit thema weinig meer in ons clubblad geschreven. Dat wil niet zeggen dat mijn belangstelling voor de geschiedenis van het houden en fokken van kanaries enigszins is getaand, integendeel. In de afgelopen jaren heb ik geprobeerd mijn kennis te vergroten en hoop die ook t.z.t met jullie te delen. Eén van grote problemen die mij daarbij parten speelt is mijn twijfel over de historische betrouwbaarheid van de geschriften die mij als bron ter beschikking staan. Voor we verder gaan daarom een kritische blik op de manier waarop in heden en verleden over de geschiedenis van het houden en fokken van kanaries is geschreven..

Over het houden en fokken van kanaries is in vorige eeuwen weinig aan het papier toevertrouwd en daarom kampt iedere historicus, die de geschiedenis van de kanarieteelt in Europa wilt beschrijven, met een chronisch gebrek aan betrouwbare eigentijdse bronnen. Dit is overigens voor veel schrijvers geen belemmering om een boek of artikel over het houden en fokken van kanaries te beginnen met een stukje geschiedenis of zelfs een hele studie aan dit onderwerp te wijden, om nog maar te zwijgen over de vloed aan informatie die ons via internet bereikt. Willen we de geschiedenis van het houden en fokken van kanaries beschrijven dan moeten we een voorstelling maken van een puzzel waarvan we niet alleen te weinig puzzelstukjes hebben, maar we op dit moment ook nog ternauwernood weten waar welk stukje zou moeten liggen. Het kan niet anders of het door de historicus geschetste beeld bestaat voor een groot deel uit veronderstellingen. De in de loop der eeuwen verschenen historische verhandelingen over de kanarieteelt zijn dus mengelingen van feiten, veronderstellingen en soms ook fictie van de schrijvers.

Bronvermelding
Helaas bestaat er bij kanariekweekhistorici geen traditie om in noten te verwijzen naar de bron op grond waarvan men tot een bepaalde concrete beschrijving of bewering is gekomen. Wel wordt regelmatig in een beschrijving van de geschiedenis van de kanarieteelt of een deelaspect daarvan uitgebreid gebruik gemaakt van wat anderen eerder aan het papier hebben toevertrouwd. Het is daarbij niet onmogelijk dat wat door de één als een veronderstelling is geponeerd door een ander als feit wordt gepresenteerd; wat door de één als veronderstelling is opgeschreven gaat soms jaren later als historisch feit een eigen leven leiden. Dit heeft tot gevolg gehad dat van de geschetste voorstelling van de puzzel op den duur niemand meer weet welke stukjes gebaseerd zijn op betrouwbare eigentijdse bronnen, welke op veronderstellingen en welke totaal verzonnen zijn. Ondanks alle meer of minder serieuze inspanningen, die in het verleden zijn ondernomen om de geschiedenis van de kanarieteelt in Europa, of deelonderwerpen daarvan, te beschrijven moeten we helaas tot de conclusie komen dat het merendeel van deze geschriften een deels onjuiste voorstelling van zaken kan geven. Immers, het geschetste beeld is een mengeling van feiten, veronderstellingen en fictie en men weet bij het ontbreken van bronvermeldingen niet welke stukjes feit, welke fictie en welke veronderstelling zijn.
Moeten we nu op grond van bovenstaande concluderen dat we een deel van wat we in boeken, artikelen en op internet lezen over de geschiedenis van onze hobby gevoeglijk in de prullenbak kunnen deponeren? Waarschijnlijk wel. Helaas weten we niet welk deel. Er is eigenlijk maar één oplossing: Alle boeken en artikelen waarin de geschiedenis van de kanariekweek wordt beschreven en waarin niet duidelijk wordt aangegeven op grond van welke bron een en ander wordt beweerd zullen geclassificeerd moeten worden als ‘verdacht’ en dus als een mogelijke bron van onjuiste informatie. Dit klinkt behoorlijk pretentieus. Echter, alleen door in het vervolg publicaties te voorzien van een gedegen verantwoording zal op den duur de geschiedschrijving van onze hobby waarheidsgetrouwer worden.
 
Oproep
Dit artikel mag dan ook gelezen worden als een oproep aan iedereen die zich interesseert voor de geschiedenis van onze liefhebberij en z’n kennis aan anderen wilt doorgeven om niet alleen de kennis, maar ook de bronnen met de lezer te delen, door die met naam en toenaam bij desbetreffend fragment te vermelden. Daarnaast is bovenstaande tevens een oproep om elk geschrift, op papier en/of op internet, zonder bronvermeldingen niet serieus te nemen. Dit klinkt hard, maar willen we daadwerkelijk onze kennis over de geschiedenis van de kanariekweek substantieel vergroten dan zullen publicisten over dit onderwerp in het vervolg wetenschappelijk verantwoord te werk moeten gaan.
 

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2012, nr. 2, pp. 21-23.

 -0-


TOP

 

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

 

Jean de Bethencourt                    

door Jaap Plokker

Elders in dit clubblad wordt de in de geschiedenis van onze liefhebberij geïnteresseerde lezer er op geattendeerd dat hetgeen we in boeken, tijdschriften en op internet lezen over de  geschiedenis van de kanariekweek gerangschikt moet worden in feiten, veronderstellingen en fictie. Omdat schrijvers zelden hun bronnen aangeven is uit hun verhaal lastig op te maken wat  feit, veronderstelling of fictie is. In onderstaand artikel zal  aan de hand van een uiterst beknopte biografie van Jean de Bethencourt geprobeerd worden het geschetste probleem met een voorbeeld te verduidelijken.

Inleiding
De introductie van de kanarieteelt in Europa wordt in de meeste publicaties als volgt beschreven: De Normandiër Jean de Bethencourt bezocht aan het begin van de 15e eeuw de Canarische eilanden en was daarmee de eerste Westeuropeaan die kennis maakte met de zang van de kanarie. Sommigen beweren zelfs dat hij kanaries heeft meegenomen naar Normandië en dus de kanarie in West Europa heeft geïntroduceerd. Nadat Jean de Bethencourt van het toneel was verdwenen verschenen de Spanjaarden op de Canarische eilanden. Zij bezetten eind 15e eeuw de archipel en exporteerden, op de Canarische eilanden uit de vrije natuur gevangen, vogels naar Spanje. Omdat er, voornamelijk bij adellijke dames, vraag bleek te zijn naar de vanwege hun zang gewilde kanaries legden Spaanse monniken zich toe op de kweek van deze vogels. Ze verkregen een monopolie op de handel door alleen mannen te verkopen en beletten zodoende anderen ook met kanaries te gaan fokken. Aan dit monopolie kwam een einde toen een Spaans vrachtschip op weg naar Livorno in Noord Italië bij het eiland Elba verging. Aan boord van het schip aanwezige kanaries ontsnapten en vestigden zich op Elba, waar Italianen de vogel vingen en er mee gingen fokken. Italiaanse vogelhandelaren verkochten kanaries aan Tiroolse mijnwerkers die er ook mee gingen kweken. Rondom de stad Imst ontstond een centrum voor kanarieteelt en –handel en de Tiroler vogelhandelaren verspreidden de kanarie verder over Europa, w.o. Nederland.1

Hoewel bij bovenstaande samenvatting de nodige kanttekeningen te plaatsen zijn richten we ons in dit artikel op Jean de Bethencourt en zijn betekenis voor de kanarieteelt in Europa. Diverse auteurs laten de introductie van de kanarie in West Europa namelijk beginnen met de lotgevallen van deze Normandiër.


Een niet eigentijdse afbeelding van Jean de Bethencourt
  (afbeelding afkomstig van Internet)

Oudste Nederlandstalige kanarieliteratuur
In 1712 verscheen bij Hendrik Schelte te Amsterdam een gecombineerd Frans-Nederlandse uitgave van het in 1709 te Parijs uitgegeven boekje van J.C. Hervieux ‘Traité curieux des serins de Canarie’. Vertaler A. Moubach gaf aan de Nederlandse uitgave de titel ‘Naauwkeurige verhandeling van de Kanarivogels’. De Nederlandse vertaling kende na de eerste uitgave in 1712 nog diverse herdrukken. 2   In 1750 verscheen de eerste druk van F. van Wickede, ‘Kanari-uitspanningen of nieuwe verhandeling van de kanariteelt’. Het boekje werd tot in de 19e eeuw herdrukt.3 Beide genoemde boeken zijn, voor zover mij bekend, de oudste Nederlandstalige publicaties over het houden en fokken van kanaries. Zowel J.C. Hervieux als van F. van Wickede schreven ieder vanuit hun eigen achtergrond en ervaring: De Fransman Hervieux als ‘Opziender over de Kanariqueekery van haare Hoogh. de Hertoginne van Berry’ en de Nederlander van Wickede met 29 jaar ervaring in het houden en fokken van kanaries.4 Met betrekking tot de introductie van de kanarieteelt in Europa heeft Hervieux niets te melden; F. van Wickede komt niet verder dan de mededeling dat de vogels oorspronkelijk van de Canarische eilanden afkomstig waren. Wel geeft hij ons een kijkje in de toenmalige internationale vogelhandel, die vooral door handelaren uit Zuid Duitsland en Oostenrijk, werd gedomineerd. 5
 

Jean de Bethencourt in de kanarieliteratuur
Voor zover mij bekend werd niet eerder dan in de 19e eeuw een verband gelegd tussen de Normandiër Jean de Bethencourt en de introductie van de kanarie in West Europa. De Fransman Jules Jannin schrijft  dat na de verovering van de Canarische eilanden Jean, door hem een Normandische vrijbuiter genoemd, de eer toekomt dat de Europeanen voor het eerst kennis maakten met kanaries. Jannin voegt er verder aan toe dat niet voor het jaar 1778 de eerste vogels door een afstammeling van Jean de Bethencourt naar Europa werden overgebracht. 6
Vanaf de 19e eeuw tot op de dag van vandaag wordt aan deze Jean de Bethencourt een rol toegeschreven in de verspreiding van de kanarie over Europa. Hij is o.m. ten tonele gevoerd als Franse matroos, die zich op de Canarische eilanden vestigde, daar trouwde en in zijn vrije tijd vogelkooitjes maakte en naar Spanje verkocht 7, als zeevaarder die in 1406 de kanarie op de Canarische eilanden ontdekte8, als een Normandische vrijbuiter 9 en als zeerover, die in zijn hart een zacht plekje had voor de vliegende grauwgroene eilandbewoners.10  In zijn boek ‘Geschiedenis van de kanarie’ beschrijft Bèr Willems uitgebreid de levensgeschiedenis van Jean de Bethencourt en diens pogingen de Canarische eilanden in bezit te nemen. Volgens Willems nam de Bethencourt op de eerste terugreis ‘naar alle waarschijnlijkheid kanaries in kooitjes mee en liet er ook een aantal in Cadiz achter. Terug in Frankrijk zou hij de kanaries aangeboden hebben aan koning Karel VI (…), aan wiens hof dus al in het jaar 1400 kanaries te bewonderen vielen. Dat Jean de Bethencourt kanaries heeft kunnen meebrengen was te danken aan de gewoonte van de Canariërs deze vogels in gevlochten kooitjes te houden en ze voor hun plezier te laten zingen.’ 
De belangstelling voor de van de Canarische eilanden afkomstige kanarie, die door de Bethencourt in Frankrijk was geïntroduceerd, verdween niet met diens overlijden in 1425. Willems schrijft dat in 1444 de Franse koning Karel VII een mooi tuinpark liet aanleggen met daarin een groot vogelverblijf, waarin kanaries tot voortplanting kwamen. Hij weet verder te melden dat de Franse koning Lodewijk IX zo bezeten was van kanaries dat hij in 1478 hoogstpersoonlijk meezeilde naar de Canarische eilanden en daar 48 kanaries aanschafte. Het jaar daarop kocht hij nog eens 46 stuks en in 1480 maar liefst 330 kanaries. Al die kanaries werden ondergebracht in grote vogelverblijven. Zoals ook tegenwoordig de liefde voor de kanaries van vader op zoon overgaat schafte de zoon van Lodewijk IX, Karel VIII, bij een handelaar 72 kanaries en bij een andere handelaar 84 kanaries aan. Tot zover Bèr Willems’ betoog over Jean de Bethencourt en de door hem aangewakkerde belangstelling voor kanaries bij de Franse adel in de 15e eeuw. 11
Wat een Normandische vrijbuiter en zeerover al niet teweeg kan brengen. De grote vraag is echter: Is bovenstaande feitenrelaas historisch verantwoord? Helaas kunnen we in Willems boek niet achterhalen op grond van welke bronnen hij al deze feiten aan het papier toevertrouwde. Feit, fictie of veronderstelling? Voorlopig beschouw ik, zolang het tegendeel wordt bewezen, voornoemde betekenis van Jean de Bethencourt voor de verspreiding van de kanarieteelt over Europa en de kanarieliefde van de Franse 15e eeuwse koningen als fictie. Aan Willems opsomming van feiten over de kanarieliefde aan het Franse hof in de 15e eeuw mogen vooralsnog geen enkele conclusies verbonden worden. Ik vind dit jammer voor Bèr Willems, omdat hij ontegenzeggelijk veel tijd in zijn studie heeft gestoken, maar het onnodig heeft gevonden zorgvuldig met zijn bronvermeldingen om te gaan. Met name dit laatste ondergraaft zijn geloofwaardigheid. Zonder expliciete bronvermeldingen overtuigt hij niet.
 

Korte levensgeschiedenis van Jean de Bethencourt
Moeten we achter de betekenis van Jean de Bethencourt voor de verspreiding van de kanarie over West Europa en de belangstelling voor kanaries aan het Franse hof, vooralsnog, de nodige vraagtekens plaatsen, Jean de Bethencourt (IV) als persoon is uiteraard geen fictie.12 De naam van de Normandische adellijke familie, waarvan Jean afstamt, kent verschillende schrijfwijzen waarvan de Bettencourt, de Bethancourt, de Béthencourt en de Bethencourt, de meest voorkomende zijn.  De Normandische edelman Jean de Bethencourt (IV) werd in 1362 geboren als zoon van  Jean de Bethencourt (III) en Marie de Bracquemont  op het kasteel van de familie in het plaatsje Grainville la Teinturière, niet ver van de Normandische falaisekust tussen Dieppe en Fécamp. Hoewel tegenwoordig van het middeleeuwse kasteel van de Bethencourts alleen nog door een glooiing in het landschap wat te bespeuren valt, houden de inwoners de herinneringen aan hun illustere dorpsgenoot levend op o.m. de plaatsnaamborden bij het binnenrijden van het dorpje en in het lokale museum.
Jean de Bethencourt leefde tijdens de Honderdjarige Oorlog (1339-1453), waarin de Engelse en Franse koningen streden om de heerschappij over een gebied dat voor het grootste deel het tegenwoordige Frankrijk omvat. Gedurende deze periode maakten zowel de Engelse als de Franse koning aanspraak op Normandië waardoor deze landstreek regelmatig te lijden had van de gevechtshandelingen. De de Bethencourts bleven over het algemeen loyaal aan de Franse koning, wat tot gevolg had dat het kasteel in Grainville la Teinturière op het eind van de 14e eeuw werd verwoest.
Jean trad als elfjarige in dienst van de hertog van Anjou en van 1387-1391 was hij kamerheer van de hertog van Orléans. In deze periode kreeg hij toestemming het verwoeste familiekasteel in Grainville la Teinturière te herbouwen en te versterken. Met de hertog van Orléans ging hij in 1390 mee op een expeditie tegen Moorse piraten in het Middellandse Zeegebied, een onderneming die jammerlijk mislukte, maar Jean wel in contact bracht met de Mediterrane wereld. Jean was ook verbonden aan het Franse hof: hij was schildknaap en later kamerheer van koning Karel VI en bovendien was hij omstreeks 1400 in dienst bij de machtige hertog van Bourgondië, die toen de zeggenschap had over de Nederlanden, waaronder het rijke Vlaanderen.
Welke beweegredenen Jean heeft gehad om zijn toekomst buiten Frankrijk te zoeken is niet helemaal duidelijk, maar vanaf 1401 begon hij onroerend goed te verkopen en bij familie geld te lenen om een expeditie naar de Canarische eilanden te kunnen financieren. Mogelijk, maar daarvoor heb ik geen afdoend bewijs kunnen vinden, was Jean o.m. geïnteresseerd in de orchilla handel. Orchilla is een mos dat groeit op de kustrotsen van de Canarische eilanden en was vanuit de oudheid bekend als grondstof voor de vervaardiging van een purperen kleurstof, waarvoor in de,  o.m. Vlaamse, textielnijverheid belangstelling bestond. 13 Daarnaast sloot Jean, via zijn oom Robin de Braquemont, hoofd van de pauselijke wacht in Avignon en vriend van Hendrik III, koning van Castilië, met Hendrik III een contract af waarin hij vastlegde de Canarische archipel voor Castiliaanse kroon te veroveren, in ruil voor het leenmanschap en feitelijk gezag over de eilanden. Voor Hendrik III was dit een uiterst lucratieve transactie, omdat hij hiermee de Canarische eilanden aan zijn eigen grondgebied kon toevoegen zonder er ook maar iets voor te ondernemen en er een cent voor te betalen, terwijl tegelijkertijd vanuit Portugal eveneens pogingen werden ondernomen de archipel onder Portugees gezag te plaatsen. 
Toen Jean de financiering van zijn expeditie rond had contracteerde hij een aantal avonturiers als ‘voetvolk’ en verzekerde zich van de steun van een edelman, Gadifer de la Salle, die de beschikking had over een schip. Behalve krijgslieden vergezelden ook twee geestelijken Jean op zijn tocht naar de Canarische eilanden, de Franciscaner monniken Pierre Bontier en Jean le Verrier. Laatstgenoemde zou Jean de Bethencourt tot aan diens overlijden in 1425 vergezellen. Dankzij beide geestelijken, die een uitvoerig verslag van de expeditie hebben opgetekend, zijn we goed op de hoogte van Jean de Bethencourst’s onderneming naar en zijn belevenissen op de Canarische eilanden.14


Middeleeuws miniatuur, voorstellende de reis van Jean de Bethencourt naar de Canarische eilanden. Het miniatuur bevindt zich in ‘Le Canarien’, het reisverslag van o.m. de twee geestelijken Pierre Bontier en Jean le Verrier, die de Bethencourt op zijn reis vergezelden.
 (afbeelding afkomstig van Internet)

Op 1 mei 1402 vertrok Jean’s expeditie vanuit la Rochelle. Na een tussenstop in Corunna  werd aangemeerd in de havenstad Cadiz, waar men, als gevolg van allerlei verwikkelingen, tot eind juni bleef. Door desertie van 27 manschappen was het expeditieleger inmiddels gereduceerd tot 53 man. Na een achtdaagse vaartocht vanuit Cadiz landde Jean op 30 juni 1402 op het eiland Lanzarote, waar hij vriendelijk werd ontvangen en toestemming kreeg een fort te bouwen.  Terwijl een deel van Jean’s manschappen op Lanzarote achterbleef voer hij verder naar Fuerteventura. Jean moest echter halsoverkop weer terugkeren naar Lanzarote, omdat daar zijn manschappen aan het muiten waren geslagen. De desertie van een deel van de manschappen in Cadiz en de muiterij op Lanzarote zijn de eerste in een reeks problemen waarmee Jean geconfronteerd werd en voornamelijk werden veroorzaakt door ondergeschikten, die zich meer lieten leiden door eigen belang dan door dat van Jean de Bethencourt en Gadifer de la Salle. Uiteindelijk leidde belangentegenstellingen ook tot een breuk tussen beide expeditieleiders.
Terwijl de la Salle achterbleef vertrok de Bethencourt in november 1402 naar Spanje om bij koning Hendrik III van Castilië om geld, manschappen en goederen te vragen. In ruil voor de erkenning van Hendrik III als koning over de door hem te veroveren gebieden kreeg Jean waar hij om vroeg. De Bethencourt keerde terug naar Lanzarote om nog niet bezochte eilanden te veroveren en er koloniën te stichten. Als ‘koning van de Canarische eilanden’ kreeg Jean zeggenschap over de door hem veroverde eilanden. In 1404 raakten Gadifer de la Salle en Jean gebrouilleerd omdat, naar de mening van Gadifer, Jean aan het hof bij Hendrik III teveel zijn eigen belangen en onvoldoende die van Gadifer had behartigd. Na een tevergeefse poging van de la Salle om bij Hendrik III een voor hem gunstige regeling te bepleiten verbrak hij zijn verbintenis met de Bethencourt en reisde in het najaar van 1404 vanuit Castilië teleurgesteld door naar Frankrijk.
Ook Jean keerde in januari 1405 terug naar Normandië, niet uit teleurstelling, integendeel, maar om benodigdheden op te halen voor de verdere kolonisatie van de Canarische eilanden. In mei 1405 vetrok hij vanuit Honfleur met hetgeen hij voor zijn onderneming nodig dacht te hebben. Zijn neef Maciot de Bethencourt vergezelde hem. In het najaar van 1405 probeerde hij tevergeefs een kolonie te stichten op Gran Canaria, maar op de eilanden Palma en Ferro lukte dit uiteindelijk wel.
We krijgen de indruk dat Jean, behoudens enkele schermutselingen, op de door hem veroverde eilanden over het algemeen een goede verstandhouding met de oorspronkelijke bevolking wist op te bouwen. Naast ontegenzeggelijk materiële motieven lijkt Jean de Bethencourt ook gedreven door idealisme: het bekeren van de Canariërs tot het Katholicisme. Niet voor niets had hij twee geestelijken meegenomen en hun zendingswerk was niet zonder succes: Op 20 februari 1404 liet de inheemse koning van Lazarote en een groot deel van zijn onderdanen zich dopen. Deze geschiedenis herhaalde zich in januari 1405 op Fuerteventura toen ook daar de beide koningen en de bevolking zich tot het Christendom bekeerden.
Op 15 december 1406 vertrok Jean weer naar het Castiliaanse hof, zijn neef Maciot de Bethencourt achterlatend als gouverneur belast met het bestuur over de op de diverse eilanden gestichte koloniën. Bij koning Hendrik III wist hij een aanbeveling te verkrijgen om bij de Paus een  bisschopszetel voor de Canarische eilanden te bepleiten. In Rome werd hij ontvangen door de Paus en kreeg waarom hij vroeg. Na zijn bezoek aan de Paus keerde hij terug naar Normandië in het volste vertrouwen dat neef Maciot de eilanden naar behoren zou besturen. In 1415 keerde Jean de Bethencourt voorgoed terug naar Frankrijk en droeg het leenmanschap over de archipel over aan Maciot de Bethencourt.
Hoewel Jean in 1417 zijn ondergeschiktheid aan de Franse koning Karel VI nog eens had bevestigd raakte hij in de daaropvolgende jaren persoonlijk verwikkeld in de Honderdjarige Oorlog. Na een overwinning van de Engelse koning op de Fransen in september 1418 moest Jean, om zijn bezittingen in Normandië veilig te stellen, in het conflict tussen de Franse en de Engelse koning zich op 14 mei 1419 scharen aan de Engelse zijde en koning Hendrik V van Engeland als zijn vorst erkennen. In de jaren die volgden verbleef de Bethencourt op zijn kasteel in Grainville la Teinturière en werd door de bisschop op de hoogte gehouden van de gang van zaken op de Canarische eilanden en de lotgevallen van zijn neef Maciot aldaar. Als gevolg van de verovering van Normandië door de Engelse koning was ook Maciot de Bethencourt Engels onderdaan geworden en dreigden de Canarische eilanden als leen over te gaan in Engelse handen. Om confiscatie door de Castiliaanse kroon te ontlopen en zijn zakelijke belangen in de archipel veilig te stellen droeg Maciot het leenmanschap over de Canarische eilanden over aan de graaf van Niebla. Hiermee kwam formeel een einde aan de Normandische zeggenschap over de archipel.
Jean de Bethencourt overleed in 1425 op zijn kasteel in Normandië en werd begraven in het koor van de kerk in Grainville la Teinturière.

Slot
Na een uiterst summiere biografie van de ondernemende, niet van enig opportunisme gespeende, Normandische edelman Jean de Bethencourt, die zijn opleiding genoot aan de hoven van de machtigste Franse adel, waaronder dat van de Franse koning, en op goede voet stond met de koning van Castilië, keren we terug naar de geschiedschrijving van de kanarieteelt en wat daarin over Jean de Bethencourt te lezen valt. Gezien bovenstaande is het meer dan opmerkelijk dat hij door toch niet de eerste de beste publicisten over het houden en fokken van kanaries, in navolging van Jules Jannin, wordt geportretteerd als, ‘zeevaarder’, ‘vrijbuiter’, ‘zeerover’ en kanariekooitjes vlechtende ‘Frans matroos’. Duidelijk is dat de hier geciteerde schrijvers zich niet hebben gebaseerd op betrouwbare bronnen. Dit roept automatisch de vraag op: Als de portrettering van Jean de Bethencourt al niet overeenkomstig de werkelijkheid is, wat klopt er dan van de rest van hun betoog, oftewel is Jean’s betekenis voor de introductie van de kanarieteelt in West Europa wel zo belangrijk als door sommigen wordt gesuggereerd? Nog sterker, is er überhaupt wel een verband tussen Jean de Bethencourt en de kanariehandel?
Zolang dit niet door betrouwbare bronnen wordt aangetoond waag ik het te betwijfelen.
 

Noten
1. Russ, Dr. Karl, Der Kanarienvogel, seine Naturgeschichte, Plege, und Zucht,  Magdeburg, 9e druk (1906), pp. 2-4.; Speicher, K., Kanaries, gevederde kamerzangers, Zutphen z..j., pp. 9-15; Mark, R.R.P. van der, Kanaries houden als liefhebberij, Zutphen, 2e druk (1966), pp. 8-9;  Woezik, M. van, Waterslager en harzer, houden, kweken, keuren, z.j., pp. 7-8; Kwast, P., Handboek voor de zangkanariekweker, Zutphen 1979, pp. 10-12; Wal, H.K. van der, Kanaries, Handboek voor het houden en kweken van zang- , kleur- en postuurkanaries, Baarn 1997, pp. 15-17.  
2. Over het verschijningsjaar van Hervieux boek bestaan verschillende lezingen. Sommigen vermelden 1709 als uitgiftejaar van de eerste druk, nl. bij C. Prudhomme te Parijs, anderen dateren de 1e druk in 1705. Een juiste datering van de eerste druk kon door mij niet ondubbelzinnig geverifieerd worden. Nederlandse vertaling: Hervieux, J.C., Naaukeurige verhandeling van de Kanarivogels, uit het Fans vertaald door A. Moubach, Amsterdam 1712.
3. Door mij is geraadpleegd: Wickede, F. van, Kanari-uitspanningen, of nieuwe verhandeling van de kanari-teelt, Amsterdam (bij Willem Holtrop), 5e druk (1786),  De 1e druk dateert uit 1750 en werd uitgegeven door Steven van Esveldt, boekverkooper te Amsterdam.
4. Hervieux, J.C., 1712, o.c., Inleiding ‘De vertaalder aan den lezer’; Wickede, F. van, o.c., titelblad.
5. Wickede, F.van,  o.c., p. 1.
6. Jannin, Jules, De kunst om kanarievogels op te kweeken en te doen voortteelen. Uitgegeven te Amsterdam bij G.T. Bom, 3e druk (1877), p. 1.
7. Gils, Wout van, Geschiedenis en ontwikkeling van de kanarie. Kanariehomepage Wout van Gils.
8. Woezik, M. van, Waterslager en harzer, houden, kweken, keuren, z.j. pp. 7.
9. Kwast, P., Handboek voor de zangkanariekweker, o.c., p. 10.

10. Toorn, C. van der, Zangkanaries. In: Dr. Thijs Vriends, e.a., Kanaries, voeding, verzorging, huisvesting, Best 1984, p. 146.
11. Willems, Bèr, Geschiedenis van de Kanarie, Best 1986, pp. 16-17.
12. De hiernavolgende biografie van Jean de Bethencourt is vnl. gebaseerd op de uiterst gedegen gedocumenteerde website over de genealogie en familiegeschiedenis
van de familie de Bettencourt, The Bettencourt Family 1200-2000.
( web.meganet.net/bettenco/ )
Daarnaast is gebruik gemaakt van: Coornaert, Kevin, De Vlaamse natie op de Canarische eilanden in de 16e eeuw. Scriptie Universiteit Gent, 1999-2000, paragraaf 1.2. 
13. Wikipedia, Conquest of the Canary Islands. Rouen, vallée de Seine, Normandie; History of Rouen, from 16th to the 18th century. (www.rouentourisme.com)
14. Er bestaan twee originele, deels van elkaar afwijkende, verslagen van Jean de Bethencourts expeditie naar de Canarische eilanden, getiteld ‘Le Canarien’. Eén manuscript, de ‘Egerton 2,709 codex’, is waarschijnlijk geschreven door de Franciscaner monniken Pierre Bontier en Jean le Verrier en aangevuld door Gadifer de la Salle. Dit manuscript wordt gedateerd tussen 1410 en 1420 en bevindt zich in het British Museum, in Londen. Een tweede versie van ‘Le Canarien’, de ‘Montruffet codex’, dateert waarschijnlijk uit het eind van de 15e eeuw en is vermoedelijk geschreven door Jean de Bethencourt, een neef van Jean de Bethencourt (IV). Dit manuscript bevindt zich in de gemeentelijke bibliotheek van Rouen, in Frankrijk.
 
 

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2012, nr. 2, pp. 24-34.
 

-0-


TOP

 

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

 

Jean de Bethencourt (vervolg)                   

door Jaap Plokker

In de vorige editie van het clubblad schreef ik een artikel over Jean de Bethencourt (1362-1425) en diens, vermeende, betekenis voor de introductie van het houden en fokken van kanaries in Europa. Na de verspreiding van dit clubblad in juni jl. zijn er nieuwe ontwikkelingen, die ik jullie niet wil onthouden.

Jean de Bethencourt en Hendrik III van Castillië
Tijdens mijn zoektocht op Internet naar informatie over de geschiedenis van het houden en fokken van kanaries belandde ik op de site van de Spanish Timbrado Society en vond daar een door Erlijn Eweg geschreven artikel over de geschiedenis van de Spaanse zangkanarie, de timbrado. Tot mijn verbazing las ik dat Jean de Bethencourt en Gadifer de la Salle aan Hendrik III van Castillië kanaries zouden hebben aangeboden. Behalve aan het Franse waren, dankzij Jean de Bethencourt, dus ook  kanaries aan het Castiliaanse hof te beluisteren geweest.1
De lezers van het artikel over Jean de Bethencourt in editie 2012-2 van ons clubblad weten dat ik mijn grootste twijfels heb over de betekenis van Jean de Bethencourt met betrekking tot de introductie en de verspreiding van kanaries en de kanarieteelt over Europa.2 Er wordt in de kanarieliteratuur veel over Jean beweerd, maar heel weinig met eigentijdse bronnen aangetoond. Erlijn Eweg verdient lof voor het feit dat zij haar artikel voorziet van noten. Voor de lezer is het dus een koud kunstje om te achterhalen waaraan zij de opmerking over Jean de Bethencourt heeft ontleend. Dit blijkt geen contemporaine bron te zijn, maar een Spaanse publicatie uit 1991. Omdat Erlijn, gezien haar beheersing van het Spaans, informatiebronnen kan aanboren die voor mij onbereikbaar zijn heb ik haar o.m. gevraagd te achterhalen op grond van welke bronnen de Spaanse auteur tot desbetreffende uitspraak over Jean de Bethencourt is gekomen. Erlijn heeft haar medewerking toegezegd en ik ben benieuwd wat haar bevindingen zijn. Zodra ik van haar antwoord heb op mijn vragen zal ik dat uiteraard met jullie delen. Wordt wellicht dus vervolgd.


Foto. 4 augustus 2012. Jaap Plokker bij het bord dat aangeeft dat men het  Normandische dorpje Grainville La Teinturière binnenrijdt.

Een ommetje tijdens de vakantie     
In het voorjaar van 2012 kreeg onze zomervakantie steeds vastere vormen: mijn moeder, broers en ondergetekende zouden een week in een vakantiewoning in Bretagne verblijven en de terugreis verdelen over twee dagen met een tussenstop in Fécamp aan de Normandische falaise kust. Terwijl ik bezig was met het schrijven van voornoemd artikel over Jean de Bethencourt kwam ik tot de ontdekking dat de geboorteplaats van Jean de Bethencourt, het kasteel van de de Bethencourts in Grainville la Tenturière, wel erg dicht bij de route van Fécamp naar de snelweg lag. Ik heb dus op zondag 4 augustus jl. m’n medevakantiegangers kunnen vermurwen een stukje om te rijden om Grainville la Tenturière met een kort bezoek te vereren.
Grainville la Tenturière is een doorsnee Normandisch plattelands dorpje met o.m. enkele fraaie vakwerkhuisjes. Als je vanaf Fécamp via de D131 Grainville nadert word je door een groot bord aan de rechterkant van de weg er op geattendeerd dat je de stad van Jean de Béthencourt, de koning van de Canarische eilanden, binnenrijdt. Bovendien valt te lezen dat Grainville een partnerrelatie met plaatsen op de Canarische eilanden onderhoudt. In de geboorteplaats van Jean wordt de toerist met richtingborden naar het Musée Jean de Bethencourt gedirigeerd. Dit blijkt gevestigd in de plaatselijke bibliotheek en op de zondagmorgen dat wij er waren was die uiteraard gesloten. Door de ramen glurend zag ik wandplaten met ondubbelzinnig een afbeelding van Jean. Voor de ramen was een affiche geplakt dat reclame maakte voor een eigentijdse uitvoering van ‘Le Canarien’, het middeleeuwse relaas van de metgezellen van Jean de Betehncourt over de onderneming van de Fransen naar en op de Canarische eilanden in het begin van de 15e eeuw.
Niet ver van het museum stond een informatiebord over Jean de Bethencourt dat, als er niet snel een snoeischaar aan te pas zou komen, door een klimplant overwoekerd dreigde te worden. Het informatiebord was o.m. geïllustreerd met een portret van Jean en een afbeelding van een middeleeuws schip, waarschijnlijk overgenomen uit ‘Le Canarien’. 

De ontmaskering van een  kanarievriend
Het is duidelijk dat Grainville la Teinturière de nagedachtenis aan Jean de Bethencourt levend wil houden. Een van de motoren achter dit streven is de Association Jean de Béthencourt Normandie - Canaries. Dit genootschap is ook verantwoordelijk voor het museum in Grainville. Waarom dit genootschap niet mijn probleem voorgelegd? Wellicht dat dit, in de handel en wandel van Jean de Bethencourt gespecialiseerde, gezelschap mij kon vertellen op welke wijze Jean betrokken is geweest bij de introductie van de kanarie in Europa. In mijn beste Frans en uiteraard met behulp van ‘Google-vertalen’ heb ik het museum een brief gestuurd, waarin ik heb geschreven dat ik regelmatig lees dat de naam van Jean de Bethencourt in verband wordt gebracht met het vervoeren van kanaries van de Canarische eilanden naar Europa, het schenken van kanaries aan de Franse en Castilliaanse koning, maar er nooit een eigentijdse bron wordt genoemd en ik daarom mijn twijfels heb over de historische betrouwbaarheid van deze informatie. Ik heb de medewerkers van het museum gevraagd of hen bronnen bekend zijn waarin voornoemde informatie te lezen valt en of zij mij kunnen vertellen op grond waarvan de naam van Jean in verband wordt gebracht met kanaries.
Nog sneller dan een kanarie van Grainville naar Katwijk kan vliegen kreeg ik via de e-mail antwoord, waarin mijn vermoeden werden bevestigd. Voorzitter Bruno Malfante van de Association Jean de Béthencourt Normandie – Canaries schreef me dat hem geen enkele bron bekend was waarin Jean kanaries zou hebben geschonken aan de Franse en Castilliaanse koning. In het reisverslag ‘Le Canarien’ wordt ook met geen woord over vogels cq. kanaries gerept. Ook Bruno Malfante was bekend dat Jean’s naam met kanaries in verband werd gebracht, maar hij kon niets daarvan met betrouwbare bronnen ondersteunen.
Het speet hem dat hij mij niet verder had kunnen helpen, maar voor mij wordt, mede dankzij de reactie van Malfante, het beeld steeds duidelijker: We zullen langzamerhand aan de gedacht moeten wennen dat Jean de Bethencourt helemaal niets te maken heeft gehad met de introductie van de kanarie in Europa.  

Het raadsel van Jean
Rest tot slot van dit artikel uiteraard de intrigerende vraag hoe het toch mogelijk is geweest dat de naam van Jean de Bethencourt in verband kon worden gebracht met de introductie van de kanarie in Europa en dat tot op de dag van vandaag auteurs dit kritiekloos in hun publicaties hebben opgenomen. Bij mijn weten duikt de naam van Jean de Bethencourt voor het eerst op in de 19e eeuwse Franse kanarieliteratuur. De derde druk van de door Jules Jannin geschreven en ‘naar het Fransch’ bewerkte Nederlandstalige uitgave ‘De kunst om kanarievogels op te kweeken en te doen voorttelen’ werd in 1877 te Amsterdam uitgegeven. In deze uitgave is de oorspronkelijke titel en het jaar van uitgifte van de originele eerste druk niet vermeld. Aangenomen wordt dat Jules Jannin’s boek medio de 19e eeuw werd uitgegeven. In de Nederlandse vertaling van Jannin’s boek lezen we: ‘Het was tijdens de verovering dier eilanden (De Canarische eilanden, J.P.), in het jaar 1402, door Jean de Bethancourt, een Normandische vrijbuiter, dat Europeanen voor het eerst met dien belangwekkende vogel bekend werden, en eerst lang daarna, en wel niet voor het jaar 1778, werd hij, door een afstammeling van dien vrijbuiter naar Europa overgebracht.’Als we de tekst van het citaat analyseren, dan wordt in geen geval beweerd dat Jean in de 15e eeuw kanaries naar Europa zou hebben gebracht. Hij was, vlgs. Jannin, niet meer, maar ook niet minder de eerste Europeaan die met de vogel in aanraking kwam. Over de zinsnede dat niet voor het jaar 1778 de eerste kanaries naar Europa werden overgebracht kunnen we kort zijn. Dit is historisch onjuist. Er zijn ook weinig schrijvers die deze bewering van Jannin overnemen. Des te opmerkelijk is het dat de opmerking dat Jean de eerste Europeaan was die met kanaries in aanraking kwam wel serieus werd genomen en menig auteur heeft gestimuleerd tot de meest fantastische speculaties.3 

Naar de reden waarom de naam van Jean de Bethencourt medio de 19e eeuw plotseling in verband werd gebracht met kanaries kunnen we slechts gissen. Een mogelijke verklaring zou de volgende kunnen zijn: In de 19e eeuw groeide het nationalisme tot volle wasdom. Landen, volken werden zich steeds meer bewust van hun eigen identiteit en verleden. In deze periode van nationale bewustwording speelde de geschiedschrijving een belangrijke rol. Om de eenheid en trots van de natie te versterken lieten historici zich niet onbetuigd in het laten herleven van ‘nationale’ helden en verheerlijking van bloeiperioden in het verleden. Ook het opkomend Frans nationalisme had zijn helden nodig. Medio de 19e eeuw was Frankrijk een machtig land, een belangrijke speler in de wereldpolitiek, een land met een groot kolo-niaal rijk, maar dat was niet altijd zo geweest. Terwijl Spanjaarden en Portugezen met hun fragiele schepen naar onbekende gebieden voeren en als toekomstige wereldmachten hun neus tegen het venster drukten waren de Fransen ten tijde van de Honderdjarige Oorlog (1339-1453) in een hevige strijd gewikkeld met als inzet hun bestuurlijke onafhankelijkheid van Engeland. Het had niet veel gescheeld of de Franse koning was een vorst zonder land en grote gebieden van het huidige Frankrijk een deel van Engeland geweest. In deze periode, waarin Frankrijk als machtsfactor weinig voorstelde, verscheen opeens Jean de Bethencourt: Een ondernemende Fransman, die zijn fortuin zocht in het veroveren van nieuwe gebieden overzee. Hij had het lef gehad om met een schip en een klein groepje soldaten vanuit Frankrijk weg te zeilen om een hele archipel te veroveren. Hij had het zelfs gebracht tot ‘koning van de Canarische eilanden’. Jean de Bethencourt kon in de nationalistisch getinte geschiedschrijving worden opgevoerd als ‘ontdekkingsreiziger’ en ‘conquistador’, die ten tijde van de opkomst van Spanje en Portugal als koloniale machten liet zien dat toen ook de Fransen hun rol op het wereldtoneel al driftig meespeelden. Als je als land in je geschiedschrijving wil laten zien dat de stichting van het grote koloniale rijk te danken is aan Franse ondernemingslust, die al vanuit de middeleeuwen dateerde, dan kan je Jean de Bethencourt gerust als icoon daarvan naar voren schuiven.

Association Jean de Béthencourt Normandie - Canaries                                                                 

17  place du marché

76450 Grainville-la-Teinturière

02 35 57 20 66

http://pagesperso-orange.fr/assobethencourt

associationjeandebethencourt@gmail.com

 

Bonjour monsieur Plokker,

J'ai bien reçu votre courrier du 16 août dernier.

En ce qui concerne l'introduction des canaris en Europe, je n'ai aucune trace historique de cela. Dans le manuscrit du "Canarien" (qui retrace la conquête), les oiseaux ne sont pas mentionnés et on n'y parle pas du sujet.

J'ai effectivement lu que Jean de Béthencourt aurait ramené des canaris en Europe, mais je ne peux rien certifier. Je suis désolé de ne pas pouvoir vous éclairer plus à ce propos.

En ce qui concerne le château de Jean de Béthencourt, il ne reste plus de traces hormis la motte féodale. Une brochure sur l'histoire du château est en vente au musée Jean de Béthencourtau prix de 3 € (auquel il faut rajouter les frais de port).

Sincères salutations à vous

 

Bruno Malfante

Président de l’Association

Jean de Béthencourt Normandie - Canaries

 

Bovenstaand de mail die ik uit van Bruno Malfante uit Grainville-la-Teinturière ontving.

Is het voor een kanarie liefhebber ook niet erg verleidelijk wanneer hij nationale trots kan combineren met de geschiedenis van zijn liefhebberij? Krijgen het houden en fokken van kanaries in Frankrijk en het aanzien van de Fransen onder de kanarieliefhebbers, niet meer status wanneer de groten uit de Franse geschiedenis niet alleen voor de kanariezang zijn bezweken, maar ook nog een rol hebben gespeeld in de komst van de kanarie naar Europa?
Jean de Bethencourt, een held in de geschiedenis van het eigen nationalisme opvijzelende Franse volk, werd ten tonele gevoerd als bewijs dat de internationale kanariewereld wel heel veel aan de Fransen te danken heeft. Waarom vermeldt Jules Jannin, mijn inziens, de naam van Jean de Bethencourt in zijn boek? Niet om de geschiedenis van de kanarieteelt in Europa recht te doen, maar ter meerdere glorie van Frankrijk en de Fransen. Nogmaals, het is een veronderstelling. Mocht het de waarheid benaderen dan zijn we de afgelopen 150 jaar er met z’n allen aardig ingetuind.


Foto. 4 augustus 2012. Bord in een van de straten van Grainville La Teinturière met informatie over Jean de Bethencourt . 

Noten
1. Eweg, Drs. E.M.,  De Spaanse Timbrado, in een vogelvlucht door de geschiedenis. www.spaansetimbrado.nl, site van de timbradofokkers Manuel Pardo del Rio en Erlijn Eweg. Hetzelfde artikel is onder de titel ‘Historie van de Spaanse timbrado zangkanarie’ ook geplaatst op de site van de Timbrado Society:  www.timbrado.nl,
2. Plokker, J., Jean de Bethencourt. In: Contactblad Speciaalclub NZHU, editie 2012-2, pp. 26-27.
3. Jannin, Jules, De kunst om kanarievogels op te kweeken en te doen voortteelen. Uitgegeven te Amsterdam bij G.T. Bom, 3e druk (1877), p. 1.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2012, nr. 3, pp. 16-25


-0-


TOP

 

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

 

Olfert Dapper

door Jaap Plokker

Tijdens de Kerstvakantie heb ik een dagje doorgebracht in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag om in oude boeken te speuren naar informatie over het houden en fokken van kanaries in vroegere eeuwen. In dit artikel staat Olfert Dapper en zijn beschrijving van de Canarische eilanden centraal.

Olfert Dapper (1636-1689) was een in Amsterdam woonachtige arts en schrijver. De Amsterdamse Dapperstraat is naar hem vernoemd. Over Dapper’s activiteiten als arts is weinig bekend, over zijn schrijverschap des te meer. Naast o.m. een vijfdelig boekwerk over de geschiedenis van Amsterdam is Dapper vooral beroemd om zijn geografische boeken over gebieden in Afrika en Azië. Dapper heeft de door hem beschreven oorden nooit zelf bezocht maar baseerde zich vooral op informatie van anderen. Dit was voor velen overigens geen reden om aan de betrouwbaarheid van Dapper’s beschrijvingen te twijfelen, want zijn geografische boeken werden in het Duits, Engels en Frans vertaald. Ik was natuurlijk razend benieuwd of Dapper ook de eilanden had beschreven waarop de voorvader van onze harzers en waterslagers van nature voorkomt en of in zijn boeken iets over kanaries en in het bijzonder de kanariehandel en –teelt te vinden zou zijn.1
De bibliografie van de door Dapper geschreven boeken raadplegende was de grootste kans dat ik iets zou kunnen vinden in het in 1668 bij Jacob van Meurs in Amsterdam uitgegeven boek ‘Naukeurige Beschrijvinge der Afrikaense Eylanden, enz.’. Het boek is in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag aanwezig dus op genoemde dag in de Kerstvakantie ben ik naar de KB gegaan, heb het boek aangevraagd en ingezien.

 
Foto. Portret van Olfert Dapper (1636-1689). (Afbeelding van Internet)

Aanvankelijk dacht ik dat ze mij het verkeerde boek hadden gegeven, want toen ik het titelblad opsloeg las ik ‘Naukeurige Beschrijvinge der Afrikaense Gewesten van Egypten, Barbaryen, Libyen, Biledulgerid, enz.’ terwijl ik de beschrijving van de Afrikaanse eilanden had aangevraagd, echter het lijvige,met mooie platen  en kaarten geïllustreerde, boekwerk doorbladerende ontdekte ik dat het laatste deel van de band bestond uit de ‘Naukeurige Beschrijvinge der Afrikaense Eylanden: als Madagaskar, of Sant Laurens, Sant Thomee, d’eilanden van Kanarien, Kaep de Verd, enz.’
Op de titelpagina stond bovendien wat ik onder die ‘Naukeurige Beschrijvinge’ mocht verstaan, t.w. ‘de Benamingen, gelegentheit, Steden, Revieren, Gewassen, Dieren, Zeeden, Drachten, Talen, Rijkdommen, Godsdiensten en Heerschappyen’. De voortekenen waren gunstig, of de werkelijkheid ook zo was zou nog moeten blijken. 2


Foto. Titelpagina van ‘Naukeurige Beschrijvinge der Afrikaense Eylanden, enz.’ (Foto Jaap Plokker)
 

Dapper over de Canarische eilanden
De stamvader van onze zangkanaries, de serinus canaria, komt van nature voor op de drie Atlantische archipels Madeira, de Azoren en de Canarische eilanden. Ik was dus benieuw of en wat Dapper van deze drie eilandengroepen in zijn ‘Naukeurige Beschrijvinge’ had opgenomen en in het bijzonder of er iets over kanaries viel te lezen. De Azoren werden door Dapper kennelijk niet als ‘Afrikaense Eylanden’ beschouwd, want over deze archipel heb ik in zijn boek niets kunnen vinden, over Madeira en de Canarische eilanden wel.  In de beschrijving van Madeira rept Dapper met geen woord over de aanwezigheid van kanaries op het eiland,  in die van de Canarische eilanden wel, alhoewel uiterst bescheiden. Omdat de fragmenten waarin Dapper naar de aanwezigheid van kanaries verwijst erg summier zijn geef ik ze hier letterlijk weer.

In zijn algemene beschrijving van de plantengroei op de Canarische eilanden schrijft Dapper o.m.: ‘Daer groeit ook overvloedelijk zeker gewas, (…..) daer aen het Kanary-zaad groeit. d’ Inwoonders queken naerstighlijk dit zaet aen, tot voedsel van de Kanary-vogels, doch weligh wil ook dit zaet, van dear aangebracht, hier in Hollant, en op andere plaetsen in Europe wassen.3

In zijn algemene beschrijving van het dierenleven op de Canarische eilanden schrijft Dapper o.m.: ‘d ‘Eilanden zijn ook tamelijk rijk van Vee, als Ossen, Bokken, wilde Ezels, Rheen, benevens veelerlei gevogelt, inzonderheit zekere kleine vogeltjes, hier te landen, na deze eilanden, Kanary-vogels genoemt, die zeer schel en aengenaem zingen, en van daer herwaerts overgebracht worden en telen deze ook hier te landen voort.’4

In zijn beschrijving van het vogelleven op Tenerife schrijft Dapper o.m.: ‘Men heeft er Kanari-vogels, Quakkelen, Patrijzen, groter dan d’onze, en zeer schoon; grote Hout-duiven, Tortel-duiven, Kraeien en zomtijts komen van de kust van Barbarye Valken oversteken.’5

 

Conclusies
Al met al was de oogst dus vrij summier, maar niet onbelangrijk. Ten eerste betreft het hier een boek dat in 1668 werd uitgegeven en wij krijgen dus informatie uit een authentieke midden 17e eeuwse bron. Hoewel Dapper zich niet baseert op eigen waarnemingen mogen we, mede gezien het gezag die zijn boeken hadden, zijn teksten als tamelijk betrouwbaar beoordelen, zeker wanneer hij verwijst naar de situatie in Holland. Vervolgens zijn teksten van voor 1700 waarin het houden van kanaries, de kanariehandel en -kanarieteelt in de Nederlanden beschreven worden uitermate schaars. Men zou wel kunnen stellen dat elk fragment, hoe miniem ook, van waarde is.

 
Foto. Serinus canaria. Door Eric Verhagen op 23 maart 2012 op La Palma in de vrije natuur gefotografeerde kanarie.

In de hierboven gegeven citaten verstrekt Dapper ons summiere informatie over kanariezaad, de kanariehandel en de kanarieteelt. Met betrekking tot de opmerking over het kanariezaad, - Ik ga er van uit dat hiermee het kanarie witzaad wordt bedoeld. - geeft Dapper ons informatie die nadere bestudering behoeft.
Ten eerst werd, volgens Dapper, op de Canarische eilanden dit zaad verbouwd en door de lokale bevolking gebruikt als voedsel voor de kanarievogels. Een conclusie ligt voor de hand: de lokale bevolking van de Canarische eilanden hield kanaries in gevangenschap. De vragen die dit oproept en waarover Dapper geen uitsluitsel geeft zijn: Hielden ze de vogels voor hun eigen plezier in gevangenschap en kweekten ze er soms ook mee? Werd het witzaad gebruikt om de uit de vrije natuur gevangen vogels te voeren totdat de opkoper langs kwam en voor het transport overzee? Of is het een combinatie van genoemde overwegingen geweest?  
Van Dapper vernemen we ook dat het kanariewitzaad van de Canarische eilanden naar Europa, o.m. naar Holland, is gebracht en daar welig groeit. Zou het verbouwen van het kanariewitzaad in onze streken verband houden met het voorzien in de behoefte aan kanariezaad voor de Nederlandse kanarievogelhouders? Als dit het geval was moet het houden en kweken van kanaries in onze streken niet beperkt zijn gebleven tot een kleine groep.
Dat er inderdaad met kanaries in de Lage Landen werd gebroed kunnen we opmaken uit het volgende geciteerde fragment. Hoewel verondersteld wordt dat al ca. medio de 16e eeuw met kanaries in de Lage Landen werd gebroed is dit boek van Dapper uit 1668 de voor mij oudste bekende authentieke bron waarin zwart op wit staat dat in onze streken kanaries gefokt worden. Uit hetzelfde fragment kunnen we ook opmaken dat kanaries rechtstreeks vanaf de Canarische eilanden in Holland werden geïmporteerd. De in onze streken aanwezige kanaries waren dus of wildvang van de Canarische eilanden, of in Europa gekweekte vogels. Aan de kanariehandel in de 16e eeuw hoop ik nog eens een artikel te wijden en daarop vooruitlopend heb ik de indruk dat in Dapper’s tijd het aanbod aan importvogels van de Canarische eilanden aanzienlijk kleiner was dan het aanbod aan eigen kweekvogels uit de Nederlanden en/of de ons omringende landen.
Tenslotte is het feit dat Dapper in zijn boek naar het houden en fokken van kanaries in onze streken verwijst al een aanwijzing dat hij er niet alleen van op de hoogte, maar het houden en fokken van kanaries kennelijk ook geen obscure bezigheid van een enkeling was. 

Samenvatting
In Olfert Dapper’s ‘Naukeurige Beschrijvinge der Afrikaense Eylanden’ uit 1668 vinden we in zijn beschrijving van de Canarische eilanden enkele fragmenten die verwijzen naar de aanwezigheid van kanaries op de archipel, de export van op de Canarische eilanden gevangen kanaries naar de Nederlanden en het fokken van kanaries in de Nederlanden. Hoewel bijzonder fragmentarisch is Dapper’s boek van belang, omdat er weinig 16e en 17e eeuwse Nederlandse geschriften bekend zijn waarin over het houden en fokken van kanaries wordt gerept. Bronnen als het boek van Dapper zijn daarom van belang, omdat ze bepaalde veronderstellingen kunnen bevestigen cq. ontkrachten. Dankzij Dapper mogen we dus met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid veronderstellen dat medio en hoogstwaarschijnlijk ook in de eerste helft van de 17e eeuw in de Nederlanden op zodanige schaal kanaries werden gehouden en gefokt dat een verwijzing daarnaar in diens boek bij de lezer een zekere herkenning opriep. 
 

Noten
1. Olfert Dapper, Wikipedia.
2. Dapper, O., Naukeurige Beschrijvinge van de Afrikaanse Eylanden als Madagaskar of Sant Laurens, Sant Thomee, d’eilanden van Kanarien Kaep de Verd, Malta en andere. Uitgegeven te Amsterdam door Jacob van Meurs op de Keysersgracht in de stadt Meurs, 1668. (Inventarisnummer Kon. Bibliotheek: 185 B 11)  
3. Ibidem, p. 93.
4. Ibidem, p. 93.
5. Ibidem, p. 98. 

Met dank aan Eric Verhagen voor het ter beschikking stellen van de foto en aan Peter Spierenburg voor de bemiddeling.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2013, nr. 1, pp. 25-31
 

-0-


TOP

 

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

 

Dr. Karl Russ en zijn navolgers, een kritische literatuurstudie

door Jaap Plokker

Ook in deze editie van ons clubblad duiken we in het verre verleden. De vorige keren stonden we stil bij Jean de Bethencourt en zijn veronderstelde betekenis voor de introductie van de kanarievogel bij de hoogste adel in Frankrijk. In onderstaande gaan wij verder met onze zoektocht naar feiten, ficties en veronderstellingen in de geschiedschrijving van de kanarieteelt. Als uitgangspunt nemen we de bekende Duitse ornitholoog Dr. Karl Russ (1833-1899).

De betekenis van Dr. Karl Russ
Een van de klassiekers van de kanarieliteratuur is ongetwijfeld het door Dr. Karl Russ (1833-1899) geschreven ‘Der Kanarienvogel, seine Naturgeschichte, Pflege und Zucht’. De eerste oplage verscheen in 1872 en het boek kende vele herdrukken. Nagenoeg iedere nieuwe uitgave werd, aanvankelijk door Russ en na diens overlijden door R. Hoffschildt, uitgebreid met de meest recente inzichten. De oplagecijfers geven een indruk van de populariteit van dit boek. Iedere druk bestond uit 3000 exemplaren. De negende, en laatste door Russ verzorgde, herdruk verscheen in 1894; de 10e druk, die voor de eerste maal door Hoffschildt werd geredigeerd, verscheen in 1901. In bijna 30 jaar werden dus 30.000 exemplaren van ‘Der Kanarienvogel’, gedrukt. Van het boek, dat wel in een Engelse vertaling verscheen, is, bij mijn weten, nooit een Nederlandstalige versie uitgegeven.1
Dr. Karl Russ begon in 1872 ook met de uitgave van het tijdschrift  ‘Die Gefiederte Welt, Zeitschrift für Vogelliebhaber, Züchter und Händler’. ‘Die Gefiederte Welt’, verschijnt nog steeds en is waarschijnlijk één van de oudste, nog bestaande, tijdschriften voor vogelliefhebbers. Russ schreef ook uit eigen ervaring. Hij was een verdienstelijk kweker, die menig kweekprimeur met een uitheemse vogelsoort op zijn conto had.2 
Dr. Karl Russ was in de tweede helft van de 19e eeuw een invloedrijk publicist over allerlei vogelzaken. Zijn boeken en de artikelen in ‘Die Gefiederte Welt’ waren kennelijk zo gezaghebbend dat zij, of samenvattingen daarvan, werden vertaald en gepubliceerd in Nederlandse vogeltijdschriften of door Nederlandse auteurs werden geraadpleegd en geciteerd. Het weekblad ‘De Pluimgraaf’ besteedde, naar aanleiding van diens overlijden op 29 september 1899, een bijdrage aan de betekenis van Karl Russ voor de vogelsport. Russ wordt o.m. omschreven als ‘de groote ornitholoog (..), die zelfs bekend en geacht tot ver over de grenzen van zijn vaderland, zoo oneindig veel goeds voor de vogelliefhebberij heeft tot stand gebracht.’ 3



Foto. Portret van Dr. Karl Russ. (1833-1899).
(Afbeelding van Internet)
 

Russ als historicus
In ‘Der Kanarienvogel’ beschrijft Russ, in een beknopte historische schets, de introductie van de kanarieteelt in Europa. Bij mij bestaat de indruk dat behalve zijn bijdragen betreffende het houden en fokken van vogels in gevangenschap Dr. Karl Russ’ visie op het ontstaan van de kanariehouderij in Europa veel navolgers heeft gehad. Nog altijd wordt in dit verband zijn boek geciteerd of heeft model gestaan voor de pennenvruchten van 20e eeuwse auteurs over de geschiedenis van de kanariekweek.
Alvorens we Russ’ historische schets aan een kritische blik onderwerpen, zullen we eerst een vrije vertaling geven van hetgeen in de 140 jaar oude ‘Der Kanarienvogel’ over de introductie van de kanariekweek in Europa te lezen valt:

De oudste auteur die over de kanarievogel heeft geschreven is Konrad Geβner, wiens boek ‘De Avium Natura’ in de tweede helft van de 16e eeuw verscheen. Hij had de vogel zelf niet gezien, maar beschreef hem naar aanwijzingen van een vriend en noemde de kanarie ‘Canariam aviculam’. Deze Latijnse benaming werd vrij vertaald in ‘suikervogel’, omdat men zei dat deze zangvogel een voorkeur had voor suikerriet en graag suiker at.
Na Konrad Geβner volgde Aldrovandi (1599-1609), die in zijn boek de tekst van Geβner overneemt, maar verder ook weet te melden dat het mannetje door een gelere kleur zich van het vrouwtje onderscheidt. Naast een tamelijk  verwrongen afbeelding van een kanarie verstrekt Aldrovandi nog de informatie dat  kanariegras, oftewel witzaad, het lievelingsvoer van deze zangvogel is.
Veel beter dan Aldrovandi’s beschrijving is die van Olina, in een in 1622 in Rome uitgegeven boek. De schrijver kende alleen de groene kanarie, in die tijd nog de enige door kooplieden rechtstreeks van de Canarische eilanden naar Europa vervoerde vogels.
Toen de Spanjaarden in 1478 de Canarische eilanden veroverden maakten ze niet alleen opbrengsten van de natuur van deze eilanden buit, maar brachten ook kanaries naar het moederland. Snel werd het suikervogeltje een belangrijk handelsproduct.
De zangvogel vond, ondanks zijn hoge prijs, een plekje in de huizen van voorname, zeer rijke, lieden en gold in het bijzonder als de lieveling van de vrouwen. Het werd voor hen een onmisbaar sieraad.  Met de kanarie op de wijsvinger van de rechterhand zat de vrouw des huizes op zon- en feestdagen in haar kamer om bezoek te ontvangen. Zij liet zich ook in deze pose schilderen. Daarom kan men vandaag de dag op oude familieportretten het gebruik uit die dagen aanschouwen. De Spanjaarden wisten de handel met kanaries nagenoeg een eeuw uitsluitend voor zichzelf te bewaren, omdat ze de mannetjes uitvoerden en wijselijk de vrouwtjes achterhielden. In het midden van de 16e eeuw werd dit monopolie verbroken. Olina vertelt namelijk dat een op weg naar Livorno varend Spaans schip, dat, naast andere handelswaar, een aanzienlijke aantal kanaries aan boord had, bij de Italiaanse kust verongelukte. De daardoor in vrijheid gestelde vogels vlogen, waarschijnlijk door een oostenwind gedreven, in westelijke richting en vestigden zich op het eiland Elba. Daar vonden ze een heel gunstig klimaat en vermeerderden ze zich zo snel en talrijk dat Italianen in de vangst en verkoop van deze vogels een nieuwe bestaansbron vonden. Ze begonnen met goed resultaat vogels te fokken en vanuit Italië verspreidde de kanarie zich naar de noordelijker gelegen streken, in het bijzonder naar Tirol en andere delen van Duitsland. Hier kwam de fok met kanaries en ook de handel in deze zangvogels spoedig tot bloei.4

Wie zich bij het lezen van voorafgaande vertaling uit Russ’ boek zich afvroeg ‘Komt mij dit niet bekend voor?’ hoeft niet aan zichzelf te twijfelen. Menig auteur heeft dit fragment gebruikt als bron of als sjabloon voor een eigen historische schets over de introductie van de kanariekweek in Europa. In het artikel ‘Jean de Bethencourt’, dat in editie 2012-2 van ons clubblad werd geplaatst, en waarnaar ook in de aanhef werd verwezen, gaf ik aan dat in navolging van Jules Jannin door diverse schrijvers aan de Normandiër Jean de Bethencourt een, al dan niet belangrijke, rol wordt toegeschreven in de introductie van de kanarie op het Europese vasteland. In Russ’ historische schets wordt de naam van Jean de Bethencourt overigens niet genoemd.
Ik heb de indruk dat met name in de eind 19e eeuwse en rond de eeuwwisseling verschenen Nederlandstalige vogelliteratuur de invloed van Jannin groter is geweest dan die van Russ. Auteurs vermeldden in de, veelal uiterst beknopte, historische schetsen wel de naam van Jean de Bethencourt, maar van het door Russ geschreven historisch overzicht is nog nauwelijks een spoor te bekennen: Geen Spaans kanariemonopolie, geen schipbreuk bij Elba. Dit veranderde in de loop van de 20e eeuw toen ook Russ’ betoog betreffende de geschiedenis van de kanarieteelt in de Nederlandse kanarieliteratuur meer navolgers vond. Mogelijk dat het bestaan van een Nederlandse vertaling van het boek van Jannin en het ontbreken van een Nederlandse uitgave van ‘Der Kanarienvogel’ mede heeft veroorzaakt waarom Russ’ kijk op de kanariegeschiedenis pas later in de Nederlandstalige literatuur doordringt.5


Titelpagina van ‘Der Kanarienvogel’, 11e druk uit 1906. De eerste editie van dit door Karl Russ geschreven boek verscheen in 1872. (Foto Jaap Plokker

De klassieken Gesner, Aldrovandi en Olina
In diverse historische schetsen over de vroegste kanarieteelt in Europa worden ook de natuurwetenschappers aangehaald die Russ vermeldt. Zo vinden we de namen van Gesner en Aldrovandi terug in de beschrijvingen van T. Vriends en K. Speicher, die duidelijk Russ als bron hebben gebruikt en, 125 jaar na dato, nam ook H.K. van der Wal, overigens zonder bronvermelding, Russ’ passage over Konrad Gesner nog in een letterlijk vertaling op in zijn handboek. B. Willems gaat ook uitgebreid in op de betekenis van de drie door Russ genoemde schrijvers en weet nog aanvullende informatie te verstrekken.6
Aan de publicaties en invloed van de door Russ aangehaalde en in zijn voetspoor door anderen genoemde auteurs Konrad Gesner, Ulisse Androvandi en Giovanni Pietro Olina hoop ik t.z.t. een afzonderlijk artikel te wijden. Daarom ga ik in dit verband niet verder in op hun betekenis voor de geschiedschrijving van de kanarieteelt.

Verovering van de Canarische eilanden door de Spanjaarden en de introductie van de kanarie in Spanje.
Russ’ schets van de geschiedenis van de introductie van de kanarie op het Europese vasteland en de vroegste kanariekweek willen we splitsen in een aantal deelthema’s en die achtereenvolgens de revue laten passeren:
- Verovering van de Canarische eilanden door de Spanjaarden en de introductie van de kanarie in Spanje;
- Het Spaanse monopolie op de kanarieteelt en –handel;
- De schipbreuk bij Elba, die het begin van de Italiaanse kanariekweek en het einde van het Spaanse handelsmonopolie markeert.
De kanariekweek en –handel in Tirol is een onderwerp dat weliswaar door Russ wordt aangestipt, maar waaraan ik voornemens ben een volledig artikel te wijden en in dit verband dus buiten beschouwing zal blijven. In twee, in editie 2012-2 en 2012-3 van ons Contactblad gepubliceerde, artikelen ben ik al uitgebreid ingegaan op de levensgeschiedenis van de Normandiër Jean de Bethencourt en diens, vermeende, rol in de verspreiding van de kanarie over Europa in de eerste decennia van de 15e eeuw. Zoals gezegd vermeldt Russ de naam van Jean de Bethencourt niet in zijn historische schets.
Menig auteur laat, in navolging van Karl Russ, de introductie van de kanarie in Europa plaatsvinden nadat de Spanjaarden, vlgs. Russ in 1478, de definitieve zeggenschap over de Canarische eilanden hadden verworven en zij zangvogels vanaf de eilanden meenamen naar het Iberisch schiereiland. De kanarie werd een statussymbool in welgestelde kringen en de dames lieten zich graag portretteren met een kanarie op de wijsvinger.

 
Foto. Vrouw met kanarie op vinger. Schilderij van de Franse schilder Joseph Marie Vien (1716-1809)  (Foto van Internet)

Evenals Russ dateren M. van Woezik en R.R.P. van der Mark de verovering van de Canarische eilanden in 1478, waarna de Spanjaarden kanaries ‘in grote getale’ meenamen naar Spanje. Van der Toorn volgt getrouw van Woezik’s tekst en spreekt zelfs van ‘scheepsladingen’ kanaries,7 Ook volgens A. Bartels waren het de Spanjaarden die de kanaries in Europa introduceerden en wel medio de 16e eeuw, toen zeelieden de vogeltjes vanuit de Canarische eilanden meenamen en aan rijke dames verkochten.8 K. Speicher overgoot deze versie met een romantisch sausje: Hij liet de Spaanse soldaten en zeelieden kanaries meenemen voor hun geliefden. Toen de matrozen ontdekten dat met de verkoop van kanaries geld te verdienen viel ontstond in Cadiz een centrum van de kanariehandel. Om zeker te zijn van een geregelde aanvoer van kanaries begonnen Spaanse monniken zich toe te leggen op de kweek van kanaries in gevangenschap.9
Ook Beekman dicht Spaanse zeevaarders een rol toe in het vervoer van kanaries van de Canarische eilanden naar het Iberisch schiereiland, echter, volgens hem, had dit ‘weinig invloed op zijn algemene verspreiding’.10 
Evenals Russ refereerde K. Speicher aan schilderijen waarop ‘de vrouw des huizes zich af liet beelden met haar kleine gevederde vriend’. In tegenstelling tot Russ, die het duidelijk over Spaanse dames heeft, laat Speicher Italiaanse schilders, Italiaanse dames met een kanarie portretteren.11
Volgens Drs. E.M. Eweg werden al in 14e eeuw op de Canarische eilanden kanaries ingescheept en vervolgens getransporteerd naar het Iberisch schiereiland. In het begin van de 15e eeuw vermaakte de Spaanse adel zich met het houden van kanaries en lieten, zoals ook Russ beschrijft, vooral adellijke dames zich afbeelden met een kanarie op de wijsvinger. Schilderijen met een dergelijke afbeelding zijn, vlgs. Eweg, te zien in kastelen van Andalusia, Catalonië en Castillië. Een afbeelding ter ondersteuning hiervan ontbreekt helaas op de website.12
Een wel heel bijzonder lezing vinden we in het door H.K. van der Wal geschreven handboek. Na een jarenlange strijd om de archipel vestigde Spanje in 1495 definitief zijn zeggenschap over de Canarische eilanden. In navolging van Russ rangschikt van der Wal  de producten die de Spanjaarden van de eilanden meenamen als ‘buit’. Omdat, vlgs. van der Wal,  de kerk eigenaar was van de buit kwamen de meegenomen kanaries in kloosters terecht, waar monniken kanaries begonnen te fokken. Van der Wal benadrukt dus, in navolging van Speicher, het belang van de kloosterorden in de vroegste kanarieteelt. Omdat de monniken de kanaries voor hoge prijzen op de markt te koop aanboden konden alleen welgestelden zich een kanarie veroorloven. Voor de kloosterorden betekende de kanariehandel een interessante inkomstenbron. Door alleen mannetjes te verkopen wisten de monniken ca. 100 jaar het monopolie op de kanariehandel te behouden.13

Maken we even een uitstapje over de grenzen en raadplegen we het onder redactie van Klaus Dümpelmann e.a. geschreven en in 1986 door de Deutschen Kanarienzüchter Bund uitgeven boek ‘Der Harzer Roller, ein Handbuch/Standard für den Züchter edler Gesangkanarien’, dan lezen we veel overeenkomsten met wat tot dusver in de Nederlandstalige literatuur is gepubliceerd. Ook de schrijvers van het ‘Handbuch’ dateren de introductie van de kanarie in Europa ‘ergens tussen 1478 en 1496’, toen Spanjaarden vogels vanaf de Canarische eilanden meenamen naar hun moederland en ze in rijkversierde kooien aan vrouwen werden geschonken. Op grond van het geringe aanbod en de grote vraag waren kanaries in die tijd erg duur. Spaanse monniken ontdekten dat kanaries gemakkelijk in gevangenschap tot voortplanting overgaan en ontwikkelden een levendige handel met deze vogels door ze te fokken en alleen de mannetjes te verkopen. Het monopolie op de kanariehandel bleef tot ver in de 16e eeuw in Spaanse handen. Via de toenmalige zeehandelsroutes kwamen de in Spanje gefokte vogels in Italië, Frankrijk en Engeland terecht. Aan het Spaanse monopolie kwam een einde doordat men, als gevolg van smokkel en schipbreuk, in Italië en de overige genoemde landen de beschikking kreeg over kanariepoppen en men daar kanaries ging kweken. Aldus de historische verhandeling over de introductie van de kanarie in Europa in het Duitse handboek voor harzerkwekers.14 

Een sterk van Russ en zijn navolgers afwijkende visie verkondigt Bèr Willems. In zijn boek ‘Geschiedenis van de kanarie’ verdedigt Willems de stelling dat kanaries in de 15e eeuw in eerste instantie vanaf de Canarische eilanden vnl. naar Noord Frankrijk en de Nederlanden werden vervoerd, daar met de vogels werd gekweekt en de in de Lage Landen gefokte kanaries vervolgens via de internationale handel hun weg vonden naar elders in Europa. Hij sluit niet uit dat er ook kanaries rechtstreeks van de Canarische eilanden naar Spanje zijn vervoerd, maar acht dit van ondergeschikt belang. Enigszins in tegenspraak met voorafgaande vermeldt Willems dat in de 16e eeuw monniken in Catalonië een goede bron van inkomsten moeten hebben gehad met het fokken van kanaries.15  
Overzien we de historiografie van de introductie van de kanarie in Europa dan blijkt dat Russ’ boek uit 1872 veel navolgers heeft gehad. Soms letterlijk, soms in grote lijnen, volgen velen diens visie dat na de verovering van de Spanjaarden van de Canarische eilanden kanaries als ‘buit’ of ‘souvenir’ naar het Iberisch schiereiland werden vervoerd en uiteindelijk vnl. in welgestelde cq. adellijke kringen belandden. Ook Russ’ beschrijving van de met kanarie op de wijsvinger afgebeelde adellijke dames blijkt na 130 jaar nog steeds actueel.
Wat door Russ niet wordt beschreven en bij anderen, zoals Speicher, van der Wal, Willems en in de Duitse literatuur wel te lezen valt is de rol van de Spaanse kloosterorden in de vroegste kanarieteelt. Ook rept Russ met geen woord over Jean de Bethencourt, aan wie, sedert de tweede helft van de 19e eeuw, in de literatuur een prominente rol in de introductie van de kanarie in Europa wordt toebedeeld. Mogelijk heeft  Russ of geen kennis gehad van de 19e eeuwse Franstalige literatuur, waarin Jean de Bethencourt en diens mogelijke betrokkenheid bij de introductie van de kanarie in Europa voor het eerst werd vermeld, of hij heeft deze informatie als onvoldoende betrouwbaar terzijde geschoven en in zijn boek bewust onvermeld gelaten. We zullen het waarschijnlijk nooit te weten komen.
Voor zowel Russ als alle anderen, die een historisch overzicht van de kanarieteelt in hun boek hebben opgenomen en hiervoor werden aangehaald, geldt dat hun tekst niet wordt ondersteund met eigentijdse bronnen. In plaats van een gedegen, op contemporaine bronnen gebaseerd, betoog lijken de afzonderlijke verhandelingen eerder het resultaat van het overnemen van wat iemand anders al eerder had gepubliceerd, al dan niet overgoten met een, mogelijk zelf bedachte, persoonlijke interpretatie, om het geheel toch een eigen tintje mee te geven. Ook het veel geciteerde fragment van de geportretteerde adellijke dame met een kanarie op de wijsvinger wordt in geen enkel boek met een afbeelding van zo’n schilderij ondersteund. Zolang er geen contemporaine bronnen opduiken die bovenstaande of delen daarvan verifiëren, zullen we met hetgeen tot dusver geschreven is over de introductie van de kanarieteelt in Europa uiterst kritisch moeten omgaan. Het zou mij niet bevreemden wanneer uiteindelijk zal blijken dat de veronderstelde aanvankelijk dominante rol van de Spanjaarden in de verspreiding van de kanarie over Europa in werkelijkheid veel kleiner is geweest en de betekenis van de Spaanse kloosterorden eerder tot de fictie dan tot de feiten gerekend moet worden. Eveneens zou het mij niet verbazen wanneer de schilderijen van adellijke dames met een kanarie op de vinger, waarnaar door Russ en anderen wordt verwezen, niet uit de 15e eeuw, maar uit enkele eeuwen later blijken te dateren.
Willems boek is in zoverre een uitzondering op voorafgaande, omdat hij wel degelijk een eigen, afwijkende, stelling verdedigt. Maar ook Willems onderbouwt zijn, soms warrige, betoog niet met eigentijdse bronnen en daardoor overtuigt zijn visie ook niet.

Het Spaanse monopolie op de handel in kanaries
Ook Russ’ betoog over het Spaanse monopolie op de kanarieteelt werd door menigeen nagevolgd. Van Woezik en van der Toorn, nemen de visie van Russ integraal over.16 P. Kwast weet te melden dat de kanariehandel erg lucratief was voor de Spaanse schatkist en er zelfs een wet werd uitgevaardigd waarin uitsluitend de export van, door de adel gekweekte en van de Canarische eilanden geïmporteerde, mannelijke kanaries was toegestaan.17  Hebben bij Kwast de kanariefokkers blauw bloed, van der Wal spreekt van een monopolie van de kloosterorden. Ook Willems weet te melden dat bij verordening het de Spaanse kloosters verboden was mankanaries te verkopen en suggereert dat ten tijde van het Spaanse kanariemonopolie menig kanariepopje uiteindelijk in de maag van een monnik belandde. Vetzucht zal hij er niet van gekregen hebben, veronderstel ik. K. Speicher, H.K.van der Wall en Dümpelmann e.a. schrijven, in navolging van Russ, dat het Spaanse monopolie een eeuw lang heeft standgehouden tot ver in de 16e eeuw cq. medio de 16e eeuw.18  
R.R.P. van der Mark is heel wat gereserveerder hieromtrent. Hij noemt weliswaar het Spaanse kanariemonopolie, maar plaatst het in de categorie ‘heerlijke legendes’ die omtrent de verspreiding van de kanarie bestaan.19
In A. Bartels’ boekje lezen we een heel andere variant. Nadat door een schipbreuk kanaries in Italië waren beland, kwamen de Italianen spoedig tot de ontdekking dat deze vogels gemakkelijk in gevangenschap tot voortplanting overgingen en de handel in kanaries een lucratieve bron van inkomsten was. De vogels werden door de Italianen ‘door heel Europa’ verkocht, maar ‘de verkopers wilden angstvallig het monopolie behouden en verkochten uitsluitend mannen’. Ook Willems suggereert dat, naast een Spaans, ook een Italiaans en zelfs een Portugees monopolie op de kanarieteelt heeft bestaan. De lezing van een Italiaans kanariemonopolie heb ik overigens alleen bij Bartels en Willems terug kunnen vinden.20    
Samenvattend, ook betreffende het Spaanse monopolie op de handel met mankanaries zien we auteurs die vrij letterlijk Karl Russ volgen; anderen verstrekken aanvullende informatie, sommigen spreken zelfs van een monopolie in Italië en Portugal. Merkwaardig is dat sommigen beweren dat het Spaanse monopolie gelegaliseerd was, waarvan het bewijsmateriaal toch in archieven te achterhalen moet zijn, terwijl van der Mark hieromtrent spreekt van ‘een heerlijke legende’, een verzinsel dus. Ondanks dat van der Mark de enige is die het Spaanse monopolie op de kanarieteelt als historisch feit in twijfel durft te trekken ben ik geneigd hem daarin te volgen, omdat met name in het verleden regelgeving goed is gedocumenteerd en gearchiveerd en door genoemde auteurs geen enkele concrete verordening als vorm van bewijs van dit monopolie ter ondersteuning wordt aangedragen. Zolang 15e en vroeg 16e eeuwse daarop betrekking hebbende wetsteksten niet uit de archieven opduiken zullen we het al dan niet gelegaliseerde Spaanse monopolie op de kanarieteelt en –handel als fictie moeten beschouwen.

De schipbreuk bij Elba als het begin van de Italiaanse kanariekweek en het einde van het Spaanse handelsmonopolie.
Het wordt een ietwat eentonig verhaal, maar ook het door Russ aangedragen feit dat een schipbreuk voor de Italiaanse kust leidde tot het einde van het Spaanse monopolie op de kanariehandel wordt door velen nagevolgd. Al verschijnen er in de loop der jaren in de literatuur wel verschillende versies van deze gebeurtenis. Volledigheidshalve moet in dit verband wel opgemerkt worden dat Karl Russ het verhaal van de schipbreuk niet voor het eerst na 250 jaar tussen de mottenballen heeft opgevist. John Ray vermeldt, Olina citerende, de schipbreuk in diens in 1678 gepubliceerde ‘Ornithology’ en in het Duitse taalgebied kunnen we dezelfde geschiedenis lezen in het in veel herdrukken en ook in het Engels verschenen, door J.H. Bechstein geschreven ‘Naturgeschichte der Stübentiere Vögel’.21  Terwijl Russ het in 1622 uitgebrachte boek van G.P. Olina noemt als de bron van de schipbreukgeschiedenis, plaatst M. van Woezik de scheepsramp in 1645.22 C. van der Toorn volgt van Woezik in de datering, alleen weet zij nog te melden dat het geen schipbreuk betrof, maar er aan boord van het schip brand uitbrak, waarna de bemanning de kanaries de vrijheid gaf en de vogels naar de kust konden vliegen. Bij van der Toorn vestigden de vogels zich op het Italiaanse vasteland en niet, zoals bij de meeste auteurs, op Elba.23 In zijn Handboek laat ook P. Kwast het Spaanse monopolie eindigen met de schipbreuk. Een groot deel van Kwast’s historische inleiding bestaat trouwens uit een citaat van de 19e eeuwse Franse auteur Jules Jannin, maar het verhaal van de schipbreuk moet hij toch aan een ander boek hebben ontleend, omdat Jannin hierover met geen woord rept. Kwast verhaalt over de schipbreuk overigens met enige reserve, omdat verschillende bronnen elkaar omtrent de datering tegenspreken. Dit hoeft voor hem overigens ‘niet te betekenen dat het verhaal over een schipbreuk onjuist is’.24 In K. Speicher vindt hij overigens geen medestander. Speicher vermeldt de schipbreuk bij Elba, maar volgens hem moeten we dit verhaal ‘naar het rijk der fabelen verwijzen’. R.R.P. van der Mark is het roerend met Speicher eens. Hij vertelt over de schipbreuk voor de Italiaanse kust, waarna de ontsnapte kanaries niet direct richting het land, maar westwaarts (verg. Karl Russ!), naar Elba, vlogen en zich met de daar aanwezigen vinkachtigen vermengden, maar noemt dit verhaal een ‘legende’.25  H.K. van der Wal moet het verhaal over de schipbreuk gekend hebben, maar neemt het niet op in zijn handboek, mogelijk omdat ook hij ernstig twijfelt aan de historische betrouwbaarheid van het verhaal.26
Tenslotte besteedt ook Willems uitgebreid aandacht aan het schipbreukverhaal, dat in Olina’s boek uit 1622 vermeld wordt. Zijn lezing wijkt nogal af van die van Russ en de auteurs die hem volgen. De vraag rijst dan natuurlijk wie van beiden zich op het originele boek van Olina heeft gebaseerd. Uitgaande van  Olina’s tekst uit 1622 gebruikt Willems, in tegenstelling tot wat hij suggereert,  voor zijn versie van de schipbreukgeschiedenis een andere bron. In de uitgave van 1622 besteedde Olina twee pagina’s aan de kanarie, één pagina voor een afbeelding en één pagina voor een begeleidende tekst. In de Italiaanse tekst, waarvan ik binnenkort een Nederlandse vertaling hoop te ontvangen, heb ik gemeend de woorden Livorno en Elba te kunnen ontwaren, waardoor ik tot de conclusie ben gekomen dat onderstaande, op Willems boek gebaseerde versie van het schipbreukverhaal, geen letterlijke vertaling van Olina’s originele tekst kan zijn. In Willems boek lezen we het volgende verslag: In het begin van de maand augustus 1573 vertrok een Spaans schip van de Canarische eilanden met vrachtkooien met vooral mankanaries, maar ook enkele popjes aan boord. Het schip had aanvankelijk als bestemming Lissabon, maar veranderde op 13 augustus van koers en voer richting Italië met als eindbestemming Venetië. In de Golf van Venetië stak plotsklaps een storm op waardoor het schip verging. Voordat het schip in de golven verdween gaf de kapitein opdracht de kooien met vogels open te zetten en de vogels los te laten. Sommige vogels verdronken, andere bereikten de Italiaanse kust en een deel daarvan belandde uiteindelijk op het eiland Elba. Zet Willems met het noemen van zijn bron en zijn versie van het verhaal ons op het verkeerde been, met zijn eindconclusie kan ik overigens heel ver meegaan: ‘Het verhaal van Olina is best leuk, en er kan een kern van waarheid in zitten, maar voor serieuze opvatting is het niet geschikt’.27
Opmerkelijk is dat het verhaal van de schipbreuk bij Elba nauwelijks wordt vermeld in de rond de eeuwwisseling en gedurende eerste decennia van de 20e eeuw uitgegeven Nederlandse vogelliteratuur. De meeste auteurs, als ze al aandacht besteden aan een stukje geschiedenis van de kanarieteelt, beperken zich, zoals Jules Jannin, tot de vermelding van Jean de Bethencourt. De oudste mij bekende vermelding over de schipbreuk bij Elba in de Nederlandstalige kanarieliteratuur heb ik kunnen vinden in ‘De Pluimgraaf’, in de editie van 8 juni 1900. Toevallig, of juist niet, in het waarschijnlijk ca. 1912 uitgegeven, uit het Duits vertaalde, Nederlandstalig boekje ‘De Kanarievriend’ wordt zowel het Spaans handelsmonopolie als de schipbreuk bij Elba vermeld. De schrijver, Johann Gottfried Niedeggen, hoofdredacteur van de Allgemeine Kanarienzeitung, kende als Duitser Russ’ boek uiteraard wel!28
Het voornoemde artikel in de Pluimgraaf van 8 juni 1900 over de scheepsramp bij Elba is een transcriptie van een artikel in een Engelse periodiek. Hoewel ca. 1890 ‘Der Kanarienvogel’ in een Engelse vertaling was verschenen is op voorhand de conclusie dat de schrijver van het Engelse artikel zich op Russ’ boek  heeft gebaseerd, mijn inziens, voorbarig. De rond de eeuwwisseling uitgegeven Engelse kanarieliteratuur waarin aandacht werd geschonken aan het  verleden was namelijk vooral gebaseerd op de in de 17e eeuw verschenen Engelstalige boeken, i.h.b. het door John Ray geschreven en in 1678 uitgegeven ‘The Ornithology of Francis Willughby’. De tekst in dit boek over kanaries bestaat o.m. uit een samenvatting van hetgeen de hiervoor genoemde auteurs Konrad Gessner, Ulisse Aldrovandi en Giovanni Pietro Olina over de kanarie hebben geschreven. Omdat John Ray het fragment over de schipbreuk bij Elba uit Olina’s boek in zijn ‘ The Ornithology’ overnam vinden we deze geschiedenis, overigens zonder het einde van het Spaanse monopolie op de kanarieteelt hieraan te verbinden, ook terug in de begin 20e eeuwse Engelstalige kanarieliteratuur die John Ray’s boek als bron gebruikten. Goede voorbeelden hiervan zijn: ‘The Canary Book’ van Robert L. Wallace en ‘History of the Canary’ van Rudolf Gallloway. Het is overigens niet ondenkbaar dat ook Karl Russ kennis heeft genomen van John Ray’s boek en het noemen van Gesner, Aldrovandi en Olina in ‘Der Kanarienvogel’ mede door de citaten in ‘The Ornithology’ tot stand is gekomen.29

Van de drie hier behandelde onderwerpen is het verschaal van de scheepsramp bij Elba het meest aan discussie onderhevig geweest. Sommige auteurs vermelden het in hun boek, in navolging van Karl Russ, als serieuze geschiedschrijving en als een waar gebeurd verhaal, dat het begin van de Italiaanse kanarieteelt en het einde van het Spaanse monopolie op de kanariehandel markeerde. Anderen twijfelen aan de historische betrouwbaarheid van dit verhaal en rangschikken het als een legende, die kan dienen ter opfleuring, maar weinig van doen heeft met serieuze geschiedschrijving. De ironie wil dat de geschiedenis van de scheepsramp, waarover de meeste twijfel bestaat en door sommigen wordt weggezet als ‘fabeltje’, wel eens op meer historische feiten zal blijken te berusten dan menig uitspraak van voornoemde auteurs die onder het mom van historisch verantwoord aan het papier is toevertrouwd. Gezien de datering van de eerste vermelding van de scheepsramp, nl. in het in 1622 uitgegeven boek van Olina of mogelijk zelfs nog eerder, zou het mij niet verbazen wanneer na grondige studie uiteindelijk zal blijken dat er in de tweede helft van de 16e eeuw wel degelijk een schip met o.m. kanaries aan boord en met Livorno als bestemming voor de Italiaanse kust is vergaan en daarbij vogels zijn ontsnapt. Dat hierdoor een einde gekomen zou zijn aan het Spaanse monopolie op de kanariehandel beschouw ik als een uiterst ongeloofwaardige veronderstelling.
Tenslotte hebben generaties aspirant zangkanariekeurmeesters van zowel ANBvV als NBvV in hun lesboeken een stukje geschiedenis voorgeschoteld gekregen en o.m. moeten leren dat Jean de Bethencourt de kanarie op de Canarische eilanden heeft ontdekt (NBvV) en Spaanse veroveraars (NBvV) of Portugese zeevaarders (ANBvV) vandaar kanaries naar hun vaderland meenamen om daar te verkopen. In de allernieuwste, uit 1994 daterende, versie van het harzer lesboek van de ANBV maakt men het wel heel bont door te stellen dat Duitsers de kanarie naar Europa hebben gebracht. Ook werd in de lesboeken de aspirant keurmeesters voorgehouden dat het Spaanse monopolie op de kanariehandel werd verbroken met een schipbreuk, in de Middellandse Zee, van ‘een met kanarievogels beladen schip’ (ANBV), waardoor kanaries in Italië terecht kwamen (ANBvV en NBvV). De aspirant keurmeesters van de NBvV moesten in het verleden bovendien nog leren dat de scheepsramp, en dus het einde van het Spaanse monopolie op de kanariehandel, plaatsvond in 1645 en de aan de verdrinkingsdood ontsnapte kanaries een veilig heenkomen vonden op Elba en Madeira! Dat het voor de arme kanaries wellicht een zeetje te ver was om van het voor de Italiaanse kust verongelukte schip naar het midden in de Atlantische Oceaan gelegen Madeira te vliegen is de samensteller(s) van het lesboek kennelijk ontgaan.30

Samenvatting en slotconclusie
Het in 1872 verschenen, door Karl Russ geschreven, boek ‘Der Kanarienvogel’ mogen we rangschikken tot de klassiekers van de kanarieliteratuur. De door Russ in zijn boek beschreven geschiedenis van de kanarieteelt in Europa heeft tot ver in de 20e eeuw veel andere auteurs beïnvloed. Zijn betoog over de introductie van de kanarie in Spanje, het Spaanse monopolie op de kanarieteelt, waaraan door een schipbreuk voor de Italiaanse kust een einde komt, kan men in menig boek, in diverse varianten, terug vinden. Mede als gevolg van de vele persoonlijke interpretaties van de diverse auteurs is het door hen geschetste beeld van de kanariehandel en -teelt  in de 15e en 16e eeuw verre van eenduidig, zeg maar gerust, uiterst verwarrend.
In aansluiting op de titel van een eerder door mij geschreven artikel moeten we ons, tenslotte, de vraag stellen in hoeverre in bovenstaand overzicht van de geschiedschrijving van de introductie van de kanarieteelt in Europa sprake is van feiten, fictie of veronderstellingen.31 Mijn conclusie is dat ik in de geciteerde publicaties, in die van Karl Russ uit 1872 tot en met Erlijn Eweg uit 2000, nauwelijks een door contemporaine bronnen ondersteund feit, dat ons inzicht verschaft over de introductie en verspreiding van de kanarie over Europa in de 15e en 16e eeuw, heb kunnen ontdekken. Dit impliceert dat de in dit artikel aangehaalde historische schetsen in de categorie fictie en veronderstellingen vallen. Het is, 140 jaar na Russ’ eerste uitgave van ‘Der Kanarienvogel’ en de vele historische verhandelingen betreffende de introductie van de kanarieteelt in Europa, die sindsdien zijn verschenen, een teleurstellend en hard oordeel, maar er is bijna niets van wat door geciteerde auteurs is gepubliceerd, betreffende de introductie van de kanarie in Europa, dat we met zekerheid als historisch betrouwbaar mogen kwalificeren. In het meest gunstige geval zijn het serieuze veronderstellingen. Welke fragmenten we tot de serieuze veronderstellingen en welke we tot de fictie moeten rekenen zal hopelijk in toekomstige studies duidelijk worden.
 

Noten
1. Russ, Dr. Karl, Der Kanarienvogel, seine Naturgeschichte, Pflege und Zucht. Magdeburg, 1906, 11e druk, pp. I-X. Door mij is gebruik gemaakt van een in 2010 door BliblioLife, LLC uitgegeven facsimile uitgave.
2. Russ, Dr. Karl, Der Kanarienvogel, o.c., p. IV.
3. ‘De Pluimgraaf’, weekblad voor liefhebbers van Zang- en Kamervogels, Pluimvee, Duiven, Konijnen. Onder redactie van, aanvankelijk, J. Hendrik van Balen en later C.L.W. Noordduijn. Uitgegeven door De Erven Loosjes te Haarlem: Vlg. 13 april 1900, p. 235; 28 september 1900, p. 580; 12 oktober 1900, p. 608.  Bolman. D.H., Dr. Karl Russ. † 29-9-1899. In: ‘De Pluimgraaf’, o.c., 26 oktober 1900, p. 634.
Ik heb gebruik gemaakt van een door Mevr. G. Stoop samengestelde, door de Haagse vereniging van Vogelliefhebbers ‘Luscinia’ uitgegeven, bundel met kopieën uit ‘De Pluimgraaf’ uit de periode januari 1899 t/m 29 december 1900. 
4. Russ, Dr. Karl, Der Kanarienvogel, o.c., pp.  2-4.
5. Jannin, Jules, De kunst om kanarievogels op te kweeken en te doen voortteelen. Uitgegeven te Amsterdam bij G.T. Bom, 3e druk (1877), p. 1.  Hooydonk, R.J. van (Gep. Kapitein), Handleiding tot de kennis onzer kanarievogels en andere gevederde zangers. Uitgegeven door D. Bolle te Rotterdam, z.j. (4e druk), p. 1. De eerste druk van dit boekje dateert hoogstwaarschijnlijk van voor 1892. Kooren, G., Kanaries en Kanarieteelt.  Rotterdam, z.j. (3e Duizendtal), p. 5. Noordduyn, C.L.W., Handleiding voor het kweeken van fraaie kanarievogels en bastaarden. Meppel, z.j. (2e druk), p. 28.
6. Vriends, T., Prisma Kanarieboek. Utrecht/Antwerpen, 1974, p. 20. Speicher, K., Kanaries, gevederde kamerzangers. Zutphen, z.j., p. 10. Willems, B., Geschiedenis van de kanarie. Best, 1985, pp. 41-42, 46-47. Wal, H.K. van der, Kanaries, handboek voor het houden en kweken van zang-, kleur en postuurkanaries. Baarn, 1997, p. 13.
7. Woezik, M. van, Waterslagers en harzers, houden, kweken, keuren, z.j., z.p., p. 7. Mark, R.R.P. van der, Kanaries houden als liefhebberij. Zutphen, 1966 (2e druk), pp. 7-8. Toorn, C. van der, Zangkanaries. In: Dr. Thijs Vriends, e.a., Kanaries, voeding, verzorging, huisvesting, Best, 1984, p. 146.
8. Bartels, A., Kanaries, houden, kweken, verzorgen en africhten, Amsterdam/Antwerpen, 1964 (13e druk), p. 7.
9. Speicher, K., Kanaries, gevederde kamerzangers, Zutphen, z.j., p. 10.
10. Beekman Bzn, J.H., De Kanarievogel. De Bilt, z.j. (7e druk), p. 3.
11. Speicher, K., o.c., p. 10.
12. Eweg, Drs. E.M.,  De Spaanse Timbrado, in een vogelvlucht door de geschiedenis. Utrecht, 2000. www.timbrado.nl, site van de Timbrado Society; www.spaansetimbrado.nl, site van de timbradofokkers Manuel Pardo del Rio en Erlijn Eweg.
13. Wal, H.K. van der, o.c., p. 15.
14. Dümpelmann, K., e.a., Der Harzer Roller. Ein Handbuch/Standard für den Züchter edler Gesangskanarien. Uitgave Deutschen Kanarienzüchter Bund (DKB), 1986, pp. 11-12.
15. Willems, B., o.c., pp. 21-29.
16. Woezik, M. van, o.c., p. 7. Toorn, C. van der, o.c., p. 146.
17. Kwast, P., Handboek voor de zangkanariekweker, Zutphen, 1979, p. 11.
18. Willems, B., o.c., pp. 27-28. Speicher, K., o.c., p. 11. Wal, H.K. van der, o.c., p. 15. Dümpelmann, K, e.a., Der Harzer Roller, o.c., p. 12.
19. Mark, R.R.P. van der, o.c., p. 8.
20. Bartels, A., o.c., p. 7. Willems, B., o.c., pp. 27-28.
21. Ray, John, The Ornithology of Francis Willughby. London 1678, Book II, Chapter XIII, p. 262.
(Kon. Bibliotheek; Inventarisnr. KW 542 B 8). Bechstein, Joh. Matthäüs, Naturgeschichte der Stübenthiere Vögel, Gotha, 1800, pp. 290. (De eerste uitgave van dit boek dateert uit 1794). Gevonden op Internet: www.biodiversitylibrary.org.  
22. Woezik, M. van, o.c., p. 8.
23. Toorn, C. van der, o.c., p. 146.
24. Kwast, P., o.c., p. 11.  Kwast neemt in zijn historische inleiding een groot deel over van Jannin, Jules, De kunst om kanarievogels op te kweeken en te doen voortteelen. Uitgegeven te Amsterdam bij G.T. Bom, 3e druk (1877), pp. 1-2. Jannin vermeldt overigens het verhaal van de schipbreuk niet.
25. Speicher, K., o.c., p. 11. Mark, R.R.P. van der, o.c., p. 9.
26. Wal, H.K. van der, o.c., pp. 15-16.
27. Willems, B., o.c., pp. 46-47.
28. Niedeggen, J.G., De Kanarievriend. Velp, z.j., (2e druk), pp. 5-6. De oudste mij bekende vermelding over de schipbreuk bij Elba in de Nederlandstalige kanarieliteratuur heb ik kunnen vinden in ‘De Pluimgraaf’, 8 juni 1900, pp. 365-366. Het betreft een vertaling van een door Edwin Tankard, in het Britse tijdschrift ‘Feathered World’ gepubliceerd artikel dat weer gebaseerd was op een artikel in de ‘Weekly Telegraph’.
29. In het voorwoord van de in 1894 uitgeven 9e druk van ‘Der Kanarienvogel’ schrijf Karl Russ dat inmiddels van zijn boek ook een Engelstalige uitgave bij de Londense uitgever Dean & Son is uitgegeven.
Ray, John, The Ornithology of Francis Willughby. London 1678, Book II, Chapter XIII, p. 262. Wallace, Robert L., The Canary Book, London 1904, 3e editie, p. 210. (Gevonden op Internet: www.biodiversitylibrary.org). Galloway, Rudolf, History of the Canary. In: Robson, John & S.H. Lewer, Canaries, Hybrids and British birds in Cage and Aviary. London 1911, p.14. (Gevonden op Internet: www.biodiversitylibrary.org). Ik beschouw, dit terzijde, de uit het begin van de vorige eeuw daterende bijdrage van R. Galloway in voornoemd boek als een van de meest gedegen en best gedocumenteerde verhandelingen die in de moderne tijd over de vroegste geschiedenis van de kanarieteelt is gepubliceerd. Ik vermoed dat Galloway voor Ber Willems, hoewel hij hem niet in de lijst van geraadpleegde literatuur opneemt, bij het schrijven van zijn boek over de geschiedenis van de kanarie, een belangrijke bron is geweest. Gezien ook dat beiden de naam van de 17e eeuwse  Engelse auteur Joseph Blagrave op dezelfde wijze foutief spellen, nl. als Blagrove en Galloway’s citaten ook bij Willems terug te vinden zijn. Willems, o.c., pp. 56, 77.   
30. Lesbrief harzers en waterslagers, uitgave van de Keurmeestersvereniging Algemene Nederlandse Bond van Kanarieteelt en Vogelbescherming, onder leiding van P. Kwast, z.j., p. 3;  Lesboek Harzers ANBvV, 1994, p. 11 (Met dank aan Jacques de Beer); Handleiding voor de opleiding tot zangkanariekeurmeester NBvV. Door de Technische Commissie Zang van de NBvV, niet voor commerciële doeleinden, uitgegeven cursusboek voor de opleiding van zangkanariekeurmeester., z.j. (1981-1985?). Deel 1, p. 8.
31. Plokker, J., Feit, fictie en veronderstelling in de geschiedenis van de kanarieteelt. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2012-2, pp. 21-23.

Ik ben diverse personen dank verschuldigd die mij in de loop der jaren historische kanarieliteratuur in kopievorm hebben gegeven. In het bijzonder dank ik Gerard van Zuylen dat ik enige jaren geleden in zijn toenmalige omvangrijke collectie historische kanarieliteratuur heb mogen grasduinen en voor mij interessante passages heb mogen kopiëren. Ik heb bij de realisatie van dit artikel veelvuldig van die kopietjes gebruik gemaakt. 

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2013, nr. 1, pp. 32-53.    

-0-


TOP

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

 

Frans Vogelaer 

door Jaap Plokker

Er zijn mensen met een hobby waarvan ik me afvraag hoe je met zoiets je vrije tijd op een leuke manier kan doorbrengen. Zo zullen anderen zich afvragen wat mij bezielt om in het verleden te duiken, want dat is allemaal geweest, wat koop je daar nu voor en bovendien is het toch ook nog vreselijk saai? Mijn reactie is dan: Gewoon omdat ik me voor geschiedenis interesseer en ik het helemaal niet saai vind, integendeel, soms voel je je een ontdekkingsreiziger die hele verrassende ontdekkingen doet. In onderstaande hiervan een voorbeeld.

Een leuke verrassing
Het digitale tijdperk biedt de historicus mogelijkheden waarvan hij vroeger alleen maar kon dromen. Ik kan me nog levendig herinneren hoe ik in het verleden dagenlang in het Leids Gemeentearchief in oude kranten zat te bladeren op zoek naar artikeltjes over de Katwijkse vogelvereniging De Kanarievogel, waarover ik op dat moment een jubileumboek aan het schrijven was. Inmiddels zijn veel kranten gedigitaliseerd en het invoeren van een trefwoord en een druk op de knop is vaak al voldoende om een artikel te vinden waar je vroeger soms uren zo niet dagen naar op zoek was. Nog sterker: er gaat soms een wereld voor je open waarvan je het bestaan tot dan toe niet bewust was. Dit laatste overkwam me toen ik in het digitale krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek voor een bepaalde periode het woordje ‘vogels’ intikte en plotseling geconfronteerd werd met advertenties van de Amsterdamse vogelhandelaar Frans Vogelaer. Als je Frans niet kent of zelfs nooit van hem hebt gehoord hoef je jezelf niets te verwijten. De kans is nihil dat je hem op een TT, zangwedstrijd of vogelbeurs tegen het lijf loopt, want hij runde zijn nering in de tweede helft van de 17e eeuw.

Frans’ handel en wandel was voor mij een geschiedkundige openbaring. Niet alleen het feit dat hij hoogstpersoonlijk zeereizen ondernam om kanaries te kopen was voor mij een noviteit, maar dat hij niet op de Canarische eilanden, maar op de Azoren zijn inkopen deed was voor mij helemaal opzienbarend. In geen enkel boekwerk had ik tot op heden gelezen dat in Hollandse volières kanaries rondvlogen die op de Azoren, of, zoals Frans ze noemt,  ‘Vlaemse Eylanden’, waren gevangen.1 Dat deze Atlantische archipel een kanarieproducerend gebied was geweest voor de Europese markt had ik al min of meer vastgesteld op basis van een fragment uit een uit het laatste decennium van de 16e eeuw daterend reisverslag van Jan Huygen van Linschoten, maar dat de 17e eeuwse Hollandse vogelnering zo ver ging dat een vogelhandelaar zelf als passagier met een schip meeging naar de Azoren, daar z’n kanaries inkocht, vervolgens met z’n handel weer naar de Republiek terugvoer en na aankomst een advertentie in de krant zette met een mededeling in de trant van ‘Frans is terug en hij heeft ze weer!’, was voor mij volslagen nieuw.2


Foto. Het natuurlijke leefgebied van de Serinus canaria omvat Madeira, de Canarische eilanden en de Azoren, de archipel waar Frans Vogelaer ze vandaan haalde. Deze foto van een Serinus canaria is op  23 maart 2012 genomen op La Palma (Canarische eilanden) door Eric Verhagen

 

Advertentie

De Liefhebbers werd bekent gemaeckt, als dat Frans Goossensz
 de Vogelaer nu self is t ‘ huys gekomen van de Vlaemse Eylanden,
 met een goede party Canari vogels, die hy verkoop by ’t stuck of
by ’t dosijn, een yder sijn gerijf, woonende by de Beurs, in de
Gaper steegh.
(Advertentie in ‘Oprechte Haerlemsche courant’ van 6 september 1670)

De Vlaemsche Eylanden
Met de Canarische eilanden en Madeira vormen de Azoren de drie archipels waarop de stamvader van onze kanarie, de Serinus canaria, in de vrije natuur voorkomt. Onderzoek heeft aangetoond dat de populaties op de drie genoemde eilandengroepen genetisch nauwelijks van elkaar verschillen. In de vnl. oude literatuur valt regelmatig te lezen dat kanaries ook voorkomen op de Kaap Verdische eilanden en zelfs op St. Helena. Op de Kaap Verdische eilanden leven geen kanaries en de op St. Helena rondvliegende leden van de Serinus canaria zijn nazaten van door de mens geïntroduceerde exemplaren.3
Op kaarten uit de 16e en 17e eeuw worden de Azoren aangeduid met ‘Vlaemsche Eylanden’ of een daarop gelijkende schrijfwijze. De oorsprong van deze oude naam voor de Azoren gaat terug tot de 15e eeuw toen Vlamingen, aangelokt door niet altijd even betrouwbare voorwendsels van de initiatiefnemers, naar deze archipel emigreerden om er een nieuw bestaan op te bouwen. Men schat dat in de 15e eeuw in totaal 1500-2000 Vlamingen zich op de Azoren hebben gevestigd. Jan Huygen van Linschoten verbaasde zich omstreeks 1590, toen hij enige tijd op de Azoren verbleef, zich over de sprekende gelijkenis van sommige bewoners van de eilandengroep met de bevolking van de Lage Landen.4
Eilanden van de archipel waarvan bekend is dat die door Frans Vogelaer en zijn zoon werden bezocht om kanaries in te kopen waren Terceira en Faial.

 

Advertentie

Met het Schip de Roomsche Maeght, voor 8 a 14 Dagen, van
Thersera komende, in Tessel gearriveert, is als Passagier
 overgekomen Frans Vogelaer met een partye Canary-vogels,
de hij verkoopt by ’t Stuck of Dosijn, yder sijn gerijf; Liefhebbers
konnen hem vinden tot Amsterdam, by de Beurs, in de
Gaper-steegh, in de Vogelaer in ’t Hart.
(Advertentie in ‘Oprechte Haerlemsche courant’ van 1 augustus 1671

Frans Vogelaer en zijn negotie
Van Frans Goossensz de Vogelaer weten we niet veel. Hij is ca. 1620 te Amsterdam geboren. Zijn overlijdensdatum is niet bekend, maar in 1688 was hij nog actief als vogelhandelaar. Hij trouwde met Marritje Gerrits en kreeg in ieder geval één dochter, Marieke, ook wel Maria genoemd, die in 1659 werd geboren. Er kwam ook minstens één zoon ter wereld, waarvan de naam niet bekend is. Hij ging bij zijn vader in de zaak en we weten dat hij in het voorjaar van 1672 met een door hem ingekochte partij kanaries vanaf de Azoren in Amsterdam arriveerde.

 

Advertentie

De Soon van Frans Vogelaer, nu t’huys gekomen van Fiyael
met Schipper Tjerck Tjerckse, maeckt alle Liefhebbers bekent
(dat hij een) party Canary Vogels heeft mede gebracht, die
(hij) by ;’t stuck of dosijn verkoopt, tot Amsterdam, by de
Beurs, in de Gaper steegh.
         (Advertentie in ‘Oprechte Haerlemsche courant’ van 3 mei 1672)

Verondersteld wordt dat Frans Vogelaer zijn jeugd heeft doorbracht als Frans Goossensz, vanwege zijn beroep later als bijnaam (de) Vogelaer kreeg en die als familienaam heeft aangenomen. In advertenties uit ca. 1670 noemde hij zich namelijk Frans Goossensz de Vogelaer, in die uit september 1688 ‘Frans Vogelaer’.
Behalve als vogelverkoper wordt Frans in de archieven ook genoemd als vogelkooimaker.5 Hij woonde in Amsterdam, ‘in de Gapersteegh, by de Beurs’. De Gapersteeg bestaat nog steeds en is één van de verbindingsstegen tussen het Rokin en de Kalverstraat. Met de aanduiding ‘by de Beurs’ wisten de minder met Amsterdam vertrouwde clientèle in ieder geval in welke buurt ze Frans’ huis moesten zoeken. De toenmalige koopmansbeurs was aan het Rokin gevestigd en bij iedereen bekend. Vogelaer verkocht zijn vogels aan huis en zijn woning was herkenbaar aan een uithangbord met aan de ene zijde, naast geschilderde vogeltjes, de volgende tekst:
 

Zie hier canary, vink en putter,
Die het vooglen haat, dat is een dutter

De andere zijde van het uithangbord sierde een portret van Frans en de tekst:

Men stoft dan vrij op al wat vogels tart
Ik ben een Vogelaer in ’t Hart6

Frans keerde niet van de Azoren terug met één lopertje ‘pietjes’, want je kon bij hem kanaries ‘per dosijn’ kopen. Waren 12 kanaries in één koop teveel dan was Frans de beroerdste niet en kon je ze ook per stuk aanschaffen, of anderszins, ‘yder sijn gerief’. Omdat Frans in landelijk verschijnende kranten adverteerde en hij de kanaries ook per dozijn verkocht krijgen we de indruk dat hij behalve vogelkooimaker en detaillist ook een soort groothandel in kanaries bedreef en zijn afzetgebied zich niet tot Amsterdam beperkte. 
Een mens is niet gauw tevreden en helaas vertellen de advertenties niet voor welke prijs de kanaries van de hand gingen, maar die was kennelijk lucratief genoeg om de trip naar de Azoren te ondernemen en met winst af te sluiten. In de ‘couranten’ hebben we voor de periode 1669-1688 kunnen achterhalen dat Frans vijf keer kanaries aanbood uit een van de Azoren betrokken partij. In november 1669, september 1970 en juli 1671 keerde Frans met de door hem hoogstpersoonlijk op de Azoren gekochte kanaries terug in Nederland. In het voorjaar van 1672 is z’n zoon op de Azoren geweest om daar kanaries in te kopen en in september 1688 adverteerde Frans in de Oprechte Haerlemsche courant met kanaries, die hij niet zelf op de ‘Vlaemse Eylanden’ had aangeschaft, maar door anderen voor hem aldaar waren gekocht. We mogen dus stellen dat Frans Vogelaer in ieder geval gedurende een periode van 20 jaar, mogelijk, jaarlijks een aanzienlijke partij kanaries op de Azoren kocht, of liet kopen en op deze wijze o.m. als importeur en groothandel van kanaries in Amsterdam en omstreken in zijn levensonderhoud voorzag.7
Omdat Frans in de in 1669 gepubliceerde advertentie zich als ‘de Vogelaer’ afficheerde was hij toen dus kennelijk reeds in deze branche actief en bij menigeen als zodanig bekend, waardoor het niet uitgesloten is dat hij ook al vóór 1669 in kanaries handelde en op de Azoren inkocht.

Advertentie

Frans Vogelaer t’ Amsterdam in de Gaper-steeg, in de Vogelaer
 in ’t Hart notificeert aen de Liefhebbers van de Canary-Vogels
dat hij een party puycks puyck sulcke vogels van de Vlaemse
Eylanden gekregen heeft, die hij verkoopt by ’t stuck of ’t dosijn.
         (Advertentie in ‘Oprechte Haerlemsche courant’ van 18 september 1688)



Foto. Carel Fabritius (1622-1654), Putter (1654). Let op het kettinkje aan de poot van de putter! (Bron: Internet)

 

Frans Vogelaer en zijn tijd
We gaan er van uit dat het assortiment vogels dat Frans Vogelaer ‘In de Vogelaer in t’Hart’ te koop aanbood, niet alleen uit kanaries bestond. De tekst op het uithangbord van z’n winkel annex woonhuis duidt er op dat Frans ook allerlei inheemse zangvogels verkocht. Frans’ bijnaam ‘de Vogelaer’ wijst er niet alleen op dat hij vogels verhandelde, maar laat ook de mogelijkheid open dat hij er zelf op uit trok om vogels te vangen. De aanduiding ‘vogelaar’ werd in de 17e eeuw namelijk ook gebruikt voor mensen die beroepshalve of voor eigen gebruik met netten, lijmtakken, knippen, etc. vogels vingen, om die te verkopen als kooivogel of voor menselijke consumptie. Op een schilderij van Pieter Aertsen (1509-1575) is een vogelverkoper te zien met een kooi met levende vogels en een rist dode vinken. Gezien de vele plaatsen in Amsterdam waar in  de 17e eeuw vogels werden verkocht, was er toen een uiterst levendige handel in dode en levende vogels, variërend van watervogels en hoenders tot kleine zangvogeltjes. Volgens Matthey kwamen ‘van heinde en verre’ vogelaars naar Amsterdam om daar hun vangsten te verkopen aan poeliers, handelaren in kooivogels of  aan particuliere consumenten.8 Hoewel we daarvoor in de bronnen geen enkele aanwijzing hebben gevonden is het niet uitgesloten dat Frans Vogelaer ook dode (zang)vogels voor menselijke consumptie verkocht.

 
Foto. Pieter Aertsen (1509-1575), Markttafreel. Let op de rist dode vinken in de rechterhand van de vogelverkoper (Bron: Internet)

Vooralsnog kennen we Frans Vogelaer in de eerste plaats als vogelkooienbouwer en handelaar in levende kooivogels. Bij het bestuderen van de vraag hoe populair de kooivogel in de 17e eeuw in de Republiek was wordt vaak verwezen naar de veelheid aan 17e eeuwse schilderijen en tekeningen waarop een huisinterieur met vogelkooi staat afgebeeld. Het is trouwens nog maar de vraag of daar vaak een kanarie in heeft gezeten. De kans is namelijk heel groot dat de meeste bewoners van een 17e eeuwse vogelkooi inheemse vogels waren. Wereldberoemd is, bijvoorbeeld, het schilderijtje van Carel Fabritius van een putter.


Gerard Dou (1613-1675), Jonge vrouw aan kaptafel (1667). Let op de geopende vogelkooi boven de twee vrouwenfiguren!
(Bron: www.collectie.boijmans.nl)

We moeten ons hierbij overigens realiseren dat het voor een 17e eeuwse schilder gebruikelijk was met het afbeelden van vogels, al dan niet gekooid, een, meestal erotische en/of moraliserende, betekenis aan het schilderij mee te geven. In heel veel 17e eeuwse teksten moet het woord ‘vogelen’ geïnterpreteerd worden als ‘de liefde bedrijven’. Op het werk ‘Jonge vrouw aan kaptafel’ van de Leidse schilder Gerard Dou zien we aan het plafond een vogelkooi hangen met het deurtje wagenwijd open. De vogel is gevlogen, maar welke vogel? De keurige dame aan de kaptafel blijkt helemaal niet zo netjes in haar gedragingen te zijn, want met het open kooitje wil de schilder ons vertellen dat ze haar maagdelijkheid kwijt is.
Ondanks de realistische voorstelling hoeft zo’n 17e eeuws schilderij dus geen getrouwe weergave van de werkelijkheid te zijn. M.a.w. de op 17e eeuwse schilderijen gesuggereerde populariteit van de huiskamervogel hoeft niet per definitie de reële verhoudingen weer te geven. Dit neemt niet weg dat we wel mogen veronderstellen dat in 17e eeuwse huisinterieurs een vogelkooi een regelmatig voorkomende verschijning was. Over het 18e eeuws vogelkooienbezit is wat meer bekend. Matthey citeert een onderzoek naar vroeg 18e eeuwse boedelinventarissen in Maassluis, waaruit bleek dat in 20% van de huizen één of meerdere vogelkooien aanwezig waren. Op het eind van de 18e eeuw was dit percentage in Maassluis zelfs gestegen tot 60 %.9
De vraag in hoeverre 17e eeuwse huiskamers werden opgefleurd door fluitende kanaries is eveneens lastig te beantwoorden. Aanschaf en bezit van exclusieve vogelsoorten lag vele eeuwen lang uitsluitend binnen de financiële mogelijkheden van de welgestelden. Zelfs een voor ons eenvoudig vogeltje als een kanarie, die met name enige decennia geleden menige huiskamer van de gewone man met zijn gezang opfleurde, was tot in de 19e eeuw alleen voorbehouden aan de beter gesitueerden. Als Frans Vogelaer hoogstpersoonlijk naar de Azoren gaat om daar kanaries in te kopen is het vanzelfsprekend dat hij, om deze hele onderneming met winst te kunnen afsluiten, de kanaries niet voor een appel en een ei over de toonbank liet gaan. Een indicatie voor de prijzen waarvoor ca. 1700 kanaries verhandeld werden vinden we bij J.C. Hervieux de Chanteloup, die aangeeft dat de kanarieprijzen in Parijs toen varieerden tussen 3 gulden (omgerekend naar Hollandse valuta) voor de gewone groene tot 20 gulden voor de meest exclusieve kleurslag. Kon de kanarie één of meerdere wijsjes fluiten dan moest je in een geheel andere prijsklasse denken. Medio de 17e eeuw wisselde een vogel die een dergelijk kunstje beheerste voor 60 - 100 gulden van eigenaar. Kortom, mede op grond van Frans Vogelaer’s handel en wandel mogen we wel concluderen dat een kanarie in de tweede helft van de 17e eeuw voor de gewone man (nog) financieel onbereikbaar was.10

Slot
Frans Vogelaer was, met z’n op de Azoren ingekochte vogels, zeker niet de enige die gedurende de tweede helft van de 17e eeuw de Nederlandse markt van kanaries voorzag. Ten tijde dat Frans zijn vogelwinkel en kooienwerkplaats runde werden, volgens Olfert Dapper, in de Republiek ook kanaries gekweekt en ongetwijfeld werden daarvan exemplaren te koop aangeboden.11  Verder nemen we aan dat de Tiroolse en Duitse vogelhandelaren, die in de loop van de 17e eeuw begonnen met hun ambulante handel door Europa te trekken en ook naar Engeland overstaken, tevens de Republiek bezochten om kanaries te verkopen.12
Het aanbod aan kanaries op de Nederlandse markt in de tweede helft van de 17e eeuw bestond dus deels uit hier te lande en in het buitenland gefokte exemplaren. Uit het feit dat Frans Vogelaer regelmatig zeereizen naar de Azoren ondernam om daar wildvang kanaries aan te schaffen en in Amsterdam, uiteraard met winst, te verkopen mogen we concluderen dat het aanbod aan gekweekte vogels, zeker tot het einde van de 17e eeuw, niet voldoende was om aan de vraag naar kanaries te kunnen voldoen. De handel in, al dan niet van de Canarische eilanden of de Azoren afkomstige, wildvang kanaries bleef dus nog heel lang in de Republiek in een behoefte voorzien, zeker tot het eind van de 17e eeuw, ook toen er door fokkers op het Europese vasteland volop kanaries werden gekweekt.

Noten
1. Bij het schrijven van dit artikel en het daarvoor benodigde onderzoekswerk kwam ik op het spoor van het door Ignaz Matthey geschreven ‘Vincken moeten vincken locken’. (Hilversum, 2002) Dit boek is het resultaat van een uitermate gedegen onderzoek naar 500 jaar vogelvangst in Holland. Op blz. 278-279 verwijst Matthey naar de Amsterdamse vogelhandelaar Frans Vogelaer, die dus wel degelijk al eerder in de literatuur wordt vermeld.
2. Jan Huyghen van Linschoten, Itinerario, voyage ofte schipvaert naer Oost ofte Portugaels Indien 1579-1592. Derde stuk. Dat. 97. capittel. Beschryvinghe van de eylanden van Açores ofte Vlaemsche Eylanden, p. 107. Ed. H. Kern en H. Terpstra, uitgave Linschoten Vereeniging. (Op Internet te vinden op www.dbnl.org.)
3. C. Dietzen, C, Voigt, M. Wink, M. Gahr en S. Leitner, Phylogeography of island canary (Serinus Canaria) populations. In: J Ornithol (2006) 147, pp. 485-494 (http://springerlink.com/content/7143951m0v420845/fulltext.pdf); C. Dietzen, Molecular phylogeography and colonisation history of passerine birds of the Atlantic Islands (Macaronesia). Dissertatie. Heidelberg, 2007, pp. 22, 62-74 (http://www.cdietzen.de/wp-content/uploads/2008/03/diss_c-dietzen.pdf). Met dank aan Peter Spierenburg. ) Voor de vogelpopulatie op de Kaap Verdische eilanden en St Helena, zie www.avibase.bsc-eoc.org
4. Jan Huyghen van Linschoten, Itinerario, o.c., Derde stuk. Dat. 97. capittel. Beschryvinghe van de eylanden van Açores ofte Vlaemsche Eylanden, pp. 103-104. Ed. H. Kern en H. Terpstra, uitgave Linschoten-Vereeniging. (Te lezen op Internet: www.dbnl.org.). Wickeren, Arnold van, Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee, Deel 6, paragraaf 1.2; Deel 9, paragraaf 1.1. en deel 13, paragraaf  3.1. (Te lezen op Internet: www.colonialvoyage.com.).  Postma, M., De vergeten Vlamingen van de Azoren, Lusophonia Magazine. (Te lezen op Internet: www.lusophonia.com.)
5. Summiere informatie over Frans Vogelaer werd gevonden op Internet, op www.onweersberkhof.com.
6. Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken, vijf eeuwen vangst van zangvogels en kwartels in Holland, Hilversum 2002, pp. 278-279.
7. In de ‘Oprechte Haerlemse courant’ werden op de volgende data advertenties van Frans Vogelaer aangetroffen:  3 december 1669, 6 september 1670, 16 september 1670, 30 juli 1671, 1 augustus 1671, 3 mei 1672, 18 september 1688. Op 9 september 1670 verscheen ook een advertentie van Frans Vogelaer in de ‘Ordinaris dingsdaeghse courante’ .
8. Matthey, Ignaz, o.c., pp. 179-181. 
9. Matthey, Ignaz, o.c. pp. 278.
10. Matthey, Ignaz, o.c., pp. 278-279.  Hervieux de Chanteloup, J.C., Traité curieux des serins de Canarie/ Naauwkeurige verhandeling van de Kanarivogels. Vertaling A. Moubach. Deze gecombineerde Frans/Nederlandse uitvoering werd in 1712 uitgegeven door Hendrik Schelte te Amsterdam., p. 259.  De eerste editie van het boek werd volgens de literatuur uitgegeven in 1705. De mij oudst bekende uitgave dateert van 1707 en werd uitgegeven door C. Prudhomme te Parijs.
De kanarieprijzen worden in Franse valuta gegeven. De gewone groene kanarie, bijvoorbeeld, kostte 3 livre en 10 sous. Volgens vertaler A. Moubach gold toen een wisselkoers waarbij de waarde van 1 livre overeen kwam met 17 Hollandse stuivers. Omgerekend naar Hollands geld was 3 L, 10 s dus 60 stuivers oftewel 3 gulden.
Het blijft lastig de waarde waarvoor in de 17-18e eeuw kanaries werden verkocht te vertalen naar de huidige tijd. Een indicatie geven de volgende vergelijkingen. Volgens het Instituut voor Sociale Geschiedenis vertegenwoordigen ƒ 100,00 in 1675 en ƒ 20,00 in 1700 naar onze huidige maatstaven een waarde van  resp. ca. € 1000,00 en € 200,00. (
www.iisg.nl.)
Aansprekender is om het salaris als vergelijkingsinstrument te hanteren. Ca. 1700 verdiende een bouwvakker in Alkmaar  ca. 16 stuivers per dag. Ca. 1650 verdiende in de Republiek een in een stad woonachtige ongeschoolde arbeider ca. ƒ 240,00 per jaar, oftewel ƒ 20,00 per maand. Een verkoopprijs van  3 gulden voor een gewone groene kanarie ca. 1700  kwam dus overeen met het loon van een bouwvakker van 3 ½ werkdag (Zanden, J.L. van, Kosten van levensonderhoud en loonvorming in Holland en Oost-Nederland 1600-1850. Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 11 (1985), p. 312. [www.depot.knaw.nl/2328/]); de prijs van ƒ 60 – ƒ 100,00 voor een wijsjes zingende kanarie kwam ca. 1675 overeen met het loon waarvoor een ongeschoolde arbeider 3-5 maanden moest werken. (www.cvandersman.nl)
11. Dapper, O., Naukeurige Beschrijvinge van de Afrikaanse Eylanden als Madagas-kar of Sant Laurens, Sant Thomee, d’eilanden van Kanarien Kaep de Verd, Malta en andere. Uitgegeven te Amsterdam door Jacob van Meurs op de Keysersgracht in de stadt Meurs, 1668, p. 93. (Inventarisnummer Kon. Bibliotheek: 185 B 11).  Plokker, J., Olfert Dapper. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2013-1, pp. 25-31.

12. Blagrave, Joseph, The Epitome of the Art of Husbandry, London 1675, pp. 106-107, 114.  (Inventarisnummer Kon. Bibliotheek: KW 1113 F 4)
 

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2013, nr. 2, pp. 16-27

- 0 -


TOP

 

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

 

Kanarieteelt in Engeland in de 17e eeuw: Blagrave, Willughby, Ray  & Cox                      

door Jaap Plokker

In mijn zoektocht naar informatie over de kanarieteelt in vroeger eeuwen kwam ik in de literatuur diverse namen tegen van 17e eeuwse Engelse schrijvers, die in hun boeken over het houden en fokken van kanaries geschreven zouden hebben. Zoekend in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag bleek de KB diverse boeken, die ik graag wilde inzien, in bezit te hebben en in januari 2013 ben ik twee keer naar den Haag getogen om in deze oude Engelse boeken te speuren naar informatie over het houden en fokken van kanaries in vroegere eeuwen.

Op 25 januari 1661 schreef de, bij de Engelse marine werkzame, hoge ambtenaar Samuel Pepys (1633-1703) in zijn dagboek het volgende: ‘Vanavond laat worden de twee kooien al afgeleverd, die ik in het begin van de avond heb gekocht voor de kanarievogels, die Captain Rooth vandaag bij me heeft laten bezorgen.’ Pepys was kennelijk nogal gehecht aan zijn vogeltjes, want, toen hij op 11 januari 1664 thuis kwam en hoorde dat zijn kanarie was overleden, was hij behoorlijk van slag. Naast kanaries bezat Pepys ook nog andere vogels, want op 22 mei 1663 bezorgde de huistimmerman van ene Deptford bij hem een merel, die hem 20 shilling kostte, en hem daags daarop tussen vier en vijf wekte met zijn buitengewoon mooie zang. Anno 2013 lijkt het voor een ambtenaar wel erg vroeg om half vijf op te staan, maar voor Pepys was dit niet uitzonderlijk. Uit zijn dagboek kunnen we opmaken dat Pepys er niet alleen zelf plezier in schiep vogels in een kooi in huis te hebben, maar ook in zijn kennissenkring diverse personen volières bezaten.1
Gedurende de 17e eeuw verschenen in Engeland boeken met informatie over en instructies voor het verzorgen van het vee, het telen van groente, het bijhouden van de tuin en de boomgaard, enz. Daarnaast vinden we in deze boeken ook praktische tips voor wat de elite in z’n vrije tijd placht te doen, t.w. vissen, valkerij, jagen op viervoeters, met o.m. adviezen over welke hondenrassen daarvoor het geschiktst zijn, maar ook informatie en aanwijzingen over het vangen van vogels, met netten en lijmstokken, en het houden en verzorgen van vogels in gevangenschap.
Zowel op basis van het dagboek van Samuel Pepys als de inhoud van de in de loop van de 17e eeuw verschenen boeken over het land- en vrijetijdsleven van de Engelse elite mogen we concluderen dat het vangen, houden en verzorgen van vogels voor de beter gesitueerden in het 17e eeuwse Engeland geen ongebruikelijke bezigheid was. Omdat in de door mij geraadpleegde boeken ook uitgebreid wordt ingegaan op het verzorgen en fokken van kanaries nemen we aan dat, naast inheemse vogels, kanaries tot het favoriete gevogelte behoorde waarmee de Engelse welgestelden zich in de 17e eeuw vermaakten. We zullen achtereenvolgens drie, in de tweede helft van de 17e eeuw in Londen uitgegeven en door mij geraadpleegde, boeken aan een nadere blik onderwerpen.

Joseph Blagrave (1610-1679), ‘The Epitome of the Art of Husbandry’
Joseph Blagrave werd in 1610 geboren in Reading, in het Engelse graafschap Berkshire, waar hij ook in 1679 is overleden. Aanvankelijk studeerde hij astronomie en astrologie en later filosofie en fysica. Afgaande op de titels van zijn eerste publicaties, ‘Ephemerides, with Rules for Husbandry’,  voor de jaren 1658, 1659, 1660 en 1665, bestonden deze boeken, behalve uit allerlei informatie over de sterrenhemel in genoemde jaren, ook o.m. uit tips voor een goed beheer van akkers, tuinen en vee.2
In 1669 verscheen de eerste editie van ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ en in 1670 de tweede druk. Opmerkelijk is dat de schrijver van dit boek zich louter bediende van zijn initialen, J.B. Algemeen wordt aangenomen dat Joseph Blagrave de auteur is, maar 100% zekerheid hieromtrent hebben we niet.
Zowel de editie uit 1669 als die uit 1670, zijn voor vogelliefhebbers niet bijster interessant. De tekst wordt volledig in beslag genomen door allerlei informatie over en praktische aanwijzingen voor het verbouwen van graan en groente, het beheren van een veestapel, waaronder het bestrijden van ziektes bij koeien, schapen, geiten, enz.
In de derde, door mij geraadpleegde, uitgave uit 1675 werd de tekst uitgebreid met ‘Aanwijzingen voor het vangen, verzorgen, africhten en genezen van zangvogels’.Blagrave geeft in deze aanvulling een uitgebreide instructie over de methoden waarmee je vogels kunt vangen, zoals met lijmstokken en netten. Verder een opsomming van in Engeland voorkomende zangvogels, hoe je die in gevangenschap kunt houden en welke, bijvoorbeeld, geschikt zijn om een wijsje aan te leren.


Foto. Afbeelding van de astroloog Joseph Blagrave op 72 jarige leeftijd. Blagrave is bij vogelliefhebbers o.m. bekend vanwege zijn bijdrage over kanaries in zijn boek ‘The Epitome of the Art of Husbandry’. (Bron: Internet)

Uitvoerig gaat Blagrave in op het houden en verzorgen van nachtegalen. Hij steekt zijn bewondering voor het nachtegaallied niet onder stoelen of banken. Zijn liefde voor de nachtegaalzang uit zich o.m. in het zelf houden en verzorgen van deze vogels. Hij schrijft hoe hij, nadat hij een keer een hard gekookt eendenei door het voer had verwerkt, binnen 24 uur maar liefst 6 nachtegalen verloor en waarschuwt hiermee anderen voor het gebruik van eendeneieren in vogelvoer. Blagrave besteedt in zijn boek maar liefst twintig pagina’s aan het vangen van volwassen nachtegalen, het temmen van deze vogels, het met de hand grootbrengen van uit het nest gehaalde jongen, voermethoden, wat te doen wanneer de nachtegaal ziek wordt, enz.4  


Foto. Titelpagina van de derde druk van ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ . Geschreven door J(oseph) B(lagrave), Gent.(leman) en uitgegeven te Londen in 1675. (Foto Jaap Plokker)

De aanvulling over zangvogels in de derde editie van ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ is met name voor kanarieliefhebbers buitengewoon interessant. Het bevat, zover mij bekend, de oudste uitgebreide verhandeling over het houden, verzorgen en fokken van kanaries met bovendien een beknopte beschrijving van hoe men toen in Duitsland kanaries placht te kweken. In de hierna te bespreken boeken, het door John Ray geschreven ‘The Ornithology of Francis Willughby’ uit 1678 en het door Nicolas Cox geschreven ‘The Gentlemans Recreation’ uit 1677 (2e ed.), treffen we met betrekking tot de beschrijving van de kanarieteelt nauwelijks nieuwe informatie aan. Genoemde auteurs baseren zich volledig op Blagrave en veel passages kan men letterlijk in ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ terugvinden.
Gezien het belang van Blagrave’s verhandeling over kanaries heb ik een poging gewaagd een, naar mijn inzicht, zo letterlijk mogelijke vertaling te maken.

[p. 106]
Nu ik alle vogels met een zachte snavel heb besproken zal ik een poging wagen een opsomming te geven van alle vogels die zich voeden met zaden en daarom een harde snavel hebben. Zij komen in grote aantallen bij ons in Engeland voor. De eerste waarmee ik zal beginnen is de vogel die we Kanarie-Vogel noemen, omdat hij oorspronkelijk van de Canarische eilanden afkomstig is, maar nu worden er heel veel in Duitsland gekweekt en ook in Italië. Ik beschouw de kanarie als de beste zangvogel. In Engeland wordt ook wel met kanaries gebroed, maar nog niet op de schaal en in de aantallen als in andere landen. Ik zal in deze volgorde, naar mijn beste weten, doorgeven wat ik weet over kanaries: wat je moet doen om ze te laten broeden, hoe je ze tijdens de broed moet verzorgen en hoe je de jonge vogels zelfstandig moet krijgen.      

[p. 107]
 

Betreffende de Kanarie-Vogel

Deze vogel werd vroeger uitsluitend ingevoerd vanaf de Canarische eilanden en is daarom algemeen bekend onder de naam Kanarie-Vogel. De laatste tijd komen veel nakomelingen van deze vogel vanuit Duitsland en daarom noemen wij ze, naar het land van herkomst, Duitse-Vogels. Maar ik geloof dat de eerste originele kanaries vanaf de Canarische eilanden werden ingevoerd.
De vogels die vanaf de Canarische eilanden ingevoerd worden staan niet meer zo hoog in aanzien als vroeger, omdat de Duitse-Vogels veel mooier zijn van uiterlijk en zang. De Duitse-Vogels hebben de veel mooiere slagen en toeren van de nachtegaal. Ik zal hier ook uitleggen op welke manier ze dat geleerd hebben.
Veel landgenoten zien geen verschil tussen een kanarie en de algemeen in ons land voorkomende groene vogels, maar wanneer ze nauwgezet zouden observeren hoe het keeltje van de kanarie tijdens het zingen beweegt zullen ze hem, ongeacht de kleur, snel van een andere vogel kunnen onderscheiden. Bovendien heeft een kanarie een langere staart.
Let op kanaries die de gewoonte hebben hun kop naar achteren te draaien. Ze zijn zelden goed.
De aard van de kanarie is behoorlijk tegenovergesteld aan die van andere vogels. Hebben andere vogels aanleg om vet  te worden, ik bedoel dan de mannen, kanaries worden dat nooit. Door het temperament van de vogel en de zanglust houden ze ternauwernood vlees op de rug, laat staan dat ze vet worden.

 
Foto. Titelpagina van het in de derde editie van ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ toegevoegde deel, met onderaan de aankondiging van de tekst over zangvogels. (Foto Jaap Plokker)

[p. 108]

Waar je op moet letten bij het kiezen van een kanarie
en hoe je te weten komt dat hij goed zingt

Let er in de eerste plaats op dat je een lange vogel koopt, die recht staat en niet doorzakt. De vogel moet levendig, brutaal en niet angstig overkomen. Ik zou iedereen die van plan is een kanarie van de Canarische eilanden of, zoals we tegenwoordig noemen, een Duitse-Kanarie te kopen willen adviseren zich ervan te verzekeren dat de vogel zingt, zodat je er zeker van bent dat je niet bedrogen wordt met een vrouwtje voor een man. 
Ten tweede moet de zang van een kanarie met plezier in je oren klinken. De één houdt van een vogel met een liefelijke zang, de ander van een vogel met een krachtig lied. Volgens mij houdt iedereen van een vogel die zijn lied lang aanhoudt. Je moet dus de vogel kiezen die je het best bevalt.
Je denkt misschien een shilling te besparen wanneer je een vogel uit de verzamelkooi koopt, maar die ben je kwijt wanneer je in plaats van een mannetje een vrouwtje blijkt te hebben gekocht. Bedenk goed dat één op de twaalf, zogenaamde, mankanaries een vrouwtje blijkt te zijn en een op de tien mannen niet of nauwelijks zingt. Daarom adviseer ik je ook bij het kopen van een kanarie de man alleen in een kooi te laten zingen. Dan kan je ook z’n lied beoordelen voordat je je geld uitgeeft.
De meest mensen zijn van mening dat een kanarie met het meest gevarieerde lied en die z’n lied het langst aanhoudt de beste zijn, maar de mening onder de mensen is net zo gevarieerd als er vogelliedjes zijn.
We kunnen aan de hand van de zang verschillende soorten zangkanaries onderscheiden: Ten eerste zijn er mensen die de voorkeur geven aan een kanarie die zingt zoals een graspieper. Een tweede groep houdt van kanariezang die overeenkomt met dat van de veldleeuwerik.
 


Foto. Illustratie uit de derde editie van ‘The Epitome of the Art of Husbandry’. Geïllustreerde weergave van de in deze druk gepubliceerde aanvullingen op de vorige edities, met linksboven de zangvogels. (Foto Jaap Plokker)  

[p. 109]
Ze hebben een liefelijke zang en houden hun lied lang aan, maar er zit, naar mijn mening, weinig variatie in.
Een derde groep houdt van de kanarie die zijn lied begint als de veldleeuwerik en vervolgens de tonen van het nachtegaallied zingt. Deze vogels zijn als ze het goed doen, naar mijn mening de aangenaamst zingende vogels ter wereld.
Tenslotte zijn er ook mensen die het niet uitmaakt of de vogel zijn lied lang aanhoudt, geen variatie in het lied verwachten, als de vogel maar hard zingt en lawaai maakt.
Dus kijkend naar de kanariezang houden sommigen van een kanarielied dat lijkt op dat van de graspieper, sommigen geven een voorkeur aan de op de veldleeuwerik gelijkende kanariezang, bijna iedereen houdt van de nachtegaalzangers en een enkeling tot niemand houdt van kanariezang dat lijkt op die van de vink.

Hoe je er achter komt dat een kanarie gezond is wanneer je hem koopt

Wanneer je de vogel uit de voorraad kooi haalt moet je hem alleen in een kooi zetten. De kooibodem moet schoon zijn, zodat je z’n mest kunt zien. Wanneer de vogel fier overeind staat, en niet ineengedoken, hij opgewekt uit zijn ogen kijkt, en niet slaperig, en hij ook niet de neiging heeft z’n kop onder een vleugel te stoppen, dan zijn dat aanwijzingen dat je met een gezonde vogel van doen hebt. Maar de grootste zekerheid heb je wanneer je z’n poepen en mest bekijkt. Als hij na het poepen met zijn staat klapt als een nachtegaal is dat een belangrijk teken dat hij niet in perfecte gezondheid is. Hoewel hij dan toch kan zingen en kwiek oogt, verzeker jezelf ervan dat het niet lang zal duren voordat de vogel ziek is. Vervolgens, is de mest dun en waterig, zonder enige harde stukjes, dan is de vogel niet in orde. Tenslotte, wanneer de mest slijmerig wit is, zonder zwarte stukjes, dan is dat een gevaarlijk teken, nl. dat z’n dood naderende is.

[p. 110]
Als je zo’n vogel koopt zal je er niet lang plezier van hebben. Wanneer een vogel in perfecte gezondheid is ligt erop de bodem een hoopje mest, dat rond en hard is met een klein stukje wit aan de buitenkant en donker van binnen, dat na het poepen snel droog is. Naar mijn mening is de vogel gezonder naarmate het hoopje mest groot, rond en hard is. Van een zaadeter is de mest zelden te hard, behalve wanneer hij erg jong is.

 
Foto. Bladzijde uit de derde editie van ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ waarop te lezen valt met welk doel Blagrave een deel over zangvogels in zijn boek heeft opgenomen. (Foto Jaap Plokker)

Wat te doen wanneer je kanarievogel beginnen te broeden
of tekenen vertonen dat ze willen gaan broeden

In de eerste plaats moet je om te kunnen broeden een kooi of een ruimte inrichten die hiervoor geschikt is. Aan de kant van de opkomende zon moet je een gedeelte inrichten waar de vogels vrij kunnen vliegen. Je moet dit afscheiden met een stuk gaas en voor een opening zorgen zodat de vogel er naar believen in en uit kunnen  gaan.
Wanneer je een geschikt vertrek voor de broed hebt ingericht plaats je in de hoeken enkele heksenbezems van twijgjes of bossen hei met in de midden een opening. Wanneer de ruimte behoorlijk hoog is kan je twee of drie bezems boven elkaar zetten. Je moet ze dan wel met schotjes zo van elkaar scheiden dat de vogels die in de bovenste struik zitten niet op de kop van de vogels die eronder zitten kunnen poepen. Bovendien kunnen dan de vogels die in een bovengelegen bezem een nest hebben niet zien wanneer een pop in de struik daaronder op een nest zit. Doe je dit niet dan zal de pop of de man op de pop van het andere koppel afvliegen met vaak als gevolg dat er eieren of jongen verloren gaan.
Vervolgens moet je een bak plaatsen waar je zoveel voer in kunt doen dat de vogels voor een bepaalde tijd te eten hebben, zodat je ze tijdens het broeden niet steeds hoeft te storen.

[p. 111]
Bovendien moet je in de ruimte een geschikte waterbak plaatsen. Hang de bak, waarin je van plan bent het zaad te doen, buiten het bereik van muizen opdat ze het zaad niet opeten en de kanaries van honger omkomen. Je zult ook materiaal moeten verstrekken waarmee de vogels een nest kunnen bouwen, zoals watten, dood gras, eland haar en grondmos, dat aan de slootkant of in de bossen groeit. Je moet het eerst drogen daarna vermeng je het met elkaar en vervolgens hang je het nestmateriaal op in een net zodat de vogels er naar believen uit kunnen pikken.
Je moet overal in de ruimte zitstokken aanbrengen en wanneer de ruimte groot genoeg is kan je in het midden een boompje zetten. Daar zullen de vogels veel plezier aan beleven.
De hoeveelheid vogels in de ruimte is afhankelijk van de grootte van het vogelverblijf. Het kan beter onderbevolkt dan overbevolkt zijn, want kanaries houden van hun vrijheid.

Wat het meest noodzakelijk is wanneer ze beginnen te broeden

Wanneer je bespeurt dat ze met nestmateriaal beginnen te slepen en een nest gaan bouwen geef je één keer per dag, of tenminste elke twee dagen een klein beetje groenvoer en wat broodsuiker. Dit veroorzaakt glibberigheid in het lichaam van de vogel waardoor de eieren, zonder de vogel te blesseren, gelegd kunnen worden. Want vaak overlijdt een vogel bij het leggen van het eerste ei, wat in diverse opzichten voor de fokker een groot verlies is.
Ten eerste komt er van het eerste broedsel niets terecht. Ten tweede moet je voor de man een nieuw vrouwtje beschikbaar hebben en ze moeten elkaar ook nog accepteren.

[p.112]
Is de pop doodgegaan dan kan je beter de man weghalen in plaats van hem in de broedgelegenheid te laten zitten, in het bijzonder wanneer het een kleine ruimte is. Zit hij bij andere koppels in een grote ruimte dan kan hij weinig kwaad aanrichten. Het is dan erg moeilijk om de vogel er uit te pikken waarvan de pop is overleden en het vangen van deze vogel zou veel meer schade aanrichten dan hem bij de andere te laten. Laat hem dan maar zitten tot het eind van het seizoen, wanneer je de vogels uitvangt om ze te scheiden. Wanneer er maar twee of drie paartjes bij elkaar zitten kan je het beste de man weghalen en op een andere plaats hem aan een ander vrouwtje koppelen en als dat klikt ze weer in de broedruimte terugzetten.
Wanneer je constateert dat ze een nest gebouwd hebben haal dan het net met nestmateriaal weg voordat ze boven de eieren die al gelegd zijn doorgaan met het bouwen van het nest.
Kanaries broeden gewoonlijk drie keer per jaar. Ze beginnen in april, broeden in mei en juni en soms tot in augustus, maar dat is erg ongebruikelijk, zowel in Engeland als in Duitsland.

Hoe ze kanaries broeden in Duitsland

Ik zal alles exact vertellen over hoe ze in Duitsland kanaries kweken, zoals ik dat heb vernomen van degenen die het zelf hebben gezien en ook op deze manier broeden.
Je begint met een grote ruimte voor de kweek in te richten. De kweekruimte moet de vorm hebben van een schuur, dus langwerpig. Aan ieder uiteinde is een vierkante vliegruimte met gaten waardoor je van de centrale in de vierkante ruimtes kunt komen. In deze vierkante ruimte plaatsen ze enkele boompjes met een dichte begroeiing, want kanaries houden er van om in degelijke boompjes te broeden en te zingen. 

[p. 113]
Op de bodem strooien ze fijn zand, waarop weer raapzaad, vogelmuur en kruiskruid wordt gestrooid. Dit eten de oude vogels, zowel tijdens de broed als wanneer er jongen zijn. In de centrale broedruimte wordt allerlei materiaal gebracht wat de vogels nodig hebben om een nest te bouwen. Ze zetten in alle hoeken heksenbezems, bovenop  elkaar net zoveel als de kweker denkt nodig te hebben. Tussen elk nest worden afscheidsschotjes geplaatst waardoor ze ongestoord kunnen broeden. In het midden van de ruimte wordt een schot geplaatst om elke kant te kunnen verduisteren, want geen enkele vogel houdt er van wanneer er te veel licht op het nest valt. Als de ruimte groot genoeg is worden er twee bomen geplant, aan elke kant één, met veel takken. Ook aan de korte kant en bij de nesten moeten takken aangebracht worden zodat de vogels  er op kunnen zitten. Ook in de vliegruimte worden takken bevestigd waarop de vogel kunnen zitten. De broedruimte wordt vol gehangen met nestmateriaal en hiervan wordt ook op de grond gestrooid. Zo maken ze de broedruimte geschikt, elk naar eigen inzicht. Dit geldt ook voor het water. Sommigen hebben mooie fonteintjes in de vliegruimte staan. De vogels kunnen  dan niet alleen vrij vliegen, maar ook naar hartenlust  baden. Het geknoei met het water zorgt er voor dat de zaden, die op het zand gestrooid zijn, opkomen.    

Wat te doen wanneer ze jongen hebben

Duitsers halen zelden het nest weg om de jongen met de hand groot te brengen, zoals wij doen, maar zij laten de oude vogels de jongen grootbrengen.

[p. 114]
Wanneer de jongen krachtig genoeg zijn en harde zaden kunnen pellen hebben ze kleine ruimtes voor de jonge vogels om op zaad te komen. Zij geven hen allerlei soorten groene zaden om te eten en ze hebben een soort van klapkooi om ze te vangen. Zij zeggen wanneer ze de zaden niet weken er erg weinig jongen zullen blijven leven. Omdat de zaden nog erg hard en moeilijk voor hen te pellen zijn en de pop geneigd is hen te verlaten en aan een nieuw nest te beginnen zullen ze wegkwijnen en doodgaan.
De man van wie ik deze informatie heb bevestigde dat de Duitsers pas tot deze perfectie in het broeden van kanaries zijn gekomen nadat ze in hun eigen land zelf gekweekte vogels kregen die gewend waren aan de seizoenen. Nu broeden ze kanaries in overvloed en voorzien ze heel Polen, Duitsland en Frankrijk en de laatste jaren ook Engeland, waar ze net zo veel verkopen als in welke andere plaats in de wereld.
 

Hoe je de jongen die uit het nest zijn gehaald moet grootbrengen

Kanaries moet je niet te lang in het nest laten, want als je dat wel doet hebben ze de neiging weerspannig te worden en lastig te voeren. Daarom moet je ze uit het nest nemen wanneer ze 9 of 10 dagen oud zijn en in een klein mandje leggen, waarover je een netje legt. Ze hebben namelijk de neiging er uit te springen en wanneer je er geen netje overlegt zullen op de grond val-len, zich verwonden en binnen de kortste keren onherroepelijk dood gaan. In de eerste week moet je ze erg warm houden, want ze zijn dan nog erg zwak, gevoelig voor krampen en kunnen, als ze koud zijn, hun voedsel niet verteren.
Wanneer je ze bij de ouders vandaan haalt doe dat dan in de avond en, indien mogelijk, buiten het zicht van de oude vogels anders hebben die erg de neiging met tegenzin aan een

[p. 115]
nieuw nest te beginnen en bij het minste geringste wat schrik aanjaagt zowel eieren als jongen in de steek te laten.
Wanneer je de jongen weggenomen hebt en in een met een netje bedekt mandje hebt gedaan maak je het voer als volgt: Neem wat van de grootse raapzaden die je hebt en week dat ongeveer 24 uur. Dat kan ook korter wanneer het water een kleine beetje warm is. Ik denk dat 12 uur dan volstaat. Laat het water uit het zaad lekken, voeg een derde deel wit brood en een beetje bloem van kanariezaad aan het geweekte zaad toe en vermeng dat met elkaar. Dan neem je een klein stokje, neem een beetje voer op het puntje en geef dan elke vogel twee tot drie keer een beetje voer. Geeft ze eerst niet te veel, maar wel vaak, want wanneer je in het begin hun maagjes overbelast zullen ze niet gaan groeien. Ook zullen ze het voer overgeven, wat een zeker teken is dat ze niet lang meer zullen leven. Besteed daarom de grootste zorg aan de jongen door ze in het begin met mate te voeren, zodat hun maagjes het voer kunnen verteren. Want je moet begrijpen dat de oude vogels ze iedere keer maar weinig voeren en het door hen gegeven voer opgewarmd is in hun maag voordat ze het aan de jongen geven. Het raapzaad dat ze van de oude vogels krijgen is gepeld wat niet zo zwaar op de maag ligt als de zaden waar de dop nog om heen zit. Daarom moet er in het begin veel aandacht aan besteed worden om hun maagjes te besparen en ze in goede gezondheid te houden.
Je moet het voer niet te droog maken, want anders hebben ze de neiging hun buik te verbranden, omdat alle zaden heet zijn. Want ik heb gezien dat de ouder vogels constant drinken nadat ze zaden hebben gegeten en een klein beetje voordat ze de jongen gaan voeren. Nadat ze gevoerd hebben gaan ze een kwartier of langer op de vogels zitten om ze warm te houden en het voer beter verteerd kan worden. Daarom moet je, wanneer je ze gevoerd hebt, ze bedekken

[p. 116]
en erg warm houden, zodat ze het voer beter kunnen verteren.

Ziekten bij de Kanarie-Vogels

Vanwege het temperament en de zanglust ligt het niet in de aard van de Kanarie-Vogel om vet te worden en goed in het vlees te komen. Kanaries zijn gevoelig voor verschillende kwalen zoals het krijgen van een abces bovenop het hoofd. De puisten hebben een gele kleur en veroorzaken druk op het hoofd. Wanneer het niet bij de eerste symptomen bestreden wordt vallen de vogels vaak van hun stok en sterven binnen de kortste keren. De best bewezen methode die ik weet is om een zalf te maken bestaande uit een samengesmolten mix van verse boter en kapoenvet en daarmee de bovenkant van het kopje twee of drie dagen te zalven. Het abces zal dan spoedig verdwijnen en de vogel is genezen. Maar laat je hem te lang alleen zonder er iets aan te doen dan moet je hem drie tot vier keer zalven en wanneer het op het hoofd zacht is geworden de puist voorzichtig openmaken en de etter, dat lijkt op het dooier van een ei, er uit laten komen. Smeer vervolgens wat zalf op de plek en het zal onmiddellijk zonder enig probleem genezen. Wanneer het abces terugkomt doe dan zoals ik hierboven beschreven heb. Zo’n zieke vogel moet je vijgen geven en in het drinkwater een of twee schijfjes zoethout en wat kandijsuiker doen.

[p. 132]
Op blz. 132 voegt Blagrave aan bovenstaande medicatie nog enkele specifieke kanarieziektes toe:
De Kanarie-Vogel is voor veel ziekte gevoelig, zoals duizeligheid in z’n hoofd, vallende ziekte, stuipen, benauwdheid in maag en borst, vanwege zijn bijzondere opgewondenheid. Ook is hij gevoelig voor diaree, wat, indien dit niet op tijd wordt bestreden, zijn dood betekent.

[p. 116, vervolg)
Kanaries die ouder dan drie jaar zijn noemen we ‘Runts’, en die van ongeveer twee jaar ‘Erisses’. Wanneer ze harde zaden kunnen pellen en door de ouden worden opgevoed noemen we ze ‘Branches’. Wanneer ze pas uitgevlogen zijn en nog door de ouders worden gevoerd noemen we ze ‘Pushers’ en die met de hand worden grootgebracht ‘Nestlings’. Met de hand grootgebrachte kanaries beschouw ik als de beste,

[p. 117]
omdat ze veel tammer en veel gemoedelijker met hun eigenaar omgaan en dat is toch waaraan je het meeste plezier met een vogel beleeft. Want aan een vogel die niet tam, wild en bokkig is, zich op alle mogelijk manieren verwondt en verzaakt om te zingen beleef je geen plezier in hem te voeden en, wat het belangrijkste is, naar hem te luisteren.

Naast deze uitgebreide verhandeling over specifiek de kanarie vinden we elders in ‘The Epitome of the Art of Husbandry’, in de beschrijving van de zangvogels, enige opmerkelijke zinsneden betreffende het houden en africhten van kanaries. In het algemeen leven, volgens Blagrave, de vogels met zachte bekken, de vruchten- en insecteneters dus, korter dan de zaadeters. Blagrave rangschikt de kanaries onder de sterke vogels en weet te vertellen dat bij sommigen eigenaren kanaries wel 20 jaar in leven bleven.5
Blagrave is in het bijzonder geïnteresseerd in vogels die je het lied van een andere zangvogel of een melodietje kunt aanleren. Dit zijn, in zijn ogen de meest waardevolle zangvogels om te houden. Blagrave is niet zo gecharmeerd van de zang van de vink, omdat hij nauwelijks zijn lied varieert, zoals andere vogels wel doen. Uit het nest van de vink worden, volgens Blagrave, zelden jongen gehaald omdat het erg lastig is ze een wijsje of het lied van een andere zangvogel te laten zingen, wat bij de kneu en de kanarie wel gelukt. Blagrave laat een aantal vogels de revue passeren die je wel een wijsje en het lied van een andere vogel kunt aanleren. Spreeuwen, indien heel jong bij de ouders vandaan gehaald, kun je leren een wijsje te fluiten, te laten spreken en ook kunnen zij het lied van een andere vogel imiteren door hem onder de vogel te hangen waarvan hij het liedje leren moet. Ook de merel kan je, mits jong uit het nest gehaald, iets leren. Met de goudvink kan je heel goed een wijsje instuderen door het hem regelmatig voor te fluiten. Het roodborstje is bijzonder geschikt om een wijsje aan te leren en evenzo om te leren spreken, maar je moet ze altijd buiten het gehoor van andere roodborstjes houden. De kanarie kan je, volgens Blagrave, bijna alles aanleren, als je hem maar jong bij de ouders vandaan haalt. Ook de kneu kan je veel aanleren, als het maar niet te lang en te gevarieerd is. De geëigende methode om vogels de zang van andere vogelsoorten aan te leren is, volgens Blagrave, om de leermeester in een kooi boven de kooi met de jonge vogel te hangen.6
Tenslotte heeft Blagrave nog enkel tips voor de zang leermeester. Als je een vogel een wijsje wilt aanleren, of het nu gebeurt door het met de mond voor te fluiten of met een fluitje, een ‘flaggellet’, begin dan met een eenvoudig, niet te lang melodietje. Leer de vogel eerst één wijsje en dan, stuk voor stuk, de volgende. Houd hem geïsoleerd van andere vogels, want hij heeft de neiging welk vogelgeluid dan ook beter te onthouden dan een wijsje. Een algemene regel is dat je een vogel het meest kan aanleren wanneer je hem zo jong mogelijk bij de ouders vandaan hebt gehaald.7  

 
Foto. Een door een voor mij onbekende meester getekend portret van Francis Willughby of Middleton (1635-1672), soms ook gespeld als Willoughby. (Bron: Internet)

Francis Willughby (1635-1672) en John Ray (1627-1705) ,’The Ornithology of Francis Willughby of Middleton’
Francis Willughby was van adellijke komaf. Hij werd geboren op 25 november 1635 op het familielandgoed Middleton Hall, in het plaatsje Middleton, in het Engelse graafschap Warwickshire. Tijdens z’n studie in Cambridge kwam hij in aanraking met de aldaar docerende John Ray. Beiden deelden dezelfde interesse voor de natuur en de aanvankelijke docent-student relatie leidde uiteindelijk tot wetenschappelijke samenwerking op het gebied van de biologie en een goede vriendschap. Na een studiereis door Europa, waarin heel veel materiaal over de planten en dierenwereld werd verzameld, besloten Ray en Willughby hun aantekeningen in boekvorm uit te geven. Terwijl Willughby nog volop bezig was met het ordenen en verzamelen van informatie die hij voor zijn te publiceren boeken nodig had werd hij in het voorjaar van 1672 ernstig ziek. Op 3 juli 1672, na een ziekbed van nauwelijks een maand, overleed de 36 jarige Francis Willughby aan de gevolgen van pleuritis, een vrouw en drie kinderen achterlatend.8
John Ray werd in 1627 geboren als zoon van de smid van het Engelse plaatsje Black Notley. Op 16 jarige leeftijd vertrok hij naar Cambridge om aan de aldaar gevestigde universiteit te studeren. Ray bleef aan de universiteit van Cambridge verbonden als docent. Hij doceerde o.m. Grieks en wiskunde, maar zou de geschiedenis ingaan als botanicus en docent en kompaan van z’n bekendste leerling Francis Willughby.
In het voorjaar van 1663 vertrokken Ray en Willugby in gezelschap van nog twee studenten naar het Europese vasteland voor een reis door de Lage Landen, Duitsland, Italië en Frankrijk. In het voorjaar van 1666 keerde Ray naar Engeland terug, terwijl Willughby nog een bezoek aan Spanje bracht. Thuisgekomen hadden beide wetenschappers een vracht aan informatie verzameld. De bedoeling van Ray en Willughby was om alle door hen verworven kennis uit te werken in een serie boeken waarin het planten- en dierenleven in een universeel systeem waren gerangschikt. Willughby zou de fauna en Ray de flora voor z’n rekening nemen. Met de vroege en plotselinge dood van Francis Willughby viel dit voornemen compleet in duigen.
De erfenis van Francis Willughby bestond o.a. uit diens archief met niet alleen tijdens het vele veldwerk gemaakte aantekeningen over, viervoeters, vogels, vissen en insecten, maar ook uit notities betreffende zijn ordening van de vogels in een universele classificatie. Hoewel Francis op zijn sterfbed daartoe niet had aangedrongen besloot z’n onderzoekscompagnon John Ray het levenswerk van Francis zoveel mogelijk te voltooien. Willughby’s aantekeningen over de vogels werden door Ray verder uitgewerkt en in 1676 in een Latijnse uitgave gepubliceerd onder de titel ‘Ornithologiae libri tres’. In 1678 werd hiervan een Engelstalige versie uitgegeven, ‘The Ornithology of Francis Willughby of Middleton’. Willughby’s aantekeningen over de vissen werden eveneens door John Ray uitgewerkt en in 1686 gepubliceerd.  


Foto. Portret van John Ray (1627-1705), geschilderd door een voor mij onbekende meester. (Bron: Internet)

De door mij geraadpleegde eerste druk van de ‘The Ornithology  of Francis Willughby’ bevat ook een serie koperplaatafdrukken met afbeeldingen van heel veel verschillende vogelsoorten, ook van een kanarie. De graveurs gebruikten als voorbeeld illustraties uit de bestaande literatuur, zoals door Ray en Willughby tijdens hun Europese trip aangeschafte boeken.9
De inhoud van ‘The Ornithology’ is te verdelen in drie boeken. Eén boek is gewijd aan de valkerij en één aan de vogelvangst. Verreweg het belangwekkendste deel van het boek bestaat uit een systematische beschrijving van de tot dan toe bekende vogels volgens de classificatie zoals Francis Willughby had bedacht. Zo worden de vogels onderverdeeld in groepen met gelijke fysieke kenmerken en vergelijkbaar gedrag. Willughby onderscheidt bijvoorbeeld vogels met rechte en vogels met kromme snavels. De kromsnavels worden weer verdeeld in vleeseters, roofvogels, en fruiteters, papegaaien, die vervolgens weer naar grootte worden verdeeld in drie groepen. Algemeen wordt het werk van Willughby erkend als de eerste poging de vogelwereld in een universeel systeem te ordenen. De bekende Zweedse botanicus en zoöloog Carl Linnaeus (1707-1778), die we als grondlegger beschouwen van de moderne nomenclatuur van flora en fauna, zou wat betreft de ordening van de vogelwereld voortborduren op hetgeen Willughby in de jaren ’60 van de 17e eeuw tot stand had gebracht.10
Bij de beschrijving van de vogels, het uiterlijk, gedrag, mate van geschiktheid om in gevangenschap te houden en hoe te verzorgen, baseerde Willughby zich niet alleen op de eigen waarnemingen in het veld, maar ook op hetgeen al eerder was gepubliceerd. Belangrijke bronnen voor hem waren de boeken van Konrad Gesner, Ulisse Aldrovandi en Gionvianni Pietro Olina. Hun teksten werden door  Willughby kritisch doorgenomen en wanneer hij op basis van eigen waarnemingen correcties noodzakelijk achtte deed hij dat.11

 
Foto. Titelpagina van de eerste druk van het door John Ray geschreven ‘The Ornithology of Francis Willughby of Middleton’. (Foto Jaap Plokker)

De in ‘The Ornithology’ aan de kanarie gewijde tekst kan men in twee delen splitsen. Het eerste deel is een Engelse samenvatting van wat Gesner, Aldrovandi en Olina reeds eerder in het Latijn of Italiaans over de kanarie hadden gepubliceerd. Het tweede deel is een samenvatting van de tekst over het houden en fokken van kanaries zoals die te vinden is in ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ van Joseph Blagrave. Ray is wel zo professioneel om in zijn inleiding te vermelden dat hij de informatie over de kanaries aan voornoemd boek heeft ontleend. Omdat de schrijver zich alleen met zijn initialen, J.B., bekend had gemaakt was diens naam bij Ray niet bekend en beperkte hij zich tot de aanduiding ‘a late English Writer’.12
Degenen die het Latijn en Italiaans niet machtig waren vonden in ‘The Ornithology of Francis Willughby’ een Engelse samenvatting van wat Gesner, Aldrovandi en Olina eerder over de kanarie hadden gepubliceerd. Gezien het belang van de drie genoemde auteurs voor de geschiedschrijving van de kanarie en de kanarieteelt en de invloed die Willughby’s vertaling mogelijk heeft gehad op latere auteurs geven we hierbij een zo letterlijk mogelijke Nederlandse weergave van wat, volgens Willughby en Ray, door hen over de kanarie is geschreven.

 
Foto. Deel van het classificatieschema van de vogels zoals dit door Willughby is ontwikkeld. (Foto Jaap Plokker)

[p. 262] 

Over de Kanarie-Vogel, volgens Gesner, Aldrovandus en Olina

‘Canaria’ is een eiland in de Atlantische Zee aan de linkerkant van Mauritania (= Mauritanië), een van de eilanden die in de Oudheid vanwege de uitstekende temperatuur ‘Fortunate’ werden genoemd. ‘Canaria’ werd zo genoemd vanwege de aanwezigheid van grote aantallen grote honden, ‘Mastives’, zoals Plinius op grond van de beschrijving van Juba heeft geschreven. (In het Latijn is hond ‘canis’. Juba II (52/50 v Chr. – 23 n Chr.)  was koning van Numidia in Noord Afrika, verhuisde naar Mauritanië en zond een expeditie naar de Canarische eilanden. J.P.)  Alle eilanden, die in de Oudheid ‘Fortunate’ werden genoemd heten vandaag ‘Canaries’ (= Canarische eilanden). Van deze eilanden worden in onze tijd zangvogels overgebracht, die vanwege de plaats waar ze broeden ‘Canary-Birds’ (= Kanarie-Vogels) worden genoemd. Anderen noemen ze Suiker-Vogels, omdat de beste suiker vandaar wordt aangevoerd.
Van deze vogel hebben we gemeend hem direct na de sijs te moeten bespreken, omdat sommigen hem beschouwen als een soort sijs, zoals Turner; en eerlijkheid gebiedt te zeggen dat qua kleur en vorm hij veel op de sijs lijkt. Op grond van de informatie van een relatie van zijn vriend beschrijft Gesner de vogel als volgt: Hij heeft de grootte van een gewone mees, heeft een kleine, witte snavel, dik bij de inplant en uitlopend in een scherpe punt. Alle veren van de vleugels en staart zijn groen, zodat hij weinig verschilt met de kleine vogels die we in ons land ‘Citrils’ (= Carduelis citrinella) noemen, of anderen ‘Zisels’ en de Italianen ‘Ligurini’, met wel de opmerking dat hij een klein beetje groter en qua uiterlijk iets groener is dan genoemde vogels. Tot zo ver Gesner.
Tussen de man en de pop heb ik dit verschil opgemerkt: De borst, buik en het bovenste gedeelte van de kop uitlopend naar de snavel zijn bij de man geler dan bij de pop. Beide sekses zijn  niet vet. Over zijn zang heeft de genoemde Gesner het volgende geschreven: Hij heeft erg zoete en schrille tonen, die in één ademtocht, erg lang en zonder onderbreking, worden aangehouden. Hij kan zijn lied uitrekken, soms naar heel hoog gaan en vervolgens zijn stem verbuigen naar een uiterst aangename en kunstzinnige melodie. Het geluid dat hij maakt is erg scherp en zo vibrerend dat, wanneer hij zich uitstrekt en uit zijn keeltje met al zijn kracht het geluid perst en dit het oor treft, het schelle geluid het oor van de toehoorders verdooft. Velen zijn verrukt van dit soort van zang, velen ergeren zich er ook aan en zeggen dat ze door het geluid zijn ontzet en verdoofd.
De kanarie wordt overal erg duur verkocht, zowel vanwege de aantrekkelijkheid van zijn zang en omdat  hij met grote zorg en toewijding van ver moet worden aangevoerd. Vanwege deze redenen en omdat hij zeldzaam is, kunnen alleen de adel en vooraanstaanden zich zo’n vogel veroorloven. (
Ray en Willughby plaatsten bij dit citaat uit het boek van Gessner de volgende opmerking in de kantlijn: Vandaag de dag worden er veel kanaries ingevoerd en worden ze niet meer zo duur verkocht, zodat mensen met een gemiddeld inkomen zo’n vogel kunnen kopen en onderhouden)

 
Foto. Pagina uit ‘‘The Ornithology of Francis Willughby’ waarop diverse vogelvangstmethoden worden afgebeeld. (Foto Jaap Plokker)

Wanneer iemand aangetrokken wordt door de melodie van deze vogel laat hem dan een vogel kopen die een lange staart heeft en een smal lijfje. Want door ervaring heeft men ontdekt dat hoe kleiner ze zijn des te melodieuzer ze zingen.  De grote vogels die in kooien zijn opgesloten en hun kop rond en achterwaarts draaien worden niet beschouwd als goede Kanarie-Vogels. Dit soort wordt hier naar toe gebracht van de eilanden Palma en Cap Verde. Ze noemen deze vogels ‘gekken’ vanwege de bewegingen die ze maken en die op de gedragingen van gekke mensen lijkt.
Ze voeden zich met kanariezaad, waarvan ze graag eten en daarom, evenals de vogels, van deze eilanden  wordt ingevoerd.
Gesner, overeenkomstig de informatie die hij van de relatie van zijn vriend heeft gekregen, schrijft dat ze met het zelfde voer gevoerd worden als de sijs en de ‘citrils’, t.w. lijnzaad en maanzaad en soms ook millet. Maar in het bijzonder houden ze van suiker en suikerriet en ook van vogelmuur en sterrenmuur. Hij bevestigt dat hiermee de zang gestimuleerd wordt.
Deze vogels hebben nogal last van abcessen, tumoren, gezwellen in de kop, die ik beschouw als een soort ‘Atheromata’ De abcessen moeten gezalfd worden met boter en kippenvet tot het gezwel rijp is en het pus eruit gedrukt kan worden. Daarna moet de plek opnieuw gezalfd worden tot het is genezen. Soms hebben ze ook heel veel last van luizen. In dat geval is het goed om ze vaak met wijn te besprenkelen. Hierdoor wordt het ongedierte gedood en het maakt de vogels sterker om dit ongemak te overkomen. Dit aldus Aldrovandus.
Dit soort vogels komen, volgens Olina, ook voor op het eiland ‘Ilva’(= Elba) en wel een gedegenereerd soort. Oorspronkelijk stammen ze af van vogels van de Canarische eilanden, die met een schip vervoerd werden van de Canarische eilanden met als bestemming ‘Lighorn’ (= Livorno). Het schip leed vlak bij dit eiland schipbreuk en de ontsnapte vogels brachten zich daar in veiligheid. Nadat de kanaries zich op Elba gevestigd hadden vermenigvuldigden ze zich daar in grote aantallen. Het verblijf op een andere plaats veroorzaakte enkele veranderingen in het uiterlijk van de vogel, want deze gedegenereerde kanaries hebben zwarte poten en meer geel onder de kin dan de gewone Kanarie-Vogels.


Foto. Een van de koperplaatgravures in ‘The Ornithology of Francis Willughby’, met o.m. een afbeelding van een kanarie. (Foto, Jaap Plokker).

Het tweede deel van de verhandeling over kanaries in ‘The Ornithology’, ‘Additions to the History of the Canary bird out of a late English Writer concerning singing Birds’,  is, zoals gezegd, een zeer uitgebreide samenvatting, met soms letterlijke citaten, van Joseph Blagrave’s ‘The Epitome of the Art of Husbandry’. Deze tekst in ‘The Ornithology’ voegt dus niets toe aan onze kennis over de 17e eeuwse Engelse kanarieweek dan hetgeen in ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ te lezen valt. 

 
Foto. Detail van de hiervoor afgedrukte gravure met de afbeelding van een kanarie in ‘The Ornithology of Francis Willughby’’. (Foto en bewerking van de foto, Jaap Plokker).

Nicholas Cox (?-?),  ‘The Gentleman’s Recreation’
Over het leven en werk van de auteur Nicholas Cox heb ik tot dusver weinig informatie kunnen vinden. De eerste editie van het door hem geschreven ‘The Gentleman’s Recreation’ werd in 1674 te Londen uitgegeven. De tweede druk, waarvan een exemplaar in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag aanwezig is, dateert van 1677.13
Het boek bestaat uit vier delen: over jagen, valkerij, vogelvangst en vissen. In elk deel wordt uitvoerig beschreven waar men rekening mee moet houden en worden praktische tips gegeven bij het beoefen van desbetreffende vrijetijdsbesteding. In het deel over de jacht, bijvoorbeeld, worden diverse hondenrassen beschreven en hun geschiktheid voor de jacht. Verder per te bejagen wildsoort waar men tijdens de jacht op letten moet. Een zelfde uitvoerige beschrijving is te vinden over de valkerij en het vissen met de hengel.

 
Foto. Titelblad van de tweede, in 1677 uitgegeven, editie van het door Nicholas Cox geschreven ‘The Gentleman’s Recreation’ (Foto Jaap Plokker)

In het deel over de vogelvangst wordt beschreven hoe je met netten en lijmstokken vogels kunt vangen, met o.m. recepten voor het samenstellen van, op de te vangen vogelsoorten afgestemde, lijm. Het schijnt dat Cox bij het schrijven van z’n boek eerder uitgegaan is van wat anderen over desbetreffend onderwerp al hadden gepubliceerd dan dat hij zich baseerde op eigen ervaringen en waarnemingen. Het deel over de vogelvangst wordt afgesloten met ‘hoe je allerlei zangvogels, die in Engeland algemeen bekend zijn, kunt vangen, houden en verzorgen, met bovendien informatie over hun natuurlijk gedrag, het broeden, het voeren, vogelziekten en hun bestrijding’. De ‘Canary bird’ is opgenomen in het rijtje met inheemse Engelse zangvogels waaraan een beschrijving is gewijd. Ook bij het samenstellen van het stuk over kanaries heeft Nicholas Cox behoorlijk leentjebuur gespeeld, nl. bij Joseph Blagrave; 99% van de tekst over kanaries in ‘The Gentlemans Recreation’ is letterlijk terug te vinden in ‘The Epitome of the Art of Husbandry’. De enige persoonlijke noot die ik in de tekst over kanaries heb kunnen ontdekken is het slot, waarin Nicholas Cox aangeeft geen aandacht te willen besteden aan wat men moet doen wanneer men met kanaries wilt broeden, waar men bij het broeden met kana-ries rekening mee moet houden en op welke manier men nestjongen met de hand kunt grootbrengen. ‘Degenen die geïnformeerd willen worden over alles wat met het broeden met kanaries verband houdt wordt geadviseerd contact op te nemen met de diverse Duitsers die in Londen en omgeving wonen en, volgens de beste Duitse methode, op een commerciële wijze kanaries broeden.’ Met dit advies beëindigde Nicholas Cox zijn verhandeling over kanaries. Het is voor de stand van zaken van de Engelse kanariekweek anno 1677 veelzeggend dat kanariekwekers in de dop geadviseerd werd bij in Londen en omstreken woonachtige Duitsers hun licht op te gaan steken.14


Foto. Titelblad van het deel in ‘The Gentleman’s Recreation’ van Nicholas Cox over de vogelvangst en de zangvogels. (Foto Jaap Plokker)

Wat de 17e eeuwse Engelse kanarieliteratuur ons leert.
Eigentijdse  bronnen met informatie over het houden en fokken van kanaries in de 17e eeuw zijn bijzonder schaars. Omdat de in dit artikel genoemde Engelse auteurs nogal bij elkaar te leen zijn gegaan wat betreft de door hen verstrekte informatie over de kanarieteelt kunnen we de drie genoemde boeken reduceren tot één bron: het door Joseph Blagrave geschreven ‘The Epitome of the Art of Husbandry’. Blagrave verschaft ons enige informatie over een geschiedenis die voor ons nog voor een groot deel in nevelen is gehuld. Hoewel Blagrave de situatie beschrijft in Engeland omstreeks 1670 verschaft hij ons en passant ook nog informatie over de kanariekweek in de Duitstalige gebieden. Op grond van Blagrave’s tekst over kanaries kunnen we een aantal conclusies trekken.
Medio de 17e eeuw vond in Engeland nog altijd import plaats van kanaries van de Canarische eilanden.  Een vergelijkbare conclusie heb ik getrokken voor de Nederlanden naar aanleiding van Olfert Dapper’s beschrijving van de Canarische eilanden.15 Van de Amsterdamse vogelhandelaar Frans Vogelaer is bekend dat hij in de tweede helft van de 17e eeuw kanaries importeerde vanaf de Azoren. Of op de ‘Vlaemsche Eylanden’ ook kanaries werden gevangen ten behoeve van de Britse markt is mij onbekend.
16
De vraag naar van de Canarische eilanden afkomstige wildvang kanaries had in Engeland concurrentie te duchten van de in Europa gefokte exemplaren, omdat de vanuit de Duitstalige gebieden geïmporteerde vogels hoger werden gewaardeerd. De export van kanaries naar Engeland werd zo door de Duitstalige fokkers en handelaren gedomineerd dat in Engeland de benaming ‘Duitse-Vogels’ (German-Birds)  naast ‘Kanarie-Vogels’ (Canary-Birds) werd gebruikt. Aangenomen wordt dat Blagrave, wanneer hij verwijst naar ‘Germans’, hij Duitstaligen, in het bijzonder Zuid-Duitsers en Tirolers, bedoelde. Ondanks het aanbod van gefokte kanaries bleef dus tot ver in de 17e eeuw de handel in wildvang vanaf de Canarische eilanden en de Azoren naar Noordwest Europa bestaan.
Met betrekking tot het fokken van kanaries krijgen we de indruk dat in Blagrave’s tijd de kanarie veel dichter bij de natuur stond dan in onze dagen. Behalve over het broeden met kanaries  in een kooi schreef Blagrave vooral over volièrebroed met verschillende koppels, in zowel Engeland als Duitsland. Man en pop werden aan elkaar gekoppeld en maakten in de volière een vrijstaand nest in een opengevouwen bezem van twijgjes, een zogenaamde heksenbezem, of in bosjes heide. De vogels beschikten over een zeker territoriumgedrag waardoor de fokker de vogels het zicht op elkaars nest moest ontnemen door schotjes te plaatsen. Deed hij dat niet dan belaagden broedende koppels elkaar zodanig dat het risico erg groot was dat eieren en jongen uit het nest werden gegooid. Wanneer een man of pop kwam te overlijden raadde Blagrave aan, in het geval dat de vogel gemakkelijk gevangen kon worden, de weduwe of weduwnaar uit de vlucht te verwijderen en eerst aan een andere partner te koppelen voordat het stel weer in de vlucht werd teruggeplaatst. Onze ervaring, 350 jaar later, is dat de kanarie inmiddels in dusdanige mate is gedomesticeerd dat van territoriumgedrag en kieskeurigheid bij partnerkeuze nog maar sporadisch sprake is. Poppen gaan tegenwoordig na de bevruchting in de regel alleen tot broeden over en brengen zonder hulp van de man gewoonlijk een legsel prima groot. Over het bouwen van een vrijstaand nest in een struik door hedendaagse zang- of kleurkanaries heb ik nog nooit gehoord.
Opmerkelijk is het door Blagrave gesignaleerde verschil tussen de Engelse en Duitse kanariefokkers. Waar de Duitssprekenden de kanaries tijdens het broedproces volledig hun gang lieten gaan en de jongen tot en met de zelfstandigheid bij de oude vogels lieten, gaven de Engelsen er de voorkeur aan om de jonge vogels met de hand groot te brengen. De reden die Blagrave hiervoor noemde is dat de kanaries dan veel tammer werden en de eigenaar nog meer plezier aan zijn vogels kon beleven. Mogelijk speelde hierbij ook een rol dat de zang van een jonge, met de hand grootgebrachte, mankanarie gemakkelijker te manipuleren was.  
Hoewel niet meer dan 30 jaar na het verschijnen van de derde druk van ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ de Fransman J.C. Hervieux, in diens boek ‘Traité curieux des serins de Canarie’, maar liefst 28 verschillende kleurvarianten van de kanarie weet te noemen wordt in Blagrave’s  boek met geen woord over verschillende kleurslagen gerept.17
Uit Blagrave’s  verhandeling over de zangvogels blijkt op diverse plaatsen zijn fascinatie voor het lied dat vogels zingen en dit verklaart mogelijk zijn desinteresse voor de verschillende verschijningsvormen in kleur en vorm van kanaries, die toen ongetwijfeld al bestonden. Vanuit zijn belangstelling voor de verscheidenheid in vogelzang onderscheidde Blagrave wel verschillende varianten in kanariezang, t.w. kanaries met een op de graspieper, veldleeuwerik of  nachtegaal gelijkende zang en een vierde groep die ik gemakshalve de lawaaimakers noem. Blagrave had een bijzondere voorkeur voor de nachtegaalzangers en behoorde daarmee, volgens eigen zeggen, tot de overgrote meerderheid van de zangkanarieliefhebbers. Hij gaf aan dat in het bijzonder de Duitse vogels uitblonken in het zingen van nachtegaaltoeren.18 


Foto. Prent over de vogelvangst in ‘The Gentleman’s Recreation’ van Nicholas Cox. (Foto Jaap Plokker)

Uit Blagrave’s verhandeling over zangvogels mogen we opmaken dat vogelliefhebbers in de 17e eeuw het als een uitdaging zagen het lied van vogels te manipuleren. Bij kanaries uitte zich dat in het aanleren van de zang van een inheemse vogelsoort of het kunnen zingen van een melodietje. Het aanleren van wijsjes beperkte zich overigens niet tot kanaries, ook andere zangvogels werd, door het met de mond of met een fluitje voor te fluiten, een melodietje aangeleerd. Blagrave schrijft hierover met een zodanige vanzelfsprekendheid dat ik de indruk heb dat het gebruik om een vogel een wijsje aan te leren, hoe simpel ook, heel oud is en dateert van voor de komst van de kanarie naar Europa. Een bevestiging van deze veronderstelling heb ik in oudere bronnen nog niet aangetroffen. Toen fokkers tot de ontdekking kwamen dat kanaries goede imitators waren kon het niet uitblijven dat geprobeerd werd ook kanaries een melodietje of de zang van een andere vogel aan te leren. Blagrave typeert de kanarie ook als een vogel die van alles aan te leren is. Werd een melodietje ingestudeerd door de jonge kanarieman bij herhaling een wijsje voor te fluiten met de mond of met een fluitje; de zang van een andere vogel kon een jonge kanarie worden aangeleerd door boven de kanariekooi een kooi met de gewenste zangvogel te hangen. Blagrave beklemtoont in zijn boek meerdere malen dat het aanleren van een melodietje of de  zang van een andere vogelsoort alleen maar succesvol is bij jonge vogels, met voorkeur een met de hand opgefokte kanarieman, die op de leeftijd van 9 á 10 dagen bij de ouders is weggehaald. Het ligt voor de hand dat op deze wijze het ook is gelukt kanaries nachtegaaltoeren te laten zingen.
Nachtegalen bezaten vanwege hun alom gewaardeerde zang in Europa al vanuit de middeleeuwen een status aparte. Ze werden volop gevangen om hun verdere leven in een kooi te slijten, maar op de consumptie van nachtegalen rustte een taboe.19  Op grond van het feit dat Blagrave in ‘The Epitome’ maar liefst twintig pagina’s besteedde aan het vangen, africhten en verzorgen van nachtegalen mogen we wel concluderen dat de nachtegaal in de 17e eeuw een wel heel populaire kooivogel was. Blagrave bezat er zelf meerdere getuige zijn ontboezeming dat hij een keer met het voeren van hardgekookte eendeneieren maar liefst zes nachtegalen had verloren. Hoewel we op grond van Blagrave’s boek mogen concluderen  dat het kanaries aanleren van nachtegaalzang een in Engeland bekend gebruik was, stonden toch vooral de kanariefokkers in de Duitstalige gebieden bekend om hun vaardigheid kanaries nachtegaaltoeren te laten zingen. Gezien het tijdstip van de publicatie van Blagrave’s boek en de toenmalige  populariteit van de nachtegaalzanger mogen we veronderstellen dat we de eerste nachtegaaltoeren zingende kanaries op zijn laatst in de eerste helft van de 17e eeuw moeten dateren. Voor een goed begrip: naar mijn inschatting mogen we het lied van deze nachtegaalzangers niet vergelijken cq. verwarren met de zang van onze huidige waterslager, maar de wortels van de waterslager als nachtegaalzanger gaan dus in ieder geval terug tot de eerste helft van de 17e eeuw.
Het manipuleren van de kanariezang beperkte zich in de 17e eeuw niet tot Engeland en de Duitstalige gebieden. Ook in Nederland was men hiermee vertrouwd en wij weten uit een midden 17e eeuwse Nederlandse bron dat kanaries die de kunst verstonden een melodietje te zingen werden verhandeld voor bedragen waarvoor een ongeschoolde arbeider 2-5 maanden moest werken.20 
Mede op grond van de internationale contacten en de informatie-uitwisseling die ongetwijfeld via de door heel Europa rondtrekkende Tiroolse en Duitse vogelhandelaren plaatsvond veronderstellen we dat het fokken van kanaries in Engeland en Duitsland nauwelijks van de kweekpraktijk in de Republiek verschilde. De in dit artikel genoemde 17e eeuwse Engelse auteurs verschaffen ons daarom, mijn inziens, niet alleen een blik in de kweekpraktijk van de 17e eeuwse Engelse en Duitse kanariefokkers, maar ook in die van de kanariekwekers in de Lage Landen.   

Willughby, Ray, Blagrave en Cox in de Nederlandstalige kanarieliteratuur
Hoewel ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ ons veel informatie verschaft over de 17e eeuwse kanariekweek is dit boek van Joseph Blagrave in de Nederlandstalige kanarieliteratuur lang onopgemerkt gebleven. De enige Nederlandstalige bron waarin ik met Blagrave’s naam geconfronteerd werd was in het door Ber Willems geschreven ‘Geschiedenis van de kanarie’. In één alinea worden zowel de namen van John Ray, Francis Willughby en Joseph Blagrave genoemd, daarmee de indruk wekkend dat Willems genoemde auteurs als bron voor zijn boek heeft gebruikt. Dit blijkt een misvatting te zijn. Uit het zinsverband is op te maken dat Willems de ontstaansgeschiedenis van ‘The Ornithology of Francis Willughby’, die uitgebreid door John Ray in de inleiding van het boek wordt beschreven, niet kent. Wanneer we A. Rudolph Galloway’s  ‘History of the Canary’ naast de tekst van Willems leggen blijkt zonneklaar dat de door Willems aangehaalde uitspraken van Ray en Blagrave niet ont-leend zijn aan het originele boek, maar aan  de door A. Rudolf Galloway gebruikte citaten uit ‘The Ornithology’ in diens ‘History of the Canary’. Een extra bewijs ter ondersteuning van mijn conclusie is dat zowel Galloway als Willems de naam van Blagrave, foutief spellen, nl. Blagrove. Willems beperkt zich tot nauwelijks meer dan het noemen van de naam van de auteurs waaraan dit artikel is gewijd en, op grond van enkele citaten in Galloway’s ‘History of the Canary’, tot enige laatdunkende opmerkingen over Blagrave, hetgeen, mijn inziens, voorbijgaat aan het belang van diens boek voor de in de geschiedenis van de kanariekweek geïnteresseerde vogelliefhebber.21
Hoewel in de kring van ornithologen algemene waardering bestaat voor het baanbrekend werk van Willughby bij de classificatie van de vogelwereld ben ik, ondanks de uitgebreide aandacht die in ‘The  Ornithology’ aan de kanarie wordt besteed,  diens naam maar sporadisch in de Nederlandstalige kanarieliteratuur tegen gekomen. Ik werd voor het eerst met het bestaan van Francis Willugby geconfronteerd in een uit 1900 daterend artikeltje in ‘De Pluimgraaf’ getiteld ‘Over den oorsprong van kanarievogels’. In een redactionele bijdrage werd een samenvatting gegeven van een discussie in het Britse tijdschrift ‘Feathered World’ betreffende de geschiedenis van een schipbreuk van een Spaans schip bij het Italiaanse Livorno, door de Engelsen Leghorn genoemd, waarbij kanaries waren ontsnapt, die zich op het eiland Elba zouden hebben gevestigd en zich daar met andere vogels zouden hebben vermengd. Terwijl in een commentaar de redactie van ‘Feathered World’ dit verhaal als ongeloofwaardig kwalificeerde attendeerde een lezer hen op een in 1667 door Francis Willoughby uitgegeven boek ‘De Kanarievogel’, waarin deze geschiedenis al beschreven stond. De lezer biedt de redactie het boek aan om gedeelten daaruit in een volgende editie van ‘Feathered World’ te publiceren. Dit is kennelijk gebeurd, want in een volgende aflevering van ‘De Pluimgraaf’ kunnen we kennis nemen van het vervolg zoals het in ‘Feathered World’ werd gepubliceerd. 22
In de 20e eeuwse Nederlandstalige kanarieliteratuur wordt in de historische schetsen door bijna alle auteurs aandacht besteed aan voornoemde schipbreuk van een vrachtschip met kanaries aan boord bij het Italiaanse eiland Elba. De bron van dit verhaal moeten we hoogstwaarschijnlijk zoeken in het in 1622 gepubliceerde, door Giovanni Pietro Olina geschreven, boek ‘Uccelliera, etc.’.23 Dankzij de Engelse vertaling van de Italiaanse tekst van Olina in ‘The Ornithology of Franscis Willughby of Middleton’ zouden John Ray en Francis Willughby wel eens de essentiële verbindingsschakel kunnen zijn geweest tussen Olina’s boek enerzijds en de moderne kanarieliteratuur anderzijds. Ruim 200 jaar na de publicatie van ‘The Ornithology’ wordt dit boek in ‘Feathered World’ dus genoemd als bron voor het schipbreukverhaal. Mogelijk dat ook de Duitse auteur J.M. Bechstein, die in de in 1794 gepubliceerde en diverse malen herdrukte  ‘Naturgeschichte der Stübenthiere Vögel’ eveneens de geschiedenis van de schipbreuk beschrijft, zich op Willughby en Ray heeft gebaseerd.24  Ook dr. Karl Russ neemt de geschiedenis van de scheepsramp op in zijn in 1872 verschenen en door veel 20e eeuwse auteurs geciteerde boek ‘Der Kanarienvogel’. Zonder dat veel auteurs zich dit realiseren is het dus heel goed mogelijk dat de invloed van Ray en Willughby zich tot in onze tijd uitstrekt.25 
De naam van Willughby dook pas weer aan het eind van de 20e eeuw op in de Nederlandstalige kanarieliteratuur, nl. in voornoemd boek van Ber Willems en in het door H.K. van der Wal geschreven handboek ‘Kanaries’.26 Willems beperkte zich tot het citeren van Willughby aan de hand van een door hem gelezen tekst van A.R. Galloway. H.K. van der Wal noemt Willughby alleen als ornitholoog die voor het eerst een poging had ondernomen de vogelwereld te classificeren. Dat in ‘The Ornithology of Francis Willughby’ veel interessants over kanaries en de kweek met kanaries in het 17e eeuwse Engeland en Duitsland te lezen valt is door de auteurs van de Nederlandstalige kanarieliteratuur tot dusver niet opgemerkt.
 

Samenvatting
Met name op grond van Joseph Blagrave’s bijdrage over kanaries in zijn in 1675 gepubliceerde ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ kunnen we ons een beeld vormen van de 17e eeuwse kanariekweek. Opvallend daarin is o.m. de toenmalige broedmethode, die enigszins vergelijkbaar is met de huidige kweekpraktijk met tropische vogels in een gezelschapsvolière. Kanaries maakten een vrijstaand nest, vertoonden territoriumgedrag en moesten vooraf gekoppeld worden voordat men in een gezelschapsvolière kweekresultaten kon verwachten.
Over de medio de 17e eeuw bekende kleurslagen wordt door Blagrave geen informatie verstrekt. Wel gunt hij ons een blik in de wereld van de toenmalige zangkanariekwekers. Behalve het fokken van kanaries met het natuurlijke lied bestond medio de 17e eeuw al de praktijk om kanariezang te manipuleren. Hiervoor werden met voorkeur vogels gebruikt die als nestjong van de ouders waren gescheiden en met de hand waren grootgebracht. Tijdens deze periode konden de jonge kanariemannen geconfronteerd worden met de kweker, die, door ze bij herhaling met de mond of fluit een melodietje voor te fluiten, probeerde de kanarie uiteindelijk dat wijsje te laten zingen. Een ander gebruik was om met behulp van de voorzang van inheemse zangvogels de kanarie ook als deze vogels te laten zingen. Dit deed men door, buiten het gehoor van andere kanaries, boven de kooi met de, zeer, jonge kanarieman(nen) een kooi met de gewenste zangvogel te hangen. In het 17e eeuwse Engeland ging hierbij een voorkeur uit naar de graspieper en de veldleeuwerik. Verreweg de populairste inheemse zangvogel was toen de nachtegaal en kanaries waarvan het lied herkenning opriep met dat van deze koning onder de zangvogels stonden het hoogst aangeschreven. Hoewel we mogen aannemen dat ook in de 17e eeuw Engelse zangkanariekwekers probeerden hun kanaries als nachtgalen te laten zingen stonden in die tijd in Engeland vooral de Duitsers bekend als fokkers van kanaries met het mooiste nachtegaallied.
Verondersteld wordt dat we het lied van deze nachtegaalzangers niet mogen vergelijken cq. verwarren met de zang van onze huidige waterslager, maar de wortels van de waterslager als nachtegaalzanger gaan in ieder geval dus terug tot de eerste helft van de 17e eeuw.
Gezien het internationale vogelhandelsverkeer medio de 17e eeuw, voor een groot deel bestaande uit heel Europa rondtrekkende Tiroolse en Duitse vogelhandelaren, en de daarmee samenhangende informatie-uitwisseling veronderstellen we dat het fokken van kanaries in Engeland en Duitsland nauwelijks van de kweekpraktijk in de Lage Landen verschilde en de geschriften van de in dit artikel genoemde Engelse auteurs ons daarom ook inzicht verschaffen over de kanarieteelt in de Republiek in de 17e eeuw.   

Noten
1. Samuel Pepys Diary, 25 January 1661: ‘This night comes two cages, which I bought this evening for my canary birds, which Captain Rooth this day sent me.’; 11 January 1664: ‘This night, when I come home, I was much troubled to hear my poor canary bird, that I have kept these three or four years, is dead.’;  22 May 1663: ‘To my office, and anon one tells me that Rundall, the house carpenter of Deptford, hath sent me a fine blackbird, which I went to see. He tells me he was offered 20s for him as he came along, he do so whistle’; 23 May 1663: ‘Wakes this morning between four en five by my blackbird, which whistles as well as ever I heard any’. Voor vermelding van volières (‘aviary’) bij relaties zie: 25 March 1663, 25 June 1666, 27 August 1667. Bron: diverse sites op Internet. Trefwoorden: ‘Samuel Pepys diary’
2. Bron: Internet, www.berkshirehistory.com
3. Blagrave, Joseph, The Epitome of the Art of Husbandry, London 1675, 3rd ed., Inventarisnummer Kon. Bibliotheek KW 1113 F4.
4. Blagrave, Joseph, The Epitome, o.c., pp. 53-73
5. Blagrave, Joseph, The Epitome, o.c., p. 135.
6. Blagrave, Joseph, The Epitome, o.c., p. 125, 134-135.
7. Blagrave, Joseph, The Epitome, o.c., pp. 134-135.
8. www.wikipedia.org. Ray, John, The Ornithology of Francis Willughby of Middle-ton,  London 1678.  Preface, passim. (Inventarisnr. Kon. Bibliotheek KW 542 B 8)
9. www.wikipedia.org. Ray, John, The Ornithology, o.c., Preface, passim.
10. Wal, H.K. van der,  Kanaries, Handboek voor het houden en kweken van zang-, kleur- en postuurkanaries, Baarn 1997, p. 9.
11. Gessner, Konrad (Conradi Gesneri), Historiae Animalium Liber III. qui est de Avium natura, 1555.  Aldrovandi, Ulyssis, Ornithologiae, hoc est de avibus historiae, Bologna 1599. Olina, Giovanni Pietro, Uccelliera overo discorso della natura e proprieta di diversi uccelli e in particolare di que’ che cantano, etc., Roma, 1622.
12. Ray, John, The Ornithology, o.c., Preface, passim.
13. Cox, Nicholas, The Gentleman’s Recreation, London 1677, 2e druk. (Inventarisnummer Kon. Bibliotheek KW 552 E 12) De derde druk uit 1686 werd gevonden op internet: archive.org
14. Cox, Nicholas, The Gentlemans Recreation. London 1686, p. 163.
15.  Dapper, O., Naukeurige Beschrijvinge van de Afrikaanse Eylanden als Mada-gaskar of Sant Laurens, Sant Thomee, d’eilanden van Kanarien Kaep de Verd, Malta en andere. Uitgegeven te Amsterdam door Jacob van Meurs op de Keysersgracht in de stadt Meurs, 1668, p. 93. (Inventarisnummer Kon. Bibliotheek: 185 B 11).  Plokker, J., Olfert Dapper. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2013-1, pp. 25-31.
16. Plokker, Jaap, Frans Vogelaer. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2013-2, pp. 16-20.
17. Hervieux de Chanteloup, J.C., Traité curieux des serins de Canarie/ Naauwkeurige verhandeling van de Kanarivogels. Vertaling A. Moubach. Deze gecombineerde Frans/Nederlandse uitvoering werd in 1712 uitgegeven door Hendrik Schelte te Amsterdam., pp. 5-7. De eerste editie van het boek werd volgens de literatuur uitgegeven in 1705. De mij oudst bekende uitgave dateert van 1707 en werd uitgegeven door C. Prudhomme te Parijs.
18. Van later datum is bekend dat Russische zangkanariekwekers de voorzang van koolmezen gebruikten om hun kanaries als koolmezen te laten zingen. Zie hiervoor: Ekaterina Eremenko, The Sound of Russia, 2003. Documentaire over het houden van zangkanaries in Rusland en de Oekraïne.
19. Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken, vijf eeuwen vangst van zangvogels en kwartels in Holland. Hilversum 2002, p. 21.
20. Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken, o.c., p. 279. Plokker, Jaap, Frans Vogelaer. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2013-2, p. 27, noot 10. 
21.Willems, B., Geschiedenis van de kanarie, Best 1986, pp. 56-57, 77 Galloway, A.R., History of the Canary. In: Lewer, S.H. en John Robson, Canaries, Hybrids and British Birds in Cage and Aviary. London, New York, Toronto and Melbourne, 1911, pp. 11-12.)
22. ‘De Pluimgraaf’, weekblad voor liefhebbers van Zang- en Kamervogels, Pluimvee, Duiven, Konijnen. Onder redactie van, aanvankelijk, J. Hendrik van Balen en later C.L.W. Noordduijn. Uitgegeven door De Erven Loosjes te Haarlem: 8 juni 1900, pp. 365-366, 15 juni 1900, pp. 379-380. Ik heb gebruik gemaakt van een door Mevr. G. Stoop samengestelde, door de Haagse vereniging van Vogelliefhebbers ‘Luscinia’ uitgegeven, bundel met kopieën uit ‘De Pluimgraaf’ uit de periode januari 1899 t/m 29 december 1900. Met het in deze artikelen genoemde boek ‘De Kanarievogel’ van Francis Willoughby wordt hoogstwaarschijnlijk de bijdrage over kanaries in ‘The Ornithology of Francis Willughby’ van John Ray, o.c., bedoeld.
23. Olina, Giovanni Pietro, Uccelliera overo discorso della natura e proprieta di diversi uccelli e in particolare di que’ che cantano, etc., Roma, 1622. Hoofdstuk:  ‘Del Canario, o sia Passera di Canaria’, passim.
24. Bechstein, Joh. Matthäüs, Naturgeschichte der Stübenthiere Vögel, Gotha 1794,
pp. 289-290. Bechsteins boek werd ook in het Engels vertaald, The Natural History of Cage Birds, Londen 1837. Bron: Interent, www.biodiversitylibrary.org
25. Dr. Karl Russ, Der Kanarienvogel, seine Naturgeschichte, Pflege und Zucht. Magdeburg, 1906, pp. 2-4. De eerste editie van dit boek dateert uit 1872.
26. Willems, B., Geschiedenis van de kanarie,  o.c., pp. 56-57. Wal, H.K. van der,  Kanaries, o.c., p. 9.     
 

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2013, nr. 2, pp. 28-68.

-0-


 

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

 

Huiskamerkanaries in de Nederlanden in de 16e eeuw                     

door Jaap Plokker

In dit artikel duiken we weer in het verre verleden en gaan we op zoek naar een antwoord op de vraag hoe populair het was om in de 16e eeuw een kanarie in huis te hebben. Een algemeen geldend antwoord is bij gebrek aan voldoende bronmateriaal erg lastig te geven, maar mogelijk bestaat er na het lezen van dit artikel in ieder geval een vermoeden dat op feiten is gebaseerd.  

Hoe populair was de huiskamervogel in de Nederlanden in de 16e eeuw?
Het is niet ondenkbaar dat ons beeld van de kanarie als gezelschapsvogel in sterke mate is bepaald door wat we, vooral, in het recente verleden met eigen ogen hebben waargenomen: Bijna ieder huis had wel een vogel in de huiskamer, hetzij een grasparkietje, hetzij een kanarie. We realiseren ons wellicht onvoldoende dat dit beeld weliswaar ons vertrouwd voorkomt, maar in het licht van de geschiedenis betrekkelijk nieuw en redelijk uitzonderlijk is geweest. Een kanarie in de huiskamer was vele eeuwen lang voor de gewone man onbetaalbaar. Soms bekruipt me bij het lezen van historische schetsen over het houden en fokken van kanaries wel eens het gevoel dat de schrijver het 20e eeuwse beeld van de algemeen voorkomende huiskamerkanarie en het grote getal aan kanariefokkers transponeert naar de periode waarover hij schrijft. Alsof het nooit anders is geweest. Het is nog maar de vraag of er dan een historisch juist beeld wordt geschetst. Tot 1700 werden er in de Republiek als gevolg van onvoldoende aanbod van op het Europese vasteland gefokte kanaries nog wildvangkanaries geïmporteerd en tot aan de Eerste Wereldoorlog trokken Duitse vogelhandelaren met hun ambulante koopwaar door Nederland om kanaries te verkopen en importeerden vogelhandelaren zelf vogels uit Duitsland, omdat de fokkers in onze streken nog onvoldoende in getal waren en te weinig of van te lage kwaliteit produceerden om aan de vraag naar kanaries te kunnen voldoen.1
Als we enige indruk willen hebben over de populariteit en betaalbaarheid van de kanarie als huiskamerzanger in het verleden is de vraag gemakkelijker gesteld dan beantwoord. In dit artikel wordt voor de 16e eeuw een poging ondernomen hieromtrent enige helderheid te verschaffen. Uitgangspunt hiervoor is het in twee delen verschenen boek van Dr. H.A. Enno van Gelder over het roerend en onroerend bezit in de Nederlanden in de 16e eeuw. Alvorens we ingaan op de vraag over de populariteit van de huiskamervogel, in het bijzonder die van de kanarie, is het van belang eerst kennis te nemen van de aard van de documenten die door Dr. H.A. Enno van Gelder zijn verzameld en getranscribeerd.2

Opzet van de bronnenverzameling en de daaraan verbonden beperkingen
De verzameling handgeschreven akten die door Dr. H.A. Enno van Gelder zijn verzameld en in drukvorm in zijn tweedelig werk ‘Gegevens betreffende roerend en onroerend bezit in de Nederlanden in de 16e eeuw’ zijn opgenomen zijn overzichten van bezittingen van overleden, waaronder geëxecuteerden, gevluchte en/of verbannen personen. De akten dienden als inventarisatie en waardebepaling van de schulden en de, al dan niet te confisqueren of anderszins te verdelen, bezittingen. Aan de hand van deze inventarisatie en taxatie werden schulden vereffend, verviel, in geval van confiscatie, het resterend vermogen in het geheel aan de overheid of, in geval van een echtpaar waarbij de wederhelft niet was veroordeeld, gevlucht of verbannen, voor de helft aan de staat. Betrof het een overlijden waarbij weeskinderen achterbleven dan werd aan de hand van de opgemaakte akte de bezittingen onder de, soms minderjarige, wezen verdeeld. Een deel van de akten heeft dus betrekking op geëxecuteerde personen, zoals de te Brielle woonachtige Jacob Haddezn, van beroep geldschieter, die voor praktiserende homofilie ter dood werd veroordeeld en op 31 mei 1536 levend werd verbrand.3 Het grootste deel van de documenten betreft personen die tijdens de Beeldenstorm en daarmee verbonden oproeren in 1566 een vooraanstaande rol hadden gespeeld, betrokken waren bij de Opstand of openlijk de protestantse godsdienst praktiseerden en tijdens de repressie onder leiding van de hertog van Alva voor hun activiteiten waren gearresteerd, ter dood veroordeeld en geëxecuteerd, gevlucht en/of verbannen. Hun bezittingen werden geïnventariseerd en in z’n geheel of gedeeltelijk verbeurd verklaard, zoals, bijvoorbeeld, in het geval van de Delftse ‘bouckvercooper’ Harman Schinkel, die werd onthoofd, z’n boeken verbrand en zijn goederen geconfisqueerd, omdat hij zonder octrooi het drukkersvak had uitgeoefend en ketterse boeken had gedrukt.4 
Het merendeel van de opgenomen bronnen dateert daarom uit de periode 1567-1570. Een ander deel van de documenten is afkomstig van weeskamers. Het betreft inboedelbeschrijvingen met als doel die te gebruiken bij de verdeling van de bezittingen onder de wees geworden kinderen. Deze akten dateren van na 1570.
Dr. H.A. Enno van Gelder heeft slechts een deel van de overvloed aan 16e eeuwse documenten met informatie over roerend en onroerend bezit in zijn selectie opgenomen. Eén van de criteria die hij bij de keuze van de akten heeft gehanteerd is de achtergrond van de voormalige eigenaar van de goederen. De samensteller heeft alleen documenten opgenomen waarin overduidelijk werd aangegeven tot welke sociaal maatschappelijke groep desbetreffende overledene, gevluchte of verbannene behoorde. Vervolgens heeft Enno van Gelder deze gegevens ook als criterium gehanteerd bij het indelen van zijn boek. Zo zijn de documenten gesorteerd in vijf afdelingen: de adel, de boeren, handel en verkeer, industrie en vrije beroepen.
De documenten zijn afkomstig uit de gebieden die vóór de Opstand tot de Nederlanden behoorden, dus uit zowel de Zuidelijke als de Noordelijke Nederlanden. Een deel van de in de Zuidelijke Nederlanden opgemaakte akten zijn in het Frans gesteld en waren voor mij om deze reden niet toegankelijk.
De akten bevatten overzichten van de onroerende bezittingen in de vorm van huizen en grond. Verder bestaan ze uit schuldbekentenissen, tegoeden, openstaande schulden, etc. en, ten slotte, inventarissen van de inboedel. Het spreekt voor zich dat ik me tot de laatste categorie heb beperkt. In slechts een deel van de door Dr. H.A. Enno van Gelder opgenomen akten heb ik inboedelinventarissen aangetroffen. Deze zijn niet allemaal even uitgebreid. Ik heb me beperkt tot de gedetailleerde en redelijk gedetailleerde inboedelbeschrijvingen.
Het merendeel van de opgenomen akten dateert uit de tweede helft van de 16e eeuw. De documenten uit de periode 1500-1550 heb ik terzijde geschoven. In geen enkel in de eerste helft van de 16e eeuw opgemaakt inboedelinventaris wordt een vogelkooi vermeld.
Gezien bovenstaande is het dus nog maar de vraag of ik bij het inventariseren van de aanwezigheid  van vogelkooien in huisinterieurs in de door Dr. H.A. Enno van Gelder geselecteerde bronnen ook gezocht heb bij een representatieve afspiegeling van de 16e eeuwse samenleving in zowel de Noordelijke als Zuidelijke Nederlanden. Op z’n minst geven de resultaten een indicatie van de populariteit van de kooivogel in het algemeen en die van de kanarie in het bijzonder en in welke sociale klasse een huiskamervogel, cq. kanarie, in de tweede helft van de 16e eeuw in het Nederlandstalig gebied het meest frequent aanwezig was.

 

Resultaten

Afdeling ‘Adel’
De door Dr. H.A. Enno van Gelder geselecteerde inventarissen van de adellijke bezittingen werden hoofdzakelijk in het Frans opgesteld. De in het Nederlands geschreven akten bestonden voornamelijk uit overzichten van het onroerend bezit. Slechts één in het Nederlands opgemaakte, uit de tweede helft van de 16e eeuw daterend, inboedelinventaris is door mij aangetroffen en daarin wordt geen vogelkooi vermeld.
 

Afdeling ‘Boeren’
In de op personen uit de boerenstand betrekking hebbende akten werden 9 in het Nederlands opgestelde, uit de tweede helft van de 16e eeuw daterende, redelijk tot zeer gedetailleerde inboedelinventarissen aangetroffen. In geen daarvan wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van een vogelkooi.
 

Afdeling ‘Handel en verkeer’
Tot de door Enno van Gelder in  de categorie ‘Handel en verkeer’ ondergebrachte beroepen behoren o.a. bankiers, winkeliers, kooplieden in het algemeen en hout-, vis-, wijn-, boek-, textiel-, graanhandelaren, etc. in het bijzonder. In de in deze afdeling opgenomen akten werden 39 in het Nederlands opgestelde, uit de tweede helft van de 16e eeuw daterende redelijk tot zeer gedetailleerde inboedelinventarissen aangetroffen met 6 (15%) verwijzingen naar de aanwezigheid van een vogelkooi, waarvan in 2 (5 %) beschrijvingen expliciet werd vermeld dat zich in het huis een kanariekooi bevond.
De vermeldingen van vogelkooien werden aangetroffen in de inventarissen van de volgende personen:
- Vincent Laureysz, koopman, te Middelburg, 1568. In het inventaris van ‘alle de goede’ van Vincent wordt opgenomen dat zich ‘In de vloer’ (…)  ‘een voghelhutte met dryen … ’ bevond. De oorspronkelijke tekst is, helaas, te onduidelijk voor een transcriptie die ons meer informatie verschaft over de ‘voghelhutte’.5 
- Heyndrick Fransz, koopman in graan en anderszins, te Amsterdam, 1568-1571. Uit de inventarisatie van diens ‘onroerende en roerende have’ valt op te maken dat in ‘het huis in de Warmoesstraat’ ‘zeeckere vogelkouwen met een bort’ werden aangetroffen.6
- Henrick Thomasz Laers, graanhandelaar, te Amsterdam, 1567-1569. Bij de inventarisatie van diens roerend en onroerend bezit was ‘Int voorhuys’ o.a. ‘een voghelcouwe mit een canarievoeghel’ aanwezig.7 
- Mary Gijsbertsdr, weduwe van Gerrit Diricx, wijnverlater, te Amsterdam, 1578. In de opgave van haar ‘huisraad en kapitaalbezit’ werd o.a. opgenomen ‘een vermaelt canaryvogelkouwetgen’, dat ‘in ’t voorhuys, in de spijscamer’ werd aangetroffen.8 Dat het kanariekooitje ‘vermaelt’ was betekent dat het was beschilderd.
- Claeys Thuys, wijnkoper, te Middelburg, 1568. In diens opgave van roerend en onroerend bezit staat ‘een voghelhutte’, die zich waarschijnlijk in het voorhuis bevond.9
- Joost Jacobsz, wandsnijder, te Leiden, gestorven in een huis ‘aen de Breedestraet op den houck van de Wolsteege’, 1585. Uit het boedelinventaris blijkt dat bij Joost ‘in  ’t voorhuys’ zich een ‘dryekant bort, daeraen hangende 6 vogelkorfkens’ bevond.10
 

Afdeling Industrie
In de afdeling ’Industrie’ nam dr. H.A. Enno van Gelder inventarissen op van personen die diverse ambachten in de textielnijverheid uitoefenden, zoals lakenkaarders, linnen- en tapijtwevers, saaimakers, garentwijnders, droogscheerders, enz. Verder ook die van kleer-, mutsen- en schoenmakers, leerlooiers, bakkers, brouwers, bouwvakkers, schilders, kuipers, pottenbakkers, etc.
In de in deze afdeling opgenomen akten werden 49 in het Nederlands opgestelde redelijk tot zeer gedetailleerde, uit de tweede helft van de 16e eeuw daterende, inboedelinventarissen aangetroffen met 7 (14 %) verwijzingen naar de aanwezigheid van een vogelkooi. Bij 1 (2 %) inboedelinventarisatie werd expliciet een kanariekooi geregistreerd. De vermeldingen van vogelkooien werden aangetroffen in de inventarissen van de volgende personen:

- Gerrit Jacobsz, drapier, te Leiden, 1587. Uit het huisinventaris blijkt dat ‘in ’t voorhuys’ zich ‘een leuwericxcorff  met een schrijfley ende een schrijfbort’ bevond.11
- Franchoys Huerleblocq, saaimaker, te Gent, 1567. Op de zolder van het huis van deze ambachtsman in de textielnijverheid heeft men een ‘papegaymute’ aangetroffen. Met een ‘muite’ kan in het Vlaams ‘kooi’ bedoeld worden. Wanneer in een inventaris sprake is van een ‘mute’, ‘muyte’ of een hierop gelijkende schrijfwijze met een aanvullende verwijzing naar een vogel is dit object als vogelkooi aangemerkt. In het huis van Huerleblocq stond op zolder tussen de rommel, mijn inziens, een lege papegaaikooi.12
- Cornelis van der Nijenborch, droogscheerder, te Alkmaar, 1568. Diens inboedelinventaris vermeldt ‘in de koecken’ een ‘curff mit canary’ en ‘in de winckel ofte voorhuys’ ‘een voegelcorff sonder voegel’.13
- Oude Maria Dircksdr, weduwe van Barent Lambertszoen, molenaar, te Leiden, 1580? In het inventaris dat van Oude Maria’s inboedel is opgemaakt vinden we een mogelijke aanduiding voor de aanwezigheid van vogelkooitjes, nl.  ‘een berdeken mit 4 kneukorfgens’.14  Ik veronderstel dat hiermee een bord met vier kooitjes voor kneutjes wordt bedoeld. De kneu was een gekende kooivogel. In het in 1672 uitgegeven door P. Nylant en J. van Hextor geschreven ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen’ wordt de kneu aangeduid met ‘koddenaer, kneutertjen of robijntje’.15
- Gilles van der Beke, brouwer te Gent, 1567. De inboedel van Gilles van der Beke, ‘brauwere in den Zalme up de Craenley’, te Gent, bevat een object waarvan wordt aangenomen dat het een vogelkooi betreft, nl. ‘in den voort-vloer van voorn. huuze’ bevindt zich o.a. ‘een voghelmuytkin’.16
- Zwene Brouwers, weduwe van Willem Staeckenborch, brouwer, te Deventer, 1551. In de boedelbeschrijving van wijlen Zwene Brouwers wordt een object genoemd waarvan het vermoeden bestaat dat het een vogelkooi is, maar zekerheid hieromtrent heb ik niet: ‘voor in ’t huys’ (…) ‘een tritsoer met een kouwe’.17  Aangenomen wordt dat op het ‘trisoer’ een vogelkooi heeft gestaan. In andere inventarissen wordt een dergelijk object ook wel omschreven als, trisoer, trijsoer, trysoir, tresoor, en het betreft een in de 16e eeuw in zwang gekomen meubelstuk dat opbergmogelijkheden had, maar daarnaast ook bedoeld was om iets op te zetten.
- Jehan van de Leure, kuiper, te Gent, 1567. Het huis van Jehan, ‘den Poel’, stond in de ‘Drapstrate’ te Gent. Op 19 december 1567 werd daar opgetekend dat ‘in de zale’ een ‘papegaymute’ aanwezig was. Verder bevond in hetzelfde huis ‘int contoirken daer neffens’ zich ‘een muytken’. Behalve ‘den Poel’ bezat Jehan van de Leure nog andere huizen, die hij verhuurde. Hoewel het totale inventaris van het huis aan de Drapstrate werd getaxeerd op het, relatief, bescheiden bedrag van 14 pond en 10 schelling moeten we Jehan, gezien zijn huizenbezit, rekenen tot de beter gesitueerden.18 
 

Afdeling ‘Vrije beroepen’
In de afdeling ’Vrije beroepen’ nam dr. H.A. Enno van Gelder inventarissen op van advocaten, accijnsinners, baljuw’s, dijkgraven, chirurgijns, predikanten, etc. In de in deze afdeling opgenomen akten werden 13 in het Nederlands opgestelde, redelijk tot zeer gedetailleerde, uit de tweede helft van de 16e eeuw daterende, inboedelinventarissen aangetroffen met 1 (9 %) verwijzing naar de aanwezigheid van een vogelkooi. Er werd geen inventaris gevonden die duidt op de aanwezigheid van een kanarie(kooi).
- Jan Rijcken, Excijsdrager te Haarlem, 1568. In het inventaris van Jan Rijcken werd ‘een tiende corff mit een leeuwrck’ aangetroffen. Het geheel werd getaxeerd op ‘6 d’, oftewel nog niet de waarde van één stuiver. Aangenomen wordt dat het gemiddeld uurloon van een ambachtsman toen ca. 2 stuivers bedroeg. Jan Rijcken stond kennelijk zodanig als praktiserend Protestant bekend dat hij uit lijfsbehoud de benen had genomen. De achtergebleven vrouw en kinderen leefden bij het opmaken van het inboedelinventaris van de bedeling. De roerende have van Jan Rijcken was zo weinig waard dat niet tot confiscatie werd overgegaan.19
In bovenstaand overzicht van in 16e eeuwse inboedelbeschrijvingen aangetroffen vogelkooien zijn de vrijwel altijd tot het keukeninventaris behorende ‘kiekencurf’ en ‘hoenderkoyen’ niet meegenomen. Aangenomen wordt dat voor de consumptie aangeschafte kippen tot het moment van de slacht in dergelijke ‘hoenderkoyen’ in de keuken werden bewaard en deze dus niet tot vogelkooien in de door ons bedoelde betekenis gerekend moeten worden.20

Oudst bekende eigenaren van kanaries in de Nederlanden
Kijken we naar de sociaal maatschappelijke achtergrond van de eigenaren van de huizen waarin zich een kanariekooi bevond dan betrof het een graanhandelaar uit Amsterdam, een droogscheerder uit Alkmaar en de weduwe van een wijnverlater uit Amsterdam. Het boedelinventaris van Mary Gijsbertsdr, weduwe van Gerrit Diricx, dateert van 11 april 1578,  dat van Cornelis van der Nijenborch, droogscheerder, werd op 6 maart 1568 opgemaakt en    de akte van het bezit van Henrick Thomasz Laers, graanhandelaar, dateert van 25 augustus 1567. Dit is tevens de mij oudst bekende vermelding van een met naam en toenaam genoemde eigenaar van een kanarie in de Noordelijke Nederlanden.
Bij het opmaken van de inboedelinventaris van Hendrik Thomasz Laers, graanhandelaar te Amsterdam, op 25 augustus 1567, werd Hendriks huis in ‘d’Oudezyts Kerckestrate’ in Amsterdam, ‘streckende voor van de straete tot aen den Amerack toe’, bewoond door diens vrouw en kinderen. Hendrik verbleef kennelijk elders en we veronderstellen dat hij vanwege zijn calvinistische sympathieën in het voorjaar van 1567 uit Amsterdam was gevlucht en tijdens het opmaken van diens inboedelinventaris hoogstwaarschijnlijk in Oost Friesland, mogelijk in de stad Emden, verbleef.
In de zomer van 1566 raasde de Beeldenstorm door de Nederlanden en ook de interieurs van bijvoorbeeld de Oude en Nieuwe Kerk van Amsterdam waren voor de Beeldenstormers niet veilig. Eind oktober kregen de Amsterdamse Protestanten van de autoriteiten toestemming één van de Rooms Katholieke kerken voor hun godsdienstoefeningen te gebruiken. Deze Amsterdamse godsdienstvrijheid was maar van korte duur. In maart 1567 werd onder leiding van het Spaansgezinde stadsbestuur de klok teruggedraaid en was het voor de overtuigde calvinisten en zeker voor degenen die een actieve rol hadden gespeeld tijdens de oproer in de zomer van 1566 overduidelijk dat zij in Amsterdam niet meer veilig waren. Velen vluchtten, o.a. naar Oost Friesland, in het bijzonder naar de stad Emden. Welke rol Hendrik Thomasz Laers gedurende de periode augustus 1566-maart 1567 in Amsterdam heeft gespeeld is mij niet bekend, maar overduidelijk is dat hij een veilig heenkomen buiten de stad heeft gezocht. Voor de Spaansgezinde gerechtelijke instanties was zijn optreden ten faveure van de protestantse godsdienst en de opstand tegen de Spaanse overheid voldoende om zijn bezittingen verbeurd te verklaren.
Met Oost Friesland als uitvalsbasis werd onder leiding van Lodewijk, graaf van Nassau, in april 1568, in een poging de Opstand tegen Alva nieuw leven in te blazen, geprobeerd de stad Groningen in te nemen. Schepen op de Eems moesten Lodewijks troepen bevoorraden en een tegenaanval vanuit zee proberen af te slaan. Deze schepen en hun bemanning zouden we de eerste watergeuzen mogen noemen. Eén van hun kapiteins was Hendrik Thomasz Laers. Toen vanuit Amsterdam, de voormalige woonplaats van Hendrik, een poging werd ondernomen de vloot van de watergeuzen op de Eems te verslaan speelde Hendrik Laers een belangrijke rol in de zeeslag, die een overwinning voor de watergeuzen opleverde. Via o.a. piraterij probeerden de watergeuzen de kas van de opstandelingen, waarvan Willem van Oranje inmiddels de onbetwiste leider was geworden, te spekken. Daarbij liet Hendrik Laers, als kapitein van een van de schepen van de watergeuzen, zich niet onbetuigd. Het schip en de bemanning waarover Hendrik Thomasz Laers het commando voerde was ook betrokken bij de inname van Den Briel op 1 april 1572. 21  
Het is wel curieus dat onze zoektocht naar het kanariebezit in de Nederlanden in de 16e eeuw ons brengt bij één van de opstandelingen van het eerste uur; een kopstuk van de watergeuzen, die in niet geringe mate heeft bijgedragen aan de uiteindelijke zelfstandigheid van ons land.
Voordat hij Amsterdam ontvluchte en z’n leven verder in dienst stelde van de opstand tegen de Spanjaarden en godsdienstvrijheid voor de protestanten was Hendrik Thomasz Laers niet onbemiddeld. Naast zijn eigen woonhuis in de buurt bij de Oude Kerk en waarvan het kavel tot het op dat moment nog ongedempte Damrak liep, bezat hij een complex huisjes ‘buyten Sint Anthoniuspoorte voorbij de Leprosen’ (De huidige Waag op de Nieuwmarkt is de vroegere Sint Anthonispoort, genoemd naar het St. Anthoniusgasthuis, een tehuis voor leprozen, dat buiten de toenmalige stadmuur gelegen was) en een huis ‘inde Bethanien Koestraete’ (Koestraat). Deze huizen werden verhuurd. De waarde van de inboedel van het huis, dat door Laers’ echtgenote en kinderen werd bewoond werd getaxeerd op 193 pond.22
Op 6 maart 1568 werden ‘alle goeden ende huysraet gevonden ten huyse van Cornelis van der Nyeuborch, woonende op ’t Water’ te Alkmaar geïnventariseerd. De reden voor deze inventarisatie en taxatie van de waarde van de eigendommen van Cornelis wordt in de akte niet vermeld. Mogelijk is hij betrokken geweest bij de Beeldenstorm of praktiserend Protestant als gevolg waarvan hij is gevlucht of verbannen en zijn goederen zijn geconfisqueerd. Cornelis van der Nijenborch was van beroep droogscheerder. Hij beoefende z’n vak op de zolder van zijn huis waar hij met een schaar de pluisjes van het laken verwijderde waardoor de lap een glad oppervlak kreeg. Daarnaast runde Cornelis in zijn huis een winkel waarin hij allerlei textiel verkocht. Bij het inventariseren van ‘de winckel ofte voorhuys’ werden namelijk lappen stof aangetroffen. In een van de winkel afgescheiden gedeelte, ‘een besloten cantoer’, bevond zich, naast enkele schilderijen en stoelen, ook een vogelkooi zonder vogel. Verder was er op de begane grond een keuken waarin, naast meubels en keukeninventaris, ook een kooi met een kanarie aanwezig was. Het huis had een verdieping en daarboven de ‘sceerzolder’ waarop Cornelis het ambacht van droogscheerder uitoefende. Hoewel Cornelis van de Nijenborch over een huis met diverse verdiepingen beschikte straalde het inventaris weinig rijkdom uit. Uit het totale overzicht van Cornelis’ roerende have krijgt men de indruk dat hij mogelijk tot de middenstand, maar zeker niet tot de welgestelden gerekend moet worden.23
Na het overlijden van Mary Gijsbertsdr, weduwe van Gerrit Diricx, wijnverlater te Amsterdam werd op 11 april 1578 door ‘Jan Jansz Pylori, openbaar notaris bij den Hove van Hollant’ de waarde van haar nagelaten huisraad, waaronder ‘een vermaelt canaryvogelkouwetgen’ en haar kapitaalbezit opgemaakt. Mary had gewoond aan ‘d’Oudezijts Westervoorburchwall op de zuyderhouck van de Liesdel’, in een huis ‘genaempt de Vergulde Wijnpersse’ en is daar ook overleden. Mary’s echtgenoot, Gerrit Diricx was van beroep wijnverlater. Wijnverlaters waren beëdigde beambten die de wijn van het ene in het andere vat overtapten, zodat ze de hoeveelheid wijn en daarmee het verschuldigde belastinggeld konden bepalen. Verder kon bij het overhevelen de wijn van droesem worden ontdaan. Wijnverlaters, ook wel wijnroeiers genoemd, hadden geen vast traktement. De particulieren die van hun diensten gebruik maakten moesten een bedrag  betalen, dat zij als persoonlijke verdienste in eigen zak mochten steken.24 Het ‘wijnroeien’ had Gerrit Diricx kennelijk geen windeieren gelegd, want na diens overlijden was zijn weduwe niet onbemiddeld achtergebleven. Behalve ‘De Vergulden Wijnpers’ bezat zij, afgezien van diverse vorderingen, ook nog een huis met daarachter twee woningen ‘op de noorderhouck van de Pijlstege aen de Burchwal’, een ‘huys ende werff met een hondert lants daer afteraen’ in het Noord-Hollandse Spanbroek en een stuk land ‘buyten Sint-Antonispoorte’.  Hoe vermogend het echtpaar wel was blijkt uit de huwelijksgift van 1200 gulden, plus 108 gulden voor ‘cleederen en cleynodien’, die iedere zoon en dochter bij hun bruiloft hadden ontvangen. We spreken hier over een bedrag waarvoor in die tijd een arbeider ettelijke jaren moest werken.25

Conclusies
In totaal werden in de door dr. H.A. Enno van Gelder geselecteerde en in zijn boek opgenomen bronnen 111 redelijk tot zeer gedetailleerde in het Nederlands opgestelde, uit de tweede helft van de 16e eeuw daterende, inboedelinventarissen aangetroffen. In 14 daarvan, oftewel 13 %, werd de aanwezigheid van een of meerdere vogelkooien vermeld. In 3 inboedelbeschrijvingen, oftewel nog geen 3%, werd expliciet de aanwezigheid van een kanariekooi geregistreerd. Overige in de inventarissen met name genoemde kooivogels zijn een leeuwerik (2x), een papegaai (2x) en een kneu (1x). In geen enkele inboedelinventaris is  een aanwijzing gevonden dat desbetreffende eigenaar, behalve het bezit van een vogel in een kooi in huis, ook vogels kweekte.    
In drie in Vlaanderen opgemaakte inventarissen is de aanwezigheid van een vogelkooi geregistreerd, alle te Gent: in de huizen van een brouwer, een saaimaker en een kuiper. In het huis van de saaimaker en de kuiper betrof het een papegaaienkooi, in dat van de brouwer een vogelkooitje in algemeen zin. Van de aanwezigheid van kanaries in Vlaanderen is dus in de door Enno van Gelder opgenomen Nederlandstalige bronnen geen spoor gevonden. Opmerkelijk is de vermelding van twee papegaaikooien, die alleen werden aangetroffen in inventarissen die te Gent waren opgemaakt.
Een groot deel van de uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstige akten zijn in het Frans opgesteld en om deze reden voor mij niet toegankelijk. Hopelijk kan iemand die deze taal en met name de 16e eeuwse variant daarvan, wel machtig is deze documenten eens doornemen op de aanwezigheid van vogelkooien in het algemeen en kanariekooien in het bijzonder.
Vanwege alle beperkingen die aan dit onderzoek kleven en in bovenstaande zijn vermeld kunnen slechts met het nodige voorbehoud conclusies getrokken worden. Op grond van de door Dr. H.A. Enno van Gelder verzamelde 16e eeuwse inboedelinventarissen hebben we de indicatie dat in de tweede helft van de 16e eeuw in de Nederlands sprekende delen van de Zuidelijke- en Noordelijke Nederlanden gezamenlijk in ca. 13 % van de huizen van de mensen die een beroep uitoefenden een of meerdere vogelkooien aanwezig waren en in nog geen 3 % van de huizen het lied van een kanarie klonk.
Onderzoeken naar de aanwezigheid van kooivogels in Nederlandse huiskamers in het verleden zijn dun gezaaid. Dibbets onderzocht uit de eerste helft van de 18e eeuw daterende boedelinventarissen van 85 woningen in Maassluis en kwam tot de conclusie dat in 22 procent van de huizen één of meerdere vogelkooien aanwezig waren. Tussen de in dit artikel besproken periode en de documenten uit Maassluis ligt een tijdspanne van ruim 200 jaar. Aangenomen mag worden dat als gevolg van een toename van de handel in gefokte kanaries in de loop van de 17e eeuw het kooivogelbezit en zeker dat van kanaries eerder groter dan kleiner werd. In dit licht bezien lijkt het in bovenstaande, voor de tweede helft van de 16e eeuw, geïndiceerde bezit van een huiskamervogel in Noord- en Zuid-Nederlandse huiskamers betrekkelijk reëel.26
Het bezit van een kanarie veronderstelde medio de 16e eeuw wel een zekere welstand, maar men behoefde toen niet tot de zeer vermogenden te behoren om zich het bezit van een kanarie te kunnen veroorloven. Kennelijk was het aanbod aan kanaries, verondersteld wordt dat het hoofdzakelijk importvogels van de Canarische eilanden, wellicht de Azoren en mogelijk ook Madeira betrof, zo groot dat medio de 16e eeuw de aanschafprijs inmiddels tot een niveau was gedaald dat personen uit de middenstand over voldoende financiële middelen beschikten om een kanarie te kunnen aanschaffen. Voor de bewering, zoals die van de Zwitsere natuurkundige Konrad Gesner in zijn in 1555 uitgegeven boek ‘Avium Natura’, dat het bezit van een kanarie uitsluitend voor de zeer vermogenden was weggelegd is in de door mij onderzochte akten slechts gedeeltelijk een bevestiging gevonden. Het is mogelijk dat vanwege het feit dat kanaries in Hollandse havens van overzee werden aangevoerd de kopers in de Lage Landen tegen een aantrekkelijker prijs vogels konden aanschaffen dan de verder van de aanvoerhavens woonachtige clientèle.27
Medio de 16e eeuw bevonden zich dus kanaries in Noord-Nederlandse huiskamers. Het bezit van een kanarie beperkte zich tot een kleine groep, die over een zeker eigen vermogen beschikte, maar was op dat moment in ieder geval geen exclusief voorrecht (meer) van de zeer rijken. 
Opmerkelijk is de afwezigheid van de vermelding van kanaries in Vlaamse huizen. Op grond van dr. H.A. Enno van Gelders bronnenselectie moeten we concluderen dat medio de 16e eeuw in Vlaanderen het percentage huiskamervogels en het bezit van kanaries kennelijk kleiner was dan in de steden in Holland.
In zijn ‘Geschiedenis van de kanarie’ wordt door Bèr Willems niet alleen een beeld geschetst dat de kanarie in de 15e en 16e eeuw al in grote getale in de Nederlanden voorkwam, maar er wordt door hem ook een verband gelegd tussen het kanariebezit onder Vlaamse textielambachtslieden en de opkomst van de kanarieteelt in Engeland. Volgens Willems namen in de 16e eeuw vanwege de geloofsvervolging in de Lage Landen naar Engeland uitgeweken protestantse Vlamingen hun kanaries mee en hebben daarmee het houden en fokken van kanaries in Engeland enorm gestimuleerd. 28 Willems schetst voor de Nederlanden in de 15e en 16e eeuw een beeld dat aanvankelijk onder het zeevarend bevolkingsdeel en later vooral door de wevers  in Vlaanderen op grote schaal kanaries gehouden en gefokt werden.29 Hij refereert aan een niet verifieerbare bron dat ‘in 1478 de kanarie reeds in de Nederlanden bekendheid genoot en dat hij speciaal op handen werd gedragen door mensen die in de lakennijverheid hun brood verdienden’. In de bronnenpublicatie van dr. H.A. van Gelder werd geen enkele aanwijzing gevonden voor zowel de, zoals Willems beweert, grote schaal waarop in de 16e eeuw in de Nederlanden kanaries werden gehouden en mogelijk ook gefokt, als de door hem geschetste prominente rol in de kanarieteelt van de arbeiders in de textielnijverheid. Omdat Willems zich daarnaast ook nog baseert op niet verifieerbare bronnen moeten we zijn visie op de geschiedenis van de kanarieteelt in de Nederlanden in de 15e en 16e eeuw als uiterst discutabel kwalificeren. In de door mij doorgenomen akten is geen enkele kanariekooi aangetroffen in het inventaris van een Vlaamse ambachtsman in de textielnijverheid. De beschreven inboedels van o.a. de Vlaamse linnenwevers zijn over het algemeen uiterst sober. Ze bevatten aan het beroep gerelateerd inventaris zoals één of meerdere spinnewielen, een weefgetouw, gereedschap en enige huisraad. Het geschatte vermogen van de totale inboedel van de Vlaamse wevers varieerde meestal tussen de 20 en 50 gulden.30 Ter vergelijking, ca. 1700, dus 150 jaar later, moest voor een gewone groene kanarie nog ca. 3 gulden betaald worden.31 In de 16e eeuw lag de aanschaf van een kanarie, mijn inziens, ver boven de financiële mogelijkheden van een doorsnee Vlaamse wever.
Zoals gezegd heb ik me gebaseerd op de in het Nederlands geschreven inventarissen. Dr. H.A. Enno van Gelder heeft ook in Frans opgestelde boedelinventarissen van arbeiders in de textielnijverheid opgenomen. Mogelijk dat als gevolg van een speurtocht in de Franstalige Zuid-Nederlandse akten betreffende het roerend en onroerend bezit in de 16e eeuw bovenstaande conclusies genuanceerd moeten worden. Vooralsnog ga ik hier niet van uit. 

 

Samenvatting
In door Dr. H.A. Enno van Gelder verzamelde en gepubliceerde inventarissen van het roerend en onroerend bezit van 16e eeuwse inwoners van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden werden voor de periode 1551-1600 in 14 van de 111 in het Nederlands opgestelde gedetailleerde tot redelijk gedetailleerde inboedelbeschrijvingen objecten aangetroffen die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een vogelkooi. Van 3 van de 14 geregistreerde objecten werd expliciet vermeld dat het een kanariekooi of een kanarie in een kooi betrof.
Onder voorbehoud van de beperkingen die aan dit onderzoek kleven hebben we de indicatie dat in de tweede helft van de 16e eeuw in ca. 13 % van de huizen in de Nederlanden zich een vogelkooi bevond en in nog geen 3% van de huizen een kanarie. De eigenaren van de kanaries waren niet onbemiddeld, maar behoorden zeker ook niet uitsluitend tot de zeer welgestelden.
Over het kweken van vogels in het algemeen en dat van kanaries in het bijzonder werd in de door Dr. H.A. Enno van Gelder geselecteerde documenten geen spoor gevonden. De vraag is of medio de 16e eeuw in de Nederlanden überhaupt kanaries gefokt werden. Mochten er toen kanariekwekers actief zijn geweest dan moet deze activiteit, mijns inziens, beschouwd worden, als een hoogst incidentele vrijetijdsbesteding, voor, hoogstwaarschijnlijk, uitsluitend vermogende Nederlanders. 

 

Noten
1. Plokker, J., Frans Vogelaer. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU 2013-2, pp. 16-20. Advertenties in het Leidsche Dagblad van  29-9-1898,  3-12-1898, 24-1-1903, 29-11-1913, 26-2-1914.
2. Enno van Gelder, Dr. H.A., Gegevens betreffende roerend en onroerend bezit in de Nederlanden in de 16e eeuw, Deel 1, Adel, Boeren, Handel en Verkeer. ’s Gravenhage, 1972. Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote serie, nr. 140.  Enno van Gelder, Dr. H.A., Gegevens betreffende roerend en onroerend bezit in de Nederlanden in de 16e eeuw, Deel 2, Industrie en Vrije beroepen. ’s Gravenhage, 1973. Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote serie, nr. 141. De boeken zijn ook te raadplegen op Internet:  www.historici.nl/retroboeken/bezit/

3. Ibidem, Deel 1, pp. 367-368.
4. Ibidem, Deel 1, p. 560.
5. Ibidem, Deel 1, p. 400.
6. Ibidem, Deel 1, p. 442.
7. Ibidem, Deel 1, p. 455.
8. Ibidem, Deel 1, pp. 474-475.
9. Ibidem, Deel 1, p. 482.
10. Ibidem, Deel 1, pp. 587-589.
11. Ibidem, Deel 2, pp. 7-10.
12. Ibidem, Deel 2, p. 16.
13. Ibidem, Deel 2, pp. 39-40.  
14. Ibidem, Deel 2, pp. 89-90.
15. Nylant, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen, afbeeldende allerhande Menschen, Beesten, Vogelen, Visschen, etc. Met een Beschrijvende haar gestalte / hoedanigheden / natuur / krachten / eigenschappen / en genegentheden met 160 Figuren. Amsterdam, 1672. p. 231.
16. Enno van Gelder, Dr. H.A., o.c., Deel 2, p. 110.
17. Ibidem, Deel 2, p. 133-134.
18. Ibidem, Deel 2, p. 175-176.    
19. Ibidem, Deel 2, p. 329.  
20. Ibidem, o.m. Deel 1, pp. 312, 533, 582, 591; Deel 2, p. 113.
21. Ibidem, Deel 1, p. 454-455. Meij, Dr. J.C.A. de, De Watergeuzen, Piraten en bevrijders. Bussum, 1980, pp. 18-19, 21, 25, 77, 93.
22. Enno van Gelder, Dr. H.A., o.c., Deel 1, p. 454-455.
23. Ibidem, Deel 2, pp. 39-40. 
24. gijsgenealog.blogspot.nl
25. Enno van Gelder, Dr. H.A., o.c., Deel 1, pp. 473-477.
26. Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken, vijf eeuwen vangst van zangvogels en kwartels in Holland. Hilversum 2002,  p. 278.
27. Gesner, Konrad (Conradi Gesneri), Historiae Animalium Liber III. qui est de Avium natura, 1555.  In Gesner’s boek zou men de volgende zinsneden kunnen vinden: ‘De kanarie wordt overal voor een heel hoge prijs verkocht, zowel vanwege de zoetheid van zijn zang en ook omdat hij, in kleine aantallen, van ver en met grote zorg en toewijding vervoerd moet worden, zodat alleen edelen en hooggeplaatste personen zich een kanarie kunnen veroorloven’. De exacte plaats waar dit fragment in Gesners Avium Natura gevonden kan worden is mij niet bekend. Deze informatie is ontleend aan: Galloway, A.R., History of the Canary. In: Lewer, S.H. & J. Robson, Canaries, Hybrids and British Birds in Cage and Aviary, London, New York, Toronto & Melbourne, 1911, pp.  11-12. Te vinden op Internet: www.biodiversitylibrary.org.
28. Willems, B. Geschiedenis van de kanarie, Best 1986, p. 31.

29. Ibidem, pp. 22-23, 27.
30. Enno van Gelder, Dr. H.A., o.c., Deel 2, pp. 3-40.
31. Plokker, J., Frans Vogelaer, o.c., pp. 24, 27.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2013, nr. 3, pp. 12-27.

-0-


TOP

 

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

 

Petrus Nylant en Jan van Hextor.

door Jaap Plokker

Fragmenten over kanaries in oude Nederlandstalige literatuur, hoe bescheiden soms ook, zijn schaars en wanneer er iets bijzonders door mij is ontdekt wil ik dat graag met anderen delen. Samen vormen ze nl. de puzzelstukjes die het beeld over de geschiedenis van de kanarieteelt steeds completer kunnen maken. Deze keer staat weer een 17e eeuws Nederlands boek centraal.

Tijdens mijn zoektocht naar informatie over de kanariehandel en –teelt in de 16e en 17e eeuw stuitte ik in de literatuur op de auteur Petrus Nylant en de titel van een boek waarin hij o.a. ook over kanaries geschreven zou hebben. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag bevindt zich voor mij op een busreis van ca. 30 minuten dus werd de catalogus geraadpleegd en ik ontdekte dat het bewuste boek zich niet alleen in de KB bevindt,  maar ook ingezien kan worden. Uitlenen doet men dergelijke oude boeken uiteraard niet. Het boek werd door mij gereserveerd en op 2 mei, ik had tenslotte vakantie, heb ik de bus naar Den Haag genomen, het bewuste boek doorgebladerd, vluchtig doorgelezen en de voor mij op dat moment interessantste pagina’s gefotografeerd.
Het betreffende boek is het door P. Nylant en J. van Hextor geschreven ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen, afbeeldende allerhande Menschen, Beesten, Vogelen, Visschen, etc. Met een Beschrijvende haar gestalte / hoedanigheden / natuur / krachten / eigenschappen / en genegentheden met 160 Figuren.’ Het boek werd in 1672 te Amsterdam uitgegeven door Marcus Willemsz Doornick, boekverkoper op de Middeldam in ’t Cantoor Inckvat. P. Nylant en J. van Hextor presenteren zich op de titelpagina als ‘Med. Doctoren, en Practicijns, binnen Amsterdam’.1
Het rijk geïllustreerde boek bestaat uit vier delen: deel 1 beschrijft diverse volken; deel 2 viervoeters, reptielen, amfibieën en insecten; deel 3 de vogelwereld en in het vierde deel worden vissen en schelpdieren besproken. Vrijwel elk beschreven onderwerp wordt met een grote of, zoals bij de vogels vaak het geval is, kleine afbeelding geïllustreerd. Zo komt de kanarie er wel heel bekaaid af met een minuscuul, weinig zeggend, plaatje.


Foto. Titelpagina ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen’ van P. Nylant en J. van Hextor. (Foto Jaap Plokker) 

Mytische dieren
Hoewel ik op zoek was naar wat P. Nylant en J. van Hextor hadden geschreven over kanaries kon ik toch de verleiding niet weerstaan het boekje wat uitgebreider te bekijken. De afbeeldingen waren niet door de meest getalenteerde kunstenaar getekend. Beesten die men dagelijks in Nederland tegen het lijf kon lopen, zoals de koe, het paard en de hond zagen er nog wel realistisch uit, maar bij de meer exotische dieren is duidelijk te zien dat de kunstenaar een goed voorbeeld node heeft gemist. Opmerkelijk is dat ook afbeeldingen van mythische dieren regelmatig in het boek opduiken en door Nylant en van Hextor beschreven worden. We moeten dan denken aan de eenhoorn, de griffioen, die bij de vogels en de zeeridder en zeemeermin, die bij de vissen worden besproken. De tijd ontbrak me om het boekje grondig door te lezen, maar onwillekeurig wil je toch ook wel kennis nemen van wat de auteurs over een en ander te melden hebben. Zo viel mij, naast de beschrijving van de Chinezen, Japanners, Molukkers, Eygptenaren enz., enz., ook een stukje op over de ‘Nieuw Nederlandsche Wilden’, waarmee de indianen, die in de buurt van het huidige New York woonden, werden bedoeld. Grappig vond ik ook het verhaal over de zeemeermin en de mannelijke soortgenoot, door de auteurs ‘Zeeridder of Zeeman en Zeewijf’ genoemd. Een fragment over een ‘Zeewijf’ wil ik de lezer niet onthouden: De auteurs vertellen ‘dat er in ’t Jaer 1403 door een groote Storm die het water soo hadde doen opzwellen en aenparsen dat het de Dijcken in Hollant op verscheyde plaetsen hadde doorboort een Meermin of Zeewijf tot in de Purmermeer is doorgestroomt die doen de gaten in de Dijcken weder gestopt waren niet konde wegh komen; zij was dickmael van de Melckboerinnetjens die op dit voornoemde Meer uyt melcken voeren gesien detwelcke in den eersten verschrickt doch daer na gemoedight gelijkerhandt dit Zeewijf omcingelden en in haer Schuyten gevangen binnen Edam gebracht hebben. Zy was geheel ruygh met mosch slib en groente bewossen gantsch sonder spraek  maer scheen somtijds te versuchten. Zy hebben haer aldaer gereynight en gekleet begon Menschelijcke spijs te gebruycken; trachte altijdt om weer in het water te komen maer wierdt seer nauw bewaert. Die van Haerlem versochten dit Zeewijf binnen haer Stadt te hebben ’t welck zy verkregen: aldaer leerdese spinnen en leefde veel Jaren maer bleef stom; gestorven zijnde wierdt op het kerckhof begraven om datse eenighe maniere van Godsdienst getoont hadde dewelcke sy seecker Weduwe daerse by woonde dagelijcks sagh plegen.’ Tot zover het relaas van de zeemeermin uit het Purmermeer.2


Foto. Afbeelding van een Griffioen in ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen’ van P. Nylant en J. van Hextor. (blz.185) (Foto Jaap Plokker) 

Kanaries
In deel  3 van ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen’ worden diverse vogelsoorten afgebeeld en beschreven. Alleraardigst vond ik de beschrijving van de gedresseerde distelvink. ‘De Distelvinck of Puttertje is een Vogeltje (gelijck ook het Cijsken) die men in huyskens daer toe ghemaekt set daer aen twee emmerkens hangen die op en neder gaen van welcke in ’t een ’t eeten en in ’t ander  het drincken wordt gedaen soo leeren zy het selfde optrecken en in de voeten vast houden tot datse daer genoegh uyt gegeten of gedroncken hebben.’ 3
Uiteraard ging mijn grootste nieuwsgierigheid uit naar wat beide auteurs over de kanarie te melden hadden. Het is maar een klein fragment, dus er is geen enkele reden om de oorspronkelijke tekst niet integraal weer te geven.

[p. 228]

‘De Canaryvogel heeft zijn naam van de Canarische Eylanden, waer  van daen hy hier over gebracht wordt; is van groote als een gemeene Mees / met een witte beck / die kleen en spits is / de vleugels / en staert / zijn t’eenemael groen; in het Manneken is de borst / buyck /  en ’t opperdeel van het hooft daer de beck is geelder / dan in de Wijfkens. Wordt gevoedt met Canary-zaet / Suycker / en Muur / dat haer beter doet singen. Zij singen luydt / en helder met een tsamen verknochte stem / hoog / en laag / en met verscheyden buyginge dien uptreckende. Die een lange staert hebben / en kleen van lijf / zijn de beste. In Hollandt hebbense in vluchten dien voorgeteelt / soo dat dien aert daer nu overvloedigh is / doch al te samen tam; en sommige  Aenfockers hebben daer goet gelt mede gewonnen. Men kanse eenige wijsen van Liederen leeren fluyten; de sulcke zijn wel verkocht voor sestigh / tachtigh / ja hondert guldens.‘4

Met de informatie dat de naam van de kanarie ontleend is aan de Canarische eilanden, omdat hij van deze archipel naar de Nederlanden wordt gebracht, sluiten Petrus Nylant en Jan van Hextor volledig aan bij wat door Olfert Dapper, in zijn in 1668 bij Jacob van Meurs in Amsterdam uitgegeven ‘Naukeurige Beschrijvinge der Afrikaense Eylanden: als Madagaskar, of Sant Laurens, Sant Thomee, d’eilanden van Kanarien, Kaep de Verd, enz.’, aan het papier is toevertrouwd. Na een opsomming van het dierenleven op de Canarische eilanden vervolgt Dapper met ‘veelerlei gevogelt, inzonderheit zekere kleine vogeltjes, hier te landen, na deze eilanden, Kanary-vogels genoemt, die zeer schel en aengenaem zingen, en van daer herwaerts overgebracht worden en telen deze ook hier te landen voort.’5 Nylant en van Hextor registreren eveneens dat kanaries van de Canarische eilanden worden geïmporteerd, maar ook dat in de Nederlanden met kanaries wordt gekweekt. Zij gaan daar zelfs nog uitvoeriger op in dan Olfert Dapper door de melden dat als gevolg van de kweek met kanaries in ‘vluchten’, zij in Holland ‘overvloedigh’ voorkomen en de kwekers met het fokken ‘goet gelt’ verdienen.
Ondanks het succes van de kanarieteelt in de Lage Landen werden er kennelijk nog altijd vogels aangevoerd vanaf de Canarische eilanden. Verder werden, zoals we in een vorige editie van ons clubblad konden lezen, ten tijde van de publicatie van ‘Het Schouw-toneel’ ook kanaries vanaf de Azoren geïmporteerd.6
Volgens P. Nylant en J. van Hextor werden in Holland de kanaries in ‘vluchten‘ gekweekt. Omtrent het woord ‘vluchten’ zou enige verwarring kunnen ontstaan. Het hoeft niet op voorhand te betekenen dat hiermee een (kleine) volière werd bedoeld, zoals in onze tijd gebruikelijk is. Soms werd met een ‘vlucht’ ook een grote kooi bedoeld, waarin gebroed werd. Voor wat we tegenwoordig met ‘kooi’ aanduiden gebruikte men in het verleden het woord, ‘kouw’ en soms ook ‘corf’, waarin meestal een vogel alleen werd gehouden.


Foto. Titelpagina van het derde deel over de vogels uit  ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen’ van P. Nylant en J. van Hextor. (Foto Jaap Plokker) 

Wijsjes zingende kanaries
Een wel heel opmerkelijk fragment betreft de wijsjes zingende kanaries. In het in 1675 in Londen uitgegeven, door Joseph Blagrave geschreven, ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ valt te lezen dat in het 17e eeuwse Engeland kanaries wijsjes werden aangeleerd door ze met de mond of met een fluitje een melodietje voor te fluiten.7 Op grond van het hier geciteerde fragment uit ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen’ mogen we aannemen dat dit gebruik ook medio de 17e eeuw in de Nederlanden bestond. Uiterst interessant is ook het door de auteurs genoemd bedrag waarvoor een vogel, die een dergelijk kunstje verstond, van eigenaar wisselde. De prijs varieerde tussen de 60 en 100 gulden en zal ongetwijfeld afhankelijk zijn geweest van de kwaliteit en het aantal melodietjes dat de kanarie ten gehore wist te brengen. Om enige indruk te geven welke waarde dergelijke kanaries toen vertegenwoordigde de volgende vergelijking: Ca. 1650 verdiende in de Republiek een in een stad woonachtige ongeschoolde arbeider ca. ƒ 240,00 per jaar, oftewel ƒ 20,00 per maand. De verkoopprijs van ƒ 60 – ƒ 100,00 voor een wijsjes zingende kanarie kwam ca. 1670 dus overeen met het loon waarvoor een ongeschoold arbeider 3-5 maanden moest werken.8
Elders in ‘Het Schouw-toneel’ ben ik over andere vogels ook interessante fragmenten tegengekomen. Over de koddenaer of kneu wordt het volgende geschreven: ‘Den koddenaer dewelcke oock kneutertje of Robijntje heet singht oock heel lieflijck men kan het eenige eygen wijsen leeren fluyten; en wordt in Hollant in veel huysen gevonden: met deze en diergelijcke vogelen stoffeert men de Vluchten.’ Ook in voornoemd boek van Joseph Blagrave wordt de kneu geroemd om z’n imitatietalent en het vermogen wijsjes te leren.9
De leeuwerik behoort voor Nylant en van Hextor tot hun favoriete zangers ‘Den Leeuwerick  soete aengename en doordringende sangh is (mijns oordeels) onder de singende Vogelen hier te lande de naeste aan de Nachtegael; ……  Gevangen sijnde wordense in groote kouwen met een groene soode in de open lucht gehangen alwaerse als dan oock singen ….. De jonge vette Leeuwericken worden gegeeten en zijn seer smakelijck.’10
Ook een lofzang op de nachtegaal mag in ‘Het Schouw-toneel’ niet ontbreken. ‘Den Nachtegael onder alle singende Worm-eeters spant de kroon … De gedaente is onnootsaeckelijck te beschrijven als al te wel bekent door diense over al gesien worden.’11 Omdat o.m. door Joseph Blagrave de leeuwerik en nachtegaal ook als kooivogel worden genoemd en er meerdere overeenkomsten te vinden zijn tussen wat in ‘Het Schouwtoneel’ en in de Engelstalige literatuur geschreven wordt lijkt het aannemelijk dat de vogelhouderij in de 17e eeuw, zowel betreffende de inheemse vogels als de kanaries, in de diverse West-Europese landen nauwelijks van elkaar verschilde. Op grond hiervan mogen we informatie over de 17e eeuwse vogelhouderij in niet-Nederlandstalige West-Europese bronnen ook beschouwen als een aanwijzing voor de situatie zoals die in de Republiek gebruikelijk was.

 
Foto. Afbeelding van diverse vogels met rechtsboven een kanarie in ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen’ van P. Nylant en J. van Hextor. (blz.229) (Foto Jaap Plokker) 

‘Bastaert Nachtegaelen'
In ‘Het Schouw-toneel’ vond ik, tenslotte, nog een raadselachtig fragment: ‘In Hollandt vindt men Vogeltjens die haer stem (die van de nachtegaal. J.P.) na bootsen maer is op verre na soo krachtig niet en worden Bastaert Nachtegaelen genaemt.’12  Nylant en van Hextor lieten mij achter met de intrigerende vraag welke vogels met deze ‘Bastaert Nachtegaelen’ werden bedoeld. In Joseph Blagraves ‘Epitome of the Art of Husbandry’ kunnen we lezen hoe met name de Duitstaligen zich bekwaamd hadden in het kanaries aanleren van de nachtegaalzang en deze zangers in Engeland heel populair waren.13 Zijn de door P. Nylant en J. van Hextor bedoelde ‘Bastaert Nachtegaelen’ soms dezelfde zoals nachtegalen zingende kanaries als waarover Blagrave schrijft? Aangenomen mag worden dat Tiroolse en Zuid-Duitse vogelhandelaren hun ambulante handel, waaronder de als nachtegalen zingende kanaries, ook geprobeerd hebben in de Republiek aan de man te brengen. Als Hollandse kanariefokkers het kunstje kenden om kanaries een wijsje te leren moeten zij ook in staat zijn geweest kanaries als nachtegalen te laten zingen. Dat de nachtegaal als kooivogel en dus ook als voorzanger in de Republiek ruimschoots voorhanden was kunnen we ook in ‘Het Schouw-toneel’ lezen. Nogmaals, Nylant en van Hextor zijn onvoldoende expliciet om aan hun uitspraak verregaande consequenties te verbinden, maar dat zij met de ‘Bastaert Nachtegalen’ als nachtegalen zingende kanaries hebben bedoeld is voor mij meer dan een loze veronderstelling. Mijn conclusie is derhalve dat medio de 17e eeuw zich niet alleen in Tirol en Engeland, maar ook in de Republiek zich kanaries bevonden wier zang op dat van de nachtgaal leek. Voor een goed begrip: naar mijn inschatting mogen we het lied van deze nachtegaalzangers niet vergelijken cq. verwarren met de zang van onze huidige waterslager, maar de wortels van de waterslager als nachtegaalzanger en dus van de waterslagersport  zou in de Noordelijke Nederlanden terug kunnen gaan tot  medio de 17e eeuw.

Slot
Het bezoek aan de Koninklijke Bibliotheek en het bestuderen van het door P. Nylant en J. van Hextor geschreven ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen’ was de busreis van heen en terug 60 minuten meer dan waard. Behalve een bevestiging van informatie die ook in andere bronnen te vinden is, zijn in voornoemd boek voor mij ook nieuwe feiten aan het licht gekomen. Na raadpleging van ‘Het Schouw-toneel’ kunnen we voor de kanarieteelt in de Republiek medio de 17e eeuw de volgende conclusies trekken:
- Er vond nog steeds import plaats van wildvang kanaries vanaf de Canarische eilanden.
- In Holland werden op uitgebreide schaal in ‘vluchten’ kanaries gekweekt.
- Voor de fokkers was het kweken van kanaries uitermate lucratief.
- In Holland werd gehandeld in kanaries die een melodietje konden zingen.
- Wijsjes zingende kanaries gingen over de toonbank voor en bedrag waarvoor een arbeider 3 – 5 maanden moest werken.
- Het is hoogst waarschijnlijk dat in de Republiek zich kanaries bevonden, waarvan het lied overeenkomsten vertoonde met dat van de nachtegaal.
- Hoewel we de 17e eeuwse nachtegaalzanger niet mogen vergelijken met de huidige nachtegaalzanger, de waterslager, gaan de wortels van de huidige waterslagerkweek in Nederland mogelijk terug tot in ieder geval medio de 17e eeuw.
 

Noten
1. Nylant, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen, afbeeldende allerhande Menschen, Beesten, Vogelen, Visschen, etc. Met een Beschrijvende haar gestalte / hoedanigheden / natuur / krachten / eigenschappen / en genegentheden met 160 Figuren. Amsterdam, 1672. Inventarisnr. KB:  KW 447 F 13.
2.  Ibidem, p. 294.
3.  Ibidem, p. 229. 
4.  Ibidem, p. 228. 
5.
Dapper, O., Naukeurige Beschrijvinge van de Afrikaanse Eylanden als Madagaskar of Sant Laurens, Sant Thomee, d’eilanden van Kanarien Kaep de Verd, Malta en andere. Amsterdam, 1668, p. 93. (Inventarisnummer KB: 185 B 11). Zie hiervoor ook: Plokker, J., Olfert Dapper. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2013-1, pp. 25-31.   
6. Plokker, J., Frans Vogelaer. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2013-2, pp. 16-27.   
7. Blagrave, Joseph, The Epitome of the Art of Husbandry, London 1675, 3rd ed., p. 125, 134-135. (Inventarisnummer Kon. Bibliotheek KW 1113 F4.) Zie hiervoor ook: Plokker, J., Blagrave, Willughby, Ray & Cox. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2013-2, pp. 28-68.   
8.  Zie hiervoor: www.cvandersman.nl
9. Nylant, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel, o.c., p. 231.
Blagrave, J., The Epitome of the Art of Husbandry, o.c., p. 125, 134-135.
10. Nylant, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel, o.c., p. 236.
11. Ibidem, p. 230.12. Ibidem, p. 230.
13. Blagrave, J., o.c., p. 107.  Zie hiervoor ook:
Plokker, J., Blagrave, Willughby, Ray & Cox, o.c. pp. 28-68.   

 Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2013, nr. 3, pp. 28-37.
 

-0-


TOP

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:
 

Kanariehandel in de 16e eeuw vanuit West-Europees perspectief  /

Canary trade in the 16th century from West-European point of view

door / by  Jaap Plokker

In editie 2013-1 van ons clubblad ben ik in het artikel ‘Dr Karl Russ en zijn navolgers, een kritische literatuurstudie’ met jullie terug gegaan in de tijd en hebben we in een historiografisch overzicht geïnventariseerd wat er tot dusver is geschreven over de introductie van de kanarieteelt in Europa. Uiteraard was de tot mijn beschikking staande literatuur niet compleet, maar ik meen een representatieve bloemlezing van de tot dusver populairste visies te hebben gegeven. Je vindt die trouwens ook veelal terug op Internet. De conclusie was niet erg hoopgevend: Over de eerste eeuwen van de Europese kanariekweek is veel (over)geschreven, maar we weten hoegenaamd niets met zekerheid. In deze aflevering voor de verandering een betoog dat ons wellicht op weg kan helpen naar meer inzicht over hoe de kanarie in Europa in het algemeen, en in onze contreien in het bijzonder, is beland.
Hopelijk inspireert dit artikel anderen zich ook in deze materie te gaan verdiepen, daar waar gewenst mijn visie te corrigeren, te nuanceren en aan te vullen, zodat we van het vroegste verleden van onze hobby een steeds duidelijker en historisch verantwoord beeld krijgen. 

Na een Engelstalige samenvatting volgt een integrale versie van het artikel zoals het in het clubblad verscheen.

Summary
The natural habitats of the canary (Serinus canaria) are on the Atlantic archipelago’s Madeira, Azores and Canary Islands.
In the 16th century the Canary Islands were, as one of the major sugar producers, fully integrated into the European market system. There was extensive trade to and from the archipelago with Spain, the Low Countries, Northern France and Northwest Italy.
On the islands trapped wild canaries were one of the products along these trade routes. They were transported to the most important European trade centres. The majority of the on the Canary Islands captured canaries found their way to the Low Countries and Northern France.
On the Azores canaries were also caught and transported to Europe. According to the 16th century Dutch traveller Jan Huyghen van Linschoten a part of the population of the Azores earned, partly, a living with fowling and bird trade.
Although the author of this article did not find contemporary sources yet, it is assumed that Madeira, which is located in the Atlantic between the Azores and the Canary Islands, was also a supplier of canaries for the European market in the 16th century.
In contemporary literature, as Konrad Gesner’s ‘Avium Natura’ (1555), a close connection has been suggested between the sugar and canary trade. Therefore  it is assumed that the export of canaries from the Canary Islands to Western Europe and Northwest Italy started to develop when the sugar trade between the Atlantic archipelagos and the European trade centres, including the Low Countries, had developed  substantial forms.
Up till now it is unclear when the first canaries appeared in the Low Countries.
It is assumed that it took place during the first decades of the 16th century, at the latest. Before the sugar trade with the Canary Islands in the Low Countries was developed, during the period 1510-1520, there were commercial contacts between Madeira and the Azores, in that time known as the 'Vlaemsche Eylanden, and Flanders. It is possible that the first canaries that were introduced in the Low Countries originated from Madeira and/or the Azores. In that case we have to date the introduction of the canary in our region several decades earlier. No contemporary sources has been found (yet) that supports this assumption.
The in the literature frequently postulated assumption, that the early 16th century canary trade exclusively was in the hands of Spaniards and the sold canaries were only male birds, bred in Spanish monasteries, should be characterized as unlikely.
If the Iberian Peninsula has played a role in the spread of canaries all over Europe in the 16th century, then it is plausible to assume that the Peninsula previously had been a transit function. On the Canary Islands, Madeira and the Azores caught canaries were partly transported to Spanish and Portuguese harbours and from there further to the trade centres in Western Europe and Northern Italy. Up till now the author of this article has not found any evidence for the export of in monasteries or home bred canaries from the Iberian Peninsula tot Western Europe during the time I speak of.
The presence of canaries in Western Europe and Northern Italy in the 16th century is likely to be the result of fowling on the Atlantic archipelagos and export of wild caught canaries direct, or via the Iberian Peninsula, to the important European harbours in Western Europe and North West Italy.
Thanks to the regular supply of on the Atlantic archipelagos caught canaries, the possession of a canary in the Low Countries in the mid 16th century was no longer an exclusive privilege of the very rich, but also possible for the middle class.
It remains unclear when a systematic breeding of canaries started in the Low Countries; possibly not earlier than in the first decades of the 17th century.
The role of the Atlantic archipelagos as supplier of canaries came to an end around 1700. The long-term, systematic, fowling had possibly reduced the natural populations in such a manner that a lucrative trade in wild-caught canaries was no longer possible. Moreover, during the 17th century the market of wild caught canaries was increasingly confronted by the competition of home bred canaries in West European countries, in particular in South Germany and Tyrol. These home bred canaries had a qualitatively higher reputation than the wild caught canaries.

Een vogel als huisgenoot
Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Brussel bezit een aandoenlijk portretje van een meisje met een dood vogeltje in haar handen. Een onbekende meester uit de Zuidelijke Nederlanden schilderde het 37 x 30 cm grote paneeltje in het eerste kwart van de 16e eeuw. Het schilderijtje van het voor zich uit starende meisje dat treurt om het verlies van haar maatje is één van de vele voorbeelden uit de schilderkunst die de genegenheid  tussen mens en vogel tot uitdrukking brengt. Op zich is een schilderij waarop een innige band tussen een eigenaresse en haar vogel wordt verbeeld dus niet bijzonder, maar wel uit de periode rond 1500.


Foto. Meisje met dode vogel. Zuidelijke Nederlanden begin 16e eeuw. Onbekende meester. (Collectie Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Brussel (bron: Internet)

Dit betekent niet dat er in de middeleeuwen geen genegenheid zou hebben bestaan tussen mens en dier. Diverse bronnen maken daar namelijk gewag van. De aaibaarheidsfactor van een hond was ook in de middeleeuwen groter dan die van een vogel. Zo ontving het klooster van Langley, in het Engelse Norfolk, een klacht tegen Lady Audley ‘die hier inwoont en een grote menigte honden heeft, zodat zij telkens wanneer zij naar de kerk komt gevolgd wordt door twaalf honden die veel lawaai maken in de kerk en daardoor de zusters bij het psalmzingen hinderen.’ Maar ook nonnen hielden er troeteldiertjes op na: In 1387 schreef bisschop William Wykeham aan de abdij van Romsey in het Engelse graafschap Hampshire: ‘aangezien wij ons door duidelijke bewijzen ervan overtuigd hebben dat sommigen zusters vogels, konijnen, honden en dergelijke frivole zaken mee naar de kerk brengen, en dat zij hieraan meer aandacht besteden dan aan de diensten in de kerk’.1
Over welke vogels bij de nonnen in de smaak vielen laat bisschop Wykeham ons in het ongewisse. Andere bronnen zijn daaromtrent nog explicieter. Zo offerde de abt van Westminster in 1368 een wassen beeld aan het altaar van Onze Lieve Vrouwe van Walsingham voor de genezing van zijn zieke valk, waarmee hij hoogstwaarschijnlijk de valkenjacht beoefende en die hem kennelijk heel na aan het hart lag.2
Behalve het aangaan van een emotionele band met een viervoeter of vogel was voor de elite het houden van exotische dieren ook een uiting waarmee zij hun status konden bevestigen. Sommige middeleeuwse koningen hielden er een heel dierenpark op na. Frederik II ( 1194-1250 ), keizer van het Heilige Roomse Rijk, verzamelde vogels en viervoeters uit alle windstreken waar hij heen ging. Zijn verzameling bestond o.m. uit kamelen, luipaarden apen, beren, leeuwen, een giraffe en exotische vogels. Ook van  Isabella van Beieren (ca. 1371-1435), getrouwd met koning  Karel VI van Frankrijk, is bekend dat zij een collectie dieren bezat waaronder een aap, een luipaard, een grote verzameling tortelduiven, koolmeesjes, distelvinken, vlasvinken en dies meer.3
Aanschaf en onderhoud van exotische viervoeters was uiteraard voorbehouden aan de zeer vermogende elite, het assortiment vogels dat Isabella van Beieren vertroetelde kwam deels veelvuldig in de vrije natuur voor en stond ook de minder draagkrachtigen ter beschikking, hetzij in een kooi, hetzij op het menu. Kijkend naar hoe een adellijke maaltijd werd opgediend en wat door de aanwezigen werd verorberd dan dienden vogels namelijk zowel tot voedsel als tot vermaak. Tijdens een diner van Philips de Schone (1478-1506) was een tafel gedekt als een grasveld met in het midden een zilveren toren, ingericht als volière waarin levende vogels met vergulde kop en poten rondfladderden.4  Het is niet ondenkbaar dat, terwijl de vogels in de volière zich met elkaar vermaakten, aan tafel soortgenoten door de etensgasten naar binnen werden gewerkt. Nagenoeg alle vogelsoorten moesten namelijk aan de eetlust van de middeleeuwer geloven. Middeleeuwse teksten en recepten vermelden een scala aan vogels die op het menu stonden: kapoenen, ganzen, zwanen, pauwen, kraanvogels, reigers, patrijzen, fazanten, kuikentjes, duiven, tortels, plevieren, wulpen, roerdompen, ooievaars, snippen, duikeenden, leeuweriken, spreeuwen, kwartels, houtduiven, zeemeeuwen, vinken, mussen, barmsijsjes, nachtegalen, mezen, merels, sijsjes, roodborstjes, spechten.5  Om wat dichter bij huis te blijven: uit 15e eeuwse rekeningen van het cisterciënzer vrouwenklooster Leeuwenhorst te Noordwijkerhout blijkt dat nonnen in de abdij zich ‘hoenre’ (= kippen),  ‘entvogels’ (= eenden), ‘smeenten’ en ‘talingen’, ganzen, snippen, (goud)plevieren, duiven, zwanen, reigers, scholvers, vinken en lijsters niet lieten versmaden. Een factuur uit 1481 vermeldt de aanschaf  ‘bi de viscoper’ van ‘cleijn vogelkijns’ en 16 spreeuwen.6 Hoewel de middeleeuwse bronnen betreffende het dagelijks leven van de gewone man wat minder rijk vertegenwoordigd zijn dan over de gewoontes en gebruiken van adel en geestelijkheid mogen we aannemen dat ook bij andere bevolkingsgroepen menig zangvogeltje uiteindelijk in de maag belandde.
Behalve als voedselbron diende het vogelleven in de middeleeuwen ook tot gezelschap en ontspanning. Naast het gebruik van roofvogels voor de valkenjacht en het verzamelen van exotische vogels door de elite zijn er talloze vermeldingen van vogelkooien met vinken, nachtegalen, leeuweriken, gaaien, eksters en zelfs met papegaaien, die door kruisvaarders waren meegenomen.7  Vogels werden niet louter en alleen vanwege hun jachtinstinct, kleurrijk verenkleed of de schoonheid van hun natuurlijke lied gehouden. Ook het manipuleren van vogelzang was in de Middeleeuwen een algemeen bekend vermaak. De 13e eeuwse Vlaamse dichter Jacob van Maerlant memoreert al het vermogen van de ekster om te leren spreken. Ook andere kraaiachtigen als kauw en zwarte kraai zijn in staat om voor de mens als woorden herkenbare klanken aan te leren. Zelfs de spreeuw schijnt over deze eigenschap te beschikken.8 Op grond van een, weliswaar uit de 17e eeuw daterende, Engelse publicatie veronderstellen we dat het een vogel aanleren van een melodietje ook een zeer oud gebruik is. We moeten dan, bijvoorbeeld, denken aan wijsjes fluitende goudvinken.9
Een vanuit de Middeleeuwen tot diep in de 19e eeuw bekend kinderspel was ‘vogeltje-aan-een-touwtje’. Kinderen liepen dan buiten met het vliegende speelmaatje, een mus of vink, dat met een touwtje werd vastgehouden. In Middeleeuwse handschriften zijn afbeeldingen van dit kindervermaak te vinden. Het Mauritshuis in Den Haag bezit een uit ca. 1520-1525 daterend triptiek van de uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstige schilder Jan Provoost (1465-1529). Afgebeeld zijn Johannes de Evangelist, Maria Magdalena en op het middelste paneel een Madonna met Jezus in haar armen.  Op Jezus’ linkerhand zit een koolmees met aan z’n poot een touwtje dat door de rechterhand wordt vastgehouden.10 Op van later datum daterende afbeeldingen zien we kinderen die met een vogel aan een lijntje lopen waarbij het touwtje bevestigd is aan een T-vormig stokje. De vogel kon zo getraind worden dat hij na het vliegen op het stokje tot rust kon komen. Dergelijke vogels werden ‘krukvogels’ of ‘krukkensijsjes’ genoemd en er bestond een levendige handel in.11

 
Foto. Jan Provoost (1465-1529), Triptiek met Madonna, Johannes de Evangelist en Maria Magdalena. (ca. 1520-1525) Op het middelste paneel Jezus in de armen van Maria met een koolmees aan een touwtje. (Collectie Mauritshuis, Den Haag, inventarisnr. 783.) (Bron: Internet)

We kunnen het ons dan ook levendig voorstellen dat het voor een kind een groot verlies was wanneer het gevleugelde speelmaatje, waarmee het uren buiten had gelopen, kwam te overlijden. Op grond van bovenstaande durven we dan ook te stellen dat het om het dode vogeltje treurende Zuid-Nederlandse meisje op het vroeg 16e eeuwse schilderijtje niet alleen vele lotgenootjes na haar, maar ook vele voorgangertjes heeft gehad. 
Afrondend mogen we concluderen dat allereerst vogels de mens tot voedsel dienden, maar in ieder geval vanaf de middeleeuwen in onze streken de vogel ook als huiskamergenoot, gezelschapsdier en speelmaatje geen onbekend fenomeen was. We veronderstellen dat aanvankelijk de in de huiselijke kring opgenomen vogels in de min of meer directe woonomgeving van de vogelhouder uit de vrije natuur werden gevangen. Toen de gelegenheid zich voordeed je van anderen te kunnen onderscheiden door het bezit van exclusieve exemplaren uit exotische oorden, bijvoorbeeld papegaaien, of vogels die veel mooier zongen dan de inheemse vinken, leeuweriken en nachtegalen, zoals een kanarie van de Canarische eilanden, konden sommige lieden deze verleiding niet weerstaan. Vraag en aanbod hadden elkaar gevonden en de geschiedenis van de kanarieteelt in onze streken was begonnen.    
Wanneer de eerste kanaries op het Europese vasteland zijn verschenen, waar ze vandaan kwamen en op welke manier ze bij de nieuwe eigenaar belandden zijn vragen waarop vooralsnog geen bevredigend antwoord is gevonden. Duidelijk is wel dat niet zozeer de uiterlijke schoonheid, maar vooral de zang en later ook het imitatievermogen van dit vogeltje tot de verbeelding sprak en de kanarie zo geliefd en gewenst maakte.12

 
Foto. Jezus in de armen van Maria met een vogel-aan-een-touwtje. Detail van het eerder afgebeelde triptiek van Jan Provoost.

Natuurlijk leefgebied van de Serinus canaria
De natuurlijke stamvader van onze gecultiveerde zangkanarie is de Serinus canaria, die in de vrije natuur voorkomt op Madeira, de Azoren en de Canarische eilanden. Uit onderzoek van het DNA profiel van gevangen genomen vogels kan geconcludeerd worden dat de op genoemde archipels levende kanaries sterk aan elkaar verwant zijn en relatief kort geleden de kanariepopulatie nog één gemeenschap vormde, die, naar men nu aanneemt, het eiland Madeira bevolkte. Vanaf Madeira zouden kanaries 600.000-725.000 jaar geleden zich het eerst hebben verspreid naar de Azoren en ca. 370.000 geleden op de Canarische eilanden zijn beland. Hoewel de onderzoekers soms verschillen in grootte en gewicht ontdekten tussen populaties op de verschillende eilanden van de archipels overheerst toch de opvatting dat de exemplaren van de Serinus canaria op Madeira, de Azoren en de Canarische eilanden, ondanks het grote verspreidingsgebied en de, als eilandbewoner, geïsoleerde leefomgeving, genetisch nauwelijks van elkaar verschillen.13 

 

Stand van zaken tot nu toe
De Nederlandse geschiedschrijving over de introductie van de kanarie en de kanarieteelt in Europa is in belangrijke mate beïnvloed door twee boeken die in de tweede helft van de 19e eeuw zijn verschenen. Ten eerste door het in het Nederlands vertaalde werk van de Fransman Jules Jannin, ‘De kunst om kanarievogels op te kweeken en te doen voortteelen’, maar bovenal door wat de Duitse ornitholoog Dr. Karl Russ (1833-1899) in zijn in 1872 verschenen standaardwerk ‘Der Kanarienvogel, seine Naturgeschichte, Pflege und Zucht’ over dit onderwerp heeft gepubliceerd. Meer dan 140 jaar na het verschijnen van de eerste druk van ‘Der Kanarienvogel’ vinden we Russ’ reconstructie van het verleden nog steeds grotendeels terug in heel veel kanarieliteratuur, op papier en digitaal. Met alleen al het vermelden van de naam van Jean de Bethencourt heeft Jules Jannin bij menig auteur de fantasie gestimuleerd deze Normandische edelman allerlei activiteiten toe te dichten die hebben geleid tot de verspreiding van de kanarie over Europa. Omdat nagenoeg alle publicisten hun tekst nauwelijks verantwoorden en zich niet baseren op contemporaine bronnen is volkomen onduidelijk welke elementen van het in de literatuur geschetste historische beeld feiten, fictie of veronderstellingen zijn. In onderstaande zal worden gepoogd hieromtrent meer duidelijkheid te verschaffen en zal ook blijken dat de tot dusver door de meeste auteurs geschetste historische werkelijkheid aan herziening toe is.14 
De geschiedenis van de introductie van de kanarie en de kanarieteelt in Europa, zoals die  door Jules Jannin, Karl Russ en de meeste publicisten na hen wordt geschetst, zou men als volgt kunnen samenvatten: De eerste West-Europeaan die met kanaries in aanraking kwam was de Normandische edelman Jean de Bethencourt, die in 1402 op één van de Canarische eilanden landde met als doel de hele archipel onder zijn gezag te plaatsen. Op zijn reizen naar het Europese vasteland nam hij voor o.m. de Franse en de Castilliaanse koning kanaries mee. Toen in 1479-1495 de Spanjaarden de zeggenschap over de Canarische eilanden verwierven en een aanvang maakten de archipel te veroveren en te koloniseren maakten ze niet alleen opbrengsten van de natuur van deze eilanden buit, maar brachten ook kanaries naar het moederland. De Spanjaarden, in het bijzonder Spaanse monniken, wisten de handel met kanaries nagenoeg een eeuw uitsluitend voor zichzelf te bewaren, omdat ze de mannetjes uitvoerden en de vrouwtjes achterhielden. In het midden van de 16e eeuw werd dit monopolie verbroken. Een op weg naar Livorno varend Spaans schip, dat, naast andere handelswaar, een aanzienlijk aantal kanaries aan boord had, leed bij de Italiaanse kust schipbreuk. De daardoor ontsnapte vogels vonden een veilig heenkomen op het eiland Elba, vermeerderden ze zich zo snel en talrijk dat Italianen in de vangst, fok en verkoop van deze vogels een nieuwe bestaansbron vonden en daarmee het Spaanse monopolie op de kanariehandel verbraken. Vanuit Noord Italië verspreidde de kanarieteelt zich naar Tirol en Zuid-Duitsland en vandaar brachten rondreizende vogelhandelaren ze naar alle uithoeken van Europa.

Causaal verband tussen kanariehandel en economische ontwikkeling van de Atlantische archipels
Bovenstaande door Jannin, Russ en hun navolgers geschetste beeld van de introductie en verspreiding van kanaries over Europa behoeft nuancering en correctie. Verondersteld wordt dat in eerste  instantie niet zozeer de handel in op het Iberisch schiereiland gefokte, maar die in wildvang kanaries heeft gezorgd voor de verspreiding van kanaries over Europa. Uiterlijk vanaf de eerste decennia van de 16e eeuw tot diep in de 17e eeuw werd de Europese markt voorzien van door de inheemse bevolking op de Azoren, Canarisch eilanden, en mogelijk ook Madeira, gevangen kanaries. De internationale handel in kanaries kwam pas goed tot ontwikkeling toen de Atlantische archipels Madeira, Azoren en Canarische eilanden opgenomen werden in het internationale netwerk van scheepvaartroutes waarlangs handelsproducten van de eilanden over heel Europa werden verspreid. Voor een goed begrip van de kanariehandel in de 16e eeuw is het daarom noodzakelijk kennis te nemen van de economische ontwikkelingen die de eilandengroepen in de 15e en 16e eeuw hebben doorgemaakt. Achtereenvolgens zullen de Canarische eilanden, de Azoren en Madeira de revue passeren en daarbij zullen we ons met name concentreren op de economische ontwikkelingen van de afzonderlijke archipels die van invloed zouden kunnen zijn geweest op de verspreiding van de kanarie over Europa.

Economische ontwikkelingen op de Canarische eilanden in de 15e en 16e eeuw
In 2000 publiceerde de Vlaamse historicus Kevin Coornaert zijn scriptie over de Vlaamse gemeenschap op de Canarische eilanden in de 16e eeuw. Zijn onderzoek, waarin hij o.m. 16e eeuwse documenten in archieven op de Canarische eilanden raadpleegde, geeft ons niet alleen inzicht in het functioneren van de markteconomie op de Canarische eilanden, maar vooral in de toenmalige, intensieve, handelsbetrekkingen tussen de Canarische eilanden en de Lage Landen, gedurende de periode dat ook de kanarie zich steeds meer over Europa begon te verspreiden.15

De 15e eeuw
Op 1 mei 1402 vertrok onder leiding van de Normandische edelman Jean de Bethencourt vanuit de Franse havenstad La Rochelle een expeditie met als doel de eilanden van de Canarische archipel onder zijn gezag te plaatsen en dit gebied, als leen van de Castilliaanse koning, voor eigen gewin te exploiteren. In 1418 droeg de neef van Jean de Bethencourt, Maciot de Bethencourt, het leenmanschap over de archipel over aan de graaf van Niebla en hiermee kwam een formeel einde aan de Normandische zeggenschap over de Canarische eilanden.16 
De periode die volgde was een onoverzichtelijke aaneenschakeling van gewelddadige conflicten met de oorspronkelijke bewoners, de Guanches, onderlinge strijd van de kolonisten en die van de Castilliaanse en Portugese koningen om de zeggenschap over de archipel. In het in 1479 afgesloten verdrag van Alcaçovas kwamen Portugal en Castillië overeen dat de Canarische eilanden als potentieel Castiliaans territorium zouden worden beschouwd. Voor de koning van Castillië betekende dit dat hij zich intensiever ging bemoeien met de daadwerkelijke verovering van de eilanden. In diverse ondernemingen werd de weerstand van de oorspronkelijke bevolking op de verschillende eilanden met geweld gebroken, de definitieve zeggenschap van de Spanjaarden gevestigd en de eilanden gekoloniseerd. Met de uitschakeling van het laatst verzet van de Guanches op Tenerife in 1495 werd de ‘conquista’ van de Canarische eilanden door de Spaanse kroon als afgerond beschouwd.

Een ‘multiculturele’ samenleving
Dat de Spanjaarden uiteindelijk de strijd om de archipel in hun voordeel konden beslechten was in niet geringe mate te danken aan het feit dat de Castilliaanse koning ook een beroep kon doen op niet-Castillianen die, aangelokt door het geldelijke gewin dat de exploitatie van grondgebied op de eilanden kon opleveren, hun diensten aan de Castilliaanse kroon aanboden. Het gevolg hiervan was dat toen eenmaal de Spanjaarden de definitieve zeggenschap over de archipel hadden verworven de bevolking op de eilanden  bestond uit een allegaartje aan nationaliteiten.
In 1479 had de gouverneur van Gran Canaria de hulp ingeroepen van Portugezen om op dit eiland de teelt van suikerriet tot ontwikkeling te brengen. De Portugezen hadden hiermee ervaring opgedaan op het eiland Madeira en hun kennis en kunde was van harte welkom. De teelt van suikerriet en de daarmee verbonden suikerproductie  en –handel zouden in de daaropvolgende decennia de belangrijkste economische peilers van de archipel worden.
Met name Italiaanse kolonisten zagen de suikerhandel als een branche met perspectief. Aanvankelijk hadden Italianen actief deelgenomen aan de verovering van de eilanden, niet in het minst door als financiers van de veroveraars op te treden. Met name machtige handelaars uit Genua zagen de financiële ondersteuning als een goede investering om later grondgebied op de eilanden te kunnen verwerven en met de suikerhandel de revenuen te kunnen incasseren. De rol van de Italianen in de suikerhandel vanaf de Canarische eilanden is vanaf het begin van de 16e eeuw groot geweest.
Ook Vlamingen raakten geïnteresseerd in de suikerhandel. De eersten vestigden zich in het begin van de 16e eeuw op de Canarische eilanden en in de decennia daaropvolgend ontstond, mede als gevolg van de intensieve handel tussen de archipel en Vlaanderen, aldaar een belangrijke Vlaamse gemeenschap, de Flamencos. 
   
 

Het internationale marktsysteem
In de loop van de 16e eeuw zouden de Canarische eilanden zich ontwikkelen tot een heel belangrijke suikerproducent voor de Europese markt. Dit was alleen mogelijk omdat de archipel, ondanks de redelijk geïsoleerde ligging t.o.v. Europa, onderdeel werd van de handelsroutes en het internationale marktsysteem. Het areaal aan onontgonnen land lokte ondernemers naar de eilanden. Omdat o.m. dankzij de revenuen van de suikerhandel er voldoende financiële armslag was om de op de eilanden benodigde producten van elders te importeren, werd het areaal aan landbouwgrond vnl. bestemd voor de verbouw van handelsgewassen en minder voor de eigen voedselvoorziening. Op deze wijze werden de Canarische eilanden onderdeel van een markteconomie, waarin elke regio zich specialiseerde in producten die de meeste winst opleverden. Het gevolg was dat in de loop van de 16e eeuw intensief handelsverkeer ontstond van de archipel naar Europa en vise versa.
De belangrijkste havens op de Canarische eilanden waren Las Isletas bij Las Palmas op Gran Canaria en Santa Cruz de la Palma op La Palma. Tussen 1556 en 1598 verlieten 383 schepen Las Isletas richting Europa. Het overgrote deel daarvan, 206 (56%) had als bestemming Cadiz in Spanje. Van de overige schepen vertrokken er 49 (13%) richting Vlaanderen, 48 (13%) richting Sevilla, 44 (11%) naar Frankrijk, 19 (5%) naar Portugal en 13 (3%) naar Italië.
Uit dit overzicht blijkt wel dat het Spaanse Cadiz fungeerde als hét distributiecentrum voor de handel van en naar de Canarische eilanden. Van de in Cadiz afgeleverde goederen werd heel veel heruitgevoerd, vooral naar Italië. De belangrijkste aanvoerhavens in Italië voor de van de Canarische eilanden afkomstige producten waren Genua en Livorno. De voor Frankrijk bestemde goederen werden veelal afgeleverd in de havensteden Rouen, Le Havre en Saint-Malo. Het scheepvaartverkeer tussen de Canarische eilanden en Vlaanderen verliep met name via Antwerpen.
 

De ‘maestre’
In het handelsverkeer over zee van en naar de Canarische eilanden speelde de ‘maestre’ van een koopvaardijschip een cruciale rol. De ‘maestre’ had, op last van de eigenaar, het gezag over het schip en de opvarenden. Meestal was de ‘maestre’ zelf eigenaar van het schip. De ‘maestre’ werd rechtstreeks benaderd door kooplui, die vracht te vervoeren hadden.  Was er nog laadruimte over dan kon de ‘maestre’ op eigen gelegenheid goederen opkopen in de hoop dit in de haven van aankomst met winst te verkopen. Naast gezagvoerder en eigenaar ontpopte deze ‘maestre’ zich dus ook vaak als koopman. De ‘maestres’ op de route van de Canarische eilanden naar Vlaanderen waren afkomstig uit Antwerpen, Vlissingen, Middelburg, Amsterdam, Enkhuizen, kortom de belangrijkste 16e eeuwse havensteden in de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden.
De Noord-Nederlanders waren o.m. actief in de graanhandel op de Oostzee. Veel geïmporteerd graan werd doorverkocht naar elders in Europa. Omdat het voor de Canarische kolonisten veel lucratiever was om hun akkerland te benutten voor suikerriet was er een tekort aan graan op de eilanden. In een deel van de graanbehoefte werd voorzien door import vanuit de Lage Landen. Het is dus niet ondenkbaar dat schepen op de heenreis naar de Canarische eilanden graan meenamen om op de retourtocht suiker of daarvan afgeleide producten naar Vlaanderen te vervoeren.

 

Suiker
Suiker en daarvan afgeleide producten staken in belangrijkheid namelijk met kop en schouders uit boven de overige exportgoederen die gedurende de 16e eeuw vanaf de Canarische eilanden hun weg vonden naar Europa. Tijdens de verovering van Gran Canaria (1479-1483) was op initiatief van gouverneur Pedro de Vera de suikerteelt op dit eiland geïntroduceerd door Portugezen, die op het eiland Madeira ervaring hadden opgedaan met de productie van dit luxe artikel. In de tweede helft van de 15e eeuw was Madeira de belangrijkste suikerproducent van Europa en de handelscontacten vanaf Madeira reikten tot in alle belangrijke handelscentra van West-Europa, waaronder Vlaanderen. Nadat de Portugezen op verzoek van de Spanjaarden de verbouw van suikerriet op de Canarische eilanden hadden opgezet, evolueerde binnen enkele decennia de suikerteelt zich dusdanig dat de suikerproductie de belangrijkste inkomstenbron van de Canarische eilanden werd.    
Het waren Italianen die als eersten de mogelijkheid onderzochten om in Vlaanderen, naast de aanvoer van suiker vanuit Madeira, een afzet markt voor Canarisch suiker te vinden. Het eerste, Italiaanse, schip met suiker vanaf de Canarische eilanden arriveerde in 1508 in de haven van Antwerpen. Ondanks dat de eerste scheepslading moeilijk aan de man gebracht kon worden zou Vlaanderen zich in de eerste helft van de 16e eeuw ontwikkelen tot een van de belangrijkste afnemers van Canarisch suiker. Ter illustratie: Van 1515 – 1555 werd, ruw geschat, 1.022.910 kilo suiker van Gran Canaria naar Europa geëxporteerd. Hiervan werd o.m. 478.994 kg (47%) vervoerd naar Cadiz, 235.762 kg (23%) naar Italië, 220.570 kg (22%) naar Vlaanderen en 73.600 kg (7%) naar Frankrijk. Gedurende de tweede helft van de 16e eeuw bleven de verhoudingen ongeveer gelijk, alleen de totale hoeveel werd twee keer zo groot. We moeten hierbij bedenken dat deze cijfers alleen de suikerexport vanaf Gran Canaria betreft, maar ook op andere eilanden werd suiker geproduceerd. Uiteraard werd niet alle naar Antwerpen verscheepte suiker in de Lage Landen geconsumeerd; veel werd doorgevoerd. Coornaert concludeert dat er weinig Vlaamse kooplui op de Canarische eilanden en handelaren in Vlaanderen niet bij de suikerhandel betrokken waren.
 

Druiven
In de 16e eeuw was de wijnproductie op de Canarische eilanden van beduidend minder importantie dan de suikerhandel. De commerciële druiventeelt werd ca. 1520 op de Canarische archipel geïntroduceerd en in de loop van de 16e eeuw breidde het areaal aan druivenstokken op de Canarische eilanden als maar verder uit. Op het eind van de 16e eeuw raakte de suikerproductie, mede door opkomende concurrentie vanuit Zuid- Amerika, in verval. Suikerriet werd vervangen door druivenstokken en in de 17e eeuw werd de wijnhandel de voornaamste bron van inkomsten van de Canarische eilanden.

 

Overige handelsproducten zoals kanaries   
Naast de commerciële teelt van suikerriet en druiven werden vanuit een ver verleden producten die de vrije natuur opleverde vanaf de Canarische eilanden naar elders geëxporteerd. Deze handel bleef bestaan, ook nadat de eilanden waren gekoloniseerd en men zich vooral concentreerde op de verbouw van handelsgewassen. Vanuit de oudheid waren de Canarische eilanden bekend als producenten van orchilla. Orchilla is een korstmos dat groeit op de rotsen langs de kustlijn. Via een bepaald procedé was uit dit plantje een purperen kleurstof te maken die geschikt was voor gebruik in de textielnijverheid. Van de op Gran Canaria verzamelde orchilla werd in de periode 1559-1598  52.228  kilo, oftewel 16% van de totale van dit eiland geëxporteerde hoeveelheid, naar Vlaanderen verscheept. Veel van de in Vlaanderen geïmporteerde orchilla werd gebruikt in de eigen textielnijverheid, die vanwege de hoge kosten van dit product in meerderheid gebruik bleef maken van op andere wijze geproduceerde kleurstoffen.
Naast orchilla werden ook andere natuurproducten van de Canarische eilanden naar Europa geëxporteerd. Kevin Coornaert noemt hierbij ook kanaries. Volgens Coornaert werd al in kanaries gehandeld voor de kolonisatie van de eilanden. Ook toen de Spanjaarden de archipel onder hun gezag hadden geplaatst bleef de kanarie-export bestaan,  omdat kanaries, als ‘curiositeit’, op het oude continent een gevraagd artikel waren. Op grond van 16e eeuwse vrachtbrieven blijkt dat de meeste kooitjes met kanaries zich bevonden aan boord van de schepen met bestemming Noord-Frankrijk en Vlaanderen.17


Foto. Het natuurlijke leefgebied van de Serinus canaria omvat Madeira, de Canarische eilanden en de Azoren. Deze foto van een kanarie in z’n natuurlijke leefomgeving is op  23 maart 2012 genomen op La Palma (Canarische eilanden) door Eric Verhagen.

Samenvatting
Gezien door de ogen van een kanariefokker kunnen we de geschiedenis van de Canarische eilanden gedurende de periode 1400-1600 als volgt samenvatten: Tot het eind van de 15e eeuw werd er heftig gestreden om de zeggenschap over de Canarische eilanden. Ondernemende individuen uit diverse landen, w.o. Spanje en Italië probeerden in deze periode zich op deze eilanden te vestigen en, kennelijk lucratieve, commerciële activiteiten te ontplooien. Verondersteld wordt dat zij aanvankelijk een inkomen verwierven met de slavenhandel en de export van producten die de vrije natuur opleverde, zoals in het bijzonder orchilla. Mogelijk werden ook uit de vrije natuur gevangen kanaries naar het Europese vasteland geëxporteerd; zekerheid hieromtrent hebben we niet, totdat contemporaine bronnen dit ondubbelzinnig aantonen. Pas na de verovering van de archipel door de Spanjaarden en de daarop volgende kolonisatie werden de Canarische eilanden opgenomen in de ‘wereldeconomie’ en vestigenden zich ook Vlamingen op de archipel. Vanaf het begin van de 16e eeuw was er intensief handelsverkeer vanaf de eilanden naar Spanje, Noordwest-Italië en West-Europa, i.h.b. Vlaanderen en Noord-Frankrijk. Via deze handelsroutes werd vooral suiker en in veel minder mate wijn vanaf de Canarische eilanden geëxporteerd en o.m. graan vanuit de Lage Landen geïmporteerd. Tijdens het vervoer van genoemde producten werden aan boord van de schepen ook andere producten van de Canarische eilanden naar Europa verscheept, waaronder kanaries. De meeste op de Canarische eilanden gevangen kanaries werden in de 16e eeuw geëxporteerd naar Vlaanderen en Noord-Frankrijk.

De Azoren
Behalve import van kanaries van de Canarische eilanden vonden op de Azoren gevangen kanaries eveneens hun weg naar Europa. Een aanwijzing hiervoor vinden we in het 16e eeuwse reisverslag van Jan Huyghen van Linschoten, die van 1579 tot en met 1592 een reis naar Portugees Oost-Indië maakte. Op de terugreis arriveerde hij in juli 1589 op de Azoren en verbleef daar tot januari 1592, waarna hij via Lissabon weer naar Holland terugvoer. In zijn boek kunnen we niet alleen veel lezen over de geografie van de Azoren, maar ook beschrijft hij uitgebreid gebeurtenissen op de eilanden, waarvan hij tijdens zijn verblijf getuige was. Uit Jan Huyghen’s verslag mag geconcludeerd worden dat de Azoren in de 16e eeuw een verre van geïsoleerde archipel op de Atlantische Oceaan was, maar daarentegen zich op een strategische positie bevond op de route tussen Amerika en Europa, met als gevolg dat de eilanden regelmatig door schepen werd aangedaan om vers water en victualiën in te slaan en op buit beluste vijandelijke oorlogsbodems de wateren onveilig maakten.18
Jan Huygen van Linschoten noemt de Azoren ook wel de ‘Vlaemsche Eylanden’. Hij verklaart dit uit het feit dat op het eiland Faial zich ‘Neerlanders’ gevestigd hebben, ‘waer van noch hedens daeghs een grooten afcomste en gheslacht ghebleven is, die alle in ’t wesen ende persoonen ende van haer Neerlanders ghelijkck zijn’. Hij verwijst hier naar de volgende gebeurtenis: Medio de 15e eeuw werden door de toenmalige Portugese koning o.m Vlaamse kooplieden benaderd met het verzoek de Azoren te koloniseren. Al dan niet onder de belofte van de spreekwoordelijke koe met gouden horens, zoals de aanwezigheid van zilver en tin op de eilanden, werden door hen landgenoten overgehaald zich op de Azoren te vestigen. Hoeveel Vlamingen in de loop van de 15e eeuw naar de Azoren zijn geëmigreerd is onbekend. Men schat het aantal op 1500-2000. Vanwege deze Vlaamse immigranten stonden de Azoren lange tijd op de zeekaarten aangeduid als de ‘Vlaemsche Eylanden’, of een daarop gelijkende schrijfwijze. Er bestond vanaf de tweede helft van de 15e eeuw dus een bijzondere band tussen de Azoren en Vlaanderen. Of deze relatie ook heeft geleid tot handel in kanaries is vooralsnog onbekend.19 
Ten tijde van Huyghen van Linschoten’s aanwezigheid bevond zich op de Azoren als gevolg van de Iberische eenwording een Spaanse bezettingsmacht met aan het hoofd een op Terceira residerende Spaanse gouverneur. In economisch opzicht waren de Azoren toen nauwelijks gekoloniseerd en werd er voornamelijk handel gedreven in producten die de natuur voorbracht.  Het eiland met de belangrijkste haven was Terceira.20
Uit Huyghen’s verslag krijgt men de indruk dat de handel tussen de Azoren en het Iberisch schiereiland het meest intensief was, maar hij ontmoette op Terceira ook Fransen, Schotten en Engelsen, die zich bezig hielden met de handel in het zogenaamde wedeblauw. Deze, door Jan Huygen ‘pastel’ genoemde, blauwe kleurstof, werd gebruikt in de textielnijverheid en in voornoemde landen en Vlaanderen bestond daarvoor een belangrijke afzetmarkt. Met name in de tweede helft van de 16e eeuw nam de export van wedeblauw vanaf de Azoren naar Engeland, Frankrijk en Vlaanderen spectaculair toe. De blauwe kleurstof werd gemaakt van wede (Isatis tinctoria), een plant uit de kruisbloemenfamilie, die op de Azoren volop groeide. Vlak voor de bloei werd de plant geoogst, in stukken gesneden en na een rottingsproces ontstond een kleiachtige substantie, verfdeeg, die als grondstof voor de vervaardiging van de blauwe kleurstof diende en verhandeld werd. Volgens Jan Huyghen was de vervaardiging van ‘pastel‘ ‘die principaelste neeringhe ende onderhout van alle dese eylanden’.21
Naast politieke, economische en militaire zaken beschreef Jan Huygen ook de flora en fauna van de archipel. De vogelwereld op de Azoren was volgens hem niet erg gevarieerd en bestond vooral uit ‘canarie vogeltgiens, die zijn daer by duysenden, waerom haer daer veel vogelaers onthouden, die daer hare daghelijcksen neeringhe af maken met die te vervoeren’.22
Op grond van Jan Huyghen’s reisverslag kunnen we in ieder geval voor de tweede helft van de 16e eeuw vaststellen dat de vangst van kanaries op de Azoren voor veel eilandbewoners een belangrijke inkomstenbron was. Aangenomen wordt dat de kanaries van de Azoren hun weg vonden naar het Iberisch schiereiland en wellicht vandaar (groten)deels werden doorverkocht. Het is tevens niet uitgesloten dat, gezien de toenmalige vraag in onze contreien naar uit het wild gevangen kanaries, met de handelsschepen die wedeblauw naar de centra van textielnijverheid vervoerden ook kanaries naar West-Europa, waaronder de Lage Landen, werden geëxporteerd.23
Meer duidelijkheid omtrent de kanarie-export vanaf de Azoren naar de Lage Landen hebben we voor de tweede helft van de 17e eeuw. Advertenties in de landelijk verschijnende ‘Oprechte Haerlemse courant’ tonen aan dat gedurende de periode 1669–1688 de Amsterdamse vogelhandelaar Frans Goossensz (de) Vogelaer hoogstpersoonlijk naar de ‘Vlaemse Eylanden’ ging om daar kanaries in te kopen, of via anderen van de Azoren afkomstige kanaries betrok, om die ‘by ’t stuck of dosijn, yder sijn gerijf’ in zijn winkel in de Gapersteeg te Amsterdam te verkopen.24

Madeira
Tussen de Canarische archipel en de Azoren ligt het eiland Madeira, het stameiland van de Serinus canaria, waarop de kanarie nog steeds een inheemse zangvogel is. Mij is op dit moment nog geen contemporaine bron onder ogen gekomen waaruit ondubbelzinnig blijkt dat er van Madeira kanaries werden geëxporteerd, maar afgaande op wat bekend is over de 16e en 17e eeuwse kanariehandel vanaf de Canarische eilanden en de Azoren is het welhaast ondenkbaar dat toen op Madeira géén kanaries werden gevangen en verhandeld.
Hiervoor zagen we dat op het Portugese Madeira al voor de kolonisatie van de Canarische eilanden suikerriet werd geteeld ten behoeve van de Europese markt. Voordat de suikerproductie op de Canarische eilanden op gang kwam was Madeira de belangrijkste suikerproducent van Europa. In de loop van de 16e eeuw nam de wijnhandel de positie van de suikerteelt als belangrijkste bron van welvaart over. Bovendien lag Madeira op de zeeroute van Lissabon naar en van de Portugese overzeese gebiedsdelen en was daarmee een strategisch gelegen locatie om vers water en victualiën in te slaan. Omdat, zoals later ook op de Canarische eilanden plaatsvond, de voor landbouw geschikte gronden steeds meer werden benut voor de handelsgewassen suikerriet en druiven en steeds minder voor de eigen voedselvoorziening was Madeira in de 16e eeuw van een graan exporterend een graan importerend eiland geworden. De omvangrijke import- en exporthandel en de daarbij betrokken kooplieden uit diverse landen, waaronder Vlaanderen, gaven aan de havenstad Funchal een kosmopolitisch karakter. Ruim voordat de schepen met Canarisch suiker hun lading in Antwerpen losten werden scheepsladingen van Madeira afkomstig suiker in Vlaanderen aangevoerd. In 1498, bijvoorbeeld, had een derde van de totaal van Madeira geëxporteerde hoeveelheid suiker Vlaanderen als eindbestemming.25
Onbekend is of toen ook al kanaries vanuit Madeira hun weg naar de Lage Landen vonden. Dat er in de tweede helft van de 15e en in de 16e eeuw intensieve handelscontacten waren tussen Madeira en Vlaanderen is evident. Een illustratie hiervan lezen we in het pamflet van Zeghere van Male waarin hij schrijft over de medio de 16e eeuw in Brugge woonachtige Portugese kooplieden en de aanvoer van Madeirese  wijn in Brugge. Het is speculeren, maar zeker niet uitgesloten, dat de eerste in Vlaanderen aangevoerde kanaries niet van de Spaanse Canarische eilanden, maar van het Portugese Madeira afkomstig waren.26
Samenvattend, de vanaf Madeira geëxporteerde producten vonden vanaf de tweede helft van de 15e eeuw hun weg naar de belangrijkste Europese handelscentra, waaronder Vlaanderen. Gezien de vraag naar kanaries op het Europese vasteland mag verondersteld worden dat zich op den duur hiertussen ook kanaries bevonden.

 

De Atlantische archipels en de kanariehandel gezien door tijdgenoten
Wanneer de eerste kanaries op het Europese vasteland zijn verschenen, waar ze vandaan kwamen en op welke manier ze bij de nieuwe eigenaar belandden zijn vragen waarop vooralsnog geen bevredigend antwoord is gevonden. Vanaf de tweede helft van de 15e eeuw werden de Atlantische archipels, Madeira, de Canarische eilanden en de Azoren, opgenomen in de Europese markteconomie en onderdeel van een netwerk van scheepvaartroutes waarlangs goederen van producent naar afzetmarkt werden verscheept. Tot die handelswaar behoorden ook kanaries. De mij oudst bekende vermelding in de contemporaine literatuur van de aanwezigheid van kanaries in West-Europa, is in een publicatie van de Engelsman William Turner (1508? – 1568). Deze wetenschapper, die vanwege zijn protestantse opvattingen regelmatig in ballingschap op het Europese vasteland verbleef, maakte van deze situatie gebruik om allerlei contacten aan te gaan met beroemde vakgenoten. Zo was hij o.m. bevriend met de Zwitserse natuurkundige Konrad Gesner. Turners belangstelling concentreerde zich aanvankelijk op de flora, maar later ook op de fauna, de vogelwereld in het bijzonder. In 1544 verscheen in Keulen z’n boek ‘Avium praeciparum’, waarin hij een overzicht gaf van de tot dan toe bekende vogelsoorten op basis van door hem in de geschriften van de klassieke schrijvers Aristoteles en Plinius gevonden informatie, aangevuld met zijn eigen waarnemingen. In de beschrijving van de sijs vermeldt Turner o.m.: ‘Zoals dit vogeltje zijn er die men in Engeland kanarievogels noemt.’ Dit tekstfragment en het jaar van publicatie, nl. 1544, bewijzen dat in de eerste helft van de 16e eeuw zich kanaries in Engeland bevonden. Deze kanaries kunnen rechtstreeks vanaf, hoogstwaarschijnlijk, de Canarische eilanden in Engeland zijn aangevoerd, maar het is ook mogelijk dat, gezien de intensieve handelscontacten tussen de Canarische eilanden en de Lage Landen, de vogels via Vlaanderen in Engeland zijn beland. Op grond van de door Turner versterkte informatie concluderen we dat uiterlijk vanaf de eerste decennia van de 16e eeuw stelselmatig kanaries in West-Europa werden geïmporteerd.27
In het door Konrad Gesner in 1555 gepubliceerde derde deel van de Historiae Animalium, de Avium Natura, wordt eveneens een tipje van de sluier over de 16e eeuwse kanariehandel opgelicht. Aan z’n beschrijving van de citroenkanarie voegt Gesner toe dat diens lied, naar hij heeft gehoord, veel lijkt op de zang van de kanarie, die van de Canarische eilanden naar Europa wordt gebracht. Gesner vermeldt dat de Canarische eilanden veel suiker produceren en daarom de kanarie ook wel ‘suikervogel’ wordt genoemd. Dat de kanarie overal zo duur is komt niet alleen vanwege zijn mooie zang, maar ook omdat hij van ver en met grote zorg en toewijding moet worden vervoerd. Volgens Gesner kunnen vanwege de hoge prijs alleen edelen en hooggeplaatste personen zich een kanarie veroorloven.28
Het feit dat de kanarie medio de 16e eeuw in Europa ook wel  ‘suikervogeltje’ werd genoemd suggereert een causaal verband tussen de suiker- en kanariehandel. Met andere woorden: waar suiker werd verhandeld was een grote kans dat daar ook kanaries van eigenaar wisselden. Oftewel, de export van kanaries naar West-Europa en mogelijk ook Noordwest-Italië zou weinig hebben voorgesteld wanneer er vanwege de suikerhandel geen intensieve handelscontacten waren geweest tussen de Lage Landen en Noordwest-Italië enerzijds en Madeira en de Canarische eilanden anderzijds.
De door Kevin Coornaert onderzochte vrachtbrieven tonen aan dat in de 16e eeuw Vlaanderen en Noord Frankrijk belangrijke afzetgebieden waren voor op de Canarische eilanden gevangen kanaries. Behalve in Gesner’s ‘Avium Natura’ worden ook in publicaties van later datum met name de Canarische eilanden genoemd als herkomstgebied van de in West-Europa aanwezige kanaries. Olfert Dapper, Petrus Nylandt en Joseph Blagrave, bijvoorbeeld, geven aan dat aanvankelijk kanaries vanaf de Canarische eilanden naar respectievelijk de Nederlanden en Engeland werden verscheept. Het Rijksmuseum in Amsterdam is in bezit van een door Pieter Holsteyn (I) (ca.1580-1662) vervaardigde tekening, een gouache, van een van de Canarische eilanden afkomstige kanarie, die mogelijk circa 1620 in Den Haag in een volière van prins Maurits heeft rondgevlogen. Uit het zinsverband van Olfert Dappers’ beschrijving van de fauna op de Canarische eilanden valt op te maken dat ten tijde van de publicatie van z’n boek, in 1668, er nog steeds import van kanaries van de Canarische eilanden plaatsvond. 29
Op grond van het reisverslag van Jan Huygen van Linschoten mogen we aannemen dat op het eind van de 16e eeuw een deel van de bevolking van de Azoren zich (deels) in het levensonderhoud voorzag met het vangen en verkopen van kanaries ten behoeve van de Europese markt. Voor de tweede helft van de 17e eeuw kunnen we met zekerheid de Republiek noemen als afzetgebied van op de Azoren gevangen kanaries. Uit diens advertenties in de ‘Oprechte Haerlemse courant’ weten we dat de Amsterdamse vogelhandelaar en vogelkooibouwer Frans Goossensz (de) Vogelaer hoogstpersoonlijk naar de Azoren ging om daar kanaries te kopen met het doel ze te Amsterdam in z’n winkel te verkopen. 30
Voorzagen aanvankelijk de Atlantische archipels de Europese markt van wildvang kanaries, vanaf de 17e eeuw nam het aantal in Europa gefokte kanaries substantieel toe. Aan het in 1672 uitgegeven, door P. Nylandt en J. van Hextor geschreven, ‘Het Schouwtoneel der Aertsche Schepselen’ ontlenen we de informatie dat in de Republiek kanaries in ‘vluchten’ werden gefokt en wel met zo’n succes dat ze aldaar ‘overvloedigh’ voorkwamen. Met de verkoop van de kanaries viel er door de fokkers ‘goet gelt’ te verdienen. De Engelsman Joseph Blagrave noemt Italië en met name Duitsland als de belangrijkste gebieden waar kanaries ten behoeve van de internationale handel werden gekweekt. We veronderstellen dat Blagrave met ‘Duitsland’ in het bijzonder Tirol en Zuid-Duitsland bedoelde. De bron waaraan hij z’n informatie ontleende had hem verteld dat toen de Duitsers eenmaal kanaries hadden die aan de jaargetijden en het klimaat waren gewend en in gevangenschap tot voortplanting overgingen zij met de kweek zo succesvol waren dat ze Polen, Duitsland, Frankrijk en later ook Engeland van door hen gefokte kanaries konden voorzien. Medio de 17e eeuw hadden de Duitse en Tiroolse vogelhandelaren een dusdanige positie in de Engelse kanariehandel verworven dat de naam ‘Canary-birds’ stilaan werd vervangen door ‘German-birds’. Het succes van de Duitse kanariehandel op Engeland werd mede veroorzaakt door de hoge waardering van de consument voor deze vogels. Met name de kleur- en zangkwaliteiten van de Duitse  kanaries was hiervoor van doorslaggevend belang. Ondanks het stijgend aanbod van in de afzonderlijke West-Europese landen gekweekte vogels en de opkomst van de internationale ambulante handel in Zuid-Duitse en Tiroolse kanaries bleef gedurende de 17e eeuw de kanarie-export van de Atlantische archipels naar Europa bestaan. De laatste mij bekende advertentie in de ‘Oprechte Haerlemse courant’, waarin Frans Vogelaer de door hem van de Azoren betrokken kanaries te koop aanbood, dateert van september1688.31 
Wanneer J.C. Hervieux de handel in kanaries in Parijs aan het begin van de 18e eeuw beschrijft noemt hij de Canarische eilanden uitsluitend als gebied waar de kanarie oorspronkelijk vandaan komt. Behalve de aanschaf van in Frankrijk gefokte vogels betrok de Parijzenaar toen vooral kanaries van ‘eenige Zwitsers, (die) tweemaal ’s jaars van Inspruk, de Hoofdstad van ’t Graafschap Tirol, te weten in de Lente en Herfst, gebragt worden. Van import van wildvangvogels was toen kennelijk geen sprake meer.  32
Op grond van bovenstaande trekken we de conclusie dat in de loop van de 17e eeuw de handel in van de Canarische eilanden, Madeira en de Azoren afkomstige wildvang kanaries van lieverlee plaats maakte voor die in Europa gekweekte vogels. Zuid Duitsland en Tirol werden steeds belangrijker als kanaries exporterende gebieden. Ook moet er rekening mee gehouden worden dat als gevolg van het langdurig stelselmatig vangen van kanaries de natuurlijke populaties op de Atlantische archipels zodanig waren gekrompen dat van een voor de inheemse bevolking lucratieve vogelvangst nauwelijks meer sprake was. Ca. 1700 was de rol van kanarieleveranciers voor de West-Europese markt, die de Atlantische archipels vanaf de eerste decennia van de 16e eeuw hadden vervuld, definitief uitgespeeld.

 

Kanaries in Hollandse huizen
Medio de 17e eeuw gepubliceerde boeken van Olfert Dapper en Petrus Nylant verschaffen ons uiterst summiere informatie over de kanarieteelt in de Lage Landen in de 16e en 17e eeuw.  Uit hun publicaties valt niet alleen op te maken dat kanaries van de Canarische eilanden werden geïmporteerd, maar ook dat er toen in de Republiek in ‘vluchten’ kanaries werden gekweekt, waardoor ze in Holland ‘overvloedigh’ voorkwamen, en deze bezigheid voor de kwekers uitermate lucratief was, want ‘sommige Aenfockers hebben daer goet gelt mede gewonnen’.33  
Zijn de contemporaine bronnen uit de 17e eeuw niet erg scheutig met het verstrekken van informatie, over het houden en fokken van kanaries in de Lage Landen in de 16e eeuw is nog minder bekend. De door Dr. H.A. Enno van Gelder getranscribeerde en gepubliceerde 16e eeuwse inboedelinventarissen geven ons een indicatie van het kooivogelbezit in de Lage Landen in de tweede helft van de 16e eeuw. In de inventarissen van het roerend en onroerend bezit van 16e eeuwse inwoners van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden werden voor de periode 1551-1600 in 14 van de 111 in het Nederlands opgestelde gedetailleerde tot redelijk gedetailleerde inboedelbeschrijvingen objecten aangetroffen die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een vogelkooi. Van 3 van de 14 geregistreerde objecten werd expliciet vermeld dat het een kanariekooi of een kanarie in een kooi betrof.
Op grond van deze inventarisatie hebben we de indicatie dat in de tweede helft van de 16e eeuw in ca. 13 % van de huizen in de Nederlanden zich een vogelkooi bevond en in nog geen 3% van de huizen een kanarie.34
De drie concrete verwijzingen naar het bezit van een kanarie in de door Dr. H.A. Enno van Gelder geselecteerde inventarissen betreffen:
- Henrick Thomasz Laers, graanhandelaar, te Amsterdam Bij de inventarisatie van diens roerend en onroerend bezit, in 1567-1569, was ‘Int voorhuys’ o.a. ‘een voghelcouwe mit een canarie-voeghel’ aanwezig. 
- Cornelis van der Nijenborch, droogscheerder, te Alkmaar. Diens in 1568 opgestelde inboedelinventaris vermeldt ‘in de koecken’ een ‘curff mit canary’ en ‘in de winckel ofte voorhuys’ ‘een voegelcorff sonder voegel’.
- Mary Gijsbertsdr, weduwe van Gerrit Diricx, wijnverlater, te Amsterdam. In de uit 1578 daterende opgave van haar ‘huisraad en kapitaalbezit’ werd o.a. opgenomen ‘een vermaelt (= beschilderd) canaryvogelkouwetgen’, dat ‘in ’t voorhuys, in de spijscamer’ werd aangetroffen.35
De akte van het bezit van Hendrik Thomasz Laers dateert van 25 augustus 1567. Dit is de mij oudst bekende vermelding van een met naam en toenaam genoemde eigenaar van een kanarie in de Noordelijke Nederlanden. De reden van de inventarisatie van Laers’ inboedel was de verbeurdverklaring van zijn bezittingen vanwege z’n calvinistische opvattingen en activiteiten tegen de Spaanse overheid. Zijn protestantse geloofsovertuiging noopte Hendrik Laers, waarschijnlijk in het voorjaar van 1567, Amsterdam te ontvluchten. Gedurende de eerste jaren van de Opstand tegen de Spanjaarden was hij als watergeus actief in de functie van bevelvoerder op één van de schepen. Het schip waarover Hendrik Laers het commando voerde was ook betrokken bij de inname van Den Briel op 1 april 1572.
De te Alkmaar woonachtige Cornelis van der Nijenborch was van beroep droogscheerder. Hij beoefende z’n vak op de zolder van zijn huis waar hij met een schaar de pluisjes van het laken verwijderde waardoor de lap een glad oppervlak kreeg. Daarnaast runde Cornelis in zijn huis een winkel waarin hij allerlei textiel verkocht. In een van de winkel afgescheiden gedeelte, ‘een besloten cantoer’, bevond zich, naast enkele schilderijen en stoelen, ook een vogelkooi zonder vogel. Verder was er op de begane grond een keuken waarin, naast meubels en keukeninventaris, ook een kooi met een kanarie aanwezig was. Het huis had een verdieping en daarboven de ‘sceerzolder’ waarop Cornelis het ambacht van droogscheerder uitoefende. Hoewel Cornelis van de Nijenborch over een huis met diverse verdiepingen beschikte straalde het inventaris weinig rijkdom uit. Uit het totale overzicht van Cornelis’ roerende have krijgt men de indruk dat hij mogelijk tot de middenstand, maar zeker niet tot de welgestelden gerekend moet worden.
Na het overlijden van Mary Gijsbertsdr, weduwe van Gerrit Diricx, wijnverlater te Amsterdam werd op 11 april 1578 ten behoeve van de verdeling van de erfenis de waarde van haar nagelaten huisraad, waaronder ‘een vermaelt canaryvogelkouwetgen’ en haar kapitaalbezit opgemaakt. Mary liet een aanzienlijk vermogen na aan haar kinderen.36
Kijken we naar de sociaal maatschappelijke achtergrond van de ons bekende 16e eeuwse eigenaren van de huizen waarin zich een kanariekooi bevond dan betrof het een graanhandelaar uit Amsterdam, een droogscheerder uit Alkmaar en de weduwe van een wijnverlater uit Amsterdam. Het bezit van een kanarie veronderstelde medio de 16e eeuw wel een zekere welstand, maar men behoefde toen niet tot de zeer vermogenden te behoren om zich de aanschaf van een kanarie te kunnen veroorloven. Kennelijk was het aanbod aan kanaries, verondersteld wordt dat het hoofdzakelijk importvogels van de Canarische eilanden, wellicht de Azoren en mogelijk ook Madeira betrof, zo groot dat medio de 16e eeuw de aanschafprijs inmiddels tot een niveau was gedaald dat personen uit de middenstand over voldoende financiële middelen beschikten om een kanarie te kunnen aanschaffen. Voor de bewering, zoals die van de Zwitsere natuurkundige Konrad Gesner in zijn in 1555 uitgegeven boek ‘Avium Natura’, dat het bezit van een kanarie uitsluitend voor de zeer vermogenden, de adel en hooggeplaatste personen, was weggelegd is in de door mij onderzochte akten slechts gedeeltelijk een bevestiging gevonden. Het is mogelijk dat vanwege het feit dat kanaries in Hollandse havens van overzee werden aangevoerd de kopers in de Lage Landen tegen een aantrekkelijker prijs vogels konden aanschaffen dan de verder van de aanvoerhavens woonachtige cliëntèle.37
Medio de 16e eeuw bevonden zich dus kanaries in Noord-Nederlandse huiskamers. Het bezit van een kanarie beperkte zich tot een kleine groep, die over een zeker eigen vermogen beschikte, maar was op dat moment in ieder geval geen exclusief voorrecht (meer) van de zeer rijken. Het beeld dat soms wordt gesuggereerd dat het bezit van een kanarie in de 16e en 17e eeuw binnen het financiële bereik lag van de gewone man strookt niet met bovenstaand beeld. Nog in het begin van de 18e eeuw moest voor een gewone groene kanarie een bedrag betaald worden waarvoor een bouwvakker drie dagen moest werken.38
We weten dat uiterlijk vanaf de eerste decennia van de 16e eeuw kanaries rechtstreeks van de Canarische eilanden en mogelijk ook van de Azoren en Madeira naar de Lage Landen werden verscheept, verhandeld en in de huiskamers en keukens een plekje kregen. Helaas is tot op heden nog niet bekend vanaf welk moment in de Lage Landen met de geïmporteerde vogels werd gekweekt. Over het kweken van vogels in het algemeen en dat van kanaries in het bijzonder werd in de door Enno van Gelder geselecteerde inboedelinventarissen geen spoor gevonden. De vraag is daarom gerechtvaardigd of medio de 16e eeuw in de Nederlanden überhaupt al kanaries gefokt werden. Mochten er toen kanariekwekers actief zijn geweest dan moet deze activiteit, mijn inziens, beschouwd worden, als een hoogst incidentele vrijetijdsbesteding, voor, hoogstwaarschijnlijk, uitsluitend vermogende Nederlanders.
Van de 16e eeuwse handel in gefokte kanaries moeten we, mijn inziens, ons niet al te veel voorstellen. Pas in de loop van de 17e eeuw ontstond een, voornamelijk door Tirolers en Zuid Duitsers gedomineerde, internationale ambulante handel in gefokte kanaries. De oudste berichten die duiden op een stelselmatige kanarieteelt in de Republiek dateren, zoals we zagen, uit medio de 17e eeuw. Ondanks het gedurende de 17e eeuw groeiende aanbod van in de afzonderlijke landen gekweekte vogels en dat van Europa doorkruisende Tiroolse en Duitse marskramers kon het aanbod van gefokte kanaries niet volledig in de vraag voorzien, met als gevolg dat tot het eind van de 17e eeuw ook de import van wildvangvogels vanaf de Atlantische archipels in de Republiek bleef bestaan.

 

Conclusies
Op grond van bovenstaande historische schets kunnen de volgende conclusies getrokken worden:

De 14e en 15e eeuw: onduidelijkheid troef
De 14e en 15e eeuw blijven omtrent het zoeken naar aanknopingspunten voor een historisch verantwoorde reconstructie van de toenmalige kanariehandel en –teelt vissen in uiterst troebel water. De rol die sommigen de Normandische edelman Jean de Bethencourt hebben toegedicht bij de introductie en verspreiding van kanaries over Europa wordt tot dusver niet door contemporaine bronnen geverifieerd en lijkt daarom eerder ontsproten aan de fantasie van latere auteurs dan een historisch feit.39
Coornaert concentreerde zich vooral op de 16e eeuw en zijn opmerking, dat in de periode vóór de kolonisatie van de Canarische eilanden kanaries werden geëxporteerd, wordt niet met een bronvermelding ondersteund. Het is dus wachten op de ontdekking van eigentijdse bronnen en historisch verantwoord onderzoek om iets met zekerheid te weten te komen over de kanariehandel en –teelt in de 14e en 15e eeuw. Omdat voor de juiste interpretatie van de bronnen uit deze periode men hoogstwaarschijnlijk de Spaanse en Portugese taal machtig moet zijn ligt het voor de hand te veronderstellen dat de sleutel voor de oplossing van het hier geschetste probleem in eerste instantie bij de in de geschiedenis van de kanarieteelt geïnteresseerde bewoners van de Atlantische archipels en het Iberisch schiereiland ligt. Tot zolang dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden is iedere opmerking betreffende de 14e en 15e eeuwse kanariehandel speculatief.

West-Europa is vanaf eerste decennia van de 16e eeuw de belangrijkste afzetmarkt voor  kanaries van de Canarische eilanden.
Na de kolonisatie op het eind van de 15e eeuw ontwikkelde zich op de Canarische eilanden een marktgerichte economie die alleen kon ontstaan en tot bloei kon komen dankzij een intensief handelsverkeer tussen de archipel en Europa. Via de routes naar de belangrijkste handelscentra in Spanje, West-Europa en Noordwest-Italië werden niet alleen suiker en wijn maar ook kanaries vervoerd. Omdat kanaries over het algemeen werden getransporteerd met schepen die vnl. suiker vervoerden werden in de 16e eeuw kanaries ook wel suikervogels genoemd. De Lage Landen en Noord-Frankrijk waren in de 16e eeuw de belangrijkste afnemers van kanaries, in ieder geval vanaf het eiland Gran Canaria. De handel tussen de Canarische eilanden en Vlaanderen ontstond in het eerste decennium van de 16e eeuw, maar ontwikkelde zich heel snel. Schepen met als thuishaven Antwerpen, maar ook Vlissingen, Middelburg, Amsterdam en Enkhuizen, voeren o.m. met graan naar de Canarische eilanden en namen op de terugreis niet alleen suiker en wijn maar ook kanaries mee. De komst van de eerste, van de Canarische eilanden afkomstige, kanaries  in West-Europa mogen we daarom dateren uiterlijk in de eerste decennia van de 16e eeuw.
In historische schetsen over de introductie en verspreiding van kanaries over Europa valt regelmatig te lezen dat kanaries pas in onze streken verschenen nadat Tiroolse en Zuid-Duitse vogelhandelaren naar de Lage Landen kwamen om de door hen gefokte exemplaren hier te verkopen. Op grond van bovenstaande kunnen we deze visie als historisch onjuist kwalificeren.

De Atlantische archipels zijn in de 16e eeuw de belangrijkste kanarieproducenten
In tegenspraak met wat contemporaine bronnen aangeven wordt de betekenis van de Atlantische archipels als kanarieproducerende gebieden in de meer recente literatuur over de 15e en 16e eeuwse kanariehandel onderbelicht. Uit de historiografie van de kanariehandel en –teelt komt een beeld naar voren waarin, zeker tot en met medio de 16e eeuw, deze zich concentreerden in Spanje, in het bijzonder in Spaanse kloosters, waar monniken over het monopolie op de kanariefok  en –handel beschikten. Er moet ernstig rekening mee gehouden worden dat dit beeld een vertekening van de werkelijkheid is, omdat in de mij bekende bronnen voor een commerciële kanariekweek op het Iberisch schiereiland in de 16e eeuw, in het bijzonder in Spaanse kloosters, geen enkele aanwijzing is gevonden. Alle door mij geraadpleegde bronnen zwijgen over een export van in Spanje gefokte kanaries naar onze streken, maar wijzen wel in de richting van de Canarische eilanden, de Azoren, en hoogstwaarschijnlijk moeten we ook Madeira daartoe scharen, als de belangrijkste leveranciers van kanaries voor de West-Europese markt in de 16e eeuw.
Als voornaamste afzetgebieden voor de vanaf de Atlantische archipels afkomstige kanaries gelden Noordwest Italië en met name de Lage Landen en Noord-Frankrijk. Bovenstaande impliceert niet dat de vanaf de Atlantisch archipels in Spaanse en Portugese havens aangevoerde kanaries niet op de lokale Iberische markt werden afgezet, maar het houden en fokken van kanaries op het Iberisch schiereiland vond niet in die mate plaats dat er sprake was van een commerciële productie voor de West Europese markt. De indruk bestaat dat, als Spanje en Portugal in de verspreiding van de kanarie over Europa een rol hebben gespeeld, ze voornamelijk een transitofunctie hebben vervuld. In de havens op het Iberisch schiereiland werden de van de Atlantisch archipels afkomstige kanaries aangevoerd en doorverkocht naar de regio’s waarmee vanwege o.m. de suikerhandel intensieve commerciële contacten bestonden en waarvoor de kanarie een afzetmarkt bestond, t.w. West Europa en Noordwest Italië.

 

Een schipbreuk bij Elba en wat we ervan kunnen leren
Overleveringen zijn in de loop der jaren vaak aangedikt en vervormd door de fantasie van de vertellers, maar regelmatig blijkt achter de folkloristische façade een historisch feit schuil te gaan. Giovanni Pietro Olina beschrijft in zijn in 1622 gepubliceerde boek ‘Uccelliera overo discorso della natura e proprieta di diversi uccelli e in particolare di que che cantano, etc.’ hoe een op weg naar Livorno varend vrachtschip bij Elba schipbreuk leed en aan boord aanwezige kanaries een veilig heenkomen vonden op het eiland Elba, waar zij zich vermengden met andere vogelsoorten. Het gevolg van de bastaardering was dat op Elba een op een kanarie gelijkend vogelsoort ontstond met zwarte poten en iets meer geel onder de kin dan de oorspronkelijke kanarie. In de historiografie van de kanarieteelt tot dusver markeert deze gebeurtenis het begin van de Italiaanse kanariekweek en het einde van het Spaanse monopolie op de kanariehandel.40 
Kevins Coornaerts studie geeft ons niet alleen inzicht in de handelsbetrekkingen tussen de Canarische eilanden en Vlaanderen, maar ook in de intensieve contacten die er hebben bestaan tussen Italië en de Canarische archipel. De betrokkenheid van de Noord-Italianen met de gang van zaken op de Canarische eilanden dateerde van voor de kolonisatie, toen Genuese handelaren de Spaanse verovering van de Canarische eilanden mede financierden. Verder beklemtoont Coornaert de belangrijke positie die de Italianen op de Canarische eilanden innamen in de lucratieve suikerrietteelt en -handel. Producten van de Canarische eilanden werden o.m. hetzij via Cadiz hetzij rechtstreeks naar, vnl., de Noordwest-Italiaanse havensteden Genua en Livorno vervoerd.
In de aan het boek van Olina ontleende geschiedenis van de schipbreuk bij Elba betreft het een  schip met goederen, waaronder kanaries, op weg naar Livorno. Olina laat ons in het ongewisse over het jaartal, de herkomst en de nationaliteit van het vrachtschip dat bij Elba schipbreuk leed. Op grond van Coornaerts studie m.b.t. de Vlaamse gemeenschap op de Canarische eilanden en de onderlinge verbondenheid tussen de kanarie- en suikerhandel veronderstellen we dat het schip niet alleen kanaries maar o.m. ook suiker vervoerde en of rechtstreeks vanaf de Canarische eilanden op weg was naar Livorno, of in Cadiz de van de Canarische eilanden afkomstige en voor Italië bestemde producten had ingeladen. Het feit dat een schip goederen vanaf de Canarische eilanden via Cadiz of rechtstreeks naar Livorno vervoerde is gezien Coornaerts studie in de 16e eeuw immers een regelmatig voorkomende gebeurtenis geweest. We zagen dat ook schepen vanaf de Canarische eilanden kanaries vervoerden, weliswaar gingen, volgens Coornaert, de meeste naar de Lage Landen en Noord-Frankrijk, maar het is niet onwaarschijnlijk dat ook schepen met kanaries aan boord, al dan niet via Cadiz, van de Canarische eilanden naar Livorno voeren.
Het blijft een veronderstelling en daarom mogen we er niet al te veel conclusies aan verbinden, maar het verhaal van de schipbreuk bij Elba zou men wel kunnen beschouwen als een aanwijzing dat in de 16e eeuw via de gebruikelijke handelsroutes kanaries van de Canarische eilanden naar alle windstreken werden vervoerd en dus ook naar Noordwest-Italië. Bekend is dat in de loop van de 16e eeuw Noordwest-Italië zich ontwikkelde tot een centrum van de kanariehandel en –teelt, dat zich alras naar het noorden, aanvankelijk naar Tirol en daarna ook naar de zuidelijke streken van Duitsland verplaatste. De geschiedenis van het ontstaan van een centrum van kanariehandel en –teelt in Noord-Italië en die van de introductie van de kanarie in West-Europa zouden wel eens heel veel overeenkomsten met elkaar kunnen hebben, met de suikerhandel als belangrijkste gezamenlijke factor.
Concluderend, de in Noord-Italië in de loop van de 16e eeuw gefokte kanaries waren geen afstammelingen van tijdens een scheepsramp ontsnapte vogeltjes, maar nakomelingen van uit de vrije natuur op de Canarische eilanden, Madeira, of de Azoren, gevangen, kanaries, die via de gebruikelijke scheepsroute, waarlangs ook suiker werd getransporteerd, in Livorno en Genua werden aangevoerd. Omdat de Noordwest-Italianen al actief waren in de handel met Canarisch suiker voordat het eerste suikerschip vanaf de Canarische eilanden in Antwerpen aanmeerde is het niet onlogisch te veronderstellen dat het begin van de import van kanaries vanaf de Canarische archipel in Noordwest-Italië zelfs eerder gedateerd moet worden dan die in de Lage Landen.41

 

Het Spaanse monopolie op de kanariehandel een fabeltje?
In historische schetsen over de introductie van de kanarie in Europa valt regelmatig te lezen dat Spaanse zeelui kanaries als souvenir meenamen, of dat kanaries, als buit van de Canarische eilanden, in bezit van de Spaanse geestelijkheid kwamen. Vervolgens wordt beweerd dat uitsluitend Spaanse monniken in kloosters overgingen tot het fokken van kanaries en dit zo lucratief bleek te zijn dat er gepoogd werd het handelsmonopolie te behouden door uitsluitend mannetjes te verkopen.42
Noch in Konrad Gesner’s Avium Natura, Jan Huyghen van Linschoten’s reisverslag en Kevin Coornaerts scriptie zijn aanwijzingen gevonden voor een monopolie op de kanariehandel van de Spanjaarden in de 16e eeuw. Hoewel het niet tot de onmogelijkheden behoort dat van de Canarische eilanden naar her en derwaarts reizende lieden voor privé doeleinden kanaries hebben meegenomen lijkt deze visie, als dé reden voor de verspreiding van kanaries over het Iberisch schiereiland, niet langer houdbaar. Dit geldt eveneens voor het standpunt dat  kanaries uitsluitend als buit van de Canarische eilanden naar het Spaanse vasteland zijn vervoerd en daar in kloosters onder de goede zorg van monniken tot voortplanting kwamen.
Bovendien is het onjuist te veronderstellen dat in de 16e eeuw alleen handel plaatsvond in, al dan niet in Spaanse kloosters, gefokte kanaries. Veel aannemelijker is het om te veronderstellen dat het overgrote deel van de in die tijd internationaal verhandelde kanaries niet uit gefokte, maar uit in de vrije natuur gevangen exemplaren bestond.
Tenslotte werden niet alleen van de Spaanse Canarische eilanden maar ook van de tot het Portugese koninkrijk behorende Madeira en Azoren kanaries geëxporteerd. De internationale kanariehandel was dus verre van een monopolie van de Spaanse gebieden; ook de Portugezen hielden zich er mee bezig. 
Kortom, kanaries waren in de 16e eeuw zeker geen buit, misschien soms wel eens souvenirs voor thuis, maar bovenal gewone handelswaar, waarmee geld te verdienen viel: voor de lokale bevolking met de vogelvangst en als de mogelijkheid zich voor deed kochten kooplui of ‘maestres’ op de Canarische eilanden, de Azoren en Madeira de door de inheemse bevolking gevangen kanaries op om ze via de genoemde handelsroutes naar het Europese vasteland, naar het Iberisch schiereiland, Noord-West Italië en met name ook Noord-Frankrijk en de Lage Landen, te vervoeren en ze daar met winst van de hand te doen. 

 

Samenvatting
De Canarische eilanden waren in de 16e eeuw een verre van geïsoleerd van Europa gelegen archipel, waarnaar slechts avonturiers een heenkomen zochten, integendeel de Canarische eilanden waren, als één van de belangrijkste suikerproducenten, volledig opgenomen in het Europese marktsysteem en er bestond intensief handelsverkeer van en naar de archipel met Spanje, de Lage Landen, Noord-Frankrijk en Noordwest-Italië. Uit de vrije natuur gevangen kanaries waren één van de producten die langs deze routes hun weg naar de belangrijkste Europese handelscentra vonden. Van de handel in kanaries was die vanaf de Canarische eilanden naar de Lage Landen en Noord-Frankrijk het belangrijkst. Naast export vanaf de Canarische eilanden werden ook op de Azoren kanaries gevangen en naar Europa getransporteerd. Mogelijk was eveneens het tussen de Azoren en de Canarische eilanden gelegen Madeira een leverancier van kanaries voor de Europese markt.
Omdat er in de contemporaine literatuur een nauw verband wordt gesuggereerd tussen de suiker- en kanariehandel wordt verondersteld dat de export van kanaries van de Canarische eilanden naar West-Europa en Noordwest-Italië pas goed tot ontwikkeling kwam toen de suikerhandel tussen de archipel en de Europese handelscentra, waaronder de Lage Landen, substantiële vormen had aangenomen.
Voordat gedurende de periode 1510-1520 de suikerhandel met de Canarische eilanden in de Lage Landen tot ontwikkeling kwam bestonden er al commerciële contacten tussen Madeira en de Azoren, toen beter bekend als de ‘Vlaemsche Eylanden’, enerzijds en Vlaanderen anderzijds. Er bestaat dus de mogelijkheid dat de eerste kanaries die in de Lage Landen werden ingevoerd niet van de Canarische eilanden maar van Madeira en/of de Azoren afkomstig waren. In dat geval moeten we de introductie van de kanarie in onze streken dus één tot enkele decennia eerder dateren. Tot op heden is in contemporaine bronnen (nog) geen concrete aanwijzing gevonden die deze veronderstelling ondersteunt. 
De in de literatuur regelmatig geponeerde veronderstelling dat de vroeg 16e eeuwse kanariehandel uitsluitend in handen was van Spanjaarden en bestond uit in Spaanse kloosters gefokte kanaries moet als uiterst ongeloofwaardig gekarakteriseerd worden. Als het Iberisch schiereiland in de 16e eeuw met betrekking tot de kanariehandel een rol heeft gespeeld in de verspreiding van kanaries over Europa dan is het aannemelijker te veronderstellen dat het eerder een transitofunctie heeft vervuld voor op de Canarische eilanden, Madeira en de Azoren gevangen kanaries, die uiteindelijk op de West-Europese en Noordwest-Italiaanse markt werden afgezet.
Dankzij de geregelde aanvoer van op de Atlantische archipels gevangen kanaries was medio de 16e eeuw het bezit van een kanarie in de Lage Landen geen exclusief voorrecht (meer) van de zeer rijken, maar ook toegankelijk voor de middenklasse. Het blijft vooralsnog onduidelijk wanneer een stelselmatige kweek van kanaries in de Lage Landen ontstond, mogelijk pas in de eerste decennia van de 17e eeuw. 
Aan de rol van kanarieleveranciers voor de West Europese markt, die sedert de eerste decennia van de 16e eeuw door de Atlantische archipels was vervuld, kwam ca. 1700 definitief een einde. Mogelijk had de langdurige, stelselmatige, vogelvangst de natuurlijke populaties zodanig gereduceerd dat een lucratieve handel in wildvang vogels niet meer mogelijk was. Bovendien werd deze markt in toenemende mate geconfronteerd met het aanbod van in de afzonderlijke landen en met name in Zuid Duitsland en Tirol gefokte kanaries, die kwalitatief hoger stonden aangeschreven.

 

Noten
1. Linskens, R., Wat ’n leven!, deel 6, religie en religieuzen in de middeleeuwen. Antwerpen/Amsterdam 1980, pp. 131-132.
2. Linskens, R., Wat ’n leven!, deel 5, heren en boeren in de middeleeuwen. Antwerpen/Amsterdam 1979, p. 99.
3. Linskens, R., Wat ’n leven!, deel 5, o.c., pp. 188-189.
4. Linskens, R., Wat ’n leven!, deel 2, straten en huizen, eten en drinken in de middeleeuwen. Antwerpen/Amsterdam 1980, p. 120.
5. Linskens, R., Wat ’n leven!, deel 2, o.c., p. 143.
6.
Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken, vijf eeuwen vangst van zangvogels en kwartels in Nederland. Hilversum, 2002, pp. 257-259.
7. Linskens, R., Wat ’n leven!, deel 2,  o.c., p. 84.
8. Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken, o.c., pp. 285-288.
9. Blagrave, Joseph, The Epitome of the Art of Husbandry. Londen, 1675, pp. 125, 134-135. Plokker, J. , Kanarieteelt in Engeland in de 17e eeuw, Blagrave, Willughby, Ray & Cox. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2013-2, pp.  43-44, 59-61.
10.  Jan Provoost, Triptiek met Madonna, Johannes de Evangelist en Maria Magdalena (1520-1525). Collectie Mauritshuis, Den Haag, inventarisnummer 783.
11. Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken, o.c., pp. 280-282.
12. Alle mij bekende 19e en 20e eeuwse teksten waarin over 14e en 15e eeuwse kanariehandel wordt geschreven worden niet ondersteund met verifieerbare eigentijdse bronnen en derhalve beschouw is ze vooralsnog als niet betrouwbaar genoeg om er bindende uitspraken aan te ontlenen.
Gesner, Konrad (Conradi Gesneri), Historiae Animalium Liber III. qui est de Avium natura, 1555, p. 249. Op Internet te lezen op www.e-corpus.orgDe Latijnse tekst luidt als volgt: ‘Similis huic est, ut audio, Canaria dicta avicula, que e Canariis Insulis, sacchari  feracibus, advehitur, suavissimi cantus’. Vrij vertaald : Gelijk hieraan, zoals ik heb vernomen, de vogel met het liefelijkste lied, kanarie genoemd, die vanaf de Canarische eilanden wordt meegenomen, waar ook suiker geproduceerd wordt. Elders zou Gesner ook een passage hebben geschreven waarin hij beweert dat de kanarie overal duur wordt verkocht o.m. vanwege de liefelijkheid van z’n zang. Ontleend aan: Lewer, S.H. & J. Robson, Canaries, Hybrids and British Birds in Cage and Aviary, London, New York, Toronto & Melbourne, 1911, p.  11. Te vinden op Internet: www.biodiversitylibrary.org. Voor het imitatietalent van de kanarie zie o.m. Blagrave, Joseph, The Epitome of the Art of Husbandry. Londen, 1675, pp. 107-109, 125, 134-135. Plokker, J. , Kanarieteelt in Engeland in de 17e eeuw, Blagrave, Willughby, Ray & Cox, o.c., pp.  28-68.
13. C. Dietzen, C, Voigt, M. Wink, M. Gahr en S. Leitner, Phylogeography of island canary (Serinus Canaria) populations. In: J Ornithol (2006) 147, pp. 485-494 (http://springerlink.com/content/7143951m0v420845/fulltext.pdf); C. Dietzen, Molecular phylogeography and colonisation history of passerine birds of the Atlantic Islands (Macaronesia). Dissertatie. Heidelberg, 2007, pp. 22, 62-74 (http://www.cdietzen.de/wp-content/uploads/2008/03/diss_c-dietzen.pdf). Met dank aan Peter Spierenburg.
14. Russ, Dr. Karl, Der Kanarienvogel, seine Naturgeschichte, Pflege und Zucht. Magdeburg, 1906, 11e druk, pp. I-X. Door mij is gebruik gemaakt van een in 2010 door BliblioLife, LLC uitgegeven facsimile uitgave. Jannin, Jules, De kunst om kanarievogels op te kweeken en te doen voortteelen. Uitgegeven te Amsterdam bij G.T. Bom, 3e druk (1877). Plokker, J., Jean de Bethencourt. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2012-2, pp. 24-35; Plokker, J., Jean de Bethencourt (vervolg). In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2012-3, pp. 16-25. Plokker, J., Dr. Karl Russ en zijn navolgers, een kritische literatuurstudie. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2013-1, pp. 32-53.
15.
Coornaert, Kevin, De Vlaamse Natie op de Canarische eilanden in de 16e eeuw. Universiteit Gent, 1999-2000. De scriptie is te vinden op Internet, www.ethesis.net/canarische. Met dank aan Benny Uittebroek, die me op het spoor van deze scriptie zette.
16. Plokker, J., Jean de Bethencourt, o.c., pp. 24-35; Plokker, J., Jean de Bethencourt (vervolg), o.c., pp. 16-25. Wickeren. Arnold van, Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. Deel 1, paragraaf 5.6. Te lezen op Internet: www.colonialvoyage.com.
 
17. Bovenstaande beschrijving van de geschiedenis van de Canarische eilanden en de handelsbetrekkingen met o.m. Vlaanderen in de 16e eeuw is vnl. gebaseerd op de scriptie van Kevin Coornaert, o.c.
18. Jan Huyghen van Linschoten, Itinerario, voyage ofte schipvaert naer Oost ofte Portugaels Indien 1579-1592. Derde stuk. Dat. 99.  capittel. Van sommighe notabele gheschenissen, den tijdt mijnder residentie in het eylandt Tercera, pp. 117 e.v. Ed. H. Kern en H. Terpstra, uitgave Linschoten-Vereeniging. Op Internet te vinden op www.dbnl.org.
19.  Jan Huyghen van Linschoten, Itinerario, o.c., Derde stuk. Dat. 97. capittel. Beschryvinghe van de eylanden van Açores ofte Vlaemsche Eylanden, p. 103.  Wickeren. Arnold van, o.c., Deel 6, paragraaf 1.2; Deel 9, paragraaf 1.1. en deel 13, paragraaf  3.1. Wikipedia: Faial en Azoren. Postma, M., De vergeten Vlamingen van de Azoren, Lusophonia Magazine. Op Internet te vinden op www.lusophonia.com.
20. Jan Huyghen van Linschoten, Itinerario, o.c., Derde stuk. Dat. 97. capittel. Beschryvinghe van de eylanden van Açores ofte Vlaemsche Eylanden, p. 110. 
21.  Ibidem, p. 106. Wickeren. Arnold van, o.c., Deel 9, paragraaf 1.1.
22. Jan Huyghen van Linschoten, o.c., Derde stuk. Dat. 97. capittel. Beschryvinghe van de eylanden van Açores ofte Vlaemsche Eylanden, pp. 106-107.
23. Op grond van de 15e eeuwse connectie tussen Vlaanderen en de Azoren sluit A.R. Galloway sluit niet uit dat de eerste import van kanaries in Engeland, de Lage landen en Frankrijk niet van de Canarische eilanden, maar van de Azoren afkomstig was en ongeveer 30 jaar eerder gedateerd moet worden dan de eerste import van kanaries vanaf de Canarische eilanden. Galloway stelt dit als veronderstelling, maar levert geen bewijs aan.
Galloway, A.R., History of the Canary. In: Lewer, S.H. & J. Robson, Canaries, Hybrids and British Birds in Cage and Aviary, London, New York, Toronto & Melbourne, 1911, pp.  14. Te vinden op Internet: www.biodiversitylibrary.org.
24.
In de ‘Oprechte Haerlemse courant’ werden op de volgende data advertenties van Frans Vogelaer aangetroffen:  3 december 1669, 6 september 1670, 16 september 1670, 30 juli 1671, 1 augustus 1671, 3 mei 1672, 18 september 1688. Op 9 september 1670 verscheen ook een advertentie van Frans Vogelaer in de ‘Ordinaris dingsdaeghse courante’ . Zie ook: Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken, o.c., pp. 278-279. Plokker, J. , Frans Vogelaer. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2013-2, pp. 16-27.
25. Wickeren. Arnold van, o.c. Deel 6, paragraaf 1.1., Deel 9, paragraaf 1.0. en deel 13, paragraaf  3.0.
26.
Male, Zeghere van, Lamentatie behelzende wat datter aenmerkensweerdig geschiet is ten tyde van de Geuserie ende de Beeldenstormerie binnen ende omtrent de stadt van Brugghe. (ed. C. Carton) Uitgegeven door Vanderhaegen-Hulin, Gent 1859, p. 66. Te lezen op Internet www.dbnl.org. In zijn ‘Lamentatie’ beschrijft Zeghere van Male de teloorgang van de stad Brugge na de Beeldenstorm en de machtsovername door de Protestanten. Hij schreef zijn pamflet hoogstwaarschijnlijk in de periode 1598-1600. Van Male overleed in 1601 op 88 jarige leeftijd. Hij herinnert zich uit het verleden ‘diversche schepen met coopmanschap als van Spagnie, Itaillien, Levanten, Portugael ende dierghelycke landen, (….) brenghende die van westen alle maniere van speceryen, sucker, rijs, fygen, rosynen, dadels, oraignen, cappers, droogerye, syropen, olie, enz. ende spaensche wynen, canarie, isle de Madere, ende alsulcke waere (..)’ .   
Bovenstaand tekstfragment illustreert ook een mogelijke valkuil die bestaat bij het raadplegen van eigentijdse Nederlandstalige bronnen. Voor de schrijfwijze van de Canarische eilanden, de van de Canarische eilanden afkomstige wijn en de kanarievogel vindt men namelijk in de teksten de aanduiding ‘canary’, ook wel ‘canari’ of ‘canarie’. Het tekstverband moet in meeste gevallen uitsluitsel verschaffen. Graag hadden we in bovenstaand citaat een aanwijzing gelezen dat medio de 16e eeuw in Brugge kanaries werden aangevoerd, maar uit het zinsverband moeten we concluderen dat van Male hier met ‘canarie’, van de Canarische eilanden afkomstige wijn bedoelt.
27. Evans, A.H., Turner on birds, a short and succinct history of the principal birds noticed by Pliny and Aristotle. First published by Doctor William Turner, 1544. Cambridge 1903, pp VII-XI, pp. 107-109. Het door Evans geredigeerde boek bevat, naast een inleiding, de oorspronkelijke Latijnse tekst met daarnaast de Engelse vertaling. Gevonden op Internet: www.biodiversitylibrary.org.
28. Gesner, Konrad (Conradi Gesneri), Historiae Animalium Liber III. qui est de Avium natura, 1555, pp. 234 en 249. Op Internet te lezen op www.e-corpus.org. Konrad Gesner vermeldt op blz. 234 in z’n Avium Natura voor de kanarie ook de naam ‘Zuckervögele’, suikervogel. In de beschrijving van de citroenkanarie (citrinella) lezen we op blz. 249 de volgende passage: (‘Similis huic est, ut audio, Canaria dicta avicula, quae è Canariis Insulis, sacchari feracibus, uehitur, suavissimi cantus’) Vrij vertaald betekent dit ‘Vergelijkbaar hiermee is, zoals ik heb gehoord, de vogel met de zoetste zang, kanarie genaamd, die naar hier wordt gebracht vanaf de Canarische eilanden, waar suiker wordt geproduceerd’. Elders zou men in Gesner ook de volgende zinsneden kunnen vinden: ‘De kanarie wordt overal voor een heel hoge prijs verkocht, zowel vanwege de zoetheid van zijn zang en ook omdat hij, in kleine aantallen, van ver en met grote zorg en toewijding vervoerd moet worden, zodat alleen edelen en hooggeplaatste personen zich een kanarie kunnen veroorloven’. ‘Dit zijn de Canarische eilanden, waarvan in onze tijd een zekere zangvogel naar ons wordt gebracht, die, naar de plaats waar zij broeden, kanarievogels worden genoemd. Anderen noemen ze suikervogels, omdat daar ook de beste suiker vandaan komt.’ De exacte plaats waar deze fragmenten in Gesners Avium Natura te vinden zijn is mij niet bekend. Deze informatie is ontleend aan: Galloway, A.R., History of the Canary. In: Lewer, S.H. & J. Robson, Canaries, Hybrids and British Birds in Cage and Aviary, London, New York, Toronto & Melbourne, 1911, pp.  11-12. Te vinden op Internet: www.biodiversitylibrary.org.
29.
Dapper, O., Naukeurige Beschrijvinge van de Afrikaanse Eylanden als Madagaskar of Sant Laurens, Sant Thomee, d’eilanden van Kanarien Kaep de Verd, Malta en andere. Uitgegeven te Amsterdam door Jacob van Meurs op de Keysersgracht in de stadt Meurs, 1668, p. 93. (Inventarisnummer Kon. Bibliotheek: 185 B 11)   Plokker, J., Olfert Dapper. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2013-1, pp. 25-31. 
Tekening, gouache, van  Pieter Holsteyn (I): Wilde kanarie afkomstig van de Canarische eilanden en geplaatst in de volière van Prins Maurits in Den Haag. Info: Rijksmuseum,  Amsterdam.(www.rijksmuseum.nl; object nr. RP-T-1918-55).
30. Zie noot 24.
31. Nylandt, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen, afbeeldende allerhande Menschen, Beesten, Vogelen, Visschen, etc. Met een Beschrijvende haar gestalte / hoedanigheden / natuur / krachten / eigenschappen / en genegentheden met 160 Figuren. Amsterdam, 1672, p. 228. (Inventarisnr. Kon. Bibliotheek:  KW 447 F 13.)
Plokker, J., Petrus Nylandt en Jan van Hextor. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2013-3, pp. 28-37.  Blagrave, Joseph, The epitome of husbandry, o.c., pp. 106-107, 114.  (Inventarisnummer Kon. Bibliotheek: KW 1113 F 4).  Plokker, J., Blagrave, Willughby, Ray & Cox, o.c., pp. 28-68.    Advertentie Frans Vogelaer in de ‘Oprechte Haerlemse courant’ van 18 september 1688.  Plokker, J., Frans Vogelaer, o.c., pp. 16-27.
32.
Hervieux de Chanteloup, J.C., Traité curieux des serins de Canarie/ Naauw-keurige verhandeling van de Kanarivogels. Vertaling A. Moubach. Deze gecombi-neerde Frans/Nederlandse uitvoering werd in 1712 uitgegeven door Hendrik Schelte te Amsterdam., pp. 3. De eerste in Frankrijk uitgegeven editie van het boek werd volgens de literatuur uitgegeven in 1705. De mij oudst bekende uitgave dateert van 1707 en werd uitgegeven door C. Prudhomme te Parijs.
33.
Dapper, O., Naukeurige Beschrijvinge van de Afrikaanse Eylanden, o.c., p. 93.  Plokker, J., Olfert Dapper, o.c., pp. 25-31. Nylant, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen, o.c., p. 228. Plokker, J., Petrus Nylant en Jan van Hextor, o.c., pp. 28-37. 
34. Plokker J. Huiskamerkanaries in de 16e eeuw. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie 2013-3, pp. 12-27.
35. Enno van Gelder, Dr. H.A., Gegevens betreffende roerend en onroerend bezit in de Nederlanden in de 16e eeuw, Deel 1, Adel, Boeren, Handel en Verkeer. ’s Gravenhage, 1972. Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote serie, nr. 140. pp. 455, 474-475.  Enno van Gelder, Dr. H.A., Gegevens betreffende roerend en onroerend bezit in de Neder-landen in de 16e eeuw, Deel 2, Industrie en Vrije beroepen. ’s Gravenhage, 1973. Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote serie, nr. 141, pp 39-40.
36.  Plokker J. Huiskamerkanaries in de 16e eeuw, o.c., pp. 12-27.
37. Gesner, Konrad (Conradi Gesneri), Historiae Animalium Liber III. qui est de Avium natura, 1555.  In Gesner’s boek zou men de volgende zinsneden kunnen vinden: ‘De kanarie wordt overal voor een heel hoge prijs verkocht, zowel vanwege de zoetheid van zijn zang en ook omdat hij, in kleine aantallen, van ver en met grote zorg en toewijding vervoerd moet worden, zodat alleen edelen en hooggeplaatste personen zich een kanarie kunnen veroorloven’. De exacte plaats waar dit fragment in Gesners Avium Natura gevonden kan worden is mij niet bekend. Deze informatie is ontleend aan: Galloway, A.R., History of the Canary. In: Lewer, S.H. & J. Robson, Canaries, Hybrids and British Birds in Cage and Aviary, London, New York, Toronto & Melbourne, 1911, pp.  11-12. Te vinden op Internet: www.biodiversitylibrary.org.
38. Hervieux de Chanteloup, J.C., Traité curieux des serins de Canarie/ Naauwkeurige verhandeling van de Kanarivogels. Vertaling A. Moubach, o.c., p. 259.   
De prijzen waarvoor ca. 1700 kanaries in Parijs verhandeld werden is in Franse valuta vermeld. De gewone groene kanarie, bijvoorbeeld, kostte 3 livre en 10 sous. Volgens vertaler A. Moubach gold toen een wisselkoers waarbij de waarde van 1 livre overeen kwam met 17 Hollandse stuivers. Omgerekend naar Hollands geld was 3 L, 10 s dus bijna 60 stuivers oftewel 3 gulden.
Het blijft lastig de waarde waarvoor ca. 1700 kanaries in Parijs werden verkocht te vertalen naar de huidige tijd. Het salaris als vergelijkingsinstrument hanterend verdiende ca. 1700 een bouwvakker in Alkmaar  ca. 16 stuivers per dag. Een verkoopprijs van  3 gulden voor een gewone groene kanarie ca. 1700  kwam dus overeen met het bedrag waarvoor een bouwvakker 3 ½ dag moest werken. Deze gegevens zijn ontleend aan: Zanden, J.L. van, Kosten van levensonderhoud en loonvorming in Holland en Oost-Nederland 1600-1850. Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 11 (1985), p. 312. (www.depot.knaw.nl/2328/)
39. Plokker, J., Jean de Bethencourt, o.c., pp. 24-35; Plokker, J., Jean de Bethencourt (vervolg), o.c., pp. 16-25.
40. Plokker, J., Karl Russ en zijn navolgers, o.c., p. 32-53.
41. Ibidem, o.c., p. 32-53.
42. Ibidem, o.c., p. 32-53.
Met dank aan Ruud Fray voor de eindredactie van de Engelstalige samenvatting.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2013, nr. 3, pp. 38-76.

-0-


TOP

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

 

Ambulante kanariehandelaren te Leiden in de 18e en 19e eeuw (Deel 1 & 2)                    

door Jaap Plokker

Tijdens een bezoek aan het Harzer Roller Museum in St. Andreasberg in de Harz (Dld.) heb ik een foto gemaakt van een oud document dat aan de muur hing. Het was een soort paspoort van een rondreizende vogelverkoper. Ik vond het wel een curieus ding, de man had nl. ook Leiden bezocht, de stad waar ik dagelijks voor m’n werk naar toe fiets en een fotootje is tegenwoordig gauw gemaakt. De foto was nagenoeg uit m’n herinnering verdwenen tot ik hem laatst tijdens het scrollen door bestanden weer tegenkwam en plotsklaps de gedachte in me opkwam uit te zoeken of ik in het Leidse digitale krantenarchief wat meer van deze rondreizende Duitse handelaar te weten zou kunnen komen. Zoveel tijd hoefde dat niet te kosten. Ik kon het immers thuis aan de tafel, op de laptop, af. Met het aanklikken van diverse trefwoorden kwam opeens een oude wereld heel dichtbij: advertenties in 18e en 19e eeuwse kranten waarin kanariehandelaren hun vogels te koop aanboden. Het werd het begin van een weliswaar tijdrovende, maar uiterst boeiende reis naar de wereld van de vnl. Duitstalige, rondreizende, vogelverkopers, die met kooitjes op hun nek te voet van Tirol, Zuid Duitsland en later Saksen naar Hollandse steden trokken om daar in herbergen hun kanaries aan te man te brengen. Het eerste resultaat van deze speurtocht is een artikel over de ambulante kanariehandel in Leiden. Het werd uiteindelijk zo lijvig dat het gesplitst is in twee delen.

 

Carl Haberland
In de zomer van 2009 verbleven m’n broer Jan, fietsmaat Wim van Duyn en ondergetekende voor een korte fietsvakantie in het Duitse Harzgebergte. Op een dag dat Pluvius over de Harz regeerde en de hogere delen van het gebergte tot in de wolken reikten, waardoor het zicht zich beperkte tot de in nevelen gehulde sparren langs de kant van de weg, besloten we een overdekte attractie te bezoeken en naar het Harzer Roller Museum in Sankt Andreasberg te gaan.1 Tijdens de rondgang door het museum viel m’n oog op een uit het Koninkrijk Hannover afkomstig document betreffende een buitenlandse reis van een vogelhandelaar. De reispas was in het najaar van 1831 door de autoriteiten van St. Andreasberg van de nodige stempels voorzien en aan de ingezetene Carl Haberland verstrekt ten behoeve van een handelsreis naar Holland. De achterzijde van het document was in Nederland door stedelijke instanties gebruikt om het verblijf van Carl Haberland te registeren. Aan de hand van deze gegevens kan de reis, die deze ambulante vogelhandelaar uit de Harz in de winter van 1832 had gemaakt, gereconstrueerd worden. Op 24 januari 1832 verbleef Haberland te Amersfoort en reizend over Utrecht was hij van 26 tot en met 28 januari in Leiden. Op 29 januari vertrok hij naar Den Haag om vervolgens op 1 februari naar Rotterdam te gaan. Hij logeerde in deze stad tot en met 8 februari om de volgende dag via Delft weer richting Leiden te reizen. Hij verbleef tot en met 11 februari in de sleutelstad en vertrok de 12e richting Amsterdam. Van Amsterdam ging Haberland, waarschijnlijk over Zwolle, weer terug naar St. Andreasberg.   
Heeft deze handelsreis van Carl Haberland een voor ons nu nog waarneembaar spoor achtergelaten? Deze vraag intrigeerde mij en het gedigitaliseerde archief van te Leiden uitgegeven kranten leek mij een mogelijkheid om over het bezoek van Carl Haberland aan de sleutelstad meer te weten te komen.
Over de handelstrip die Haberland in de winter van 1832 naar Holland ondernam en met name over diens verblijf te Leiden heb ik in lokaal verschenen kranten niets terug kunnen vinden. Wat ik tijdens mijn speurtocht wel aantrof was een groot aantal 18e en 19e eeuwse advertenties waarin te Leiden logerende ambulante vogelhandelaren, waaronder ook genoemde Carl Haberland, hun aanwezigheid aan potentiële cliëntèle kenbaar maakten.
 

Adverterende vogelkooplui
Tijdens de handelsreis die Carl Haberland in januari en februari 1832 naar Nederland ondernam bezocht hij twee keer Leiden. Van z’n aanwezigheid in de sleutelstad werd in de Leydse Courant geen enkele gewag gemaakt. De lokale tam tam was kennelijk afdoende om geïnteresseerde kanarieliefhebbers naar de herberg te lokken waar Haberland verbleef.
Getuige de regelmaat waarin advertenties van ambulante vogelhandelaren in lokale kranten werden geplaatst was het voor de rondreizende kanarieverkoper klaarblijkelijk toch wel lucratief om zijn aanwezigheid niet aan het plaatselijke geruchtencircuit over te laten, maar via de krant aan een breed publiek bekend te maken. Op grond van dergelijke advertenties in de Leydse Courant weten we dat Carl Haberland Leiden regelmatig heeft bezocht om kanaries te verkopen. Zo verbleef hij in ieder geval in december 1822, januari 1824, februari en maart 1838, januari en maart 1839 en in januari 1840 enkele dagen in het door de familie Chouffour uitgebate logement ‘De Omgekeerde Pot’ in de Mandenmakerssteeg.2
Carl Haberlands echtgenote was eveneens actief in de ambulante vogelhandel en ook zij heeft geprobeerd in Leiden kanaries te verkopen. Aan de hand van advertenties in de Leydse Courant weten we dat ‘Koopvrouw Haberland’, ’de vrouw van den koopman Haberland’, in januari 1824 en januari 1835 eveneens in  ‘De Omgekeerde Pot’ logeerde, alwaar ze de door haar meegebracht kanaries te koop aanbood.3


Foto. De in het najaar van 1831 door de autoriteiten van St. Andreasberg aan Carl Haberland verstrekte reispas ten behoeve van een handelstrip naar Holland. (Harzer Roller Museum St. Andreasberg (Harz, Duitsland)

Uit de in 1831 aan Carl Haberland verstrekte reispas mogen we concluderen dat de Haberlands hun handelsreizen naar Holland niet beperkten tot een bezoek aan Leiden. In diverse in Hollandse steden uitgegeven kranten werden advertenties aangetroffen die deze conclusie bevestigen. Zo bezocht het echtpaar Haberland gedurende de periode 1824-1840 ook regelmatig Den Haag, Rotterdam en Utrecht om kanaries te verkopen. De indruk bestaat dat de heer en mevrouw Haberland (soms?) samen op handelsreis waren, maar ieder een eigen route aflegde en afzonderlijk zaken deden. Zo verscheen op 6 februari 1833 in het Dagblad van ‘s Gravenhage een advertentie van ‘Koopvrouw Haberland’, terwijl een dag later Carl Haberland in de Roterdamsche Courant kanaries te koop aanbood. Verder werd Leiden door mevrouw Haberland aanzienlijk minder frequent bezocht dan Utrecht en Den Haag, terwijl Carl Haberland juist weer een regelmatige gast in ‘De Omgekeerde Pot’ in Leiden was.4 Advertenties in de in Leiden uitgegeven kranten maken ons ook duidelijk dat Carl Haberland en diens echtgenote niet de enige rondreizende kanarieverkopers zijn geweest die o.m. in Leiden probeerden hun handelswaar te slijten. De oudste door mij gevonden advertentie, waarin de lezers werden geattendeerd op de aanwezigheid van een rondreizende kanarieverkoper, was geplaatst in de Leydse Courant van 5 november 1753. Een zekere ‘Jan Heer Vogelman’ uit Tirol had logies gevonden ‘in de Lecke’, ‘agter de Fransse Kerk’ en in z’n ‘kraag’ had hij ‘mooye Kanary-vogels, extra van Couleur en Zang, met en zonder Kuyven’, meegenomen. Geïnteresseerde liefhebbers konden in genoemd logement, waar ‘ze Jaaren agter een verkogt zijn’, zich bij de koopman vervoegen en kanaries naar keuze aanschaffen.
De laatste door mij aangetroffen advertentie betreffende een buitenlandse ambulante kanariehandelaar was geplaatst in het Leidsch Dagblad van 26 februari 1914. Daarin werd de komst van Richard Faulstick uit Gotha in Saksen Coburg aangekondigd. In ‘Café Jansen’, de voormalige ‘De Omgekeerde Pot’, Mandenmakerssteeg 7, zou hij enige dagen verblijf houden. Liefhebbers konden daar van hem ‘Saksische Kanarievogels (Seifertse stam met koller) met heel diepe edelzang’ en ook ‘geleerde goudvinken, die verschillende aria’s fluiten’, kopen.
Tussen 1753 en 1914 konden aan de hand van advertenties in de Leydse Courant en later ook het Leidsch Dagblad ca. 170 bezoeken van ambulante kanarieverkopers aan Leiden geregistreerd worden. In werkelijkheid is Leiden veel vaker door rondreizende vogelverkopers bezocht. Zo lezen we in de, mij bekende, oudste advertentie, uit 1753, dat de vogels werden aangeboden in het logement waar ‘ze Jaaren agter een verkogt zijn’, maar van deze voorafgaande keren dat een Tiroler vogelkoopman ‘agter de Fransse Kerk’ logeerde werd in de krant geen melding gemaakt. Ook zagen we dat van het bezoek van Carl Haberland aan Leiden in de winter van 1832 in de krant niets terug te vinden is. 
Werd niet bij ieder bezoek door de kanarieverkoper in de krant geadverteerd, ook moeten we er van uitgaan dat niet alle geplaatste advertenties door mij in het digitale archief zijn gevonden. Als gevolg van de door mij gekozen trefwoorden kunnen advertenties onopgemerkt gebleven zijn en verder heb ik geconstateerd dat niet altijd het door mij gekozen trefwoord door de zoekfunctie in de gescande tekst werd herkend. De ca. 170 advertenties die door mij wel werden gevonden moeten dus aangevuld worden met een volslagen onbekend aantal bezoeken van ambulante kanariehandelaren wier aanwezigheid in Leiden tot dusver onopgemerkt gebleven is.
Verder werd in slechts een beperkt aantal gevallen de naam van de handelaar genoemd en bij hoge uitzondering diens woonplaats. Meestal moesten de lezers het doen met de aanduiding ‘een koopman’, uiteraard wat hij te koop aanbood plus de naam van het logement waar hij verblijf hield.
Gezien deze beperkingen kan de hier beschreven historische schets daarom niet meer, maar ook niet minder, zijn dan een indicatie van de ambulante kanariehandel te Leiden in de 18e en 19e eeuw.

Tirolers, Saksen en Brabanders

De oudste door mij aangetroffen aankondiging waarin te Leiden door een rondreizende handelaar kanaries te koop werden aangeboden betrof een advertentie van Jan Heer Vogelman, een vogelhandelaar uit Tirol, die in november 1753 Leiden bezocht. Vanaf het eind van de jaren ’70 van de 18e eeuw verbleven in Leiden ook handelaren die Saksische kanaries te koop aanboden. De oudste aanwijzing dat in Leiden Brabantse kanaries, van Franse komaf, werden verkocht dateert van medio de jaren ’80. Na de Napoleontische tijd bezochten vrijwel uitsluitend uit Saksen afkomstig kanariehandelaren Leiden. Richard Faulstick, de laatste Duitse ambulante kanarieverkoper, die in februari 1914 te Leiden kanaries verkocht, was woonachtig in Gotha, in Saksen Coburg. Met de Eerste Wereldoorlog verdwenen de Duitstalige kanarieverkopers definitief van het Leidse, en waarschijnlijk ook Nederlandse, toneel. Circa drie eeuwen hadden zij van september tot mei met hun vogels door Nederland getrokken, in de Hollandse steden in herbergen en pensions gelogeerd en daar geprobeerd hun vogels aan de man te brengen.


Imster Vogelhandelaar; 19e eeuwse afbeelding van een 18e eeuwse uit het Tiroolse Imst afkomstige ambulante vogelhandelaar met kraag met vogels. Houtgravure van Alois Gabl (1845-1893). Afbeelding afkomstig uit  Hörmann, Ludwig von, Hermann von Schmid, Ludwig Steub, Karl von Seyffertitz & Ignaz Zingerle, Wanderungen durch Tirol und Voralberg. Stuttgart, 1878-1880, 1e editie. (afbeelding en info: Jaap Plokker)  

Ambulante kanariehandel medio de 18e eeuw, volgens F. van Wickede
Aangenomen wordt dat in de eerste helft van de 17e eeuw vogelhandelaren uit Tirol en Zuid Duitsland met hun gevleugelde handelswaar door Europa begonnen te reizen. Ca. 1670 behoorden, volgens Joseph Blagrave, ‘heel Polen, Duitsland en Frankrijk en de laatste jaren ook Engeland’, tot hun afzetgebied.5 Ongetwijfeld hebben deze Europa rondreizende ambulante vogelhandelaren toen ook geprobeerd kanaries te verkopen in de belangrijkste steden in de Republiek en Holland in het bijzonder. Gezien de groei en bloei van de Leidse textielnijverheid in de 17e eeuw mag aangenomen worden dat de sleutelstad toen al op de handelsroute van de kanarieverkopers lag, maar een overtuigend bewijs voor de aanwezigheid van Tiroolse of Duitse vogelhandelaren in Leiden in de 17e en de eerste helft van de 18e eeuw heb ik in de kranten niet kunnen vinden. De oudste, door mij aangetroffen advertentie, dateert van 5 november 1753 en was, zoals eerder vermeld, geplaatst door een ambulante kanarieverkoper uit Tirol.
Een uitvoerige beschrijving van de ambulante kanariehandel medio de 18e eeuw kunnen we lezen in het  door F. van Wickede geschreven ‘Kanari-uitspanningen, of nieuwe verhandeling van de kanari-teelt’, waarvan de eerste druk in 1750 in Amsterdam werd uitgegeven. Het boekje kende diverse edities en werd tot diep in de 19e eeuw herdrukt en verkocht. ‘Van Wickede’ gold meer dan honderd jaar als hét Nederlandstalige standaardwerk voor de kanariekweker. Toen de eerste druk verscheen was de in Arnhem woonachtige van Wickede al bijna dertig jaar als kanariekweker actief. Omdat het boekje is geschreven door een ingewijde, die mogelijk zelf vogels bij rondreizende vogelkooplui had aangeschaft, mogen we zijn relaas als een betrouwbaar kijkje in de handel en wandel van de 18e eeuwse ambulante vogelhandel beschouwen.
Over de toenmalige vogelhandel schreef van Wickede het volgende: ‘Allereerst zal ik de vrage beantwoorden, waer de Kanarivogels in het wildt vliegen, en van waer zij het eerst tot ons overgebragt zyn.
Het zekerst, ’t geen daer van gezegt kan worden, is, dat de Kanarivogels allereerst van de Kanarische eilanden, gelegen onder de Dominatie van Spanje, overgebragt zyn, en deswegens Kanarivogels genaemt worden. De allereerste waren slegts enkel graeuw; doch wierden welhaest door de konst in allerly verwen verandert: te weten, die men binnenshuis voortteelde, als in Tirol, Zwaben, Beyeren, ’t Neurenbergsche en daer omstreeks, hoewel men die Vogels ons thans ook in menigte uit Luikerland aanbrengt. Zy worden, gelyk gezegt is, binnenshuis geteelt en onderhouden; want zy het in ons Climaet, wegens de koude, in het wildt en het open veldt niet houden konnen, maer, wanneer zulks eens by toeval geschied moeten sterven.
In menigte dan worden die Vogels boven in ’t land geteeld, alwaer vele menschen van de broey en quekery leven, voorts, als zy zaadvast gemaekt zyn, opgekogt, en twee of driemael ’s Jaers, namelijk in den Herfst, allermeest in het begin van den Winter, en ook in de Lente door Zwabers, Zwartwallers en Tirollers, in een groote mars (door hun een kraeg genaemt) tot ons overgebragt; en worden menigmael vier, ja vyfhondert van die Vogels in één kraeg gevonden. Ook reizen zy met dezelve byna de gehele Waereld door, als Turkyen, Rusland, Duitschland, Engeland, Schotland, Vrankrijk, de Nederlanden, enz.
Het is vermakelyk, een volle kraeg met allerly couleuren van Kanarivogels door malkanderen te zien lopen en vliegen, inzonderheid als zy gevoerdert worden, en eten en drinken bekomen, vermits de een roept, de ander zingt, een derde vecht en anderen malkanderen azen.
Wanneer men zich gedraegt, als wilde men van die lieden kopen, zyn zy zeer beleeft, doch als men met hun over de Vogels in twist geraekt, de beste broeders niet, maer zeer impertinent; en hoe onkundiger Liefhebbers zy aentreffen, hoe aengenamer hun zulks is, die zy wonderlyke dingen vertellen; ook kunnen zy welhaest zien, of iemand een kenner is of niet. Voor de onkundigste zyn zy het beleefst, om deze het geld uit den zak te te praten, en te bedriegen: maer wanneer zy een kundig Liefhebber zien, trachten zy hem welhaest te beleezen, dat hy hunnen handel niet ontdekke, en beloven hem wonderlyke dingen, waer van zy echter niets het minste denken te volbrengen. Op dat dan niemand bedrogen worde, zal ik in het volgende hoofdstuk de behoedmiddelen aanwyzen. (….)
De Tirollers, Zwabers en Zwartwallers, enz. houden zig zelden met hunne Kanarivogels lange in ene plaets op, ten zy alleen in een grote Stad, daer zy enigzints lang vertoeven; en wanneer zy veel verkopen, trachten zy eindelyk de geheele rest aen hun Huiswaerd, of aan een groot Liefhebber te verhandelen, die dezelve weder verkopen.
Zodra die menschen aengekomen zyn, begeeft men zig van alle kanten naer hun Logiment, enigen uit nieuwsgierigheid, anderen om te zien, of enige in zang of vederen buitengewone Kanarivogels aengekomen zijn, en weder anderen om te kopen, welke laetste de aengenaemste zyn. Doch men moet zeer omzigtig wezen, nadien men ligt bedrogen word, kopende een mannetje, ’t geen men, na enige dagen gehad te hebben, met verdriet gewaer word een wyfje te zyn; terwyl anderen, nadat zy een dag twee of drie een Vogel gehad hebben, die dan gerust is, en op het gewone eten en drinken gezeten heeft, bevinden, een zieke Vogel te hebben, die, gelyk men zegt, de Landziekte heeft, waer aan hy in weinig dagen sterft. (…)
Nog ziet men in de Maenden Augustus en September Luiker-Walen en Walinnen Kanari-vogels veilen, die in het Luiksche en in Braband in de kloosters geteeld worden, en die zy zeer goed koop geven, dog de meesten van deze zyn wyfjes, welke zy echter gaerne alle voor mannetjes verkopen. Die Vogels brengen zy zeer jong; zulks veelen zelfs niet regt zaedvast zyn, en men genoodzaekt is, wil men de Vogels niet verliezen, hun geweekt zaed en biscuit met groente te geven; want zo men hun dat onthoud, sterven zy; konnende het nog alleen op het droge zaed niet houden. Maer hier moet men zig niet vergissen, om die voorzorge te willen dragen, die ik van de Duitsche Vogels heb gezegt, vermist deze daer door om het leven zouden geraken; want deeze zyn weer in het tegendeel zeer vogtig, en gemeenlyk aen de koude kant; weshalve men die Luiksche Kanarien liever een weinig van een hard gekookt Ey geeft, het geel en wit onder malkanderen geraspt, daer onder doende een weinig drooge geraspte biscuit. Ook worden de Luiksche Kanarivogels veel slapper opgevoed, en zyn mistdien zo sterk niet; zulks ik altoos veel liever één Duitsche Vogel dan twee Luiksche zou verkiezen; want deze altoos zaedvast en sterker zyn; dog het is het allerzeekerst, best en voordeeligst, Kanarivogel uit de eerste hand te hebben, te weten van Burgers, Liefhebbers zynde, die zelven Vogels hebben laten broeden en verkopen willen; want zy by bevindingen weten, wat voedsel deze genoten hebben, en hoe en waer mede zy opgevoed zyn, zulks men, hun het zelve voedsel gevende, in geen gevaer is, hen te verliezen, ook zyn deze onze lugtstreek ten eenemael, en ook onze behandeling gewoon, in plaets dat de vreemde Vogelverkopers nooit zeggen konnen, met welke voedsel de Kanrivogels, die zy veilen, opgevoed zyn, vermists zy zelven het niet weten, nog ook niet van wien zy ze hebben, nadien zy van zo veelerly voorzien zyn, en ook geen zorge dragen, het te weten, aangemerkt zy die eerlange denken te verkopen; weshalven zy, om die Kanarien wel voor te doen, dezelve allerly heet en brandig voedsel geven, en zeer ongestadig voederen, waer door men dikwils zodanige Kanarivogels weinig dagen, nadat men dezelve gekogt heeft, dood vind: klaegt men het den verkopers, dan is ’t gewone antwoord: wy moeten alle sterven, zo wel Kanarivogels als menschen, en daermede word men afgescheept.6

 

 
Der Vogelhändler (1864). Een schilderij met een geromantiseerde afbeelding van een 19e eeuwse vogelhandelaar geschilderd door de Tsjechisch/Oostenrijkse kunstenaar Eduard Steffen (Geb. 1839, Vrchlabi, Tsjechië  – overl. 1893, Ceska Lipa, Tsjechië.)  (Bron: Internet)

Herkomst 18e eeuwse kanarieverkopers en hun afzetgebied

Tiroler en Zuid-Duitse kanaries
Op grond van van Wickede’s verslag mogen we concluderen dat de internationale ambulante kanariehandel in de eerste helft van de 18e eeuw vooral in handen was van Duitstalige kooplui. Ze waren, volgens hem, afkomstig uit Tirol en Zuid Duitsland, t.w. het Zwarte Woud (Schwarzwald, ‘Zwartwallers’), Zwaben (Schwaben) en Beieren, o.m. de streek rond Neurenberg. In deze streken werden kanaries voor de handel gekweekt en door de rondreizende handelaren opgekocht.
De te verkopen vogels werden vervoerd in een mars van aan elkaar bevestigde vogelkooitjes, die in het Duits een ‘Kraxe’ genoemd werd en in het Nederlands meestal werd aangeduid met ‘kraeg’, ‘kraag’, ‘kraek’ of ‘kraak’. Met de ‘kraag’ op hun rug trokken de handelaren, alleen, in tweetallen, maar ook in groepjes, door Europa. Volgens van Wickede werden de volgende landen door deze vogelhandelaren bezocht: Nederland, Duitsland, Frankrijk, Engeland, Schotland, Rusland en zelfs Turkije.
Andere bronnen bevestigen het relaas van van Wickede voor de eerste helft van de 18e eeuw en tonen bovendien aan dat ook in de 17e eeuw de internationale ambulante kanariehandel door Duitstaligen werd beheerst. In de in 1675 te Londen uitgegeven derde druk van, ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ schreef Joseph Blagrave dat toen in Duitsland al veel kanaries werden gekweekt en in zodanige aantallen in Engeland werden verkocht dat de benaming ‘Canary-birds’ (vogels van de Canarische eilanden) plaats maakte voor German-birds (Duitse vogels). Blagrave vermeldde bovendien dat behalve in Engeland door de Duitse vogelkooplui ook kanaries werden verkocht in Duitsland, Polen en Frankrijk.7
In het door J.C. Hervieux de Chanteloup geschreven en in het eerste decennium van de 18e eeuw te Parijs uitgegeven ‘Traité curieux des serins de Canarie’ kunnen we lezen dat, behalve in Frankrijk gefokte vogels, de Parijzenaar toen vooral kanaries betrok van ‘eenige Zwitsers, (die) tweemaal ’s jaars van Inspruk, de Hoofdstad van ’t Graafschap Tirol, te weten in de Lente en Herfst, gebragt worden’. 8
De uit het Zwabische Memmingen afkomstige Martin Wintergerst beschreef in zijn memoires hoe hij, nadat hij 22 jaar op schepen van de VOC had dienst gedaan, in gezelschap van
Tiroler vogelhandelaren van Amsterdam terugreisde naar zijn geboorteplaats, waar hij op 8 februari 1710 arriveerde.9
Verder verschenen vanaf ca. 1720 regelmatig advertenties in, bijvoorbeeld, de Amsterdamse Courant, ’s Gravenhaegse Courant, Opregte Haerlemsche Courant, Opregte Groninger Courant, waarin, aanvankelijk, met name Tiroler kanariehandelaren, en sporadisch ook kooplui uit het Zwarte Woud, Würthemberg en het gebied rondom Neurenberg hun aanwezigheid kenbaar maakten en hun handel aanprezen.10
In ‘Die Imster Vogelhändler’ verwijst Matthias Posch naar een 18e eeuws boek waarin een geschiedenis werd beschreven van drie vogelhandelaren uit Imst, in Tirol, die in 1655 ternauwernood aan de verdrinkingsdood waren ontsnapt toen hun schip, dat op weg was naar Hamburg, in uiterst zwaar weer terecht kwam. Niet alle ambulante vogelkooplui kwamen heelhuids thuis. In het Imster Totenbuch staat bij 26 januari 1778 vermeld dat eind oktober 1777 maar liefst zeven vogelhandelaren uit Imst en twee uit het naburige Tarrenz, in de Oostzee, bij Riga, waren verdronken toen hun schip, dat op weg was naar St. Petersburg, met man en muis was vergaan.11
Een korte contemporaine schets van de Tiroler kanariehandel, meer in het bijzonder die vanuit de stad Imst, werd aangetroffen in de Noordhollandsche Courant van 9 juni 1780 en de Middelburgsche Courant van 24 juni 1780: ‘Tyrol, den 25 May. (…) Te Yms is een Genootschap welke zich op den handel met de Kanarievogels toelegt. Zoo haast als de broeityd voorby is, zenden zij verscheide van hunne Dragers uit om eene groote menigte deezer wel gewilde Vogeltjes uit Zwitserland en Duitschland op te haalen, van die geenen, die het Genootschap van broedten voorzien. De Dragers, die elk 3 a 400 Kanarie-Vogels versaamen, begeven zich dan met hunne waaren naa verre afgelegen Landen. Dus vinden zy, onder anderen, te London en Constantinopolen eenen zekeren en aanzienlyken aftrek. Daarna keeren zy met de winst naa Yms terug, om eene nieuwe reize te onderneemen. In de Engelsche Academische Verhandelingen bereekent de Heer Warrington, dat Engeland Jaarlyks uit Tyrol by de 16.000 Kanarievogels krygt. De Tyrollers verkoopen het stuk voor vijf Schellingen, hoewel zy die Vogels wel 1000 Engelsche Mylen op den rug moeten draagen, en in Engeland voor de 16.000 nog een Tol van 20 P Sterl. moeten betalen.’
Dat medio de 18e eeuw Tiroolse ambulante vogelhandelaars ook Leiden bezochten blijkt o.m. uit de advertentie die in de Leydse Courant van 5 november 1753 werd aangetroffen en was geplaatst door ‘Jan Heer Vogelman uit Tirol’. Aangenomen wordt dat tot het einde van de 18e eeuw Leiden regelmatig door Tiroolse vogelhandelaren is bezocht.12
Voor de aanwezigheid van Zuid-Duitse kooplui in de sleutelstad heb ik geen 100% overtuigend bewijs aangetroffen, maar een aanwijzing meen ik gevonden te hebben in de door ‘Melchior Joost van Alin’, geplaatste advertentie in de Leydse Courant van 7 oktober 1754. Melchior was afkomstig uit ‘Alin’, dat een aanduiding zou kunnen zijn voor het nabij München gelegen plaatsje Alling.
De Coalitie oorlogen van de jaren ’90 en de Napoleontische oorlogen aan het begin van de 19e eeuw lijken de doodsteek te zijn geweest voor de Tiroler vogelhandel naar de Lage Landen.13 In de 19e eeuw verschenen nog maar sporadisch advertenties voor Tiroler kanaries in de te Leiden uitgegeven kranten, nl. in maart en december 1828, april 1830 en voor het laatst in maart 1831.14
Lange tijd stond de stad Imst in Tirol bekend als een van de belangrijkste Europese centra van kanariekweek en –handel. Imster handelaren zwierven, vanaf mogelijk de eerste decennia van de 17e eeuw, over heel Europa uit om kanaries te verkopen. In de literatuur wordt de reeks oorlogen die Europa tussen 1792 en 1815 in de greep hield én de stadsbrand in Imst van 7 mei 1822, waarbij een groot deel van het stadscentrum in de as werd gelegd, beschouwd als rampen voor de plaatselijke kanariekweek en –handel, die de inwoners van Imst nooit meer te boven zijn gekomen. Omdat vanaf ca. 1770 in de te Amsterdam, Haarlem en Groningen uitgegeven kranten het aantal door Tiroolse vogelhandelaren geplaatste advertenties daalde en dat van kooplui die Saksische kanaries aanboden toenam veronderstellen we dat al vanaf de laatste decennia van de 18e eeuw de Tiroolse kanariehandel naar de Lage Landen op z’n retour was. Ook de advertenties in de Leydse Courant ondersteunen deze veronderstelling. Vanaf ca. 1770 namen Saksische kanariekwekers en -handelaren stilaan de positie over, die voorheen Tirolers innamen. De brand in Imst van 1822 was dus niet zozeer het begin van het einde, maar veeleer de genadeklap voor de lokale kanariekweek en –handel, die, toen de stadsbrand uitbrak, al enige decennia over z’n hoogtepunt heen was.15

 
Foto. Januari 2014. Leiden, de Mandenmakerssteeg gezien vanaf de Aalmarkt, met op de hoek de Waag. De Mandenmakerssteeg verbindt de Breestraat met de Aalmarkt en werd tijdens het maken van de foto grondig op de schop genomen.

Brabantse kanaries
Behalve de uit Tirol en Zuid Duitsland afkomstige kanaries werden, volgens van Wickede, ook in Brabant en in ‘het Luiksche’ gefokte kanaries, door ‘Walen en Walinnen’, in de Noordelijke Nederlanden verkocht. Of van Wickede met ‘het Luiksche’ de stad Luik en omgeving bedoelde is nog maar de vraag. In de Amsterdamse courant van 8 februari 1759 verscheen een advertentie waarin werd bekend gemaakt ‘dat L.L. Dortie, uit Luikerland is overgekomen met een groote party fluitende Canarie-Vogels’. Met ‘Luikerland’ werd waarschijnlijk niet Luik en omgeving bedoeld, maar Thurdinië, een landstreek in de huidige Belgische provincies Henegouwen en Namen, tussen de rivieren Sambre en Maas, met Thuin als belangrijkste stad. De aanduiding Luikerland voor dit gebied is afgeleid van het feit dat de streek ooit deel uitmaakte van het prinsbisdom Luik. Met name kloosters in Brabant en het Luikerland zouden zich met het kweken van kanaries bezig gehouden hebben.16
Waren medio de 18e eeuw de Zuid Nederlanders al actief op de Hollandse kanariemarkt, de eerste advertentie waarin Noord-Franse en Brabantse kanaries in Leiden te koop werden aangeboden dateert van 14 december 1785. In de Leydse Courant viel toen te lezen dat ‘ten huize van Willem de Vogel, castelein in de Herberg den Nieuwen Doelen, op de Beesten Markt te Leyden, is komen te logeeren een koopman met een groote party fraaije Tjonk-Fluitende Amiaansche en Fransche Canarie-vogels, different van Couleur’. Tot aan 1800 werd in de Leydse Courant door vogelkooplui regelmatig geadverteerd met ‘Fransche’, ‘Brabandsche’ en ‘Brabandsche Kanarievogels die uit Amiaansche en Fransche getrokken zijn’. Een met name genoemde handelaar in Brabantse kanaries, die in de jaren ’90 Leiden herhaaldelijk bezocht, was Lamberti, een vanwege z’n corpulentie kennelijk opvallend persoon en in de advertenties dan ook nader aangeduid als ‘de dikke koopman’. De vaste verblijfplaats van Lamberti in Leiden was het logement ‘De Keizerskroon’ op de Bloemmarkt, waarvan Cornelis van Bentum de kastelein was.17
Noord-Frankrijk, en met name de streek rondom Amiens, was klaarblijkelijk in de tweede helft van de 18e eeuw een belangrijk kanarieproducerend gebied. De uit Picardië afkomstige kanaries stonden kennelijk kwalitatief hoog aangeschreven, omdat er niet alleen mee werd geadverteerd, maar van de in (‘Belgisch’) Brabant gefokte kanaries met nadruk werd aangegeven dat ze Franse voorouders hadden. In de mij bekende kanarieliteratuur wordt Amiens als 18e eeuws centrum van de kanarieteelt niet genoemd. De roem van de Franse, cq. Brabantse, zangkanaries is in Leiden maar van korte duur geweest, omdat na de Franse Tijd vooral Saksische kanaries aan de Hollandse smaak bleken te voldoen.
Met name de vermelding in de advertenties van de zangtoer ‘tjonken’, waarin de Franse en later Brabantse zangkanaries kennelijk excelleerden, is bijzonder intrigerend voor degenen die geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van het zangkanarieras waterslager. Het gaat in dit verband te ver om in de historie van de waterslager te duiken, maar in het kader van een artikel over de oorsprong van deze zangkanarie hoop ik, t.z.t., op de ‘Amiaanse’ kanaries terug te komen.

‘Saxische’, Hallische’, ‘Brunswijkse’ en ‘Harzer Kanarievogels’
Toen medio de 18e eeuw van Wickede’s boekje over de kanarieteelt verscheen was er nog geen sprake van een uitgebreide, op de internationale markt gerichte, kanarieteelt in Saksen. De oudste advertenties waarin Saksische kanaries te koop werden aangeboden vond ik in de Amsterdamse Courant en dateren uit het eind van de jaren ’60 van de 18e eeuw. De in de advertenties genoemde streken, waaruit de ‘Saxische’ kooplieden afkomstig waren, zijn: Hannover, Braunschweig (‘Brunswijk’), de Harz in algemene zin en het plaatsje Elbingrode in het bijzonder, en Halle.18  Kennelijk verwierven kanaries uit laatstgenoemde stad al snel een zekere reputatie, omdat in  kranten regelmatig werd geadverteerd met ‘Hallische’ of ‘Halsche’ kanaries. Over de verschillen tussen de 18e eeuwse ‘Hallische’, ‘Brunswijkse’ en ‘Saxische’ kanaries bestaat enige onduidelijkheid. Omdat de begrippen in de advertenties door elkaar werden gebruikt en ook geen duidelijk verband te leggen is tussen enerzijds de zangtoeren en zangeigenschappen waarmee de vogels werden aangeprezen en anderzijds het herkomstgebied van de kanarie gaan we er vooralsnog van uit dat er geen of nauwelijks waarneembare  kwalitatieve verschillen bestonden tussen de ‘Hallische’, ‘Brunswijkse’ en ‘Saxische’ kanaries. Op het eind van de 18e eeuw was overigens de aanduiding ‘Saxische Kanarie-Vogels’ algemeen in gebruik.19 
De oudste, door mij gevonden, vermelding van de aanwezigheid van Saksische kanaries in Leiden betreft een door P. Meinhold in de  Leydse Courant van 23 mei 1777 geplaatste advertentie waarin hij behalve allerlei ‘Mineralien’, zoals goud-, zilver-, koper-, lood- en ijzererts, ook ‘Halsche Kanarie-Vogels van allerhande couleur met Kuiven en den Nagtigalslag hebbende’ te koop aanbood. Meinhold verbleef in de Paardesteeg in ‘De Koppel Paarden’ en was van plan ‘maar tien dagen te Leyden te blyven’.  In vergelijking tot het aantal advertenties waarin gedurende de jaren ’80 en ’90 Brabantse kanaries werden aangeboden, valt het aantal adverteerders voor Saksische kanaries in het niet. Sporadisch werd er een aangetroffen. Zo maakte J. Engelbregt in de Leydse Courant van 18 januari 1790 bekend dat te Leiden, in de ‘Nieuwe Overdekte Kolfbaan , in de Janvossen Steeg, waren aangekomen’ ‘allerbeste Saxische Kanarie-Vogelen, van allerhande Couleur, uitmuntende van Rol- en Nagtegaal-Slagen zoowel by dag als nagt’.
Op grond van het ontbreken van advertenties van ambulante vogelkooplui in de Leidse kranten wordt geconcludeerd dat gedurende de Franse tijd de internationale kanariehandel op zijn gat lag. Oorlogen zijn voor het internationale handelsverkeer nooit bevorderlijk geweest, zeker niet wanneer je met je handelswaar te voet door streken moet trekken die de gevolgen van de gevechtshandelingen aan den lijve ondervinden. De periode van Coalitie- en Napoleontische oorlogen tussen 1792 en 1815 lijken de doodsteek te zijn geweest voor de Tiroler en Brabantse vogelhandel naar de Lage Landen.20 Na 1815 werd er niet meer voor Brabantse kanaries in de Leidse kranten geadverteerd en uiterst sporadisch, nl. in maart en december 1828, april 1830 en voor het laatst in maart 1831 werden Tiroler kanaries te koop aangeboden.21 
In de Leydse Courant van 3 januari 1819 treffen we voor het eerst in de 19e eeuw een advertentie aan waarin werd aangekondigd dat een uit Saksen afkomstige handelaar in ‘De Verkeerde Pot’, in de Mandenmakerssteeg, logeerde en aldaar kanaries te koop aanbood.
In de loop van de 19e eeuw ontwikkelde het Harzgebergte, meer in het bijzonder St. Andreasberg, de woonplaats van het echtpaar Haberland, zich als een belangrijk centrum van de kanariekweek en –handel. Ook de uit de Harz afkomstige vogels werden in de Leidse advertenties tot aan het eind van de 19e eeuw aangeduid als Saksische kanaries. Zo werd op 19 september 1898 in het Leidsch Dagblad geadverteerd voor ‘Prachtig zingende echt geïmporteerde Saksische Kanarievogels met Hohl-, Knor- en Klingelrol’. Deze Saksische kanaries weken qua zangomschrijving wezenlijk af van de Saksische kanaries met Nachtegaalslag, die kort daarvoor nog te koop werden aangeboden. De Hohlrol zingende ‘Saksische Rolkanaries’ werden in de Leidse advertenties al snel omgedoopt in ‘Harzer (Saksische) Kanarievogels’ en later aangeduid als ‘Harzer Kanarievogels’. Al bleef daarnaast de naam ‘Saksische kanaries’ zeker tot aan de Eerste Wereldoorlog, ook nog in gebruik. Van de ‘Nachtegaalslag’ zingende Saksische kanaries werd echter na 1900 in het Leidsch Dagblad geen spoor meer gevonden.22

Solistisch of gezamenlijk op pad
Als we van Wickede moeten geloven leefden medio de 18e eeuw in Tirol en Zuid Duitsland ‘vele menschen van de broey en quekery’ van kanaries. Wanneer de vogels zelfstandig waren werden ze door de ambulante vogelkooplui opgekocht. Alleen, in tweetallen of in groepjes trokken die door Europa om de vogels uit te venten. Maar liefst 9 vogelkooplui uit Imst en het aangrenzende Tarrenz verdronken toen in oktober 1777 hun schip, dat op weg naar St. Petersburg, in de Oostzee verging. In de Amsterdamse Courant van 31 december 1735 kunnen we lezen dat ‘Serein Bos zijn Kameraets Roebertus Singer en Joseph Schoes zijn overgekomen met 2 Kraken Canary Vogels’. Ze zijn ‘gelogeerd agter de Hal aen de Boere Vismarkt in d’Olyphant, ten huyze van Jan Hendriksz, tot Amsterdam’. Veel handelaren waren vergezeld van een sjouwer, zoals Michel Nieyro, (in een advertentie van 18 januari 1738 aangeduid als Michiel Neyrohr) over wie we in de Amsterdamse Courant van 12 juni 1738 kunnen lezen dat hij ‘en zijn confrater zijn overgekomen met een kraek Canary Vogels (..) een kraek Wilt-vogels, fluytende Goudvinken en eenige Leer tot Broeken’  In de Amsterdamse Courant van 17 november 1731 adverteerde Joris Onpacker dat hij ‘met twee Kraaken Canaryvogels, alderbest van zang’  is aangekomen en logeert ‘ten huyze van Jan Henrick agter de groote Hal bij de Boere Vismarkt in de Witte Oliphant’. Joris kan onmogelijk met twee kragen op z’n rug van Zuid Duitsland of Tirol naar Amsterdam zijn gewandeld, dus is hij vergezeld van iemand die voor hem de tweede kraag droeg. Terwijl de metgezel zorg droeg voor de vogels kon de handelaar zich volledig toeleggen op het zaken doen. Niet altijd is overigens uit de advertentie op te maken wanneer de handelaar alleen was of vergezeld werd door een drager. De indruk bestaat dat naarmate de 19e eeuw vorderde de solo rondreizende vogelkoopman regel werd. Tussen de ca. 170 advertenties, die in de te Leiden verschijnende kranten werden gevonden, werd er slechts één aangetroffen waarin expliciet sprake was van meerdere personen: In de Leydse Courant van 9 januari 1875 kunnen we lezen dat Wilhelmina Schutze en haar schoonzoon Carel Engelke te Leiden waren gearriveerd met ‘een schoone party Saksische Kanarievogels, welke den Nachtegaal, Water en Belrolslag zingen, zoowel bij avond als bij dag’. Ze waren gelogeerd bij de heer L.J.F. Dumortier, Hotel des Pays Bas, Beestenmarkt 35.

Handelseizoen
Volgens van Wickede kwamen de rondreizende vogelhandelaren twee tot drie keer per jaar met hun koopwaar naar Nederland: in de herfst, het voorjaar, maar vooral in de winter.
Kijken we naar de maanden waarin in de Leydse Courant door ambulante vogelhandelaars werd geadverteerd dan verschenen niet alleen in van Wickede’s tijd, maar tot het eind van de 19e eeuw, de ambulante vogelkooplui uitsluitend van begin oktober tot en met medio april met hun handelswaar in de sleutelstad. Sommigen bezochten in die periode zelfs meerde malen Leiden om vogels te verkopen. Zo adverteerde de eerder genoemde Carl Haberland uit St. Andreasberg in de Leydse Courant van 16 februari 1838 en blijkt uit de krant van 19 maart dat hij opnieuw in Leiden was aangekomen. Mogelijk was hij in de tussenliggende vier weken naar St. Andreasberg teruggekeerd en had aldaar een nieuwe handelsvoorraad ingeslagen. Het was in de jaren ’30 van de 19e eeuw voor Carl Haberland, in ieder geval, goed zaken doen in Leiden.

Vaste tijdelijke verblijfplaatsen
Wanneer de ambulante vogelverkoper met z’n handelswaar in een stad was gearriveerd werd een logement gezocht waar hij niet alleen kon slapen en eten, maar ook de mogelijkheid had om zaken te doen. Kennelijk ging z’n komst als een lopend vuurtje door de stad, want volgens van Wickede stroomden binnen de korte keren de mensen van alle kanten naar de herberg om een kijkje te komen nemen. De in exclusieve kleurvarianten geïnteresseerde kopers waren er natuurlijk als de kippen bij om hun slag te slaan voordat er andere kapers op de kust verschenen. F. van Wickede vond het een bezienswaardigheid om een kraag met 300, 400, soms zelfs 500 kanaries, al dan niet gekuifd en verschillend gekleurd, te bekijken. Een hoogtepunt van vermaak was wanneer de voedertijd was aangebroken. In de kooitjes kwamen de kanaries dan tot leven en werd er niet alleen gevochten om het lekkerste voer, maar zaten er ook elkaar te ‘azen’.
Gebruikelijk was dat de rondreizende handelaren in een stad op een vast adres logeerden. Frequent bezochte logementen in Leiden waren aanvankelijk ’t Amsterdamsche Veerhuys’ aan de Ouden Rijn, waar Aart van Latesteyn logementhouder was; ‘De Keizerskroon‘ aan de Bloemmarkt, van Cornelis van Bentum en ‘Den Nieuwen Doelen’, op de Beestenmarkt, met Willem de Vogel als kastelein. Naarmate de 19e eeuw vorderde concentreerde de ambulante vogelhandel zich in ‘De Trasmolen’, aan de Nieuwe Rijn, die aanvankelijk door J.A. Wingefeld en later door H. Schuurink werd uitgebaat, maar vooral en bovenal in het logement gevestigd aan de Mandenmakerssteeg nr. 7, dat achtereenvolgens bekend stond als ‘De Verkeerde Pot’, ‘De Omgekeerde Pot’ en werd beheerd door de familie Chouffour of Schouffour. Nadat de Chouffours het hadden overgedaan aan G. Dingjan, verdween de oude naam en werd het ‘Café Dingjan’, maar bleef het een vast onderkomen voor rondreizende vogelverkopers. Ook toen A.H.J. Jansen rond 1890 het logement overnam bleven ambulante vogelkooplui hier eten, slapen en zaken doen, met Richard Faulstick, in februari 1914, als laatste der Mohikanen. Op grond van de advertenties in de kranten kunnen we concluderen dat het logement in de Mandenmakerssteeg minstens honderd jaar het centrum bij uitstek is geweest van de Leidse ambulante kanariehandel.23

Vogelverkopende kasteleins
Carl Haberlands handelsreis door Holland in de winter van1832 duurde nog geen maand en in die periode deed hij acht steden aan, waaronder twee keer Leiden. Honderd jaar nadat van Wickede als kanariefokker actief was en constateerde dat de rondreizende vogelkooplui ‘zig zelden met hunne Kanarivogels lange in ene plaats ophouden’ was er in dit opzicht dus weinig veranderd. Advertenties in de Leydse Courant en later het Leidsch Dagblad laten hieromtrent niets aan duidelijkheid te wensen over. De ambulante vogelkoopman verbleef in de regel ca. vier dagen in z’n logement, om zaken te doen en vervolgens verder te reizen. Mocht hij al zoveel verkocht hebben dat het voor hem minder lucratief was geworden om met z’n handel naar een volgende stad te gaan dan gingen de vogels in de uitverkoop: De verkoopprijs werd verlaagd of ze werden in één koop aan een opkoper aangeboden. In de Groninger Courant van 10 november 1775 adverteerde Godlieb Meinhold dat hij was gearriveerd met ‘een kraak vol Kanarivogels zoo goed van zang als Nagtegalen’. Een week later, op 17 november 1775 laat Meinhold via een advertentie weten ‘dat hy van zins is, zyne Kanari Vogels het stuk voor drie guldens te verkopen’.
In de regel probeerde de ambulante vogelhandelaar de resterende vogels in één koop te slijten aan een lokale liefhebber of meer in het bijzonder aan de kastelein van de herberg waar hij had gelogeerd. Dit gebruik verklaart waarom we in de krant regelmatig advertenties aantreffen waarin logementhouders vogels te koop aanbieden. Herbergiers die regelmatig ambulante vogelkooplui onderdak boden  ontpopten zich op deze wijze ook als vogelhandelaren. De Leidse kasteleins vormden hierop geen uitzondering: Hospes de Wolf van ‘De Witte Poort’ bood op 2 december 1776 ‘allerhande sprekende en niet-sprekende papegaaien’ aan. Op 2 maart 1787 heeft Willem de Vogel, logementhouder van ‘Den Nieuwen Doelen’ op de Beestenmarkt, ‘fluitende Canarie vogelen’ in de aanbieding. Ook Aart van Latensteyn, kastelein van ‘t Amsterdamse Veerhuys’ aan de Oude Rijn, A. van Scheindel, herbergier van ’t Zwijnshoofd’ en Pieter Engelbrecht, ‘Castelein’ in de Wakende Haan, in de ‘Vrouwe Steeg’, adverteerden met kanaries.24
Opmerkelijk is de naar verhouding hogere frequentie van advertenties van vogelverkopende logementhouders tijdens de Bataafse Republiek en de Franse Tijd. Na 1815 werd opvallend weinig door Leidse herbergiers geadverteerd. Pas op het eind van de 19e eeuw verschenen er weer advertenties van kasteleins in de krant. Met name de heer G. Dingjan van het gelijknamige café in de Mandenmakerssteeg ontpopte zich na 1880 als een regelmatige kanarieverkoper 25  en op het eind van de jaren ‘90 liet de eigenaar van Café ‘De Vogeltuin’, Stationsweg 29, zich op dit vlak ook niet onbetuigd.26
Gedurende de laatste twee decennia van de 19e eeuw verschenen er, naast die van vogelverkopende kasteleins, ook advertenties van lokale handelaren die zich exclusief op de verkoop van vogels, waaronder kanaries, toelegden. Bekende Leidse vogeldetaillisten in die tijd waren P.J. van den Hoek, Handelaar in Gevogelte, woonachtig Zijdgracht no. 9; J. Veere, die z’n nering bedreef vanuit de Korte Paradijssteeg 76, en Vincent Stokhuijzen, woonachtig op de Ouden Rijn 138, die behalve in kanaries ook in postzegels handelde, en zich afficheerde als ‘importeur van harzer kanaries’.27 Deze professionele Leidse vogelhandelaren betrokken hun kanaries niet van de rondreizende vogelkooplui. Zij trokken er zelf op uit om vogels in Duitsland te kopen of kochten van vogelimporteurs.28
Rond 1900 begonnen ook steeds meer particulieren te adverteren met door hen gekweekte kanaries. Omdat met het verschijnen van lokale professionele vogelhandelaren de vogel- en kanariehandel vanaf 1880 fundamenteel veranderde werd het voor de ambulante vogelverkoper kennelijk steeds minder aantrekkelijk om in Leiden zaken te doen. Na 1900 werd er nog sporadisch door een rondreizende Duitse vogelhandelaar in het Leidsch Dagblad geadverteerd.29  

De vogelverkopers en hun praktijken    
In z’n ‘Kanari-uitspanningen’ ging van Wickede uitvoerig in op de dubieuze praktijken van de ambulante kanarieverkopers. Als we hem moeten geloven naaiden ze je een oor aan waar je bij stond. Poeslief waren ze tegenover de leek die ze een zieke vogel of een pop voor een man konden verkopen en de deskundige zagen ze liever gaan dan komen, want daar viel niet zo veel aan te verdienen of te belazeren. Waar hebben we dit meer gehoord? Kwalijke praktijken in de vogelhandel lijken zo onlosmakelijk met elkaar verbonden als wielrennen en doping.
Van Wickede zal z’n redenen hebben gehad het internationale kanarieverkopersgilde als een oplichtersbende af te schilderen. Wellicht werd zijn oordeel bepaald door wat hij hoogstpersoonlijk gezien, gehoord en mogelijk ook zelf ondervonden had met de Tiroolse, Zuid-Duitse en Waalse kooplui. Van Wickede’s advies om vooral vogels te kopen bij vertrouwde kwekers heeft 250 jaar na dato nog niets aan actualiteit ingeboet. Toch is het maar de vraag of het door van Wickede op de ambulante kanariehandel opgeplakte etiket van charlatans wel correct is. Mogelijk gold dit voor de tijd waarin hij zijn boekje schreef, maar de rondreizende vogelverkopers die in de 19e eeuw Leiden bezochten bleven er regelmatig komen en dat is toch een teken dat de Saksische vogelverkoper een vertrouwd adres was om kanaries bij aan te schaffen. Het is opvallend hoe vaak en hoe lang dezelfde handelaren Leiden bezochten om vogels te verkopen: Carl Haberland, 1822 t/m 1840; Johan Sondermann, 1882 t/m 1891; A.C. Saul, 1884 t/m 1897; Richard Faulstick, 1890 t/m 1914. Een heel ander geluid dan uit het boek van van Wickede klinkt uit een redactioneel stukje, onder het kopje ‘Gemengd Nieuws’, in het Leidsch Dagblad van 5 november 1883: ‘Een voor velen goede bekende zal Leiden weer voor enkele dagen bezoeken: Sondermann met zijne schoone collectie kanarievogels. ‘Goede wijn behoeft geen krans’’.

Van Leiden naar Nederlandsch-Indie
In de jaren ’90 zocht J. Sondermann het wat verder op dan Leiden om z’n Saksische kanaries te verkopen.  In het Semarangs Nieuws-, Handels- en Advertentieblad ‘De Locomotief’ van 22 maart 1893 werden in een advertentie de kanaries van Sondermann aangeprezen en te koop aangeboden. Ook in de winter van 1895 was J. Sondermann met vogels naar Java vertrokken, getuige een advertentie in ‘De Locomotief’ van 16 maart 1895, waarin hij niet alleen adverteerde met ‘een prachtige partij Saksische Kanarievogels’, maar ook met vinken en putters, vogelkooien en zaad en hij, wegens vertrek naar Europa, bovendien een ‘3 loops jachtgeweer’ in de aanbieding had. In het Harzer Roller Museum in St. Andreasberg wordt uitgebreid aandacht besteed aan de uitvoer van in Duitsland gefokte kanaries naar o.m. de Verenigde Staten gedurende de laatste decennia van de 19e eeuw. Volgens door het museum verstrekte informatie exporteerde vogelhandel C. Reiche in de jaren 1882-1883 maar liefst 120.000 kanaries naar de VS, 10.500 naar Zuid Amerika, ca. 30.000 naar Australië en 3.000 naar Zuid Afrika. Dat er ook Duitsers met harzers naar Nederlandsch Indië gingen was mij niet bekend tot ik de advertenties in ‘De Locomotief’ ontdekte. Voor herinneringen aan het vaderland oproepende klanken van kanaries, putters en goudvinken was dus ook in de ‘Gordel van Smaragd’ een afzetmarkt en voor ambulante vogelkooplui kennelijk lucratief genoeg om daarvoor een lange reis naar ‘de Oost’ te ondernemen. Mogelijk waren de kanariekooitjes op de terugreis gevuld met tropische vogels, die in Europa konden worden verkocht, hetgeen de handelsreis naar Nederlandsch-Indië des te aantrekkelijker maakte.

Verkoopprijzen
Voor welke prijzen werden de kanaries door de ambulante vogelverkopers in de Leidse logementen aan hun cliëntèle verkocht? De vraag stellen is eenvoudig, hem beantwoorden veel lastiger dan men wellicht op voorhand zou denken. In de digitale krantenarchieven van het Leids Gemeentearchief en de Koninklijke Bibliotheek te ’s Gravenhage heb ik gezocht naar advertenties van ambulante kanarieverkopers. Voor de 18e eeuw heb ik het Leidse archief en van de KB alle beschikbare kranten digitaal laten doorzoeken, voor de 19e eeuw uitsluitend het Leidse krantenarchief. Tussen de honderden 18e eeuwse advertenties van ambulante vogelverkopers die ik heb aangetroffen bevonden zich er vijf met een bedrag waarvoor kanaries te koop werden aangeboden. In het Leidse digitale krantenarchief heb ik tot ver in de 19e eeuw geen enkele advertentie kunnen vinden met een prijsindicatie. Pas vanaf 1880 verschenen in de Leidse kranten incidenteel, en vanaf 1895 regelmatig, advertenties met de verkoopprijzen van kanaries, zowel van ambulante vogelverkopers, detaillisten als particulieren.
Bronnen met informatie over de prijzen waarvoor in het verre verleden kanaries werden verkocht zijn dus uitermate schaars. De oudste indicatie voor de verkoopprijs van een kanarie is gevonden in de door Conrad Gesner geschreven en in 1555 uitgegeven Avium Natura. Hij stelt dat een van de Canarische eilanden afkomstige kanarie erg duur is, omdat hij van ver moet worden aangevoerd en tijdens de reis bijzondere verzorging behoeft. Daarom kunnen alleen de zeer rijken zich de aanschaf van een kanarie veroorloven.30 
Op grond van uit de tweede helft van de 16e eeuw daterende inboedelinventarissen van geconfisqueerde particuliere bezittingen mogen we veronderstellen dat in de Noordelijke Nederlanden het in bezit hebben van een kanarie alleen was weggelegd voor personen die over een zekere mate van welstand beschikten. Bovendien werd in een uiterst bescheiden aantal inboedelinventarissen een kanariekooi aangetroffen, hetgeen er op zou kunnen duiden dat het bezit van een kanarie nog redelijk exclusief was.31 
Het doorspitten van uit de jaren 1570-1579 daterende Antwerpse inboedelinventarissen leidde tot een vergelijkbare conclusie. Tussen de 50 onderzochte inventarissen bevonden zich er vier waaruit bleek dat de eigenaar in het bezit was van een kanarie. Alle kanarie-eigenaren waren zodanig behuisd dat ze tot de rijkere inwoners van Antwerpen gerekend moesten worden.
Het onderzoek naar de aanwezigheid van gezelschapsdieren in Antwerpse huishoudens aan de hand van inboedelinventarissen leidde tot de conclusie dat tot aan de tweede helft van de 17e eeuw het bezit van een kanarie alleen aan de Antwerpse rijken was voorbehouden en pas vanaf ca. 1675 ook bij de gegoede middenstand kanaries werden aangetroffen.32 
Toen de Amsterdamse vogelhandelaar Frans Vogelaer in de tweede helft van de 17e eeuw regelmatig hoogstpersoonlijk naar de Azoren ging om kanaries in te kopen, moest hij, wanneer hij de onderneming met winst wilde afsluiten, de vogels voor een dusdanige prijs verkopen dat de kosten van de reis, inkoop, derving en tijdsinvestering ruim gecompenseerd werden.33 We veronderstellen daarom dat in de Republiek in de tweede helft van de 17e eeuw de gewone wildvang kanarie nog altijd voor een substantieel bedrag over de toonbank ging en het in bezit hebben van een kanarie weliswaar niet alleen meer was voorbehouden aan de rijken, zoals in de 16e eeuw het geval was, maar men toch een zodanig bedrag moest neerleggen dat alleen voor de gegoede middenstand en de meer vermogenden de aanschaf van een kanarie financieel mogelijk was.
In het door P. Nyland en J. van Hextor geschreven ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen’ worden we geïnformeerd over de waarde van een melodietje zingende kanarie ca. 1670. Er wordt een verkoopprijs genoemd die varieert tussen de 60 en 100 gulden. In die tijd een bedrag dat overeenkwam met het loon van een bouwvakker van 3 – 5 maanden. Het betrof uiteraard een kanarie die over bijzondere kwaliteiten beschikte, waardoor een prijsvergelijking met een gewone groene kanarie niet reëel is.34  
Meer duidelijkheid omtrent de prijsverhoudingen hebben we pas sinds de uitgave van het  door J.C. Hervieux de Chanteloup geschreven ‘Traité curieux des serins de Canarie’, waarvan de eerst editie mogelijk in 1707 te Parijs werd uitgegeven. In dit boek vinden we een lijst van verschillende kanarievariëteiten en de prijs waarvoor die, waarschijnlijk in Parijs, werden verhandeld. Het betreft dan geen geïmporteerde wilvangkanaries meer, maar gekweekte vogels. In de in 1712 onder de titel ‘Naauwkeurige verhandeling van de Kanarivogels’ uitgebrachte Nederlandse editie heeft vertaler A. Moubach de in de originele uitgave gepubliceerde prijslijst, overeenkomstige de toenmalige wisselkoersen, in Hollandse valuta omgezet. Het zijn uiteraard bedragen die in Frankrijk voor de verschillende kleurslagen werd neergeteld, maar ze geven ons minstens een indicatie van de toenmalige internationale handelsprijzen waarvoor kanaries van eigenaar wisselden.

Dit zijn de door Hervieux opgegeven, Franse, kanarieprijzen in Hollandse valuta:

                                                                                       guldens      stuivers

Gemeene Graauwe                                                                3                10
Gedonsde Graauwe of Witstaarten                                        5        
Gemeene Asgraauwe                                                            4
Goudgele Asgraauwe                                                            4                10
Gedonsde Asgraauwe of Witstaarten                                    5                10
Gemeene Geele                                                                    4
Gedonsde Geele of Witstaarten                                            6
Gemeene Agaatverwige                                                        4
Agaatverwige van Bonten aart                                               5                10
Gemeene Isabelverwige                                                        4
Goudgeele Isabelverwige                                                      4                10
Gedonsde Isabelverwige of Witstaarten                                 5               10
Gemeene Bonte                                                                     6    
Asgraauwe Bonte                                                                  7
Zwartbonte                                                                          10
Zwartbonte en geregelde                                                      20
Gemeene Citroenverwige                                                     15
Zwarte en geregelde Bonte  
Citroenverwige                                                                    2535

Om enige indruk te hebben van de waarde van deze kanaries is het wellicht verhelderend de prijs van de gewone groene kanarie te vergelijken met het loon van een bouwvakker. Diens dagloon bedroeg toen ca. 16 stuivers en het weekloon dus bijna 5 gulden. De meest gangbare kanarie kostte toen ca. 70 stuivers en dat kwam dus overeen met het loon dat een bouwvakker ontving voor vier dagen werken.36 
Hoewel F. van Wickede bij het schrijven van zijn ‘Kanari-uitspanningen’ het boek van Hervieux overduidelijk als voorbeeld heeft gebruikt nam hij, helaas, geen prijslijstje op met bedragen waarvoor ca. 1750 de Tirolers hun kanaries in de Republiek verkochten. De enige prijsaanduiding die in van Wickede te vinden is betreft het bedrag waarvoor in 1734 de eerste gekuifde kanaries van eigenaar wisselden: ‘ten tyde zy eerst hier te Lande kwamen, wierden zy gretig het stuk voor een Pistool verkogt’. Een ‘Zonne-pistool’ of ‘pistool’ was de bijnaam van de in de 18e eeuw in de Republiek in het handelsverkeer circulerende Spaanse dubloen en Franse Louis d’or, gouden munten met een waarde van ca. 12 gulden. Omstreeks 1735 kwam dit overeen met het bouwvakkersloon van bijna drie weken.37  
Naarmate de 18e eeuw vorderde adverteerden de ambulante kanarieverkopers steeds vaker in de kranten die in de steden, waar ze tijdelijk verbleven, werden verspreid. De honderden advertenties die door mij zijn gevonden verschaffen ons, zoals gezegd, weinig concrete informatie over de prijzen waarvoor de vogels werden verkocht.  Men beperkte zich in de regel tot de opmerking dat de kanaries ‘voor een civiele prys’ te koop waren. We nemen aan dat de zogenaamde ‘geleerde’ kanaries, vogels die een melodietje konden zingen, duurder waren dan de ‘ongeleerde’ en van de ongeleerde vogels de mate van exclusiviteit bepalend was voor de prijs: gekuifde en minder gangbare kleurslagen zullen ongetwijfeld meer gekost hebben dan de ‘Gemeene Graauwe’, de meest algemeen voorkomende kanarievariëteit.
Wanneer ‘Leopold Seuverijn, alias de Jonge Vos’ in de Amsterdamse Courant van 8 oktober 1765 adverteert dat hij is gearriveerd ‘met 2 frissche Kraagen Kanarie Vogels, eenige een Ducaat het stuk waardig’, dan wordt de indruk gewekt dat Leopold enkele heel exclusieve vogels heeft meegenomen, maar dat het overgrote deel voor een lagere prijs van de hand ging. Vrijwel zeker betreft het hier de hoogstwaarschijnlijk uit het Oostenrijkse Imst afkomstige Leopold Posch, zoon van de gerenommeerde kanariehandelaar Severyn Posch, alias de Oude Vos. Severyn en na hem z’n zoon Leopold reisden een groot deel van de 18e eeuw vrijwel jaarlijks uit Tirol naar Holland om kanaries te verkopen. De duurdere vogels werden door hen dus verkocht voor een ducaat per stuk. De gouden ducaat vertegenwoordigde omstreeks 1765 een waarde van ca. 5½ gulden, iets meer dan het weekloon van een bouwvakker. Op grond van de advertentie van Leopold Posch concluderen we dat voor het duurdere segment van de kanaries bij de Tirolers in de 18e eeuw 5-6 gulden per stuk betaald moest worden.
Andere advertenties geven ons een indicatie van de prijzen van de goedkoopste kanarievariëteiten. Op 10 november 1775 adverteerde  de uit de Harz afkomstige Godlieb Meinhold in de Groninger Courant dat hij met een ‘Kraak vol Kanari-Vogels’ was gearriveerd. Precies een week later, op 17 november, adverteerde Godlieb opnieuw, nu met de mededeling ‘dat hy van zins is, zyne Kanari Vogels het stuk voor drie Guldens te verkopen’. Het heeft er alle schijn van dat Meinhold van z’n kanaries af wilde en ze in de uitverkoop deed voor 3 gulden per stuk. Hij had mogelijk met z’n kraag al heel Holland doorgereisd, en wilde in Groningen wel van z’n handel af voordat hij weer naar Saksen terug reisde. Ongetwijfeld was in de ‘Kraak’ van Meinhold inmiddels het vet van de jus en zullen de vogels die hij vlak voor z’n vertrek uit Groningen nog te koop had niet van de allerbeste kwaliteit geweest zijn. De uit Halle of Braunschweig afkomstige Johannes Sussenaar was in de jaren ’70 van de 18e eeuw met zijn Saksische kanaries een regelmatige bezoeker van de stad Groningen. In 1776 en 1777 adverteerde hij eveneens met kanaries van drie gulden per stuk.  Een stuk goedkoper kon men tien jaar later terecht bij Johannes Michiel Enders. Toen hij in april 1788 te Groningen verbleef adverteerde hij ‘met beste Kanari Vogels, by de Nagtegalen geleert, en verkoop het paar voor 2 Gulden’.38
Op grond van bovenstaande concluderen we dat de reguliere prijs voor een ‘Gemeene Graauwe’ kanarie in de tweede helft van de 18e eeuw rond de drie gulden schommelde. Uitgaande van de in Hervieux opgenomen prijslijst zou dit betekenen dat de prijs waarvoor de ambulante kooplui de goedkoopste kanarievariëteit verkochten in de loop van de 18e nauwelijks veranderde. Kijken we naar de loonontwikkeling van de bouwvakkers dan bleef die gedurende de eerste decennia van de 18e eeuw vrij stabiel, maar had in de tweede helft van de 18e eeuw de neiging te dalen, met name buiten Holland, m.a.w. een bouwvakker verdiende ca. 1775 in een week nog geen vijf gulden, terwijl de goedkoopste kanarie ca. drie gulden kostte. De aanschaf van een gewone groene kanarie was op het einde van de 18e eeuw dus wel weggelegd voor een middenstander, maar ging de financiële draagkracht van een arbeider in loondienst nog te boven.39  
Gaven advertenties in de Groninger Courant ons een indicatie van het prijskaartje dat in de 18e eeuw aan een kanarie hing, voor de prijzen waarvoor in de 19e eeuw kanaries in de Leidse logementen werden verkocht tasten we vooralsnog volledig het duister. Tot 1880 werd in geen enkele door mij aangetroffen advertentie in de Leydse Courant of het Leidsch Dagblad een verkoopprijs vermeld.
Op 30 maart 1882 adverteerde P.J. van den Hoek, Handelaar in Gevogelten, Zijdgracht no. 9, te Leiden, met diverse soorten vogels, waaronder ‘Saksische Kanarievogels’. Voor de ‘Roode Cardinaals’ vroeg van den Hoek ƒ 7,00, voor de grasparkieten per paar ƒ 4,00, de ‘Sint Helena Vogeltjes’ moesten per paar ƒ 2,50 op brengen en de ‘Saksische Kanarievogels’ kostten ƒ 5,50 per stuk.40   
De prijzen waarvoor de Duitse ambulante kanarieverkopers in Leiden hun vogels van de hand deden verschilden nauwelijks van de detailhandelsprijzen voor Saksische kanaries. Begin december 1885 had de heer A.C. Saul zijn intrek genomen in het vertrouwde logement in de Mandenmakersteeg, toen ‘Café Jansen’ geheten, en adverteerde met Saksische kanaries als ‘St. Nicolaas cadeaux’ voor de prijs van 4 à 5 gulden. Poppen moesten 60 cent opbrengen.41 
Van een geheel andere orde waren de kanaries die door Nederlanders waren gekweekt, de zogenaamde ‘Hollandsche kanaries’, en door winkeliers of door de kwekers zelf werden verkocht. Zij gingen voor ƒ 2 - ƒ 2,50 per stuk over de toonbank en kwekers boden ze voor ‘spotprijzen’ van ƒ 1,50, ƒ 1,75 en ƒ 2,00 aan. Poppen wisselden voor 40 en 50 cent van eigenaar.42 
In december 1898 verschenen de eerste advertenties waarin Saksische kanaries werden aangeboden met ‘Hohrol, Knorrrol en Bellrol’; de Harzer Edelroller had toen kennelijk ook zijn weg naar Leiden gevonden. Goedkoop waren ze allerminst, deze zangkanaries die we later kortweg Harzers zouden noemen. Ze moesten ƒ 5,00, ƒ 6,00 of ƒ 7,00 per stuk opbrengen. Een in de Leidsche Courant van 14 januari 1910 door M. Pouw uit Boskoop geplaatste advertentie geeft ons een aardig overzicht van de toenmalige prijzen van de diverse variëteiten van de Harzer Edelroller: Holrollers: ƒ 3,00, ƒ 4,00, ƒ 5,00 en ƒ 6,00; Trute mannen: ƒ 4,00, ƒ 5,00, ƒ 6,00, ƒ 7,50 per stuk; Seiferts mannen: ƒ 5,00, ƒ 6,00, ƒ 7,00 en ƒ 10,00 per stuk. Tussen de duurste Seiferts mannen en de goedkoopste, bij de kweker gekochte, ‘Hollandsche’ kanarie zat dus maar liefst een prijsverschil van ƒ 8,50.43 
Hiervoor kwamen we tot de conclusie dat op het eind van de 18e eeuw de aanschaf van een kanarie voor een bouwvakker financieel onhaalbaar was. Lag op het eind van de 19e eeuw het wel binnen de mogelijkheden van de Leidse gewone man om een zangkanarie in huis te hebben? Sjaak van der Velden, die de loonontwikkeling van de arbeiders in de dekenfabriek  Zaalberg in Leiden gedurende de periode 1896-1902 heeft onderzocht, kwam o.m. tot de conclusie dat het gemiddeld weekloon van de best betaalde fabriekarbeiders, de wevers, tussen 1896 en 1903 toenam van 8 naar bijna 10 gulden per week. Voor de aanschaf van een superbe Seifertse edelroller zou een wever van de Leidse dekenfabriek dus een heel weeksalaris op tafel moeten leggen! Mogelijk dat de aanschaf van een eenvoudig ‘Hollandsch’ mannetje, voor ƒ 1,50 gekocht bij de kweker, nog net binnen de financiële mogelijkheden van de Leidse dekenwever viel, maar ook die aanschaf was toen ongetwijfeld een rib uit z’n lijf.44   
De conclusie kan daarom niet anders zijn dat tot aan het begin van de 20e eeuw de kanarie een luxe artikel was. Aanvankelijk konden alleen de rijken zich de aanschaf van een kanarie veroorloven, later kwam de kanarie ook binnen het financiële bereik van de middenstanders, maar de algemeen voorkomende mankanarie in de huiskamer van de gewone man is een verschijnsel dat pas in de loop van de 20e eeuw mogelijk was en niet eerder.

Ambulante handel in andere vogels dan kanaries
Zoals ook uit de praktijken van de naar Nederlandsch Indië reizende Johan Sondermann valt op te maken beperkte de ambulante vogelhandel zich niet uitsluitend tot kanaries. In de Gravenhaegse Courant van 3 maart 1728 valt te lezen dat in een logement met het uithangbord ‘Amsterdam’, bij de Vismarkt, twee mannen zijn ‘aengekomen met verscheyde Kanary-vogelen en roode nachtegalen’. In de Amsterdamse Courant van 12 juni 1738 adverteerde Michiel Neyrohr met ‘Wilt-vogels’ en ‘fluitende Goudvinken’. Gedurende de gehele 18e eeuw werden regelmatig advertenties geplaatst waarin de ambulante koopman behalve de meegebrachte kanaries ook andere vogels te koop aanbood zoals‘Bastaarde’, ‘Nachtegaalen en andere Vogels’, ‘Putters en Seissen’, ‘allerbeste geleerde Putters, met derzelve daartoe gemaakte Kooijen’ en bovenal goudvinken, al dan niet een deuntje fluitend.45   
Matthias Posch schrijft in zijn ‘Die Imster Vogelhändler’ over de vangst en handel in kruisbekken. Voor het transport van deze vogels werden door de vogelhandelaren kooitjes met tralies van ijzerdraad vervaardigd, omdat de houten tralies van de kanariekooitjes niet tegen de snavelkracht van de kruisbekken bestand waren.46   
Naast kanaries, waarvoor verreweg het meest werd geadverteerd, werden ook regelmatig melodietjes zingende goudvinken aangeboden. Het repertoire van deze ‘geleerde goudvinken’ bestond uit ‘Geestelyke en Waereldlyke Deuntjes’.47  Sommige handelaren verkochten zowel kanaries als goudvinken, maar er waren ook ambulante vogelverkopers die uitsluitend wijsjes fluitende goudvinken verhandelden.
Ook in de Leydsche Courant zijn advertenties aangetroffen van in goudvinken handelende Duitstalige ambulante kooplui. Zo bezocht de uit het Beierse, ‘Klein Lancheim’ afkomstige Michel Klein tussen 1818 en 1842 regelmatig Leiden om goudvinken te verkopen die een melodietje zongen. Hoogstwaarschijnlijk woonde Klein in Kleinlangheim, een plaatsje 30 km ten oosten van Würzburg, tussen Neurenberg en Frankfurt am Main. Een regelmatige gast in Leiden, die eveneens in de jaren ’20 en ’30 van de 19e eeuw ‘geleerde goudvinken’ te koop aanbood, was Pieter Posthaus. Posthaus had zich kennelijk helemaal toegelegd op de Nederlandse markt, want hij adverteerde met goudvinken die de wijs van ‘Wilhelmus van Nassau’ floten. Andere voor die tijd populaire deuntjes, die door de goudvinken werden gezongen waren: Malbroek, Climeen, Deserteur, Ach da liber Augustyn (Ach du lieber Augstin) en verder Minuet, Walsen en Contredansen. Zowel Michiel Klein als Pieter Posthaus waren vaste gasten van de familie Chouffour in ‘De Omgekeerde Pot’ in de Mandenmakerssteeg. Later verbleef Klein ook in ‘De Trasmolen’, aan de Nieuwe Rijn.48   
De oudste, door mij aangetroffen, op Leiden betrekking hebbende, advertentie waarin ‘fraaije geleerde goudvinken’ te koop werden aangeboden stond in de Leydse Courant en dateert van 28 maart 1794. Het betrof ‘een koopman’ die gelogeerd was in ‘De Bonte Os’ op de Beestenmarkt, waarvan Rynier Remmerwaal logementhouder was. De periode waarin het frequents voor ‘geleerde goudvinken’ in de Leydse Courant werd geadverteerd was van 1815 tot 1845. In de tweede helft van de 19e eeuw  werd de markt voor wijsjes fluitende goudvinken kennelijk kleiner, maar verdween nooit definitief. Richard Faulstick, die, voor zover bekend, in februari 1914 als laatste Duitstalige ambulante vogelkoopman Leiden bezocht, had toen niet alleen een ‘mooie collectie Saksische Kanarievogels (Seiffertse stam met koller)’ bij zich, maar ook ‘geleerde goudvinken die verschillende aria’s fluiten’.49  

De Saksische ambulante goudvinkenhandel en de opkomst van de kanarieteelt in Saksen
Tijdens mijn rondgang door het Harzer Roller Museum in St. Andreasberg was mij niet alleen de reispas van Carl Haberland opgevallen; aan de muur hing ook een chronologisch overzicht van de kanarieteelt in Europa. Bij het jaar 1730 stond vermeld dat Italiaanse voerlieden de kanarie naar het Alpengebied brachten en vervolgens in de mijnbouwstad Imst, in Tirol, de kanarieteelt zich tot een belangrijke bron van inkomsten ontwikkelde. Van Imst naar de Harz verhuizende mijnwerkers namen kanaries mee naar St. Andreasberg. Ook andere bronnen verwoorden de visie dat de kanarieteelt in de Harz teruggaat tot Tiroler mijnwerkers die, toen de werkgelegenheid in de Tiroler zilver- en loodmijnen terugliep, nieuw emplooi zochten in de Harz en kanaries en de kanarieteelt meenamen naar Saksen.50
Op grond van Joseph Blagrave’s  ‘The Epitome of the Art of Husbandry’, moeten we de introductie van de kanarieteelt in Tirol wellicht  honderd jaar eerder dateren dan de door het Harzer Roller Museum verschafte informatie.51 Ook de visie dat de kanarieteelt in Saksen, en de Harz in het bijzonder, is geïntroduceerd door Imster mijnwerkers behoeft, mijn inziens, enige nuancering. Er zou namelijk wel eens een causaal verband kunnen bestaan tussen de Saksische ambulante handel in geleerde goudvinken en de opkomst van de Saksische kanarieteelt en –handel.
Medio de 18e eeuw waren de grote steden in de Republiek een interessant afzetgebied voor de internatonale vogelhandel. Het merendeel van de ambulante vogelhandelaren was afkomstig uit Tirol en Zuid Duitsland en verhandelde in de logementen waarin ze verbleven allerlei vogelsoorten, maar vooral kanaries. Op grond van advertenties in, bijvoorbeeld, de Amsterdamse Courant verschenen er in de Republiek toen ook regelmatig vogelhandelaren uit de streek in Duitsland die we tegenwoordig het Roergebied noemen, maar met name uit Saksen, in het bijzonder uit de Harz en de op steenworp afstand hiervan gelegen steden Hannover en Braunschweig. Deze kooplieden handelden niet in kanaries, maar in Europese vogels en vooral in zogenaamde ‘Geleerde Goud-Vinken’: goudvinken die een melodietje of ‘airtje’ zongen. Het repertoire van de goudvinken bestond uit ‘Geestelyke en Waereldlyke Deuntjes’, meer in het bijzonder ‘Psalmen’, ‘Marschen’, ‘Franse en Duytse Minewetten’ en  ‘Hollandse Deuntjes’.52
In de tweede helft van de jaren ’60 verschenen in de Republiek in de kranten opeens advertenties van Saksische vogelhandelaren, die, behalve geleerde goudvinken, ook kanaries te koop aanboden. Ze kwamen overwegend uit dezelfde streek als waar de verkopers van de deuntjes zingende goudvinken afkomstig waren: de Harz en de ten noorden hiervan gelegen steden Braunschweig, Hannover en Halle. Naarmate de jaren vorderden groeide het aantal advertenties van Saksische handelaren die zowel geleerde goudvinken als kanaries aanboden.  Vanaf de tweede helft van de jaren ’70 concentreerden de Saksische vogelverkopers zich steeds meer op de kanariehandel en ontwikkelde de kanarie zich van nevenartikel tot hoofdproduct. In ruim tien jaar tijd had de Saksische ambulante vogelhandel op de Republiek zich dus getransformeerd van de verkoop van uitsluitend Europese vogels en met name geleerde goudvinken naar een assortiment dat hoofdzakelijk uit kanaries bestond. Op grond van de verkoop van Saksische kanaries in de Republiek kunnen we het ontstaan van een substantiële kanarieteelt en -handel in Saksen vrij nauwkeurig dateren, nl. in de jaren ’60 van de 18e eeuw.53
Waren de Saksische kanaries, die vanaf het eind van de jaren ‘60 van de 18e eeuw in de Republiek te koop werden aangeboden, gekweekt door de uit Tirol naar de Harz, in het bijzonder naar St. Andreasberg, verhuisde mijnwerkers en door (goudvinken) handelaren uit Hannover, Braunschweig, Halle en de Harz opgekocht; hebben de handelaren in geleerde goudvinken de introductie en verspreiding van de kanarieteelt in Saksen en de Harz doelbewust gestimuleerd, of hebben wellicht beide factoren een rol gespeeld? Afgaande op de tot dusver meest gangbare visie zou men uitsluitend voor de eerste optie moeten kiezen, maar er zijn ook aanwijzingen dat de handelaren in geleerde goudvinken aan de wieg hebben gestaan van de opkomst van de kanarieteelt en –handel in Saksen.
Tijdens de handelstochten in de Republiek en hun verblijf in, o.m., Amsterdamse logementen zullen de paden van de Zuid-Duitse en Tiroolse kanariehandelaren en die van de Saksische goudvinkenverkopers elkaar regelmatig gekruist hebben. Het is geen vergezochte veronderstelling dat, geïnspireerd door de lucratieve kanariehandel van de Tirolers, de Saksische goudvinkenhandelaren de kweek van kanaries in Saksen hebben geïntroduceerd of op z’n minst hebben gestimuleerd. Deze veronderstelling wordt mede ondersteund door het feit dat de eerste Saksische kanariehandelaren niet uitsluitend afkomstig waren uit de Harz, maar ook uit de steden Hannover, Braunschweig en vooral Halle, de streek waarvan ook het merendeel van de handelaren in geleerde goudvinken afkomstig was. Opmerkelijk is dat pas in 1806 in St. Andreasberg een inwoner zich met het beroep van vogelkoopman liet registreren.54 Bovendien werden in advertenties de door de Saksische handelaren aangeboden kanaries aanvankelijk meestal aangeduid als ‘Hallische’ of ‘Halse’ kanaries en pas later als ‘Saxische’ kanaries.55 Dit zou erop kunnen wijzen dat niet zozeer de Harz, als wel de stad Halle aanvankelijk in de Republiek bekend stond als het centrum van de Saksische kanarieteelt.  Op grond van de herkomst van de ambulante Saksische vogelhandelaren, die in de periode 1768-1775 in de kranten in de Republiek adverteerden, en de toen veelvuldig gehanteerde benaming ‘Hallische’ of ‘Halse’ kanaries zouden we dus de oorsprong van de Saksische kanariekweek niet uitsluitend in het mijnbouwgebied van de Harz, maar zeker ook in Hannover, Braunschweig, Halle en de streken rondom deze steden moeten zoeken. Dit zou betekenen dat het verhuizen van Tiroolse mijnwerkers, uit o.m. Imst, naar de mijnbouwstadjes in de Harz niet de enige verklaring hoeft te zijn voor het ontstaan van de kanarieteelt in Saksen.

Vrouwen in de ambulante vogelhandel
Hoewel in de eerste plaats een mannenaangelegenheid, waren ook vrouwen in de ambulante vogelhandel actief. F. van Wickede schreef al over ‘Luiker Walen en Walinnen’ die in de Republiek kanaries verkochten.56  De oudste, tot dusver, door mij gevonden advertentie van een vrouwelijke ambulante vogelverkoper stond in de Amsterdamse Courant van 15 november 1777. Het betrof Elisabeth Wydeman, die ‘alhier is aangekomen met een party Hallische Kanary-Vogels, zingende zowel by de Kaars als by den dag’. Elisabeth zou sindsdien regelmatig Amsterdam bezoeken en haar ‘Saxische Kanary Vogels met Nachtegaal-, Rol- en Waterslag van allerhande couleur’ in de krant te koop aanbieden.57  
Hiervoor zagen we dat de echtgenote van de St. Andreasberger Carl Haberland in januari 1824 en januari 1835 met kanaries in Leiden verscheen, in ‘De Omgekeerde Pot’ in de Mandenmakerssteeg logeerde en daar de door haar meegebrachte vogels verkocht. Zij is niet de enige vrouwelijke ambulante vogelverkoper geweest die Leiden heeft bezocht, al blijven vrouwen een hoge uitzondering tussen de mannelijke vogelhandelaren. De oudste advertentie in de Leydse Courant waarin sprake was van een vrouwelijke vogelverkoper werd gevonden in die van 21 maart 1821: ‘Alhier is gearriveerd de bekende Vrouw Stikkel met een party extra beste Saxische Kanarievogels zingende de Water-, Rol en Nagtegaalslag, zoowel des avonds als overdag’. Uit de tekst van de advertentie kan geen andere conclusie getrokken worden dan dat  ‘Vrouw Stikkel’ voor de Leidenaren toen geen onbekende was en dus ook al eerder de stad had bezocht om kanaries te verkopen. Ook in maart en december 1822 en februari 1823 verschenen advertenties in de krant waarin de aanwezigheid van ‘juffrouw Stikkel’ en haar Saksische kanaries werd bekend gemaakt.58  In de Leydse Courant van 28 februari 1825 werd een advertentie aangetroffen waarin ‘een koopvrouw’ gelogeerd was in ‘De Omgekeerde Pot’ en ‘extra beste Saksische kanarievogels’ verkocht. Mogelijk betrof het hier mevrouw Stikkel of mevrouw Haberland. In februari 1834 verscheen in Leiden een nieuw gezicht: Koopvrouw Mina Hartvelt.59  De volgende vrouwelijke ambulante kanarieverkoper die we aan de hand van advertenties kunnen traceren is de weduwe Remmelink. Zij adverteerde op 29 januari 1844 en 19 februari 1845 in de Leydse Courant. De weduwe was gelogeerd in ‘De Trasmolen’, van H. Schuurink, aan de Nieuwe Rijn en bood Saksische kanaries aan die de ‘Waterrol en de Nagtegaalslag’ zongen zowel overdag als bij avond. De laatste vrouwelijke ambulante kanarieverkoper die we in de advertenties hebben aangetroffen was Wilhelmina Schutze, die in januari 1875 , met haar schoonzoon Carel Engelke, in het door L.J.F. Dumortier uitgebate ‘Hotel Pays Bas’ op de Beestenmarkt verbleef en vanuit Duitsland ‘een schoone partij Saksische kanarievogels’ had meegenomen.60   
Tussen de ca. 170 bezoeken van een ambulante kanarieverkoper aan Leiden, die we voor de 18e en 19e eeuw aan de hand van te Leiden uitgegeven kranten konden traceren, was er in elf advertenties sprake van vijf, mogelijk zes, verschillende vrouwelijke kanariehandelaren. In een branche waarin je een monopoliepositie van de man verwacht is het commerciële optreden van zes door Holland reizende kanarieverkoopsters gedurende de periode van 1820-1875 toch bijzonder.

Van ‘alderhande couleuren’ naar ‘Seifertse stam met koller’   
Kijken we naar de kwaliteiten waarmee kanaries in advertenties werden aangeprezen dan is in de 18e en 19e eeuw een opmerkelijke verschuiving te constateren: Ging aanvankelijk de aandacht vooral uit naar de uiterlijke verschijningsvormen, later werden in de advertenties ook steeds meer de zangtoeren vermeld waarin de vogels uitblonken. In de 19e eeuw werd in de Leidse kranten vrijwel uitsluitend met de zangeigenschappen van de kanaries geadverteerd.
Tot ca. 1770 werd de ambulante kanariehandel in de Republiek gedomineerd door uit Zuid Duitsland en Tirol afkomstige kooplieden. Zij adverteerden vooral met de verschillende kleurslagen van de kanaries. Vanaf medio de jaren ’30 van de 18e eeuw kwam daar bij of de vogels al dan niet gekuifd waren. Met betrekking tot de zangeigenschappen beperkte men zich tot algemeenheden als ‘schoon van zang’, ‘alderbest van zang’, extra fraey van zang’, ‘die so wel by de kaers zingen als by dag’.61  De Tiroler Jan Heer Vogelman, die op 5 november 1753 in de Leydse Courant adverteerde, prees zijn vogels aan als ‘extra van couleur en zang, met en zonder kuyven’. Melchior Joost van Alin, wiens advertentie in de Leydse Courant van 7 oktober 1754 verscheen, adverteerde met ‘een volle Kraag Canary-Vogels, met Kuyven, Witte, Gele, etc.’
Ook uit advertenties in Amsterdamse, Haarlemse en Haagse kranten is duidelijk op te maken dat de interesse van de 18e eeuwse kanarieliefhebbers aanvankelijk vooral uitging naar bijzondere kleurslagen, waaraan de Tiroolse vogelhandelaren maar al te graag voldeden. In de ’s Gravenhaegse Courant van 13 oktober 1728 kunnen we lezen dat ‘by Johan-Everhard Franck, in de Kanary-kooy, in de Korte Nobelstraat een Man uit Tyrol is aengekomen met curieuze Kanary-Vogels, te weten Bonte, Citroenbonte, Isabelle, Feuillemorte, Groene en Graeuwe die goed van Zang zijn’. Interessant is ook het vervolg van dit bericht ‘Hy zal maer 14 dagen hier blijven, en dan na Engeland gaen’. 
De oudste door mij gevonden advertentie waarin kanaries met een kuif werden aangeboden was geplaatst in de  Amsterdamse Courant van 2 januari 1734: ‘Frans Valler van der Swarswald is hier gekomen met een party schone Canary vogels extra van zang en pluym, waer onder verscheide met kuyve’. Afgaande op de herinneringen van de Arnhemmer van Wickede, moet dit ook een van de eerste partijen gekuifde kanaries geweest zijn die in de Republiek werd aangevoerd. Van Wickede schrijft namelijk: ‘Noch vind men Kanarivogels met kuiven, die allereerst sedert den jare 1734, alhier gezien zyn’. Vanwege de curiositeit moest voor de eerste gekuifde kanaries een aanzienlijk bedrag op tafel worden gelegd. In van Wickede kunnen we lezen dat ‘ten tyde zy eerst hier te Lande kwamen, wierden zy gretig het stuk voor een Pistool verkogt’. Een ‘Zonne-pistool’ of ‘pistool’ was de bijnaam van in de 18e eeuw in de Republiek in het handelsverkeer circulerende, Franse en Spaanse, gouden munten met een waarde van ca. 12 gulden. Naarmate de jaren ’30 vorderden werd in toenemende mate voor gekuifde kanaries geadverteerd.62   
Vanaf het eind van de jaren ’60 verschenen in de kranten van de grote steden advertenties waarin Saksische kanaries werden aangeboden. De Saksische ambulante vogelkooplui adverteerden aanvankelijk eveneens met de uiterlijke kenmerken van hun vogels, maar voegden er later steeds meer een korte typering van het lied aan toe.
De Saksische en vooral de Brabantse kanaries, die vanaf medio de jaren ’80 in Leiden te koop werden aangeboden, werden, naast de kleurenvariaties, vooral aangeprezen met de zangtoeren waarin ze uitblonken. Op 14 december 1785 stond in de Leydse Courant het bericht ‘dat ten huize van Willem de Vogel, Castelein in de Herberg den Nieuwen Doelen, op Beesten Markt te Leyden, is komen te logeeren een koopman met een groote party fraaije Tjonk-Fluitende Amiaansche en Fransche Canarie-vogels, different van Couleur’. Dit is de oudste door mij in een Leidse krant aangetroffen advertentie, waarin een  zangtoer werd vermeld.63   
In het door John Blagrave en in 1675 te Londen uitgegeven ‘The Epitome of the Art Husbandry’ kunnen we lezen hoe Blagrave een aantal soorten zangkanaries onderscheidde. Z’n voorkeur ging uit naar de ‘Duitse vogels’ omdat ze over de veel mooiere slagen en toeren van de nachtegaal beschikten.64 P. Nylant en J. van Hextor schreven in het in 1672 te Amsterdam uitgegeven ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen, afbeeldende allerhande Menschen, Beesten, Vogelen, Visschen, etc.’: ‘In Hollandt vindt men Vogeltjens die haer stem (die van de nachtegaal. J.P.) na bootsen maer is op verre na soo krachtig niet en worden Bastaert Nachtegaelen genaemt’.65   
In het tachtig jaar later uitgegeven ‘Kanari-uitspanningen’ beschreef van Wickede de voor hem ideale kanaries, namelijk vogels die ‘lang en dikwils zingen, en zeer weinig stil zitten; slaende veeltyds den Nachtegaels slag, ja die menigmael zeven of acht slagen op malkanderen doen’.66   
Terwijl bij liefhebbers dus een onmiskenbare voorkeur bestond voor kanaries die de zang van de nachtegaal nabootsen vinden we tot ca. 1770 maar heel weinig advertenties waarin vogels werden aangeboden die over de ‘nachtegaalslag’ beschikten. Hoewel Blagrave medio de 17e eeuw al verwees naar Duitse kanaries met een nachtegaalachtige zang dateert de oudste door mij aangetroffen advertentie, waarin kanaries met deze eigenschap werden aangeprezen, van 21 maart 1747: Meester Kleermaker Fergé in de St. Nicolaesstraat te Amsterdam had ‘uyt Tirol’ overgekomen kanaries te koop, ‘weergaloos van Zang, neffens Nagtegalen gelyk’.67       
Het aantal door mij gevonden advertenties uit de periode tot 1770, waarin door Tiroolse kooplieden kanaries werden aangeboden met een nachtegaalachtige zang, is echter uitermate klein. Dit veranderde toen vanaf ca. 1770 de Saksische kanaries op de Nederlandse markt verschenen. In de Amsterdamse Courant van 16 april 1782 adverteerde Elisabeth Weydeman met ‘Saxische Canary-Vogels, zingende Nachtegaal-, Rol- en Waterslag’. Afgaande op de kwalificaties waarmee deze kanaries in de advertenties werden aangeprezen waren de Saksische kanaries veeleer zang- dan kleurkanaries en hun lied kenmerkte zich dus o.m. door: De ‘Nachtegaalslag’,  de ‘(Water)Rol’ en ‘Waterslag’. Ook de Saksische kanaries waarvoor na de Franse Tijd in de Leidse kranten werd geadverteerd beschikten over deze toeren. Vrijwel de gehele 19e eeuw, tot medio de jaren ’90, werden in de Leydse Courant en later ook het Leidsch Dagblad Saksische kanaries aangeboden die de Nachtegaalslag/rol, Waterrol en Belrol zongen.
Bovenstaande heeft mogelijk bij de met de waterslagertoeren vertrouwde lezer allerlei associaties opgeroepen met betrekking tot het lied van de waterslager. Het is heel verleidelijk om nu een uitstapje te maken naar de oorsprong van het zangkanarieras waterslager. Ik ben echter voornemens dit te bewaren tot een volgend artikel, waarin ik meer expliciet op de geschiedenis van de waterslager hoop in te gaan.
In de jaren ’90 van de 19e eeuw begonnen Leidse vogelhandelaren zelf kanaries uit Saksen te importeren. De vogels die zij inkochten bleken, op basis van de in de advertenties verschafte informatie, zangkanaries te zijn die aanvankelijk te Leiden ‘Saksische Rolkanaries’ en in algemene zin toen (Harzer) Edelrollers en tegenwoordig Harzers worden genoemd. Op het eind van de jaren ’90 verdwenen plotseling de nachtegaaltoeren zingende Saksische kanaries uit de Leidse advertenties. Er werd vanaf dat moment reclame gemaakt voor ‘Hohl-, Knor- en Klingelrol’ zingende Saksische kanaries. Ook de enige ambulante vogelverkoper die Leiden nog regelmatig bezocht, Richard Faulstick, adverteerde met deze vogels, in het bijzonder met kanaries uit de ‘Seifertse stam met hollen, heel diepe, zang’, en de welhaast mythische toer van de Seifertse Edelroller, de ‘koller’.68     

Bloei en malaise in de kanarieverkoop
Wanneer we alle door mij, voor jaren 1753 t/m 1914, in de Leidse kranten aangetroffen, op de ambulante kanariehandel betrekking hebbende, advertenties overzien kunnen we periodes onderscheiden waarin regelmatig of nauwelijks door rondreizende vogelverkopers in Leidse kranten werd geadverteerd. We zagen eerder dat met de grootst mogelijke voorzichtigheid  uitsluitend aan de hand van de aangetroffen advertenties in de Leidse kranten verregaande conclusies getrokken mogen worden betreffende de omvang van de ambulante kanariehandel in Leiden: niet alle vogelverkopers die Leiden bezochten adverteerden namelijk in de krant en niet alle geplaatste advertenties zijn door mij gevonden. Toch lijkt het er op dat vraag en aanbod van kanaries in Leiden in de 18e en 19e eeuw niet altijd constant zijn geweest. Een hoge adverteerfrequentie werd geconstateerd voor de periodes 1785-1795, de periode van de zogenaamde ‘Brabantse vogels’, 1820-1840 en 1880-1900. Zoals al eerder werd geconstateerd werd de Europese ambulante vogelhandel tijdens de op de Franse Revolutie van 1789 volgende Coalitie- en  Napoleontische oorlogen ernstig gehinderd door de politieke en militaire situatie. Opmerkelijk is echter dat ook gedurende de jaren 1840 t/m 1880 nauwelijks advertenties van ambulante kanarieverkopers in de te Leiden uitgegeven kranten werden aangetroffen. Naar de oorzaak van de terugval in de kanariehandel medio de 19e eeuw kunnen we slechts gissen. Aanbod lijkt er voldoende te zijn geweest. De Harz en omliggende gebieden bleven immers belangrijke kanarieproducerende centra. Wellicht moeten we oorzaak van de slapte in de Leidse kanariehandel tussen 1840 en 1880 vooral zoeken aan de vraagzijde. Mij is onbekend of, bijvoorbeeld, de toenmalige economische situatie in Leiden de handel in kanaries negatief heeft kunnen beïnvloeden.
We zagen al eerder dat op het eind van de 19e eeuw de vogelhandel in Leiden werd overgenomen door lokale middenstanders, professionele vogelhandelaars, die zelf hun vogels importeerden, en het daardoor voor de ambulante vogelverkoper steeds minder lucratief werd om naar Leiden te komen. Tussen 1900 en februari 1914, het moment van het laatste geregistreerde bezoek van een buitenlandse ambulante kanarieverkoper aan Leiden, werden nog maar enkele advertenties van Duitse vogelverkopers aangetroffen; de lokale vogelhandel en -kwekers adverteerden des te meer. De Eerste Wereldoorlog, die voor West Europa op 4 augustus 1914 uitbrak, gaf aan de toch al tanende Duitse ambulante kanariehandel de genadeklap.

Slot
Advertenties in de in Leiden verschijnende kranten geven een indruk van het verloop van de ambulante kanariehandel in de Sleutelstad gedurende de 18e en 19e eeuw. Niet alle rondreizende kooplui plaatsten namelijk een advertentie in de krant om het publiek van hun aanwezigheid op de hoogte te stellen, dus moeten we de wel geplaatste advertenties beschouwen als een steekproef en de op basis hiervan geschetste historische ontwikkeling als een indicatie.
Mogelijk werd Leiden al in de 17e eeuw en in de eerste helft van de 18e eeuw door ambulante kanarieverkopers bezocht, maar van hun aanwezigheid werd in de van vóór 1750 daterende kranten geen spoor gevonden. Aanvankelijk werd Leiden bezocht door kanariehandelaren uit Tirol en mogelijk Zuid-Duitsland, die vooral met de uiterlijke kenmerken van de vogels adverteerden. Vanaf de laatste decennia van de 18e eeuw werden in de advertenties vooral de zangkwaliteiten aangeprezen. Deze kanaries werden verkocht door handelaren uit Saksen en de Zuidelijke Nederlanden. Na de Napoleontische oorlogen werden gedurende de 19e eeuw te Leiden door de rondreizende vogelverkopers vrijwel uitsluitend Saksische kanaries verhandeld.
Voor de periode 1840-1880 werden opmerkelijk weinig advertenties van ambulante vogelhandelaren in de te Leiden uitgegeven kranten aangetroffen.
Op het eind van de 19e eeuw ontwikkelde zich in Leiden een lokale middenstand, die zich in de handel met vogels specialiseerde en zelf kanaries importeerde. Omdat zowel de vogels als de prijzen, die door de lokale middenstand en de rondreizende vogelkooplui werden gehanteerd, nauwelijks van elkaar verschilden werd het voor de ambulante kanarieverkopers steeds minder interessant om Leiden te bezoeken. Na 1900 verscheen nog maar incidenteel een advertentie van een Duitse kanarieverkoper in een Leidse krant. Aangenomen wordt dat de uit Gotha (Saksen-Coburg) afkomstige Richard Faulstick de laatste Duitse ambulante vogelverkoper is geweest die in Leiden heeft gepoogd kanaries te verkopen. Zijn laatste advertentie verscheen in het Leidsch Dagblad van 26 februari 1914. Met de Eerste Wereldoorlog verdwenen de Duitstalige ambulante kanarieverkopers definitief van het Leidse, en waarschijnlijk ook Nederlandse, toneel. Circa drie eeuwen hadden zij van september tot mei met hun vogels door aanvankelijk de Republiek en later het Koninkrijk der Nederlanden getrokken, in de Hollandse steden in herbergen en pensions gelogeerd en daar geprobeerd hun vogels aan de man te brengen.   

Noten
1. Een uitgebreid verslag van dit bezoek verscheen eerder in ons clubblad: Plokker, J., Een regenachtige dag in de Harz. In: Contactblad Doelgroep Zang regio NZHU, 2010-3, pp. 6-20.
2. Voor Carl Haberland: Leydse Courant, 13-12-1822, 5-1-1824, 16-2-1838, 19-3-1838, 25-1-1839, 25-3-1839, 27-1-1840.
3. Voor de echtgenote van C. Haberland: Leydse Courant, 30-1-1824, 5-1-1835.
4. De meeste van onderstaande advertenties betreffen ‘Koopvrouw Haberland; waar het Carl Haberland betreft is dit aangegeven.
Utrechtse Courant: 24-1-1834, 11-2-1835, 18-2-1835, 11-12-1835, 2-3-1836, 9-12-1836, 17-2-1837. Rotterdamsche Courant: 2-12-1826, 7-2-1833 (Carl H.), 13-2-1834, 5-12-1835 (Carl H.), 2-1-1836, 5-1-1837, 25-2-1837. Dagblad van ‘s Gravenhage: 15-12-1828, 10-12-1832, 14-12-1832, 6-2-1833, 9-2-1835 (Carl H.), 23-12-1835, 1-2-1837, 14-2-1838, 23-2-1838, 15-2-1839, 7-2-1840.
5. Blagrave, Joseph, ‘The Epitome of the Art op Husbandry, London 1675, 3rd  ed., p. 114. Inventarisnummer Kon. Bibliotheek KW 1113 F4.
6. Wickede, F. van, Kanari-uitspanningen, of nieuwe verhandeling van de kanari-teelt, pp. 1-6. Amsterdam 1786, 5e druk.
7. Blagrave, Joseph, o.c., pp. 106-107, 114.
8. Hervieux de Chanteloup, J.C., Traité curieux des serins de Canarie/ Naauwkeurige verhandeling van de Kanarivogels. Vertaling A. Moubach. Deze gecombineerde Frans/Nederlandse uitvoering werd in 1712 uitgegeven door Hendrik Schelte te Amsterdam, p. 3. De eerste editie van het boek werd volgens de literatuur uitgegeven in 1705. De mij oudst bekende uitgave dateert van 1707 en werd uitgegeven door C. Prudhomme te Parijs.
9. Gelder, Roelof van, Het Oost-Indisch avontuur. Duitsers in dienst van de VOC (1600-1800), Nijmegen 1997, p. 223, 225.
10. De oudste door mij in het digitale krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek aangetroffen advertentie van een Tiroler kanariehandelaar betrof ene Migel Meyer, die gelogeerd was in ‘‘t Wapen van Holland’, op de Pypemarkt te Amsterdam en ‘een considerabele party van schoone Canary Vogels’ had meegenomen en ‘tot een civiele prys’ te koop aanbood, Amsterdamsche Courant 16 april 1722.  Voor een handelaar uit het Zwarte Woud: ‘Frans Valler van der Swarswald, is hier gekomen met een party schoone Canary Vogels’, Amsterdamse Courant 2 januari 1734.  Voor Neurenberg: ‘Alhier zijn 2 Neurenburgers aengekomen met een party Canary-Vogels’, Amsterdamse courant 18 oktober 1738. Voor Württhemberg: ‘Word bekend gemaekt aen alle Heeren en Liefhebbers, dat Christoffel Schiller uyt het Wurtembergsen Land is overgekomen met een frisse Kraek Canary Vogels extra fraey van zang met kuyven en allerhande couleur’, Amsterdamse Courant, 14 september 1756.
11. Posch, Matthias, Die Imster Vogelhändler.
Innsbruck, 2000, pp. 54-55.
12. Leydse Courant, 5-11-1753.
Zie ook: 7-10-1754, 3-3-1769, 10-11-1790.
13. Matthias Posch, o.c., p. 68.
14. I.h.b. Leydse Courant 11-4-1828, 24-12-1828, 5-4-1830, 21-3-1831.
15. Posch, Mathias, o.c., pp. 68-70.
16. Roo, Tom De, Dierlijke gezelschap, menselijke reflectie, Gezelschapsdieren en hun culturele betekenis in de Moderne Tijd. Universiteit Antwerpen, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis, 2004-2005, p. 121.
17. Zie hiervoor o.m. Leydse Courant, 14-12-1784, 2-3-1787, 9-4-1787, 8-1-1790, 5-2-1790, 14-4-1790, 27-10-1790, 16-01-1792, 12-3-1794, 27-3-1795.
18. Amsterdamse Courant: 14-‘04-1768, 27-04-1769, 13-04-1771, 10-04-1773, 18-07-1775. Groninger Courant: 17-11-1775.
19.   Zie hiervoor o.m.  Amsterdamse Courant: 09-11-1779, 11-11-1780, 19-12-1780, 20-09-1788, 25-10-1788. Groninger Courant, 13-11-1789, 18-12-1789.
20. Matthias Posch, o.c., p. 68.
21. I.h.b. Leydse Courant 11-4-1828, 24-12-1828, 5-4-1830, 21-3-1831.
22.  Leidsch Dagblad: 19-09-1898, 05-03-1902, 26-11-1904, 26-02-1914. 
23. Het gaat hier te ver om alle bronnen te vermelden, daarom een selectie: ’t Amsterdamsche Veerhuys, 9-4-1787, 18-2-1788, 8-1-1790, 27-10-1790, 27-3-1795;  De Keizerskroon: 5-2-1790, 14-4-1790, 3-1-1794, 12-3-1794; Den Nieuwen Doelen: 14-12-1785, 9-4-1787; De Trasmolen: 13-5-1825, 5-12-1828, 4-3-1840, 10-2-1845, 19-12-1853, 22-1-1862, 9-2-1863; Café Dingjan: 23 advertenties tussen 10-12-1880 en 30-11-1891; Cafe Jansen (voorheen Dingjan): 2-12-1895, 18-11-1896, 14-1-1897, 29-11-1897, 23-11-1905, 26-2-1914; Familie Chouffour, Mandenmakerssteeg: 58 advertenties tussen 3-1-1819 en 6-1-1840.
24. Leydsche Courant, 21-11-1791, 16-01-1792, 16-03-1792, 29-10-1792, 2-12-1793, 14-12-1798, 28-03-1800, 2-11-1803, 1 april 1804, 1-3-1805.
25. Leidsch Dagblad, 22-12-1881, 9-11-1882.
26. Leidsch Dagblad, 29-9-1898, 3-12-1898.
27. P.J. van den Hoek, Leidsche Dagblad 30-03-1882; J. Veere, een groot aantal advertenties, o.m. Leidsch Dagblad, 4-2-1882, 12-2-1883; Vincent Stokhuijzen, een groot aantal advertenties, o.m. Leidsch Dagblad, 24-01-1903.
28. Café ‘Vogeltuin’: ‘Medegebracht uit Saksen’, Leidsch Dagblad, 12-03-1898. 
29. Zie o.m. Leidsch Dagblad: P. Stitz, 23-11-1905; Richard Faulstick, 29-11-1913, 26-02-1914.
30. Gesner, Konrad (Conradi Gesneri), Historiae Animalium Liber III. qui est de Avium natura, 1555. In Gesner’s boek zou men de volgende zinsneden kunnen vinden: ‘De kanarie wordt overal voor een heel hoge prijs verkocht, zowel vanwege de zoetheid van zijn zang en ook omdat hij, in kleine aantallen, van ver en met grote zorg en toewijding vervoerd moet worden, zodat alleen edelen en hooggeplaatste personen zich een kanarie kunnen veroorloven’. De exacte plaats waar dit fragment in Gesners Avium Natura gevonden kan worden is mij niet bekend. Deze informatie is ontleend aan: Galloway, A.R., History of the Canary. In: Lewer, S.H. & J. Robson, Canaries, Hybrids and British Birds in Cage and Aviary, London, New York, Toronto & Melbourne, 1911, pp. 11-12. Te vinden op Internet: www.biodiversitylibrary.org.
31. Plokker, Jaap, Huiskamerkanaries in de Nederlanden in de 16e eeuw. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2013, 29e jaargang, nr. 3, pp. 12-27.
32. Roo, Tom De, Dierlijke gezelschap, menselijke reflectie, o.c., pp. 140-146, 166; grafiek 10 en 11, pp. 203-204.
33.
Plokker, Jaap, Frans Vogelaer. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie mei 2013, 29e jaargang, nr. 2, pp. 16-27.  
34. Nylant, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen, afbeeldende allerhande Menschen, Beesten, Vogelen, Visschen, etc. Met een Beschrijvende haar gestalte / hoedanigheden / natuur / krachten / eigenschappen / en genegentheden met 160 Figuren. Amsterdam, 1672. p. 228 Inventarisnr. Kon. Bibliotheek:  KW 447 F 13.
35. Hervieux de Chanteloup, J.C., o.c., p. 229.
36. Deze gegevens zijn ontleend aan: Zanden, J.L. van, Kosten van levensonderhoud en loonvorming in Holland en Oost-Nederland 1600-1850. Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 11 (1985), p. 312. (www.depot.knaw.nl/2328/
37. Wickede, F. van, o.c., p. 12; Opregte Groninger Courant: 25-11-1750; Info verstrekt door  Drs J.E.L. Pelsdonk, Conservator Numismatisch Kabinet van het Teylers museum te Haarlem.
38. Groninger Courant: 09-01-1776, 03-12-1776, 10-06-1777 en 18-04-1788.
39.  Zanden, J.L. van, o.c., p. 312.
40. Leidsch Dagblad, 30-03-1882. 
41. Leidsch Dagblad, 04-12-1885,  02-12-1895, 4-12-1895, 9-12-1895, 01-12-1898.
42. Leidsch Dagblad 20-09-1894, 28-11-1895, 03-12-1896, 01-12-1898, 06-03-1899, 07-09-1899.
43.  Leidsche Dagblad 03-12-1898, 05-12-1898. Leidsche Courant 14-01-1910, 08-11-1913, 22-12-1915.  
44. Velden, Sjaak van der, Lonen bij de dekenfabriek van Zaalberg in Leiden, 1896-1902. In Jaarboek Stichting Dirk van Eck (2012), Leiden, p. 60.   
45. Amsterdamse Courant: 16-02-1790,  9-4-1791, 19-11-1791, 23-02-1793, 6-2-1794, 15-3-1794.
46. Posch, Matthias, o.c. pp. 31-32. 
47. Amsterdamse Courant, 23-03-1771. Zie ook noot 51.
48. Michel Klein:  Leydse Courant, 29-5-1818, 4-1-1822, 28-1-1831, 7-9-1832, 27-2-1837, 4-3-1840, 24-1-1842.  Pieter Posthaus: Leydse Courant, 26-4-1820, 27-04-1821, 25-2-1822, 10-3-1823, 9-4-1824, 2-3-1825, 14-4-1828, 16-3-1831.
49. Leidsch Dagblad, 26-2-1914. Zie voor wijsjes fluitende goudvinken ook: Plokker, J., Aria’s fluitende goudvinken. In ‘Onze Vogels’, Januari 2007, pp. 3-5.   
50. In ‘Der Harzer Roller, Handbuch über die Zucht und den Standard der Edlen Kanariensänger’, Uitgave DKB, 1986, wordt op pagina 13 een vergelijkbare visie verwoord, alleen wordt daar het jaartal 1780 genoemd. Mathias Posch dateert de introductie van de kanarieteelt in St. Andreasberg door Imster mijnwerkers in 1720, Die Imster Vogelhändler, Innsbruck 2000, p. 72.  
51. Zie noot 5
52. Advertenties van handelaren in ‘geleerde’ goudvinken zonder vermelding van de woonplaats van de koopman, o.m.: Amsterdamse Courant: 18-06-1737, 23-04-1739, 30-05-1741, 19-04-1742, 08-05-1742, 09-05-1744, 09-03-1756, 26-06-1756, 21-06-1760, 26-03-1768, 10-05-1768, 16-05-1771, 10-03-1772, 21-02-1775. Leeuwarder Courant: 07-06-1758, 24-06-1769, 23-06-1770; Opregte Groninger Courant: 03-03-1772.
Goudvinken handelaren met in de advertentie een verwijzing naar de woonplaats van de koopman: Amsterdamse Courant: 27-04-1747, 30-03-1756, 10-04-1759, 14-04-1759, 03-04-1760, 03-04-1762, 16-03-1771,  16-03-1773, 10-04-1773, 24-03-1774, 05-04-1777; Opregte Groninger Courant: 30-06-1772, 10-07-1772, 30-06-1775; Haagsche Courant: 13-04-1750 (ontleend aan Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken, Hilversum 2002, p. 279.
Advertenties voor ‘geleerde’ goudvinken met opgave van repertoire: Amsterdamse Courant: 01-04-1741, 27-04-1747, 14-04-1759, 03-04-1762, 10-05-1768, 16-05-1771, 16-03-1773, 10-04-1773, 24-03-1774, 10-05-1774, 6-4-1775, 05-04-1777; Oprechte Haerlemsche Courant: 18-04-1741.
53. Advertenties van Saksische handelaren in zowel kanaries als andere vogels, met in de advertentie een aanduiding van de woonplaats van de koopman: Kanaries en nachtegalen: Amsterdamse Courant: 14-04-1768; Kanarie- en Putter-bastaarden: Amsterdamse Courant: 18-07-1775; Kanaries en geleerde goudvinken: Amsterdamse Courant: 27-04-1769, 23-03-1771, 30-03-1771, 13-04-1771, 14-04-1772, 10-04-1773, 29-04-1777, 06-05-1777, 22-05-1777, 14-4-1778, 25-03-1779, 4-4-1780; Groninger Courant: 05-05-1775, 10-05-1776,  4-4-1780; Leeuwarder Courant: 06-05-1778.
Tevens werd voor onderhavige periode een aantal advertenties gevonden waarin zowel geleerde goudvinken als kanaries te koop werden aangeboden, maar waarvan de herkomst van de koopman niet te traceren was.
Advertenties van Saksische handelaren in uitsluitend kanaries, met in de advertentie een aanduiding van de woonplaats van de koopman: Amsterdamse Courant: 10-04-1773, 18-07-1775, 02-11-1776, 23-10-1777, 15-11-1777 (2x), 29-11-1777, 01-10-1778, 15-10-1778, 03-11-1778, 17-11-1778, 26-12-1778, 09-11-1779 (2x), 19-11-1779, 04-12-1779, 4-4-1780, 25-04-1780, 25-05-1780, 19-10-1780, 11-11-1780, 19-12-1780; Groninger Courant: 17-11-1775, 07-01-1777, 13-6-1777, 25-07-1777, 16-12-1777; Middelburgsche courant: 27-11-1779; Leeuwarder Courant: 27-12-1780.
De tekst van de advertenties is niet altijd eenduidig omtrent de woonplaats van de koopman. Soms werd een stad genoemd, bijv. ‘het Hannoversche’ en werd waarschijnlijk een streek bedoeld, soms werd een streek, bijv. ‘Ha(a)rz’, vermeld met een typering van de kanaries die verwijst naar een stad ‘Hallische’ of ‘Halse Kanarie Vogels’. Van sommige handelaren werden verschillende plaatsen/streken van herkomst vermeld. Ter illustratie: ‘alhier is gearriveerd van Haarz Herman, met Kanarie Vogels met en zonder Kuiven uit Halle’ (Amsterdamse Courant 29-11-1777) . Een betrouwbare uitsplitsing van de advertenties naar stad/streek van herkomst van de koopman is daardoor niet mogelijk.
54. Info van het Harzer Roller Museum in St. Andreasberg.
55. Ter completering: De aanduiding ‘Harzer’ verscheen in de advertenties pas ca. 1900  in, bijvoorbeeld, de Leidse kranten.
56. Wickede, F. van, o.c., p. 5. Zie ook noot 16.
57. Een greep uit de in de Amsterdamse Courant aangetroffen advertenties:14-4-1778, 25-3-1779, 4-4-1780, 15-4-1783, 21-10-1786, 16-4-1789, 14-4-1792.
58. Leydse Courant, 8-3-1822, 25-12-1822, 3-2-1823.
59. Leydse Courant, 28-2-1834.
60. Leydse Courant, 9-1-1875.
61. O.m. Amsterdamse Courant 13-03-1736, 29-03-1736, 15-01-1739, 13-09-1740.
62.
Wickede, F. van, o.c., p. 12; Groninger courant 25-11-1750; Info verstrekt door  Drs J.E.L. Pelsdonk, Conservator Numismatisch Kabinet van het Teylers museum te Haarlem.
63. O.m. Leydse courant: 14-12-1785, 09-04-1787, 27-10-1790, 29-10-1792, 27-3-1795.
64. Blagrave, Joseph, o.c., p. 107.
65. Nylant, P. en J. van Hextor, o.c., p. 230.
66. Wickede, F. van, o.c., p. 11.       
67. Amsterdamse Courant 21-03-1747.
68. Leidsch Dagblad: 29-09-1898, 03-12-1898, 24-01-1903, 29-11-1913, 26-02-1914. Leidsche Courant: 14-01-1910.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2014, nr. 1 & 2, resp. pp. 14-32  &  pp.10-36.

TOP

 

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:
De rijkeluiszoon, de vogelaar en de watergeus

door Jaap Plokker

We gaan weer eens een paar honderd jaar terug in het verleden om een kijkje te nemen in de kanariewereld van toen. Deze keer staan eens niet de vogels centraal, maar de vogelhouder. Het is daarom meer een verhaal over mensen dan over vogels geworden.

De mens achter de hobby
Sedert 2007 brengen Ton Diepenhorst en ondergetekende in het voorjaar een bezoek aan twee leden van onze club en daarvan verschijnt traditiegetrouw  in de vorm van een interview een verslag in ons clubblad. Niet alleen beleven Ton en ik aan dergelijke bezoekjes heel veel plezier, maar we weten ook dat de interviews in het clubblad met belangstelling worden gelezen. Op een of andere manier zijn we niet alleen geïnteresseerd in kanaries, maar ook in de mens achter de vogels: Wat beweegt hem, hoe beleeft hij z’n hobby en op welke manier gaat hij te werk? Het zijn iedere keer weer verhalen waar we onszelf aan kunnen spiegelen. Bezig zijn met de geschiedenis van onze hobby is vaak onpersoonlijk om de doodeenvoudige reden dat persoonlijke ontboezemingen, zoals ze in ons clubblad te lezen zijn, in het verre verleden niet op papier wer-den gezet, althans ik heb ze tot dusver nauwelijks kunnen vinden. Toch ben ik ook in het verleden een beetje op zoek naar de persoon achter degene die zich op welke manier dan ook voor vogels, i.h.b. kanaries, interesseert. Wie is hij en wat weten we over hem? De kanariebezitter blijft dan niet anoniem, maar krijgt een naam en wellicht zelfs een gezicht.
Vorig jaar was een foto van een reispas van Carl Haberland, die ik in het Harzer Roller Museum in St. Andreasbeg, in de Harz, had gemaakt, een inspiratiebron om dieper te duiken in de geschiedenis van de ambulante kanariehandel. Tijdens dat onderzoek werd Carl Haberland meer dan een willekeurige naam. Ik ging op zoek naar z’n handel en wandel  en ontdekte niet alleen dat hij in St. Andreasberg woonde, maar getrouwd was en z’n vrouw ook in de ambulante vogelhandel zat en ze, onafhankelijk van elkaar, in de jaren ’20 en 30 van de 19e eeuw met hun handelswaar langs diverse steden in Holland trokken, waar ze ieder jaar in vrijwel altijd hetzelfde logement intrek namen om daar hun ‘Saxische’ kanaries te verkopen.1

Een 19e eeuwse Kattukse kanariefokker
Tijdens het onderzoek naar de ambulante kanariehandel stuitte ik op het volgende berichtje in het Leidsch Dagblad van  8 februari 1896: ‘Als eene bijzonderheid bericht men ons uit Katwijk aan Zee dat daar iemand in het begin van Januari l.l. reeds vijf eiertjes en goed half Januari reeds drie jonge kanarievogels had, welke al flink hun omhulsel aan hadden.’
De naam van desbetreffende Katwijkse kanariekweker werd in de krant helaas niet vermeld, maar het berichtje intrigeert mij, als rasechte ‘Kattuker’, wel. Tot op heden heb ik nog steeds niet kunnen achterhalen welke plaatsgenoot omstreeks 1900 kanaries fokte. Hij moet dat niet in de anonimiteit gedaan hebben, want anders was de krant niet achter zijn vroege kweekresultaat gekomen. Verder was de gemeenschap van Katwijk aan Zee anno 1900 niet zo groot en de potentiële groep kanariefokkers vrij klein. Immers een belangrijk deel van de beroepsbevolking verdiende z’n inkomsten op zee, in de visverwerkende of met de visserij verbonden nijverheid en de verdien
-sten daarmee waren voor de meesten niet van dien aard om een kanariekwekerij te kunnen bekostigen, zo men er al de tijd en ruimte voor had. Dus je denkt dan al gauw in de richting van een middenstander of iemand uit de wat hogere sociale klassen. Hij zal in zijn tijd sowieso als kweker van kanaries ook een bijzonderheid geweest zijn. Pas in de jaren ’30 van de vorige eeuw verenigden de kleindierenhobbyisten in Katwijk zich in de vereniging ‘KoPluKo’, waarin de fokkers van konijnen en kippen de hoofdmoot vormden en slechts een enkeling zich aansloot die kooivogels hield en kweekte.2 
Of de onbekende Katwijker, die in januari 1896 al jongen in het nest had
, de eerste Katwijker was die zich met het kweken van kanaries bezig hield weten we niet, maar vooralsnog heb ik geen bron kunnen vinden die wijst op een nog vroegere Katwijkse kanariefokker. Zo weten we ook niet wie in ons land de eerste kanarie in huis had en de eerste kanariekweker was. Toch zou je wel willen weten wie, met naam en toenaam, aan de wieg van onze hobby hebben gestaan. Op zoek dus naar personen die als eerste in de bronnen opduiken en op een of andere wijze met het houden van kanaries verbonden worden. We laten in dit artikel er drie de revue passeren. De mij oudst bekende kanariefokker, de mij oudst bekende kanariehandelaar en de mij oudst bekende kanariebezitter.

Nicolaas Corver,  een ‘kanariqueeker’
In 1712 verscheen in opdracht van de Amsterdamse ‘Boekverkoper’ Hendrik Schelte de Nederlandse vertaling van het door J.C. Hervieux geschreven ‘Traité Curieux des Serins de Canarie, getiteld ‘Naaukeurige verhandeling van de Kanarivogels’. Het werd gedrukt met op de linkerzijde de originele Franse tekst en rechts de door A. Moubach verzorgde Nederlandse vertaling. Het boek is door Hendrik Schelte opgedragen ‘Aan den Wel Ed: Heer, de Heer Nic. Corver, Commissaris van den grooten Excys, en Postmeester van ’t Hamburger Post-Comtoir, enz’. Wanneer we de opdracht doorlezen dan blijkt dat deze Nicolaas Corver ‘in zyne ontledigende uure dus een geneuchte in ’t beschouwen zyner vermaakelijke Kanariqueekery schept’. Wie was deze Nicolaas Corver, die niet alleen kanaries kweekte, maar kennelijk ook belangrijk genoeg was om een boek over kanaries aan op te dragen?3 
Nicolaas Corver (1693-1713) was de zoon van Nicolaas Corver en Agnes Hasselaer en kleinzoon van Joan (Jan) Corver (1628-1716). Joan Corver behoorde tot de rijkste Amsterdamse kooplieden en werd negentien keer voor een jaar verkozen tot burgemeester van Amsterdam. Nicolaas Corver was dus niet alleen een telg uit een steenrijke, maar ook uit een in Amsterdam uitermate invloedrijke familie. ‘Die kan je beter maar te vriend houden’, moet ‘boekverkoper’ Hendrik Schelte gedacht hebben. Dus droeg hij het in het Nederlands vertaalde werk van Hervieux op aan de kennelijk serieus in het kweken van kanaries geïnteresseerde Nicolaas Corver. Dat Nicolaas’ naam niet verbonden werd aan zomaar een boekje over kanaries blijkt wel uit de manier waarop Hendrik Schelte Hervieux de hemel in prijst: ‘Onder zo veele en ontelbaare Schryvers, als’er over veelvuldige kundigheden en weetenschappen geschreeven hebben, is’er noch niemand gevonden, die ooit een zoodanige stoffe van dus een weetenswaardige kundigheid voor de Kanari-Liefhebbery in ’t licht gaf’. Hendrik Schelte nam verder de gelegenheid te baat om over de rug van de jonge kanariekweker z’n machtige grootvader aardig wat stroop om de mond te smeren. Nicolaas was namelijk niet zomaar een Amsterdammer, nee iemand van ‘aanzienelyke Geboorte (…) uit zoodanig een roemwaardigen Huize ontsprooten, waar voor Amstels Burgerschap zeer veel achting verschuldigt is, hebbende zedert veele achter
-een-volgende Jaaren de eere genooten U Ed: Heer Gootvader nu ten zeventiende maale Burgemeester over haare geruste bywooning te zien; en om wiens Hoogwyze en zachte Regeering, Vaderlyke Bestiering en Gemeenzaame Toegenegenheid zyner Burgeren telkens genooten, allen Ingezetenen van deeze zoo magtige en alombefaamde Stad nevens hun bekennen moeten, dat zyne Hoog Ed. Achtbaare een onsterffelyken roem verworven heeft, zulks hy een waare Zuil van Amstels Kapitool en hun een  oprechten Burgervader te achten zy’.  Het is mij onbekend of het witte voetje dat Hendrik Schelte bij de Corvers heeft proberen te halen ooit in klinkende munt is uitbetaald.4  
Of Nicolaas veel ‘ontledigende’  uren had om aan z’n hobby te besteden weten we niet. Hij had vele verplichtingen, maar de meeste waren vermoedelijk lucra
-tieve bijbaantjes waar je weinig voor hoefde te doen, alleen regelmatig je gezicht moest laten zien om de revenuen te incasseren. Zo was hij ‘Commissaris van den grooten Excys’. Het innen van accijnzen, in het geval van Nicolaas de belangrijkste, op bier, wijn en graan, vandaar ‘grooten Excys’, was door de stedelijke overheid verpacht. Uiteraard werd er door de inners meer geïncasseerd dan aan de stedelijke overheid werd afgedragen en daarom legde de functie van ‘Commissaris van den grooten Excys’ je geen windeieren. Nicolaas was ook postmeester van het Hamburger postkantoor, dat in Amsterdam niet alleen de uitgaande en binnenkomende post van Hamburg verzorgde, maar ook die van en naar Denemarken, Zweden en Rusland.  Nicolaas’ oudere broer, Joan (Jan), was ook postmeester, maar dan van het Antwerps postkantoor in Amsterdam en had deze functie verworven op de leeftijd van zes jaar! Omstreeks 1700 was de functie van postmeester dus een erebaantje waar een lucratief honorarium aan verbonden was en geen enkele verantwoordelijkheid. Men hoeft over weinig fantasie te beschikken om te veronderstellen dat groot-vader Joan Corver, in z’n functie van burgemeester, bij het toedelen van lucratieve baantjes zijn kinderen en kleinkinderen niet uit het oog verloor. Nicolaas Corver is overigens niet oud geworden. In 1713, een  jaar na het verschijnen van de aan hem opgedragen Nederlandse vertaling van Hervieux’ boek, overleed hij op 20 jarige leeftijd.5  Wie na zijn overlijden zich over de kanaries ontfermd heeft weten we niet, misschien is de hele ‘queekery’, vogels en toebehoren, op een veiling openbaar verkocht, wat in die tijd niet ongebruikelijk was.

Afbeelding van een 18e eeuwse vogelkweker bezig met het verzorgen van z’n vogels. Achter hem, verwerkt in de wand, een volière. Gravure uit F. van Wickede’s ‘Kanari-uitspanningen, of nieuwe verhandeling van de kanariteelt. Amsterdam, 1756.6

Nicolaas Corver had dus een ‘Liefhebbery’ en dat was z’n ‘Kanariqueekery’. Een afbeelding in F. van Wickede’s ‘Kanari-uitspanningen’ geeft ons een indruk van hoe zo’n ‘queekery’ er aan het begin van de 18e eeuw in een deftig milieu als dat van Nicolaas Corver er uit heeft kunnen zien. Op de door Nicolaas van Frankendaal vervaardigde gravure zien we een persoon, staande aan een tafel, met daarop allerlei toebehoren voor de vogelhobby, zoals water- en voerbakjes. Zo op het eerste gezicht is hij bezig een voerbakje te vullen met zaad. Bij de tafel op de grond staat een boogkooi, zonder vogel. In de achterwand ontwaren we een in de muur ingebouwde volière waarvan het front uitbundig is versierd en geheel in de wanddecoratie is verwerkt. Deze kamervolière zou men dus kunnen vergelijken met hoe in onze tijd een aquarium geïntegreerd kan zijn in een wandmeubel, een tableau vivant in de letterlijke betekenis.7
Hoewel van Wickede kwekers kent die het fokken van kanaries een aardige bijverdienste opleverde  hebben we niet de indruk dat het Nicolaas Corver daarom te doen was. Wellicht was het voor hem eerder een uitdaging exclusieve en kostbare kleurslagen te bezitten en daarmee te kweken. Uit advertenties van openbare verkopingen krijgen we de indruk dat een ‘professionele’ kanariqueekerij in het begin van de 18e eeuw uit wel meer bestond dan een fraaie inbouwvolière in de kamer. Zo viel in de Oprechte Haerlemsche courant van 4 en 9 februari 1717 de volgende advertentie te lezen.

Op dinsdag, den 16 February 1717, ’s morgens te 9 en ’s namiddags ten 2 uuren sal men tot Amsterdam ten Huyse van Evert Metz, in de Hoop op de Colveniers Burgwal over het Oude Manhuys verkopen een Party ongemeene mooye Canary Vogels van verscheyde couleuren als philemort, citroenbont, citroenbonte aarts, citroenbonte philemort, bonte aarts, wit bonte, doorgeele bonte aarts; nevens Kouwen, Broey-Vluchten en andere Gereetschappen tot het queken van noden: Deselve kunnen daegs voor de verkoping op de Verkoopplaets gesien werden.

Of Nicolaas Corver’s ‘Kanariqueekery‘ bestond uit een huiskamervolière en/of uit een professioneel vogelverblijf met ‘Kouwen’ en ‘Broey-vluchten’ weten we niet, maar gezien het enthousiasme waarmee Hendrik Schelte over Nicolaas’ ‘Kanari-Liefhebbery’ schrijft gaan we er van uit dat het Nicolaas niet alleen te doen was om het gezicht, maar hij er ook plezier in schiep dat zijn vogels tot broeden overgingen en hij jongen op stok kreeg. 
Nicolaas Corver was in de Republiek zeker niet de eerste eigenaar van een ‘Kanariqueekery’.  Olfert Dapper schrijft immers in z’n in 1668 bij Jacob van Meurs in Amsterdam uitgegeven boek ‘Naukeurige Beschrijvinge der Afrikaense Eylanden, enz.’ niet alleen dat kanaries vanaf de Canarische eilanden naar de Republiek werden geëxporteerd, maar dat ze hier ook tot voortplanting kwamen, maar Nicolaas Corver figureert wel in de tot dusver, mij bekende, oudste bron waarin een Nederlandse kanariefokker met naam en toenaam wordt genoemd.
8

Frans Goossensz de Vogelaer, een kanariehandelaar
Tijdens mijn speurtocht naar informatie over de geschiedenis van de kanarieteelt kwam ik in de ‘Oprechte Haerlemsche courant’ van 6 september 1670 de volgende advertentie tegen:

De Liefhebbers werd bekent gemaeckt, als dat Frans Goossensz de Vogelaer nu self is t‘ huys gekomen van de Vlaemse Eylanden,met een goede party Canari vogels, die hy verkoop by ’t stuck of by ’t dosijn, een yder sijn gerijf, woonende by de Beurs, in de Gaper steegh.

Overduidelijk was dit een advertentie van een kanariehandelaar. Bijzonder was bovendien dat hij tevens importeur van kanaries was en niet alleen als detaillist maar ook als groothandelaar  actief was. Wie was deze Frans Goossensz de Vogelaer en waar lagen de ‘Vlaemse Eylanden’ waar hij z’n kanaries had gekocht?
Op kaarten uit de 16e en 17e eeuw worden de Azoren aangeduid met ‘Vlaem
sche Eylanden’ of een daarop gelijkende schrijfwijze. De oorsprong van deze oude naam voor de Azoren gaat terug tot de 15e eeuw toen Vlamingen, aangelokt door niet altijd even betrouwbare voorwendsels van de initiatiefnemers, naar deze archipel emigreerden om er een nieuw bestaan op te bouwen. Men schat dat in de 15e eeuw in totaal 1500-2000 Vlamingen zich op de Azoren hebben gevestigd. Met de Canarische eilanden en Madeira vormen de Azoren de drie archipels waarop de stamvader van onze kanarie, de Serinus canaria, in de vrije natuur voorkomt.
Uit het 16e eeuwse reisverslag van Jan Huyghen van Linschoten, die van  juli 1589 tot januari 1592 op de Azoren en verbleef, en o.m.  de flora en fauna van de archipel beschreef, weten we dat de vogelwereld op de Azoren vooral bestond uit ‘canarie vogeltgiens, die zijn daer by duysenden, waerom haer daer veel vogelaers onthouden, die daer hare daghelijcksen neeringhe af maken met die te vervoeren’. Van deze inheemse vogelvangers betrok Frans dus zijn kana
-ries. Frans bedreef z’n vogelhandel niet alleen, maar samen met z’n zoon, die ook naar de Azoren vertrok om zaken te doen. Eilanden van de archipel waarvan bekend is dat die door Frans Vogelaer en zijn zoon werden bezocht om kanaries in te kopen waren Terceira en Faial.

Met het Schip de Roomsche Maeght, voor 8 a 14 Dagen, van Thersera komende, in Tessel gearriveert, is als Passagierovergekomen Frans Vogelaer met een partye Canary-vogels, de hij verkoopt by ’t Stuck of Dosijn, yder sijn gerijf; Liefhebbers konnen hem vinden tot Amsterdam, by de Beurs, in de Gaper-steegh, in de Vogelaer in ’t Hart.
(Advertentie in ‘Oprechte Haerlemsche courant’ van 1 augustus 1671)

De Soon van Frans Vogelaer, nu t’huys gekomen van Fiyael met Schipper Tjerck Tjerckse, maeckt alle Liefhebbers bekent (dat hij een) party Canary Vogels heeft mede gebracht, die (hij) by ;’t stuck of dosijn verkoopt, tot Amsterdam, by de Beurs, in de Gaper steegh.
(Advertentie in ‘Oprechte Haerlemsche courant’ van 3 mei 1672)

Van Frans Goossensz de Vogelaer weten we niet veel. Hij is ca. 1620 te Amsterdam geboren. Zijn overlijdensdatum is niet bekend, maar in 1688 was hij nog actief als vogelhandelaar. Hij trouwde met Marritje Gerrits en kreeg in ieder geval één dochter, Marieke, ook wel Maria genoemd, die in 1659 werd geboren. Er kwam ook minstens één zoon ter wereld, waarvan de naam niet bekend is. Hij ging bij zijn vader in de zaak en we weten dat hij in het voorjaar van 1672 met een door hem ingekochte partij kanaries vanaf de Azoren in Amsterdam arriveerde.
Verondersteld wordt dat Frans Vogelaer zijn jeugd heeft doorbracht als Frans Goossensz, vanwege zijn beroep later als bijnaam (de) Vogelaer kreeg en die als familienaam heeft aangenomen. In advertenties uit ca. 1670 noemde hij zich namelijk Frans Goossensz de Vogelaer, in die uit september 1688 ‘Frans Vogelaer’.
Behalve als vogelverkoper wordt Frans in de archieven ook genoemd als vogelkooimaker. Hij woonde in Amsterdam, ‘in de Gapersteegh, by de Beurs’. De Gapersteeg bestaat nog steeds en is één van de verbindingsstegen tussen het Rokin en de Kalverstraat. Met de aanduiding ‘by de Beurs’ wisten de minder met Amsterdam vertrouwde clientèle in ieder geval in welke buurt ze Frans’ huis moesten zoeken. De toenmalige koopmansbeurs was aan het Rokin gevestigd en bij iedereen bekend. Vogelaer verkocht zijn vogels aan huis, wat ook zijn winkel en werkplaats was. Zijn woning was herkenbaar aan een uithangbord met aan de ene zijde, naast geschilderde vogeltjes, de volgende tekst:

Zie hier canary, vink en putter,
Die het vooglen haat, dat is een dutter

De andere zijde van het uithangbord sierde een portret van Frans en de tekst:

Men stoft dan vrij op al wat vogels tart
Ik ben een Vogelaer in ’t Hart.

Frans keerde niet van de Azoren terug met één lopertje ‘pietjes’, want je kon bij hem kanaries ‘per dosijn’ kopen. Waren 12 kanaries in één koop teveel dan was Frans de beroerdste niet en kon je ze ook per stuk aanschaffen, of anderszins, ‘yder sijn gerief’. Omdat Frans in een landelijk verschijnende krant adverteerde en hij de kanaries ook per dozijn verkocht krijgen we de indruk dat hij behalve vogelkooimaker en detaillist ook een soort groothandel in kanaries bedreef en zijn afzetgebied zich niet tot Amsterdam beperkte.
Een mens is niet gauw tevreden en helaas vertellen de advertenties niet voor welke prijs de kanaries van de hand gingen, maar die was kennelijk lucratief genoeg om de trip naar de Azoren te ondernemen en met winst af te sluiten. In de ‘couranten’ hebben we voor de periode 1669-1688 kunnen achterhalen dat Frans vijf keer kanaries aanbood uit een van de Azoren betrokken partij. In november 1669, september 1970 en juli 1671 keerde Frans met de door hem hoogstpersoonlijk op de Azoren gekochte kanaries terug in Nederland. In het voorjaar van 1672 ging z’n zoon naar de Azoren om daar kanaries in te ko
-pen en in september 1688 adverteerde Frans in de Oprechte Haerlemsche courant met kanaries, die hij niet zelf op de ‘Vlaemse Eylanden’ had aangeschaft, maar door anderen voor hem aldaar waren gekocht. We mogen dus stellen dat Frans Vogelaer in ieder geval gedurende een periode van 20 jaar, mogelijk, jaarlijks een aanzienlijke partij kanaries op de Azoren kocht, of liet kopen en op deze wijze o.m. als importeur van en groothandel in kanaries voor Amsterdam en omstreken in zijn levensonderhoud voorzag.
Omdat Frans in de in 1669 gepubliceerde advertentie zich als ‘de Vogelaer’ afficheerde was hij toen dus kennelijk reeds in deze branche actief en bij menigeen als zodanig bekend, waardoor het niet uitgesloten is dat hij ook al vóór 1669 in kanaries handelde en op de Azoren inkocht.
Frans Vogelaer was, met z’n op de Azoren ingekochte vogels, zeker niet de enige die gedurende de tweede helft van de 17e eeuw de Nederlandse markt van kanaries voorzag. Ten tijde dat Frans zijn vogelwinkel en kooienwerkplaats runde werden, volgens Olfert Dapper, niet alleen kanaries van de Canarische eilanden geïmporteerd, maar in de Republiek ook kanaries gekweekt. Ongetwijfeld werden daarvan exemplaren te koop aangeboden. Verder nemen we aan dat de Tiroolse en Duitse vogelhandelaren, die in de loop van de 17e eeuw begonnen met hun ambulante handel door Europa te trekken en ook naar Engeland overstaken, tevens de Republiek bezochten om kanaries te verkopen.
Het aanbod aan kanaries op de Nederlandse markt in de tweede helft van de 17e eeuw bestond dus deels uit hier te lande en in het buitenland gefokte exemplaren. Uit het feit dat Frans Vogelaer regelmatig zeereizen naar de Azoren ondernam om daar wildvang kanaries aan te schaffen en in Amsterdam, uiteraard met winst, te verkopen mogen we concluderen dat het aanbod aan gekweekte vogels, zeker tot het einde van de 17e eeuw, niet voldoende was om aan de vraag naar kanaries te kunnen voldoen. De handel in, al dan niet van de Canarische eilanden of de Azoren afkomstige, wildvang kanaries bleef dus nog heel lang in de Republiek in een behoefte voorzien, zeker tot het eind van de 17e eeuw, ook toen er door fokkers op het Europese vasteland volop kanaries werden gekweekt.
Het laatste levensteken van Frans Vogelaer in de ‘Oprechte Haerlemsche courant’ dateert van 18 september 1688:

Frans Vogelaer t’ Amsterdam in de Gapersteeg, in de Vogelaer in ’t Hart notificeert aen de Liefhebbers van de Canary-Vogels dat hij een party puycks puyck sulcke vogels van de Vlaemse Eylanden gekregen heeft, die hij verkoopt by ’t stuck of ’t dosijn.

Frans Vogelaer was ongetwijfeld niet de eerste handelaar in kanaries in de Republiek, maar de advertenties in de ‘Oprechte Haerlemse courant’ vormen wel, tot dusver, de oudste, mij bekende, bronnen waarin een kanariehandelaar met naam en toenaam wordt genoemd.9  

Hendrik Thomasz Laers, een huiskamerkanariebezitter
Hendrik Thomasz Laers was een graanhandelaar uit Amsterdam. Op 25 augustus 1567 werd van zijn inboedel een inventaris opgemaakt. De overheid had hiervoor opdracht gegeven omdat Laers was veroordeeld voor een strafbaar feit en een onderdeel van de straf bestond uit het verbeurd verklaren van een deel van zijn bezittingen. Uit de inboedelinventaris blijkt dat bij Hendrik ‘Int voorhuys’  o.a. ‘een voghelcouwe mit een canarievoeghel’ aanwezig was.
Medio de 16e eeuw waren in de Noordelijke Nederlanden er maar weinig mensen die een kanarie in hun bezit hadden. De kanarie was toen niet alleen prijzig, maar werd waarschijnlijk ook niet overvloedig te koop aangeboden. Aangenomen wordt dat het merendeel van de medio de 16e eeuw in de Nederlanden aanwezige kanaries als bijhandel was meegekomen met de schepen die vanaf de Canarische eilanden suiker naar de Lage Landen, in het bijzonder naar Vlaanderen, vervoerden. We weten dat ook kooplieden/reders uit de Noordelijke Nederlanden in deze handel actief waren. Schepen die op de terugreis vanaf de Canarische eilanden suiker meenamen hadden vaak de op heenreis naar de Canarische eilanden graan aan boord. Was Hendrik Laers een graan
handelaar die connecties had met de handel op de Canarische eilanden en op deze manier aan z’n kanarie gekomen? We weten het niet, zoals we ook niet weten of Hendrik de kanarie voor zichzelf of voor z’n huisgenoten, bijv. zijn vrouw, had aangeschaft. Duidelijk is wel dat in de zomer van 1567 in de voorkamer van Huize Laers in ‘d’Oudezyts Kerckestrate’, in Amsterdam, ‘streckende voor van de straete tot aen den Amerack toe’ het lied van een kanarie klonk.
Hendrik Thomasz Laers had in de graanhandel kennelijk goed geboerd, want behalve het huis in de buurt van de Oude Kerk, waarvan het kavel tot het op dat moment nog ongedempte Damrak liep, bezat hij een complex huisjes ‘buyten Sint Anthoniuspoorte voorbij de Leprosen’.  Anno 2015 kunnen we de locatie van deze huisjes als volgt bepalen: De huidige Waag op de Nieuwmarkt is de vroegere Sint Anthoniespoort, genoemd naar het St. Anthoniusgasthuis, een tehuis voor leprozen, dat buiten de toenmalige stadsmuur gelegen was. Verder bezat Laers een huis ‘inde Bethanien Koestraete’ (Koestraat). Deze huizen werden verhuurd. De waarde van de inboedel van het huis in ‘d’Oudezyts Kerckestrate’ werd getaxeerd op 193 pond.
Bij het opmaken van de inboedelinventaris op 25 augustus 1567, werd Hendrik’s huis bewoond door diens vrouw en kinderen. Hendrik verbleef kennelijk elders en we veronderstellen dat hij vanwege zijn calvinistische sympathieën in het voorjaar van 1567 uit Amsterdam was gevlucht en tijdens het opmaken van de inboedelinventaris hoogstwaarschijnlijk in Oost Fries
-land, mogelijk in de stad Emden, verbleef.
In de zomer van 1566 raasde de Beeldenstorm door de Nederlanden en ook de interieurs van bijvoorbeeld de Oude en Nieuwe Kerk van Amsterdam waren voor de Beeldenstormers niet veilig. Eind oktober kregen de Amsterdamse Protestanten van de autoriteiten toestemming één van de Rooms Katholieke kerken voor hun godsdienstoefeningen te gebruiken. Deze Amsterdamse godsdienstvrijheid was maar van korte duur. In maart 1567 werd onder leiding van het Spaansgezinde stadsbestuur de klok teruggedraaid en was het voor de overtuigde calvinisten en zeker voor degenen die een actieve rol hadden gespeeld tijdens de oproer in de zomer van 1566 overduidelijk dat zij in Amster
-dam niet meer veilig waren. Velen vluchtten, o.a. naar Oost Friesland, in het bijzonder naar de stad Emden. Welke rol Hendrik Thomasz Laers gedurende de periode augustus 1566-maart 1567 in Amsterdam heeft gespeeld is mij niet bekend, maar overduidelijk is dat hij een veilig heenkomen buiten de stad heeft gezocht. Voor de Spaansgezinde gerechtelijke instanties was zijn optreden ten faveure van de protestantse godsdienst en de opstand tegen de Spaanse overheid voldoende om zijn bezittingen verbeurd te verklaren.
Met Oost Friesland als uitvalsbasis werd onder leiding van Lodewijk, graaf van Nassau, in april 1568, in een poging de Opstand tegen Alva nieuw leven in te blazen, geprobeerd de stad Groningen in te nemen. Schepen op de Eems moesten Lodewijks troepen bevoorraden en een tegenaanval vanuit zee proberen af te slaan. Deze schepen en hun bemanning zouden we de eerste watergeuzen mogen noemen. Eén van hun kapiteins was Hendrik Thomasz Laers. Toen vanuit Amsterdam, de voormalige woonplaats van Hendrik, een poging werd ondernomen de vloot van de watergeuzen op de Eems te verslaan speelde Hendrik Laers een belangrijke rol in de zeeslag, die een overwinning voor de watergeuzen opleverde. Via o.a. piraterij probeerden de watergeuzen de kas van de opstandelingen, waarvan Willem van Oranje inmiddels de onbetwiste leider was geworden, te spekken. Daarbij liet Hendrik Laers, als kapitein van een van de schepen van de watergeuzen, zich niet onbetuigd. Het schip en de bemanning waarover Hendrik Thomasz Laers het commando voerde was ook betrokken bij de inname van Den Briel op 1 april 1572, waarmee de opstand tegen de Spaanse overheid in een stroomversnelling kwam en uiteindelijk leidde tot de onafhankelijkheid van de Republiek.
Of het leven van commandant Laers  na z’n actieve dienst op een van de schepen van de Watergeuzen ooit weer in rustiger vaarwater is gekomen en hij in een luie stoel in de voorkamer heeft mogen genieten van kanariezang weten we niet. Voorlopig is het inventaris van de bezittingen van Thomas Hendriksz Laers uit 1567 wel de oudste, mij bekende, bron waarin een Noord-Nederlandse kanariebezitter met naam en toenaam wordt genoemd.10

Noten
1. Plokker, J.,  Ambulante kanariehandelaren te Leiden in de 18e en 19e eeuw. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari, 30e jaargang nr.1, pp. 14-32 en mei 2014, 30e jaargang, nr. 2, pp. 10-36.
2. Plokker, J., Kleindierensport in Katwijk gedurende de jaren ’30 en ’40, een historische schets naar aanleiding van het 60 jarig bestaan van vogelvereniging De Kanarievogel, pp. 12-16. Door vogelvereniging De Kanarievogel te Katwijk in eigen beheer uigegeven brochure, 2009.
3. Hervieux, J.C., Naaukeurige verhandeling van de Kanarivogels, Opdracht, p. 3. Vertaling uit het Frans door A. Moubach. Uitgegeven door Hendrik Schelte, Amster
dam, 1712.
4. Ibidem, Opdracht, pp. 3-6.
5. Informatie over de familie Corver is ontleend aan diverse websites op internet
6. Ontleend aan De Roo, T., Kanarieliefhebberij in de achttiende eeuw – op het kruispunt van wetenschap en vrije tijd. In: De achttiende eeuw 41 (2009) , pp. 104-135, i.h.b. p. 109.
7. Ibidem, p. 109.
8.  Plokker, J.,  Olfert Dapper. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari 2013, 29e jaargang, nr. 1, pp. 25-31.  
9.
Bovenstaande is gebaseerd op: Plokker, J.,  Frans Vogelaer. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie mei 2013, 29e jaargang, nr. 2, pp. 16-27. Aan het slot van dit artikel ook een uitgebreide verantwoording met vermelding van de geraadpleegde bronnen.
10. Bovenstaande is gebaseerd op: Plokker, J. Huiskamerkanaries in de Nederlanden in de 16e eeuw. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2013, 29e jaargang, nr. 3, pp. 12-27. Aan het slot van dit artikel ook een uitgebreide verantwoording met vermelding van de geraadpleegde bronnen.

Voor degenen die de geciteerde artikelen willen raadplegen en niet over de papieren versie van het Contactblad van de Speciaalclub Zang NZHU beschikken, alle geciteerde artikelen staan ook op de website van de vereniging www.zangkanaries.nl.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2015, nr. 3 pp. 22-35.

Naschrift Hendrik Thomasz. Laers
In het Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek is over Hendrik Thomasz. Laers de volgende informatie te vinden:
‘Hendrik Thomasz. Laers, ook wel Hendrik Thomassen genoemd, geb. te Amsterdam, data van geb. en overl. onbekend. Laers sloot zich al vroeg aan bij de Hervormden in Amsterdam en woonde in 1566 meermalen de predikatiën bij. Toen Hendrik van Brederode van Febr. tot April 1567 in Amsterdam was, hielp Laers dezen zooveel hij kon; bij het vertrek van Brederode moest Laers ook uit Amsterdam vluchten en ging zeer waarschijnlijk naar Oostfriesland. 25 Aug. 1567 komt de schout in Amsterdam zijn goederen beschrijven, 4 Nov. 1567 wordt hij voor de laatste keer opgeroepen om zich te verdedigen en 27 Nov. 1567 wordt Laers verbannen met verbeurdverklaring zijner goederen. Zijn huis in Amsterdam werd ook aangeslagen. Laers sloot zich bij de Watergeuzen aan. In Mei 1568 kruist hij voor Delfzijl; 23 Juni 1568 neemt hij met Sonoy en andere Watergeuzen in de haven van Emden een schip en krijgt 1 Juli 1568 van den prins van Oranje een lastbrief. Met Sonoy is hij de eerste Watergeus die zulk een brief ontving. 7 Juli 1568 valt Laers de vloot van Boschuyzen op de Eems aan en jaagt deze naar zee. 29 Dec. 1569 klaagt de stad Bremen over zijn rooverijen. Hij werkt samen met Bernardinus Geerlofsz. en Dirk van Bremen, ook gevluchte Amsterdammers. In Nov. 1571 is Laers bij Sandwich; 16 Febr. 1572 moest hij wegens een storm den haven van Rye binnen loopen; men liet Laers daar dadelijk toe. Op 1 April 1572 was hij bij de inneming van den Briel.
Bron: Blok, P.J. en P.C. Molhuysen, Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek (Instituut voor Nederlandse Geschiedenis), Leiden 1924.

Over de zeeslag op de Eems in de zomer van 1568 vinden we nadere informatie in het Biographisch woordenboek der Nederlanden van A.J.van der Aa:
‘François van Boschhuysen, Admiraal van den Koning van Spanje tijdens het verblijf van den Hertog van Alva hier te Lande, kwam in mei 1568 met een eskader van acht schepen, op de Eems, om het leger van Graaf Lodewijk van Nassau te benauwen. De Graaf, ten einde hiertegen te voorzien, gaf den 1sten Junij commissie uit aan Diederik van Sonoy, Hendrik Thomasz., Gerrit Sebastiaansz. van Gorinchem en meer andere vrijbuiters, om zich tegen Boschhuysen te verzetten. Deze ontnamen hem daarop een schip van honderd lasten en dreven hem den 10den Julij met de zijnen op de vlugt.’
Bron: Aa, A.J. van der, Biographisch woordenboek der Nederlanden, Haarlem 1855, Deel 2-2, p. 1027.

-0-

TOP
 

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

Speurtocht naar de oorsprong van de Waterslager

Inleiding

door Jaap Plokker

Wanneer we op zoek gaan naar de oorsprong van onze liefhebberij belanden we in een tijd en wereld waarin het heel gebruikelijk was om te manipuleren met het gedrag en de zang van vogels. Een van de uitingen van deze drang van mensen om in te grijpen in het gedrag en het zingen van kanaries heeft uitein-delijk geleid tot het zangkanarieras waterslager. Alvorens we concreet op zoek gaan naar de oorsprong van de waterslager proberen we meer zicht te krijgen op de tijd waarin het manipuleren van vogelgedrag en –zang heel gewoon was en welke vormen van manipulatie toen het populairst waren.Na de Inleiding is in het eerste deel de focus gericht op de gedresseerde kanaries.

Inleiding
Ankie van Grunsven werd in 1994 verkozen tot sportvrouw van het jaar, niet wetende dat haar grootste triomfen nog moesten komen: Olympisch kampioen in 2000, 2004 en 2008. Als een van de succesvolste Nederlandse Olympiërs ooit mocht zij bij de inhuldiging van koning Willem Alexander op 30 april 2013 de ceremoniële functie rol van Wapenheraut vervullen. Ankie behaalde haar successen in de hippische sport met het onderdeel dressuur. Op muziek liet zij haar paarden Bonfire en Salinero als ware het balletdansers op uitermate fraaie wijze voortbewegen.
Met wellicht velen van jullie heb ik vol bewondering de met lovende kritieken overladen film ‘De Nieuwe Wildernis’, over het natuurgebied de Oostvaardersplassen, bekeken. Hoofdrolspelers in deze documentaire waren de Konikpaarden. Ik ben me er niet van bewust dat ik in de film deze Konikpaarden een piaffe of pirouette à la Bonfire of Salinero heb zien vertonen.
Vanaf 2014 is het verboden om in circussen gedresseerde wilde dieren te laten optreden. Circusexploitanten mogen dus, bijvoorbeeld, niet meer laten zien dat hun olifanten rechtop kunnen zitten. Volgens eigen zeggen van de directeur was dit een van de redenen waarom over het sinds 1911 in Nederland optredende Circus Herman Renz in 2015 het faillissement moest worden uitgesproken.
De ene manipuleerder van diergedrag mocht als gevolg van de met deze activiteit verworven roem voor de koning uitlopen bij zijn inhuldiging; voor de andere dresseerder betekende de financiële afhankelijkheid van het dieren aanleren van trucjes het faillissement van een meer dan 100 jaar oud bedrijf.
Mogen mensen diergedrag beïnvloeden? Welke dieren wel, welke niet? Welke vorm van manipuleren wel, welke absoluut niet? Het publieke debat over dit onderwerp lijkt voortdurend in beweging, waarbij het manipuleren van diergedrag steeds meer als onnatuurlijk en daarom als ongewenst wordt beschouwd. Zal ooit Ankie van Grunsven’s sterrenstatus verbleken en zij in de publieke opinie verder voortleven als paarden mishandelaarster? Je weet het maar nooit. We begonnen dit artikel met voorbeelden van het manipuleren van diergedrag uit de wereld van de viervoeters, maar hoe zit dit nu in onze tak van sport, het houden en fokken van vogels? Er zijn veel overeenkomsten.
In de jaren ’80 van de vorige eeuw stond op een tentoonstelling van de Katwijkse vogelvereniging ‘De Kanarievogel’ een afgerichte putter in een putterkooi. Vele bezoekers namen uitgebreid de tijd om te bekijken hoe de distelvink een karretje met water aan een kettinkje naar zich toe trok en er uit dronk. Hoewel trouwringen aanvliegende uilen en ‘sprekende’ papegaaien en parkietjes nog steeds op veel sympathie mogen rekenen werd de inspanning die het puttertje moest leveren om aan drinkwater te komen door sommige bezoekers als ‘zielig’ gekwalificeerd. Ondanks dat vandaag de dag nog steeds distelvinken worden afgericht hun water en voer naar zich toe te trekken is de vraag heel reëel of er anno 2015 überhaupt een vogelvereniging te vinden is die een gedresseerde putter ten toon zou willen stellen. Onder invloed van een veranderde publieke opinie wordt er tegenwoordig  kritischer naar de eeuwenoude traditie van het manipuleren van vogelgedrag gekeken dan onze voorouders deden.
Wat we ons wellicht wat minder realiseren is dat onze hobby, het houden en kweken van zangkanaries, midden in deze traditie staat. Immers, ook wij zijn voortdurend bezig met pogingen het lied van onze waterslagers, harzers en timbrado’s te manipuleren in de door ons gewenste richting en we maken daarbij o.m. van dezelfde technieken gebruik als die men 350 jaar geleden benutte om kanariezang te beïnvloeden. Het gevolg van dit alles: het door de kwekers gecreëerde, gecultiveerde, harzer- en waterslagerlied herinnert nog maar weinig aan de natuurlijke zang van de kanarie op de Canarische eilanden, Azoren en Madeira.

Vormen van beïnvloeding vogelgedrag
In de loop der eeuwen heeft de mens op diverse manieren geprobeerd vogelgedrag naar z’n hand te zetten. We kunnen ze onderscheiden in visueel en auditief waarneembare manipulatie.
Tot de zichtbare gedragsmanipulatie rekenen we de gedresseerde vogels die kunstjes kunnen vertonen. Het voor de jacht africhten van roofvogels en de moderne variant daarvan zouden we ook hiertoe kunnen rekenen.

De auditief waarneembare zangmanipulatie willen we onderscheiden in:
- ‘sprekende’ vogels;
- melodietjes zingende vogels;
- de zang van andere vogelsoorten imiterende vogels.

Hoewel de ene vogelsoort gemakkelijker te manipuleren is dan de ander kunnen we kanaries rekenen tot de vogels die hun gedrag en zang door de mens laten beïnvloeden. Zo zijn van kanaries voorbeelden bekend van nagenoeg alle hierboven genoemde vormen van gedrags- en zangmanipulatie.
In dit artikel gaan we ons in het bijzonder verdiepen in de geschiedenis van het zangkanarieras waterslager. Waterslagers staan ook bekend als nachtegaalzangers. Gedurende de jaren 1981-2007 werden tijdens zangwedstrijden waterslagers ook beoordeeld op ‘nachtegaalaccent’. Idealiter moet het lied van de nachtegaal in de toeren en de structuur van het lied van de waterslager te herkennen zijn. De als een nachtegaal zingende kanarie kan dus gerekend worden tot de vorm van zangmanipulatie waarbij vogels de zang van andere vogelsoorten imiteren. De wortels van de waterslager liggen in een tijd dat het manipuleren van vogelgedrag wijd verspreid was. Daarom zullen we in dit artikel het ontstaan van de nachtegaalzanger plaatsen in de context van de tijd en de toen algemeen voorkomende vormen van gedrags- en zangmanipulatie bij vogels. Op onze speurtocht naar de oorsprong van de waterslager belanden we dus midden in de geschiedenis van het manipuleren van vogelgedrag in het algemeen en die van de kanarie in het bijzonder.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2016, nr. 2 pp. 16-18.

- 0 -

TOP

 

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

Speurtocht naar de oorsprong van de Waterslager

Deel 1: Gedragsmanipulatie  –  ‘Konstige Kanarie-Vogels’

door Jaap Plokker

Gedresseerde vogels
Je moet wat doen om publiek naar jouw attractie te lokken. Zo las ik op Internet dat het ornithologisch park in het 80 km ten zuiden van Lyon gelegen Bren spektakels organiseert  met gedresseerde vogels: Ara’s kunnen hier fietsen, goochelen, rolschaatsen en skaten. Kaketoes rijden met de tandem, de auto of met de autoped.  Het is echter niet nodig om helemaal naar Frankrijk te rijden om naar gedresseerde vogels te kijken. Ook het vogelpark Avifauna in Alphen aan den Rijn adverteert op Internet met (roof)vogeldemonstraties en tijdens een door de Katwijkers Brian en Annemieke Bouman verzorgde lezing bij de vogelvereniging De Kanarievogel kreeg ik te horen dat het echtpaar er graag voor zorgt dat hun uilen tijdens een huwelijksceremonie de trouwringen aanvliegen. Woestijnbuizerds van Brian en Annemiek werden afgelopen zomers door het gemeentebestuur van Katwijk ingehuurd om in het centrum van de kustplaats de meeuwenoverlast te bestrijden. In februari 2016 kwam in het nieuws dat door de Nederlandse politie arenden werden afgericht om verdachte drones uit de lucht te plukken. Gedresseerde vogels tot nut en vermaak anno 2016.

 
Foto: Gedragsmanipulatie: Fietsende Ara

Putters
De zijn eigen drinkwater puttende distelvink is een typisch voorbeeld van visueel waarneembare manipulatie van vogelgedrag. Het dresseren van distelvinken, die hierdoor ook de bijnaam ‘putter’ verkreeg, is een eeuwenoud gebruik. In de Amsterdamsche Courant van 9 april 1791 verscheen de advertentie dat ‘sederd eenige dagen alhier is gearriveerd Lambertus Mean van Antwerpen met allerbeste Kanary-Vogels (…) alsmede met twee allerbeste geleerde Putters, met derzelve daartoe gemaakte Kooijen’. Waarom de putters met de kwalificatie ‘geleerd’ werden aangeduid kunnen we lezen in het in 1672 gepubliceerde, door Petrus Nylant en Jan van Hextor geschreven ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen’:  ‘De Distelvinck of Puttertje is een Vogeltje (gelijck ook het Cijsken) die men in huyskens daer toe ghemaekt set daer aen twee emmerkens hangen die op en neder gaen van welcke in ’t een ’t eeten en in ’t ander  het drincken wordt gedaen soo leeren zy het selfde optrecken en in de voeten vast houden tot datse daer genoegh uyt gegeten of gedroncken hebben.’1 Hoe lang distelvinken al werden afgericht om hun eigen voer en drinkwater te putten voordat Nylant en van Hextor hun boek publiceerden is onbekend. Aangenomen wordt dat het dresseren van putters zeker tot de 16e eeuw terug gaat.2

 
Afbeelding: Madonna met kind door Jan Provoost (1463/65-1529).  Detail van het centraal paneel van een triptiek met Maria en kind, Johannes de Evangelist en Maria Magdalena (1505-1525).  De opmerkende kijker ziet dat Jezus een vogel aan een touwtje vast houdt. Refererend aan een bekend Middeleeuws kinderspel.

Krukvogels
Met zekerheid Middeleeuws is het kinderspel vogel-aan-een-touwtje. Kinderen liepen buiten met een vliegende vogel aan een touwtje, dat door hen werd vastgehouden; een beetje vergelijkbaar met zoals ik in mijn kindertijd op het strand me met een vlieger vermaakte.
Later werd het touwtje niet vastgehouden, maar vastgebonden aan een T-vormig stokje, de zogenaamde ‘kruk’, dat in de hand werd gehouden. De vogel werd getraind om na het vliegen op de kruk te gaan zitten om tot rust te komen. Deze getrainde vogels werden krukvogels genoemd. Meestal werden de toekomstige krukvogels geselecteerd uit inheemse vogelsoorten, maar er bestaat een vermoeden dat in de 18e eeuw ook kanaries als krukvogels dienst deden.4


Afbeelding: Meisje met een vliegende krukvogel.3

‘Konstige Kanarie-Vogels’
Ook kanaries kunnen trucjes aangeleerd worden. Voorbeelden daarvan zijn aangetroffen in 18e en 19e eeuwse kranten. Het betreft in vrijwel alle gevallen advertenties van rondreizende kermisexploitanten, die in een tent of logement tegen betaling hun ‘konstige Kanarie-Vogels’ lieten optreden. Zo was tijdens de Amsterdamse Kermis in september 1771 een kanarie te bezichtigen die de volgende kunsten vertoonde: ‘De aanschouwer eischt een Naam of Letter, die hij op de Tafel leggende Letters uitzoekt en toond, hij wijst uur en minuten op een Orlogie aan, onderscheid de couleur; antwoord op alle vragen, weet te rekenen, en andere Konsten meer, etc. Die aan Huis wil zien gelieft maar te laaten weeten. Heeren en Dames betalen na haar genereusiteit; de prys is 12 en 6 stuivers.’6

 
Foto. Twee meisjes met krukvogels. Schilderij dat zich bevindt in Kapel O.-L.-Vrouw Schreiboom te Gent. Het olieverf schilderij is ca. 1765 gemaakt door een onbekende meester. Het rechter meisje heeft op de kruk een gele vogel, mogelijk een kanarie. 5

Bekende kanarie ’dompteurs’ in de jaren ’70 van de 18e eeuw waren de uit Parijs afkomstige ‘Heer Gouffon’ en ‘Sinjeur Le Moine’. Zij trokken met hun ‘kunstige Kanarie-Vogels’ het hele land door, van kermis naar kermis. In mei 1773 bevond Gouffon zich in Groningen alwaar zijn ‘kunstryke Kanari Vogel’ kunsten vertoonde op de Vismarkt ‘in de Tent daar het Schildery van voornoemde Vogel voorhangt’. Een paar weken later was Gouffon op de kermis in Vlissingen en in juli 1773 te Middelburg waar ‘drie levendige Kanarievogels differente kunstige Exercitien verrigten’.7 In september 1776, tijdens de jaarlijkse kermis, was Le Moine te Amsterdam, waar je in een tent op de Botermarkt o.m. klokkijkende kanaries kon bewonderen. In november 1776 traden z’n kanaries op in Leeuwarden, waar je, om te kunnen zien hoe  ‘deeze beesten die insgelijks woorden formeeren en ook de cijferkonst bewerken, de coloeuren van Klederen onderscheiden en op ’t Horlogie aantoonen hoe laat het is’, voor de beste plaats 12 stuivers moest neertellen.8
In september 1789 stond er tijdens de kermis te Amsterdam wederom een tent op de Botermarkt met een ‘Schildery van de Konstige Kanary-Vogelen’ als uithangbord. Deze keer was de heer Dujon gearriveerd met ‘De Academie van veelerhande konstige Kanarie en andere Geleerde Vogelen.’9
Een wel heel bijzonder optreden verzorgde ‘eene groote Academie van Canary-vogels’ in januari 1792 in het ‘Logement ’s Lands Welvaren’ te Groningen. Twee keer per avond trad ‘De Academie’ op, nl. om zes en om acht uur. Voor een plekje op de eerste rang moest de niet misselijke prijs van 12 stuivers neergeteld worden, voor een wat minder bevoorrechte plaats was men 6 stuivers kwijt en voor een staanplaats achteraan moesten twee stuivers betaald worden. Voor de gewone man waren dit alleszins forse toegangsprijzen, - Het weekloon van een bouwvakker bedroeg toen ca. 16 stuivers -,  maar daar kreeg je dan ook wel wat voor te zien: kanaries die een ‘Kanon afschieten, elkander doodschieten, rondom zich laaten schieten, voltigeeren, equilibreeren en meer verwonderlyke kunsten verrichten’.10
Tenslotte werd in de Haagsche Courant van 8 mei 1797 de aandacht gevestigd op een wel heel bijzondere eigenschap van de kanarie, namelijk z’n helderziendheid. Tijdens de kermis was men in ‘de Blauwe Tent voor den Ouden Doelen’ in de gelegenheid de toekomst te laten voorspellen door ‘de vermakelyken Waarzegger, dit werd ten uitvoer gebragt door Kanarie Vogels op een vermaakelijke wijs’.

Gedresseerde kanaries in de 19e eeuw
Ook na de Napoleontische oorlogen trokken gezelschappen van kermis naar kermis om in een tent gedresseerde kanaries hun kunstjes te laten vertonen. Met name in de jaren ’20 waren diverse kermisexploitanten actief met een kanarie act. Advertenties werden aangetroffen van de ‘Heer Maju’, ‘K.M. Heesbee’, ‘Leendert en J.J. Samuel & Co.’, ‘R. Kinsbergen in Comp. met I.L Emanuel’ en ‘D.L. Bamberg’, die op de jaarlijkse kermis in o.m. Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Leiden. Arnhem, Haarlem, Middelburg, Groningen en Leeuwarden hun tent hadden opgezet. Met name de kanaries van de heren Maju en Heesbee lieten een indrukwekkende performance zien.

 
Advertentie uit de Opregte Haarlemsche Courant van 29 juni 1822, waarin de heer Maju zijn optreden met 50 gedresseerde kanaries op de Haarlemse kermis aankondigde.                              

De heer K. Maju, de ene keer ‘komende van Berlijn’, een andere keer van ‘Weenen’ of ‘Hamburg’, was omstreeks 1800 al een bekende verschijning op jaarlijkse kermissen in de belangrijkste steden in Nederland. Als ‘Phisicus’ en ‘Inventeur’ toerde hij rond met zijn ‘Natuur- en werktuigkundig–Kabinet’. Zijn ‘Mechanique uitvindingen’ waren kennelijk zo bijzonder dat hij, jaar in, jaar uit, kermispubliek aan zich wist te binden. In het begin van de jaren ’20 toerde hij nog steeds van kermis naar kermis met zijn ‘groot Kabinet Physike en Mechanieke Kunststukken’, waarvan een koorddanseres in de vorm van een vier voet hoog ‘Mechaniek Beeld, genaamd Automaat, verbeeldende eene zeer schone prachtig gekleede Dame’, wel de meeste indruk maakte. In 1821 bleek Maju opeens zijn repertoire uitgebreid te hebben met een ‘Kabinet’ van 84 gedresseerde kanaries. Getuige de advertenties in de krant stalen tijdens zijn optreden de kanaries de show en was hun act zo indrukwekkend dat zelfs de Koninklijke familie tijdens de Haagse kermis in mei 1822 in de tent van de heer Maju de kunststukjes van zijn kanaries had bewonderd. De kanaries van Maju verwierven roem met ‘hunne militaire evolutien als manoeuvreren met het geweer, het afsteken van een stuk geschut, het vliegen door een geluidgevend Vuurwerk’. Verder waren er ook domino en kaartspelende kanaries te bewonderen. In de jaren ’30 adverteerde K. Maju nog steeds in de krant wan-neer hij met zijn variété programma in een stad arriveerde, maar de kanaries waren uit het optreden verdwenen. Bijna tien jaar hadden zijn gedresseerde kanaries het publiek versteld doen staan, maar zo plotseling als ze in zijn optreden waren opgedoken, zo plotsklaps waren ze er ook weer uit verdwenen.
De uit Gent afkomstige K.M. Heesbee afficheerde zichzelf als ‘Professor in de Tours d’Adresse’, oftewel goochelaar,  ‘Jongleur’ en ‘Equilibrist’. Een evenwichtskunstenaar met één been moet toen zeker de aandacht hebben getrokken. Naast optredens op kermissen kon je Heesbee ook vragen zijn kunsten te laten vertonen op ‘Visiten en Gezelschappen’. Voor zijn act met gedresseerde kanaries had de heer Heesbee zich eveneens laten inspireren door het militaire bedrijf. Voor de Middelburgse kermis in 1825 had Heesbee ‘medegebragt eene collectie van 84 gedresseerde kanarievogels waarvan één een Pistool afschiet, twee op de Slappe Koord balanceren; een Vogel zal apporteren gelijk een Hond, twee Vogels zullen domino spelen, zes zullen een Vuurwerk manoeuvreren; een comieke group van een Vogel die op schildwacht staat, deserteren van zijnen Post, wordt door andere Vogels gearresteerd en veroordeeld tot den Dood; daarna ziet men dat de eene Vogel den anderen zal komen te fusilleren, en de gedoode op een Wagentje wegtrekken’. Om dit schouwspel te mogen bewonderen moest ‘een heer 60 cents, en met eene Dame één Gulden’ betalen.
Ook K.M. Heesbee schrapte rond 1830 het optreden met gedresseerde kanaries. Gedurende de jaren ’30 trad hij in heel veel Nederlandse steden op, zowel op kermissen als in theaters, maar dan vooral met zijn goochel- en jongleursact. Zijn marcherende en schietende kanaries behoorden definitief tot het verleden.11 
Hoewel omstreeks 1830 zowel K. Maju als K.M. Heesbee het optreden van gedresseerde kanaries uit hun variété programma schrapten bleven andere kermisexploitanten van kermis naar kermis toeren met hun kunstjes vertonende kanaries. Uit een ingezonden stuk in de Leydse courant van 28 juli 1865 blijkt dat in de jaren ’50 en ‘60 een man met gedresseerde kanaries in juli vaste gast was op de Leidse kermis. De Leidenaar miste op de kermis van 1865 de ‘Kanarievogels, die, in rode rokjes gehuld, heel mooi op elkaar schoten met kanonnen zodat de eene partij, de kleinste, omviel, en de andere, de grootste, staan bleef’. Hij herinnerde zich nog wel van het vorige jaar dat de vogels ‘er wel akelig geplukt’ uitzagen en ‘zeer graauw van den kruiddamp’ waren, ‘want er was geen einde aan den slag’. De schrijver vreesde dat ‘hun geduldige meester, die toen reeds oud was en bijna geen stem meer had, zijn laatsten strijd zal gestreden hebben’. Een opvolger was kennelijk niet voorhanden. Het lijkt er op dat in Nederland de ‘Konstige Kanarie-Vogels’ als kermisattractie in de tweede helft van de 19e eeuw stilaan van het toneel zijn verdwenen.12 

Het dresseren van kanaries en ze laten optreden voor een publiek was een internationaal fenomeen. We vinden beschrijvingen van kunstjes vertonende kanaries in o.m. Duits- en Engelstalige vogelliteratuur. In A.I. Kellner’s ‘Naturgeschichte der Kanarienvogel’, in 1808 in een Nederlandse vertaling uitgegeven, werd uitgebreid beschreven hoe je kanaries tam kunt maken en werden ook voorbeelden gegeven van kunstjes die door kanaries konden worden uitgevoerd.13
In ‘The Book of Cage Birds’ beschreef Henry Beck Hirst een groot aantal sketches met kanaries, waarvan hij kennis had genomen en waarmee men, o.m. in 1820 in Londen, het publiek had vermaakt. Veel kunststukjes die Hirst in z’n boek opnam waren ook te zien in de kermistenten in de Lage Landen. De in het Amerikaanse Philadelphia woonachtige jurist Henry Beck Hirst (1813-1874) is, hoewel hij ook enige tijd een winkeltje voor exotische vogels heeft gerund, vooral bekend geworden als dichter en vriend van de Amerikaanse schrijver Edgar Allan Poe. Zijn band met de vogelwereld kwam niet alleen tot uitdrukking in het schrijven van genoemd boek. Hirst bezat een tamme raaf en heeft ook zelf een kanarie afgericht. Deze vogel was in staat, zoals een putter, een karretje met voer en water over een rails naar zich toe te trekken en er, vervolgens uit te eten of drinken. Veel vrienden en visite hebben bij Hirst thuis vol bewondering naar het kunststukje van de kanarie gekeken. Het beestje is overigens triest aan zijn einde gekomen. Op een mooie dag hing Hirst de kanariekooi aan een spijker buiten aan het raam. Het spijkertje begaf het en de kooi sloeg te pletter op straat, waarbij de kanarie op slag om het leven kwam. Henry Beck Hirst’ leven eindigde overigens ook in mineur, zijn laatste jaren bracht hij door in een krankzinnigengesticht.14
In de Inleiding werd gerefereerd aan het  publieke debat over het manipuleren van diergedrag en dat dit in onze tijd steeds meer als onnatuurlijk en daarom als ongewenst wordt beschouwd. Het lijkt een moderne discussie, maar in het in 1805 in Leipzig, door A.I. Kellner geschreven ‘Naturgeschichte der Kanarienvogel’ werden al vraagtekens gezet bij het recht van mensen om dieren onnatuurlijke kunstjes te laten vertonen en ze bij het africhten te mishandelen. Augustus Immanuel Kellner, predikant in het in Saksen gelegen Suhl en tevens kanariekweker uit liefhebberij, ging in zijn boekje uitgebreid in op het houden en fokken van kanaries. In diverse opzichten is zijn publicatie vergelijkbaar met het toen in Nederland erg populaire, door F. van Wickede geschreven, ‘Kanari-uitspanningen’. Waar echter van Wickede niet rept over het dresseren van kanaries ging Kellner daar uitgebreid op in. Opmerkelijk is zijn kritische noot betreffende het africhten van kanaries en het laten optreden van gedresseerde vogels voor publiek:  ‘Is het goed hun nuttelooze kunsten en lichaamsbewegingen aan te wennen die hun onnatuurlijk en zonder eenig wezenlijk nut voor de menschen doen zijn? (…) Hij zondigt tegen de menschelijkheid, terwijl hij te gelijk het regt des diers door zijn onnatuurlijke behandeling krenkt. (…) Kunstemakers, gochelaars, koorddansers en dergelijk slag van volk hebben veeltijds zulke afgerigte dieren bij zich; en wat hebben die dieren niet uitgestaan, eer zij deze nuttelooze vaardigheden en kunsten aanleerden en vaardig oefenden! Ook de kanarievogel wordt dikwijls tot zulke kunsten misbruikt. (…) Ik zie zulke kunsten nooit met vermaak aan; altijd denk ik aan de martelingen en mishandelingen, welke het dier uitgestaan heeft, eer hij dit alles aanleerde, en wat hij nog dagelijks uitstaan moet om de menschen te verlustigen. Het is onteerend voor de menschheid, en krenkt op het geweldigste het regt van het dier.’ De Nederlandse vertaler herinnerde zich de als militairen exercerende kanaries ‘op de kermis te Amsterdam en elders: en de toeloop om die vogelexercitie te zien was, te Amsterdam vooral, onnoemelijk groot. Of dit het gevoel en den smaak  van die aanschouwers tot eere verstrekte? – Men riep algemeen over het aardige en mooije in die kermistent en in de gezelschappen. De ellende der vogeltjes kwam weinig in aanmerking’.15
 Het taalgebruik verraadt dat het hier een oude tekst betreft, maar omgezet naar modern Nederlands zou dit uit het begin van de 19e eeuw daterende citaat zo geschreven kunnen zijn door de ideologen van de Partij voor de Dieren…..

Slot
In de jaren ’70 van de 18e eeuw verschenen in kranten, die in de steden van de Republiek werden uitgebracht, advertenties van kermisexploitanten die in een tent op de jaarlijkse stadskermis het publiek vermaakten met gedresseerde kanaries. Het publiek optreden van afgerichte kanaries wordt in de mij bekende oudere bronnen niet vermeld en daarom nemen we aan dat het medio de 18e eeuw een betrekkelijk nieuw fenomeen betreft.
Het optreden met gedresseerde kanaries op kermissen lijkt in de loop van de 19e eeuw langzamerhand te zijn verdwenen. Toerden in de jaren ’20 nog diverse gezelschappen door Nederland,  na 1830 vinden we in de krant nog sporadisch een verwijzing naar een kermisattractie met kanaries. Dat mensen het niet kunnen nalaten voor persoonlijk plezier kanaries trucjes aan te leren blijkt niet alleen uit het relaas van Henry B. Hirst, maar ook uit bijgaande uit de 20e eeuw daterende foto. Het ‘gouden’ tijdperk van de voor betalend publiek optredende ‘konstige Kanarie-Vogels’ lijkt zich echter beperkt te hebben tot de periode 1760-1860.

 
Foto. Gedresseerde kanaries op de strijkstok van een vioolspelende man, 1935. Naam van de violist en fotograaf zijn onbekend. (Spaarnestad Photo. Bron: Internet)

Noten - Konstige Kanarie-Vogels
1. Nylant, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen, afbeeldende allerhande Menschen, Beesten, Vogelen, Visschen, etc. Met een Beschrijvende haar gestalte / hoedanigheden / natuur / krachten / eigenschappen / en genegentheden met 160 Figuren. Amsterdam, 1672. p. 229. (Inventarisnr. Kon. Bibliotheek:  KW 447 F 13)  Zie ook Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken, Hilversum 2002, pp. 283-284.
2. DeRoo, Tom, Dierlijke gezelschap, menselijke reflectie, Gezelschapsdieren en hun culturele betekenis in de Moderne Tijd. Universiteit Antwerpen, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis, 2004-2005, pp. 111. 
3. Afbeelding op de titelpagina van A.I. Kellner, Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen. Amsterdam, 1808.
4. Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken,  o.c., pp. 280-282.  Roo, Tom de, Dierlijke gezelschap, menselijke reflectie, Gezelschapsdieren en hun culturele bete
-kenis in de Moderne Tijd. Universiteit Antwerpen, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis, 2004-2005, pp. 113-114.  Roo, Tom de, Vreemde vogels: de papegaai en de kanarie als uitheemse gezelschapsdieren in Antwerpen van de zestiende tot achttiende eeuw, p. 42. In: Wonderlycke dieren op papier in de tijd van Plantin.  Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in het Museum Plantin-More-tus/Prentenkabinet, te Antwerpen, 2007. 
5. Zie: Tom de Roo, Vreemde vogels, o.c.; bron foto: Internet
6. Amsterdamsche Courant: 26-09-1771. Van twee kanaries die in München vergelijkbare kunsten vertoonden werd verslag gedaan in de Oprechte Haerlemse Courant van 8-11-1766: ‘Bij eenen Burger alhier zyn twee Kanarie-Vogeltjes te zien die tot zeldzaame Kunsten afgericht zyn. Zy weeten hoe veel Persoonen ‘er in een gezelschap tegenwoordig zyn, indien het getal niet over de 30 beloopt. Zy brengen de Letters te zamen, om zekere Naamen, die niet al te moeilijk zyn, te vormen; zy wyzen de vier regels der Rekenkunde, en de Uuren en Minuuten op het Horologie aan; zy onderscheiden ook de Kleuren, enz.’
7. Opregte Groninger Courant 4-5-1773; Middelburgsche Courant 24-7-1773.
8. Amsterdamsche Courant 28-09-1776; Leeuwarder Courant 16-11-1776. 
9. Amsterdamsche courant 19-09-1789.
10. Groninger Courant, 16-1-1792. Met ‘voltigeeren’ en ‘equilibreeren’ moeten we hoogstwaarschijnlijk denken aan resp. het draaien om een koord  en koorddansen.
11. Amsterdamse courant: 20-09-1803.  ’s Gravenhaagse courant: 07-05-1821; Dagblad van ’s Gravenhage: 05-05-1828, 09-05-1836; Rotterdamse courant: 28-08-1802, 11-08-1821, 10-08-1822, 13-08-1822, 10-08-1824, 08-03-1828, 26-05-1829. Groninger courant: 06-05-1803, 13-05-1823, 11-05-1830, 15-05-1835. Middelburgse courant: 29-07-1823, 24-07-1824, 27-07-1824, 29-07-1824, 31-07-1824, 03-08-1824, 26-07-1825, 06-08-1825, 13-08-1825, 28-07-1828, 31-07-1830, 30-07-1831. Utrechtse courant: 15-07-1799, 14-07-1802, 15-07-1822, 23-12-1825, 21-07-1834; Leeuwarder courant: 02-07-1803, 11-07-1823, 15-07-1825, 14-07-1829, 15-01-1830, 24-05-1833, 12-07-1833, 16-07-1833; Oprechte Haarlemse courant: 04-07-1799, 01-07-1800, 29-06-1822; Algemeen Handelsblad: 24-03-1834, 23-02- 1835; Arnhemsche courant: 16-03-1822, 11-03-1837; Leydse courant: 20-05-1822, 31-05-1824, 05-05-1826.
12. Voor optreden van gedresseerde kanaries in De Bierkrans te Rotterdam: Nieuwe Rotterdamsche courant: 09-01-1858.
13. Kellner, Augustus Immanuel, Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen, pp. 79-88,  98-100. Amsterdam 1808, 1e editie. Oorspronkelijk uitgave: Kellner, A.I., Naturgeschichte der Kanarienvogel.
Leipzig, 1805. 
14. Hirst, Henry B., The Book of Cage Birds, pp. 21-25. Philadelphia, 1843, 3ed edition.
Diverse internetsites met info over Henry Beck Hirst.
15. Kellner, Augustus Immanuel, Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen, o.c., pp. 85-87.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2016, nr.2, pp. 19-31.

-0-

TOP

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

Speurtocht naar de oorsprong van de Waterslager

Deel 2a: Zangmanipulatie – ‘Spreken als een Mensch’

door Jaap Plokker

In de vorige editie van ons clubblad zijn we begonnen met een artikelenreeks over de oorsprong van de waterslager. De stelling was dat het lied van de waterslager door mensen is gecreëerd door de zang van de wilde kanarie te manipuleren. Op zich is het manipuleren van vogelgedrag en –zang niet bijzonder. Al in een ver verleden was men heel actief daarmee. We hebben ons de vorige maal verdiept in het beïnvloeden van het vogelgedrag in het algemeen en dat van kanaries in het bijzonder. In het vervolg zullen we ons richten op het manipuleren van vogelzang en deze keer beginnen we met de ‘sprekende’ vogels.

‘Sprekende’ vogels
Tijdens de voor de Republiek desastreus verlopen Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) verscherpten zich de tegenstellingen tussen Stadhouder Willem V en zijn getrouwen enerzijds, en degenen die de macht van de stadhouder wilden inperken, de patriotten, anderzijds. De spanningen ontwikkelden zich medio de jaren ’80 tot een revolutie. De orangisten dolven het onderspit. Willem V verloor o.m. in heel veel steden zijn bevoegdheden bij de benoeming van magistraten, koos eieren voor zijn geld en verhuisde noodgedwongen van Den Haag naar Nijmegen en ’t Loo bij Apeldoorn. In de burgeroorlog die volgde wist Willem V met militaire hulp van zijn zwager, Frederik Willem II, koning van Pruisen, in 1787 de oude orde te herstellen.
De strijd tussen patriotten en prinsgezinden werd aanvankelijk vooral via spotprenten en pamfletten uitgevochten, waarin het er heel grof aan toe kon gaan en, bijvoorbeeld, de patriotten er niet voor schroomden stadhouder Willem V als een op de grondbeginselen van de Republiek urinerend varken af te beelden. In de te Amsterdam uitgegeven ‘Opregte Nederlandsche Courant’ werd op 11 januari 1787 een ingezonden brief geplaatst die op ludieke wijze de spanningen tussen orangisten en patriotten relativeerde. In de brief valt o.m. het volgende te lezen:  ‘Hier is, zo men zegt, een kaerel aangekomen met eenige kooyen Pappegaayen, en een kraag Kanary Vogels. Eenige Pappegaayen heeft hij afgericht om voor den Prins te klappen1 en tot zijn lof te praten, en eenige schelden hem den huid vol, en pryzen de Patriotten. Hy houd die in byzondere Kamers, zo dat, wanneer men een Oranje Pappegaay begeert, men in een kamer wordt gebragt, daar men niet dan loftuitingen hoort op de Hattemer Expeditie2 en smaadtaal op de Patriotten. En eischt men een Vaderlandsch beest, dan wordt men in een vertrek geleid, daar men den Stadhouder hoort vervloeken, en de Patriotten zegenen. ( ….) Wat de Kanary-Vogels betreft, deeze zingen Patriotsche deunen en Anti-Patriotschen.‘
Met melodietjes zingende kanaries was de 18e eeuwer veel meer vertrouwd dan wij anno 2016, maar sprekende papegaaien zijn tot in onze tijd een bekend verschijnsel.

Sprekende vogels voor de elite
De wetenschap dat papegaaien en parkieten als woorden herkenbare klanken kunnen worden aangeleerd gaat in West Europa terug tot de vroege Middeleeuwen. In een van z’n brieven schreef Theodulf van Orleans (ca. 750/760 – 821) over ‘een ekster die de menselijke stem nabootst naast een papegaai die gedichten afdreunt’. Ook Isidorus van Sevilla (560-636) refereert aan het spraakvermogen van papegaaien.3 Isidorus’ beschrijving van een papegaai is die van een halsband parkiet en tot ver in de Middeleeuwen gold de groene halsband parkiet als het prototype van de papegaai. Heel bijzonder was de geelwitte papegaai, hoogstwaarschijnlijk een kaketoe, die keizer Frederik II van het Heilig Roomse Rijk (1194-1250), van de kalief van Bagdad cadeau had gekregen. Fredrik II was trouwens een verwoed verzamelaar van exotische dieren. Z´n menagerie bevatte o.m. olifanten, dromedarissen, kamelen, luipaarden, giervalken, struisvogels en papegaaien. Met de sultan Malik-al-Kalmil van Egypte ruilde hij een witte beer voor een giraf. Het bleef trouwens nog eeuwen lang een goed gebruik dat vorsten voor hun menagerieën elkaar exotische dieren als geschenk aanboden. Wilde men bij een vorst of hoog geplaatste in het gevlei komen dan was het schenken van een niet alledaagse vogel of viervoeter een probaat middel.4  Medio de 15e eeuw  trokken Portugese zeelieden, voorbij de Sahara, langs de Afrikaanse kust steeds verder zuidwaarts. Ze namen op de retourreis o.m. rode papegaaien mee, die vervolgens spoedig in de vorstelijke menagerieën te bewonderen waren.5
Of in de dierenverzamelingen van de Middeleeuwse hoge adel zich ook kanaries bevonden is nog maar de vraag. In op contemporaine bronnen gebaseerde wetenschappelijke literatuur heb ik tot dusver geen aanwijzing gevonden dat in de Middeleeuwse volières kanaries rondvlogen. Het onbeduidende grauwgroene zangvogeltje van de Atlantische archipels was verre van een spectaculair gekleurde blikvanger en zeker geen object om mee te pronken in de vogelverzameling. Dat kanaries in de mij bekende literatuur niet als bewoners van de vorstelijke menagerieën worden genoemd zou dus heel goed een aanwijzing kunnen zijn voor de geringe belangstelling die er in de Middeleeuwen voor de kanarie bestond.

 
Afbeelding: Wilde kanarie op La Palma, Canarische eilanden. Met dit allerminst spectaculair gekleurde grauwgroene vogeltje viel er door de rijke adel weinig te pronken in de Middeleeuwse menagerieën en volières. (Foto Eric Verhagen, 23-03-2012)

Hoewel in de loop van de Middeleeuwen, als gevolg van de kruistochten en de toegenomen handel, de invoer van papegaaien in Europa groeide bleef het bezit van deze uiterst kostbare en koddig sprekende kromsnavels beperkt tot wereldlijke én kerkelijke vorsten.
Pausen hadden namelijk ook iets met papegaaien. Van paus Leo IX (1002-1054) is bekend dat hij zich bijzonder vermaakte met het gekeuvel van zijn papegaai. Uit rekeningen van het pauselijke hof valt op te maken dat gedurende de hele veertiende en vijftiende eeuw papegaaien onafscheidelijke huisgenoten en troeteldieren van pausen waren.6 De papegaai werd zo met het pausdom verbonden dat hij er zelfs z’n naam aan te danken heeft.7  Omdat de papegaai zo gemakkelijk ‘Ave’, Latijn voor ‘Dag’ of ‘Gegroet’, kon zeggen werd hij geassocieerd met de aankondiging van de geboorte van Christus en schilderde Jan van Eyk op zijn ‘Madonna met kanunnik Joris Van der Paele (1434/1436) Maria met op haar schoot Christus en een papegaai, i.c. een halsbandparkiet.8

Papegaaienhandel in de Republiek
Met de ontdekking van nieuwe werelddelen en de daarmee verbonden groeiende handel in exotische producten nam ook de aanvoer van papegaaien naar Europa toe. Werd aanvankelijk de Europese markt door Portugezen en Spanjaarden bevoorraad, later werden ook papegaaien met handelsschepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC)  en West Indische Compagnie (WIC) in de Republiek aangevoerd. Grote dieren die vanuit de Oost werden meegenomen, zoals kasuarissen, struisvogels, pinguïns en herten, waren doorgaans bedoeld als geschenk van de voc aan de stadhouder, ten behoeve van diens menagerie. Overigens vloog in de volières van stadhouder Maurits van Nassau in Den Haag in de jaren ’20 van de 17e eeuw een kanarie rond, maar dit terzijde. Daarnaast nam menig matroos of soldaat op de retourreis uit Azië of Zuid Amerika kleine dieren mee als aapjes, papegaaien en kaketoes in de hoop die levend over te brengen en voor goed geld in Holland te kunnen verkopen. Zo is van de in VOC dienst werkzame Duitser Christoph Carl Fernberger bekend dat hij in 1627, tamelijk vermogend, vanuit Batavia terugkeerde, vergezeld van een luipaard, een kaketoe, drie papegaaien en drie apen. Dat niet alle exotische dieren de retourreis overleefden blijkt wel uit het verslag van de Duitse soldaat Müller van wie we weten dat op het schip waarmee hij in 1669 naar Amsterdam terugvoer ‘vele mooie papegaaien, kaketoes, zeven parkieten, kasuarissen, vele apen, meerkatten en een stekelvarken’ meegingen, waarvan alleen de apen levend in Amsterdam aankwamen. Niet zelden werd na aankomst in Amsterdam de exotische levende have verkocht aan de waard van het logement waar men verbleef, omdat de herbergier over de juiste verkoopkanalen en connecties beschikte.9 

 
Detail van het schilderij van Jan van Eyck ‘Madonna met kanunnik Joris van der Paele’ (1434-1436). Op de schoot van Maria Jezus met halsbandparkiet. (Bron Internet)

De gestage aanvoer van papegaaien en parkieten had een prijs verlagend effect waardoor de afzetmarkt groeide voor met name de algemeen voorkomende soorten. De handel in exotische dieren werd daardoor, naarmate de decennia vorderden, steeds minder afhankelijk van de goed gevulde beurs van de zeer vermogende elite. Dat in 18e eeuwse kranten regelmatig advertenties werden geplaatst waarin papegaaien te koop werden aangeboden, zowel op openbare verkopingen als door vogelhandelaren, zou men als een aanwijzing hiervoor kunnen beschouwen. In oktober 1720 verschenen in de Amsterdamse Courant diverse advertenties waarin makelaar Filip Pick aankondigde ‘in de Keyzers Kroon, in de Kalverstraet’, een groot aantal artikelen bij opbod te verkopen, waaronder ‘eenige Papegayen met kouwen’.10  In de Amsterdamse Courant van 28 mei 1763 adverteerde de op de ‘Fluweele Burgwal’ woonachtige vogelhandelaar Jan Schreuder met ‘Blaauwe en Groene Welsprekende Papegayen’. Van Jan weten we verder dat hij ‘koopt en verkoopt ook allerhande vreemde Gevogelte’.11 Via advertenties in de Amsterdamsche Courant liet Johannes Tornaar, ‘zaadverkoper en Bloemist’ op de hoek van de Groote Weessluis en St Luciasteeg gedurende de jaren 1768-1770 regelmatig blijken ook in vogels te handelen. In de reeks door hem geplaatste advertenties komt zowat een compleet vogelpark voorbij. Een greep uit het assortiment dat Johannes in de verkoop had: Kanarie-Vogels, met en zonder Kuiven, Duiven, twee extra raare Bengaalse Vogeltjes genaamd Moniassies, Blauwe of Grauwe welsprekende Papegayen, Paauwen en Paauwinnen, Chinese en Inlandse Phizanten, Poelipitaten (= parelhoenders), Calkoenen, eenige blinde Vinken, welgeleerde fluitende Goudvinken en eenige fraaije Broei-Kooien en Vlugten met vergulde ornamenten.12
Dat in de 18e eeuw de handel in kromsnavels en ander exotisch gedierte zich niet tot Amsterdam beperkte blijkt wel uit berichtgevingen in de Leydse Courant. In de editie van 17 juni 1765 verscheen de volgende advertentie: ‘In ’t Weesper Bierhuys op de Hooglandse Kerkgraft te Leyden zullen absoluut niet langer als dezen Avond uit de hand te koop zyn verscheide spreekende en jonge papegayen van allerley Couleuren; (…) Die Koopman beneemt de Papegayen het byten en plukken binnen de tyd van een uur’. Kennelijk had men toen ook al te kampen met papegaaien  die zichzelf kaal plukten. Een volgend bewijs daarvoor viel te lezen in de Leydse Courant van 2 december 1776: ‘Te Leyden in het Noord-Einde aan de Witte Poort zijn in het Logement, genaamd De Witte Poort, by den Hospes De Wolf te koop allerhande Papegaajen, zo sprekende als niet sprekende; alsmede een paar Oost-Indische Kanarievogels, zoo als ook een Kat van de Mallegasjes; ook kan men aldaar te regt komen om Papegaajen, die de Veeren uitplukken, te helpen’.

Sprekende vogels voor het gewone volk
Konden in de Middeleeuwen wereldlijke en kerkelijke vorsten zich vermaken met het gekeuvel van papegaaien en parkieten, het gewone volk moest zich hiervoor behelpen met meer alledaagse vogels. Eksters, kauwen, raven en spreeuwen bleken overigens heel geschikt om te leren spreken. Theodulf van Orleans schreef omstreeks 800 over sprekende eksters. Volgens het Ruoadlied, een elfde eeuwse ridderroman uit Zuid-Duitsland, konden jonge spreeuwen hele gedichtjes citeren. Marie de France (1154-1189) benadrukte het vlot kunnen spreken van kauwen en de 13e eeuwse Vlaamse dichter Jacob van Maerlant loofde eksters, kauwen en spreeuwen om hun spraakvermogen.13 Het praten van de kraaiachtigen werd bevorderd door de tongriem los te knippen. Opdat deze ingreep op de juiste wijze werd uitgevoerd werd in de literatuur tot in detail beschreven hoe men dit moest doen.14
Maar niet alleen kraai-achtigen konden het spreken worden aangeleerd. Volgens Joseph Blagrave kun je spreeuwen en roodborstjes leren spreken15  en ook zijn er aanwijzingen gevonden voor sprekende goudvinken en zelfs sprekende kanaries.
Behalve het africhten van vogels voor eigen plezier, werd ook in sprekende zangvogels gehandeld. Tot ver in de 18e eeuw werden in kranten advertenties geplaatst waarin sprekende vogels te koop werden aangeboden, zoals goudvinken die ‘spreeken als een Mensch’16 een Welsprekende Raaf’17 en ‘geleerde Spreeuwen’, die ‘Hoogduitsch spreeken’.18 Op grond van de frequentie waarmee sprekende inheemse vogels in advertenties werden aangeboden nemen we aan dat er sporadisch in werd gehandeld en het dus of een uitermate schaars artikel was of er nauwelijks interesse voor bestond.

‘Sprekende’ kanaries
Getuige een advertentie in de Amsterdamsche Courant van 23 mei 1778 kon men kennelijk zelfs kanaries woorden aanleren: ‘Een magnifique Canary-vogel te koop, die spreeken kan, nooit gehoord’.  Een sprekende kanarie was kennelijk zo bijzonder dat de verkoper uit het beluisteren van dit fenomeen een slaatje probeerde te slaan. Meldde men zich ‘’s morgens van 10 tot 1 uur, en ’s namiddags van 3 tot 7 uuren’ in de  ‘groote Oosterburgerstraat, boven de Spekslager’ dan bedroeg de entree 1 gulden. Werd de eigenaar gevraagd aan huis te komen om de vogel zijn kunsten te laten vertonen dan werd 2 gulden per persoon in rekening gebracht. Met dergelijke entreeprijzen om de vogel alleen maar te kunnen horen spreken moet de aanschaf van dit ‘spreekwonder’ een godsvermogen gekost hebben. Dat deze sprekende kanarie geen unicum was blijkt wel uit een bericht in de Amsterdamse Courant van 10 november 1785: ‘Herman Honet, adverteerd het Publiek dat hy wederom alhier gearriveerd is met een schoone party welzingende Canarie Vogels, waarbij hy nog heeft eene extraordinairer Vogel, die Fransch spreekt als een Mensch en fluit een schoon Airtje; alles tot een civiele prys.’
Hoewel er dus bewijzen zijn gevonden dat een kanarie het uitspreken van woorden aangeleerd kan worden mogen we er vanuit gaan dat dergelijke pogingen hoogst zelden succesvol waren en voor het leren spreken van vogels men beter met papegaaien aan de slag kon gaan.   

Noten
1. klappen = kleppen, praten, kletsen.
2. In september 1785 ondernam Stadhouder Willem V een strafexpeditie naar Hattem, omdat men in dit stadje Willems kandidaat voor een opengevallen schepenplaats niet wenste te accepteren. (Grijzenhout, drs F., e.a., Voor Vaderland en Vrijheid, De revolutie van de patriotten. Amsterdam 1987, p. 19)
3. Uytven, Raymond van, De papegaai van de paus, mens en dier in de Middeleeuwen. Leuven/Zwolle, 2003.  pp. 154-155.
4. Uytven, R. van, o.c., pp. 264-265. Linskens, R., Wat ’n leven!, deel 5, heren en boeren in de middeleeuwen. Antwerpen/Amsterdam 1979, p. pp. 188-189.
5.Uytven, R. van, o.c., pp. 154-155. 
6. Uytven, R. van, o.c.,  p. 155
.  Roo, Tom de, Dierlijke gezelschap, menselijke reflectie, Gezelschapsdieren en hun culturele betekenis in de Moderne Tijd. Universiteit Antwerpen, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis, 2004-2005, pp. 99.
7. Ned.: pape-gaai; Fr.: ‘pape-gay’, Lat.: ‘papa-gallus’ = paus hoen of paus vogel. (Uytven, R. van, o.c.,  p. 266.)
8. Uytven, R. van, o.c.,  p. 281.
9. DeRoo, Tom, Dierlijke gezelschap, menselijke reflectie, o.c., pp. 100-102. Gelderen, Roelof van, Het Oost-Indisch avontuur, Duitsers in diens van de VOC. (1600-1800), Nijmegen 1997. pp. 210, 221, 246.
10. Amsterdamsche Courant: 5-10-1720; 15-10-1720.
11.Zie ook: Amsterdamse Courant: 2-5-1765.  Betreffende een andere handelaar; Amsterdamse Courant: 21-04-1774.
12. Amsterdamsche courant: 4-4-1767, 9-4-1767, 5-10-1767, 13-2-1768, 8-3-1768, 9-4-1768, 3-5-1768, 10-5-1768, 21-6-1768, 18-6-1768, 21-3-1769, 26-3-1769, 8-3-1770, 27-3-1770, 29-3-1770, 12-4-1770. 
13. Uytven, R. van, o.c., p. 154.
14. Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken, vijf eeuwen vangst van zangvogels en kwartels in Holland, Hilversum 2002,  pp. 285-288.
15. Blagrave, Joseph, The Epitome of the Art of Husbandry, London 1675, 3rd ed., pp. 134-135. (Inventarisnummer Kon. Bibliotheek: KW 1113 F4)
16. Amsterdamsche Courant: 9-5-1744, 20-02-1783.
17. Amsterdamsche Courant: 28-5-1763.
18. Amsterdamsche Courant 28-03-1789. 

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2016, nr. 3 pp. 23-31.

-0-
 

TOP
 

Speurtocht naar de oorsprong van de Waterslager

‘Geleerde Kanarie-Vogels’ 

door Jaap Plokker

We vervolgen onze speurtocht naar de oorsprong van de waterslager door ons verder te verdiepen in het manipuleren van kanariegedrag en –zang in het verleden. Na artikelen over kunstjes vertonende kanaries en kanaries die kunnen spreken deze keer een uitgebreid artikel over kanaries die een melodietje kunnen zingen.

Wijsjes zingende vogels
Wie op 24 april 1822 de Leydsche Courant doorspitte kwam de volgende advertentie tegen: ‘Alhier is gearriveerd P. Posthaus, met een fraaije partij geleerde Goudvinken, die verscheide Aria’s zingen: Wilhelmus van Nassau, Malbroek, Contredans, Deserteur en meer’. Ook de uit het Beierse Klein Langheim afkomstige ambulante vogelverkoper Michel Klein, die gedurende de jaren 1818-1842 o.a. Leiden bezocht en daar ‘De Omgekeerde Pot’, in de Mandenmakersteeg, als vaste logement verkoos, verkocht deuntjes zingende goudvinken. Wie van hem een ‘geleerde’ goudvink wilde kopen moest in genoemde herberg zich bij hem vervoegen. Of Pieter en Michel hun goudvinken zelf hadden afgericht weten we niet. We nemen aan dat de ambulante vogelverkopers in de regel melodietjes zingende vogels opkochten bij africhters die het vogels aanleren van wijsjes als bijverdienste hadden.1
Dat je gemakkelijk goudvinken een deuntje, of ‘airtje’, kon aanleren en hoe je dat moest doen was door Joseph Blagrave al beschreven in de in 1675 te Londen uitgeven derde editie van ‘The Epitome of the Art of Husbandry’. Een belangrijke voorwaarde voor succes was dat je een vogel zo jong mogelijk bij de ouders vandaan haalde. Het a
frichten gebeurde door het wijsje met de mond of met een fluitje, een flageolet, voor te fluiten. Belangrijk was om eenvoudig te beginnen, met een niet te lang melodietje. Was dat succesvol dan kon eventueel een nieuw deuntje aangeleerd worden en verder stuk voor stuk, de volgende. Zowel tijdens het studeren als wanneer de vogel eenmaal één of meerdere ‘airtjes’ beheerste moest hij van andere vogels geïsoleerd blijven, want hij heeft, aldus Blagrave, de neiging welk vogelgeluid dan ook beter te onthouden dan een wijsje. Bovenstaande instructie gold niet alleen het africhten van goudvinken, ook spreeuwen, roodborstjes, kneutjes en kanaries kon je, volgens Blagrave,  een melodietje aanleren.2
Ook Petrus Nylant en Jan van Hextor schrijven in het in 1672 uitgegeven ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen’ over het vogels aanleren van een melodietje. Zij beweren dat men hiervoor lijsters, kneutjes en kanaries kan africhten.3
Van later datum dateren advertenties waaruit valt op te maken dat o.m. lijsters, merels en papegaaien werden getraind om een deuntje te fluiten. Vogels die in staat waren een herkenbaar melodietje of ‘airtje’ te zingen  werden aangeduid met de term ‘geleerd’.4
Aangenomen wordt dat de meeste inheemse vogels die werden afgericht om een ‘airtje‘ te fluiten, in de vrije natuur waren geboren, op jonge leeftijd, voor het uitvliegen, uit het nest werden gehaald en verder met de hand werden grootgebracht.5 De beste resultaten werden immers behaald met vogels die niet of nauwelijks soorteigen zang hadden gehoord. Het in bezit hebben van een vogel die een melodietje kon zingen beperkte zich overigens niet tot de nestuithalers cq. vogelhouders, die voor eigen luistergenot vogels africhtten. Ook anderen wensten de beschikking te hebben over een vogel die een bekend deuntje kon zingen. Daarom was het uithalen van nesten, het met de hand grootbrengen van jongen en het aanleren van een wijsje voor sommigen een welkome (neven)inkomstenbron.6 Van genoemde vogelsoorten is het meest levendig en het langst gehandeld in ‘geleerde’ kanaries en, met name, goudvinken. 

‘Geleerde’ goudvinken
Medio de 18e eeuw waren de grote steden in de Republiek voor de internationale vogelhandel een interessant afzetgebied. Wanneer de ambulante vogel-verkoper met z’n handelswaar in een stad was gearriveerd werd een logement gezocht waar hij niet alleen kon slapen en eten, maar ook de mogelijkheid had om zaken te doen. In 18e en 19e eeuwse kranten vinden we veel advertenties van rondreizende vogelverkopers waarin ze hun komst aankondigden en meedeelden welke vogels ze hadden meegenomen. Deze advertenties verstrek-ken ons veel informatie over de 18e en 19e eeuwse vogelhandel en –teelt.
Medio de 18e eeuw verschenen in de Republiek regelmatig Duitstalige vogelhandelaren uit de streek die we tegenwoordig het Roergebied noemen en ook uit Saksen, in het bijzonder uit de Harz en de op steenworp afstand hiervan gelegen steden Halle, Hannover en Braunschweig. Deze, uit Centraal Duitsland afkomstige, kooplieden verkochten Europese vogels en vooral zogenaamde ‘Geleerde Goud-Vinken’. Het repertoire van de goudvinken bestond uit ‘Geestelyke en Waereldlyke Deuntjes’, meer in het bijzonder ‘Psalmen’, ‘Marschen’, ‘Franse en Duytse Minewetten’ en  ‘Hollandse Deuntjes’.7
Werd aanvankelijk de  goudvinken een wijsje aangeleerd door het voor te fluiten met de mond of een flageoletje, in de eerste decennia van de 18e eeuw werd het zangorgeltje of serinette ontwikkeld. Dat instrument werd, behalve voor het kanaries aanleren van een melodietje, ook gebruikt voor het trainen van goudvinken.8
Tot aan het begin van de 20e eeuw bleef het africhten van goudvinken een algemeen voorkomend gebruik. Diverse eind 19e eeuwse Nederlandstalige boekjes beschrijven hoe je goudvinken, bijvoorbeeld met een zangorgeltje, een liedje kunt aanleren. Ten behoeve van het africhten werden jonge vogels uit nesten gehaald en verder met de hand opgefokt. Deze handelswijze werd niet alleen in Nederland toegepast, maar eveneens in Duitsland.9
De buitenlandse ambulante vogelverkopers die in onze streken ‘geleerde’ goudvinken verkochten kwamen voornamelijk uit Duitsland. Daar werd de handel op Nederland kennelijk zo belangrijk gevonden dat de voor de Nederlandse markt bedoelde goudvinken ook een repertoire werd aangeleerd, dat bij het Hollandse publiek goed in het gehoor lag, zoals het Wilhelmus, dat overigens pas in 1932 het officiële volkslied van Nederland werd.10 
De populariteit van de afgerichte goudvink beperkte zich niet tot de huiskamer. Ze werden rondom de overgang van de 19e  naar de 20e eeuw ook voor vogeltentoonstellingen ingezonden, zoals blijkt uit een verslag van de 15e Internationale Tentoonstelling van de vereniging ‘Avicultura’, die in februari 1900 in Den Haag werd georganiseerd: ‘Klasse 24. Ter opluistering (…) 3e pr. Paul Groesch voor Aria’s zingende goudvinken’.  De verslaggever kon het niet nalaten nog eens te benadrukken dat hij vol aandacht had staan luisteren bij ‘de snoezig aria’s zingende goudvinken van Paul Groesch’.11
Was men in de tweede helft van de 17e eeuw dus al bekend met de techniek om vogels een wijsje aan te leren, uit de frequentie waarmee in 18e en 19e eeuwse kranten werd geadverteerd mogen we concluderen dat er toen een levendige handel bestond in goudvinken die dit kunstje beheersten. Tot in de eerste decennia van de 20e eeuw reisden uit Duitsland afkomstige ambulante vogelverkopers regelmatig langs de Nederlandse grote steden om ‘geleerde‘ goudvinken te verkopen.12
De uit Gotha in Saksen Coburg afkomstige Richard Faulstick was de laatste Duitstalige ambulante vogelhandelaar die Leiden bezocht. In het Leidsch Dagblad van 26 februari 1914 adverteerde hij niet alleen met een ‘mooie collectie Saksische Kanarievogels (Seiffertse stam met koller)’, maar ook  met ‘geleerde goudvinken die verschillende aria’s fluiten’.
In de in de regio Leiden verschijnende kranten werden na de Eerste Wereldoorlog geen advertenties meer aangetroffen van Duitse ambulante vogelhandelaren.

‘Geleerde Kanarie-Vogels’
Ten tijde van het verschijnen van Petrus Nylant en Jan van Hextor’s ‘Het Schouw-toneel der Aertse schepselen’ in 1672 en de derde druk van Joseph Blagrave’s ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ in 1675 was men, zowel in de Republiek als in Engeland, bekend met het kanaries aanleren van melodietjes. Nylant en van Hextor verschaffen ons informatie over de toenmalige waarde van een wijsjes zingende kanarie. Afhankelijk van de kwaliteit werd voor een mannetje dat dit kunstje beheerste 60 – 100 gulden betaald; een kostbaar vogeltje als je bedenkt dat een bouwvakker in Holland in die tijd ca. 20 gulden per maand verdiende.13
De hoge prijs zou er op kunnen wijzen dat de kunst om kanaries een ‘airtje’ aan te leren nog in de kinderschoenen stond en een ‘geleerde’ kanarie toen een relatief zeldzame verschijning was.

‘Inlandsche’ kanaries
Een voorwaarde voor het vogels kunnen aanleren van een melodietje is dat ze op zeer jonge leeftijd buiten gehoorsafstand van soortgenoten moeten worden gehuisvest. Was het in onze streken mogelijk in de vrije natuur jonge goudvinken uit nesten te halen, van soortgenoten te isoleren en een deuntje voor te fluiten, voor het africhten van kanaries ging deze vlieger niet op. Om in West Europa over jonge kanaries te kunnen beschikken moesten ze in gevangen-schap geboren worden. De mij tot dusver oudst bekende bron met het onom-stotelijk bewijs dat in de Republiek kanaries werden gekweekt is Olfert Dappers’s, in 1668 bij Jacob van Meurs in Amsterdam uitgegeven, boek ‘Naukeurige Beschrijvinge der Afrikaense Eylanden, enz.’. In zijn algemene beschrijving van het dierenleven op de Canarische eilanden schrijft Dapper o.m.: ‘d ‘Eilanden zijn ook tamelijk rijk van Vee, als Ossen, Bokken, wilde Ezels, Rheen, benevens veelerlei gevogelt, inzonderheit zekere kleine  vogeltjes, hier te landen, na deze eilanden, Kanary-vogels genoemt, die zeer schel en aengenaem zingen, en van daer herwaerts overgebracht worden en telen deze ook hier te landen voort.’ 14

 
Titelblad van het eerste in het Nederlands uitgegeven volledig aan het houden en kweken van kanaries gewijd boek: de vertaling uit het Frans van het door J.C. Hervieux geschreven (Nouveau) ‘Traité curieux des serins de Canarie’. In dit boek ook een uitgebreide handleiding voor het kanaries aanleren van een melodietje.

Een aanvulling op deze informatie vinden we in ‘Het Schouw-toneel’ van Petrus Nylant en Jan van Hextor. Zij weten ons te melden dat ten tijde van de publicatie van hun boek, in 1672, in de Republiek niet alleen in ‘vluchten’ ‘overvloedigh’ kanaries werden gefokt, maar deze bezigheid voor de kwekers ook nog bijzonder lucratief was.15 Medio de 17e eeuw werden er dus in de Republiek kanaries gekweekt en had men inmiddels ook ontdekt dat kanaries goed kunnen imiteren en je hen zelfs en wijsje kunt aanleren.
Contemporaine bronnen verschaffen ons uiterst fragmentarische informatie over het houden en kweken van kanaries in de Republiek in de 16e  en 17e eeuw. Op grond van boedelinventarissen veronderstellen we dat gedurende de periode 1550-1650 het in bezit hebben van een huiskamerkanarie in de Lage Landen toenam van uitermate schaars medio de 16e eeuw tot wat meer algeme
-ner voorkomend in de loop van de 17e eeuw. Het fokken van kanaries was aan veel minder mensen besteed. In de 16e eeuw beperkte zich dat waarschijnlijk tot enkele in de flora en fauna geïnteresseerde wetenschappers. Naarmate de 17e eeuw vorderde werd het houden en fokken van kanaries met name bedre-ven door enkele uit de vermogende burgerij afkomstige hobbyisten, die in hun volières en ‘vluchten’ jonge kanaries op stok kregen. Deze in de Republiek gekweekte kanaries werden ‘inlandsche’ kanaries genoemd. Het aanbod van ‘inlandsche’ kanaries was onvoldoende om aan de binnenlandse vraag te kun-nen voldoen. Het aanbod op de kanariemarkt werd zeker tot het eind van de 17e eeuw aangevuld met van de Canarische eilanden en de Azoren afkomstige wildvang kanaries en vanaf de eerste helft van de 17e eeuw met aanvankelijk in Tirol en later ook in Zuid Duitsland gefokte kanaries, die door uit deze streken afkomstige ambulante vogelverkopers in de Republiek werden verkocht.16  De door Nylant en van Hextor genoemde melodietjes zingende kanaries werden medio de 17e eeuw te koop aangeboden door, naar we aannemen, fokkers van ‘inlandse kanaries’ en/of Tiroolse ambulante vogelverkopers. Op grond van het assortiment kanaries waarmee de Tiroolse handelaren in de 18e eeuw door de Republiek trokken is het aannemelijk dat er in Tirol nauwelijks een traditie bestond in het africhten van ‘geleerde’ kanaries voor de Hollandse markt. Daarom veronderstellen we dat het merendeel van de in de 17e eeuw in Nederland aanwezige kanaries die een deuntje konden zingen hun opleiding ook in de Republiek hadden genoten.

 
Voorbeeld van een in de Nederlandse vertaling van Hervieux’ (Nouveau) ‘Traité curieux des serins de Canarie’ afgedrukt melodietje, dat je een kanarie met het flageoletje kon voorspelen.

Hervieux
Aangenomen wordt dat naarmate de 17e eeuw vorderde het aantal kanariefokkers toenam en het kanaries aanleren van een melodietje steeds populairder werd. Dit gold niet alleen voor de Republiek, maar ook voor Frankrijk. We kunnen deze conclusie trekken op grond van het eerste boek dat volledig aan het houden en fokken van kanaries is gewijd, nl. het door J.C. Hervieux geschreven ‘Nouveau traité curieux des serins de Canarie’, waarvan de eerste editie in 1709 in Parijs werd uitgegeven. Hervieux was ‘Opziender over de Kanariqueekery van haare Hoogh. de hertoginne van Berry’ en heeft zijn, mede op grond van de praktijk opgedane, kennis gepubliceerd in een lijvig boek-werkje. Hervieux beschrijft o.m. uitvoerig hoe je een kanarieman een melodietje kunt aanleren. In z’n boek staan, in notenschrift, diverse voorbeelden van ‘airtjes’ afgedrukt, die je kanaries op een flageolet zou kunnen voorspelen. Hervieux’ boek bleef  in de Republiek niet onopgemerkt en al in 1712 verscheen in Amsterdam een door A. Moubach verzorgde Nederlandse versie met op de linker pagina de originele Franse tekst en op de rechterzijde de vertaling. Dat zo snel na de oorspronkelijke Franse uitgave een Nederlandse vertaling verscheen zou er op kunnen wijzen dat in de Lage Landen inmiddels een respectabel aantal personen zich met het houden, fokken en mogelijk africhten van kanaries bezig hield.17  

Zangorgel of serinette
Tot het begin van de 18e eeuw werden kanaries uitsluitend afgericht door het deuntje met de mond of een flageoletje voor te fluiten. Omstreeks 1700 werd in Frankrijk geëxperimenteerd met het construeren van een orgeltje dat het flageoletje kon vervangen. In de eerste editie van zijn boek rept Hervieux er met geen woord over, maar in de in 1713 verschenen tweede uitgave werd aan de originele tekst een passage toegevoegd waarin Hervieux beschrijft welke stappen men had ondernomen om een orgeltje te ontwikkelen waarmee kanaries een wijsje kon worden aangeleerd. Aanvankelijk ging men uit van het klassieke orgel, met klavier, orgelpijpen en blaasbalg. Hiervan probeerde men een kleiner, gemakkelijk verplaatsbaar, model te vervaardigen dat voorzien was van speciaal voor kanariezang gestemde orgelpijpjes. Een praktisch probleem van dit model was de aanvoer van lucht naar de orgelpijpen. Versies werden ontwikkeld waarop met de rechterhand het klavier werd bespeeld en met de linkerhand de blaasbalg werd bediend.18 Ondanks alle experimenten om op basis van het klaviermodel een instrument te ontwikkelen dat gebruikt kon worden voor het africhten van kanaries hebben die niet geleid tot een type zangorgel dat op grote schaal in productie is genomen. Dat kon Hervieux in 1713, toen voornoemde pogingen door hem als veelbelovend werden ingeschat, nog niet weten. Uiteindelijk bleek de serinette wel een voor het africhten van kanaries bruikbaar instrument.  

Foto. Serinette uit 1753. Aan de voorzijde bevindt zich de slinger, die de blaasbalg (niet zichtbaar op de foto) en de rol met pennetjes in beweging brengt. De orgelpijpjes bevinden zich tegen de achterwand van het kistje. (bron: internet)

In de uit 1745 daterende derde herziene uitgave van Hervieux’ boek onthulde de auteur dat bij het verschijnen van de tweede editie er al proefexemplaren van de serinette bestonden. Ze bevonden zich echter nog in een dusdanig stadium van ontwikkeling dat hij het voorbarig vond er al over te schrijven.19 In 1745 was de situatie wezenlijk anders. Er werden inmiddels serinettes voor de markt gefabriceerd en in de derde editie van Nouveau traité des serins de Canarie’ werd een hoofdstukje aan het zangorgeltje gewijd. De beste exemplaren werden, volgens de auteur, in Lotharingen vervaardigd. Hij beval zelfs een, met name genoemde, in Parijs op de zuidoever van de Seine, vlak bij de Notre Dame, in de Rue du Petit-Pont woonachtige, handelaar in muziekinstrumenten aan om een serinette bij aan te schaffen.20
De faam van de serinette verspreide zich snel over de Franse grenzen en was ca. 1740 ook doorgedrongen tot welgestelde Engelse families. Op het in 1742 door William Hogarth geschilderde groepsportret van de kinderen van Daniël Graham zit Richard Graham namelijk met een serinette op z’n schoot.
Op basis van de eerste drie edities van Hervieux’ boek kunnen we dus de introductie van de serinette in Frankrijk globaal dateren. Omstreeks 1710 werden de eerste experimentele exemplaren vervaardigd. Gedurende de daaropvolgende decennia ontwikkelde de serinette zich tot een voor iedereen bruikbaar instrument om kanaries een melodietje aan te leren. Met name in Lotharingen, in het bijzonder in de stad Mirecourt, vanouds een productiecentrum van muziekinstrumenten, legden handwerklieden zich toe op het vervaardigen van zangorgels.
Ca. 1740 had de bekendheid met de serinette zich tot buiten Frankrijk verspreid.

Afspeeltechniek van de serinette
In de loop van de 16e eeuw verscheen in de Lage Landen in veel belforts en kerktorens een carillon. Ter introductie van het slaan van het uurwerk werd met de beiaard een melodietje gespeeld, de zogenaamde voorslag. Ons het meest bekend in de oren klinkend voorbeeld van zo’n voorslag deuntje is wellicht dat van de Big Ben in Londen. De voorslag werd niet gespeeld door de beiaardier, maar ging  automatisch door middel van een ronddraaiende trommel met uitstekende pennen, die via een bepaald mechanisme klokken met verschillende tonen lieten klinken. Door de pennen in een bepaalde volgorde op de trommel te plaatsen kon er met de verschillende klokken van de beiaard een melodietje gespeeld worden zonder dat er een mensenhand aan te pas kwam.21
Hoewel de serinette ook wel een zangorgel wordt genoemd roept het houten kistje nauwelijks associaties met een orgel op. Er is, bijvoorbeeld, nergens een klavier te bespeuren. Onder het deksel bevindt zich echter een afspeelmechaniek waarin de technieken zijn toegepast van zowel het klassieke orgel als het mechanisch spelend carillon: Het geluid wordt voortgebracht door middel van orgelpijpjes waar lucht door geblazen wordt en het melodietje wordt gevormd door een serie pennetjes in een bepaalde volgorde op een cilinder te plaatsen.

Afbeelding. Werktekening van het mechaniek van een serinette. T is een orgelpijpje. Via L wordt de met de blaasbalg opgewekte lucht naar het orgelpijpje geblazen. S is een klepje waarmee de toevoer van lucht naar het orgelpijpje wordt geregeld. Met B wordt het bewegen van klepje S geregeld. Wanneer de rol draait en glijder B over een pennetje glijdt gaat B omhoog en daarmee het klepje bij S open. Lucht ontsnapt nu via het orgelpijpje en produceert de daarbij behorende toon.(bron: internet)

Serinettes zijn vanaf de eerste helft van de 18e eeuw tot zeker het eind van de 19e eeuw gefabriceerd en gebruikt om vogels melodietjes aan te leren. Het uiterlijk en mechaniek van de serinette is gedurende die periode nauwelijks gewijzigd. Het instrumentarium van een serinette is geplaatst in een houten kistje van ca. 25 cm lang, 20 cm breed en 15 cm hoog. Het deksel is scharnierend. Op de binnenzijde van het deksel is veelal een briefje bevestigd met het repertoire dat met het orgeltje gespeeld kan worden. Vaak zijn dat 5 – 6 melodietjes. In het kistje bevindt zich een serie orgelpijpjes, een blaasbalg en een rol met pennetjes. Aan de zijkant van het kistje bevindt zich een slinger, waarmee de rol en de blaasbalg in beweging gebracht kunnen worden. De met de blaasbalg opgewekte lucht wordt door de orgelpijpjes geperst. De toevoer van lucht naar de afzonderlijke orgelpijpjes wordt gereguleerd via de pennetjes op de cilinder. Op deze wijze zorgt een serie pennetjes op de rol dat er een melodietje uit de orgelpijpjes komt. Op de cilinder is plaats voor meerdere series pennetjes en dus meerdere melodietjes. Door een mechanisme kan men de luchtregelaars die over de pennetjes glijden horizontaal over de rol verplaatsen en op deze wijze dus het melodietje kiezen wat men wil afspelen.22 Hoe sneller men aan de slinger draait, des te harder draait de cilinder, des te hoger is het tempo van het wijsje. Het vergt dus wel enige muzikale intuïtie om met de juiste snelheid aan de slinger te draaien, zodat de vogel het melodietje steeds in hetzelfde tempo krijgt voorgespeeld. 

Handel in serinettes
Voor de aanschaf van een serinette moest aanvankelijk diep in de buidel getast worden. Volgens Hervieux bedroeg de prijs in 1745 ca. vijftig ‘livres’. Ter vergelijking: voor een gewone kanarie moest toen in Frankrijk drie ‘livres’ betaald worden. In de Republiek vroegen de Tiroolse ambulante vogelverkopers ca. 1775 drie gulden voor de meest algemeen voorkomende kanarie. Een livre in Frankrijk had dus ongeveer dezelfde waarde als een gulden in de Republiek. Medio de 18e eeuw bedroeg in Holland het weekloon van een bouwvakker ca. vijf gulden. Concluderend: Grofweg kwam de prijs van een serinette in Frankrijk toen overeen met ca. 20% van het jaarsalaris van een bouwvakker in de Republiek.23 Het is dus logisch te veronderstellen dat serinettes alleen in gegoede kringen werden aangetroffen en de meeste africhters  vooralsnog gebruik bleven maken van de flageolet.
Getuige een advertentie in de Amsterdamse Courant van 15 juni 1784 beperkte de fabricage van serinettes zich op den duur niet tot Frankrijk, maar werden ze in de tweede helft van de 18e eeuw ook in Duitsland vervaardigd: ‘Te Amsterdam, op de Botermarkt, in de Schenkkan, is aangekomen een Koopman van Frankfort met een party zeer mooije en goede Orgels, speelende zeer aangename Deuntjes, om Canary Vogels daarna te leeren zingen’. Mogelijk hebben handige handwerkslieden in de Republiek zich ook toegelegd op het vervaardigen van serinettes. Een aanwijzing hiervoor vinden we in de ‘s Hertogenbossche Courant van 17 december 1779 waarin ‘den Stads Horlogiemaker L. van Doorn’ adverteerde met ‘extra fijne orgels om Kanary en andere vogels te leeren fluiten’.24
In de Republiek werden serinettes ook verkocht door rondreizende handelaren in muziekinstrumenten: ‘Anthony de Paris heeft een groot Assortiment van alle soorten Violen, Citteren en Bas-Violen, ook Orgelen voor Canarie-Vogels en voor Papagaaijen, en ook andere Orgelen, zo mooi en curieus dat men die nooit alhier in Amsterdam heeft gezien, (…) hy logeert te Amsterdam op den hoek van de Papenburgsteeg by Joseph Vigier, de Lions Koopman in Paraplus en Parasols’.25

 
Afbeelding: Een vrouw draait aan de slinger van een serinette en speelt de kanarie die boven haar hangt een melodietje voor. Afgebeeld is een gravure van René Gaillard (1719-1790). Bij de gravure is een gedichtje van acht regels afgedrukt met de titel ‘L'heureux serin’ (De gelukkige kanarie). De gravure dateert van ca. 1765. (Bron: Internet, The British museum, reg. Nr.  1875,0710.477)

Gebruik van zangorgels in de Republiek
In voorafgaande kwamen we tot de conclusie dat de serinette in de eerste decennia van de 18e eeuw in Frankrijk werd ontwikkeld en in Lotharingen zangorgels voor de markt werden geproduceerd. Getuige het uit 1742 daterende  groepsportret ‘The Graham Children’ van William Hogarth was in de jaren ’40 het bezit van een serinette al doorgedrongen tot vermogende Engelse families. Het is daarom welhaast ondenkbaar dat medio de 18e eeuw men in de Republiek niet op de hoogte was van het bestaan van de serinette. Toch zijn daarvan tot dusver weinig aanwijzingen gevonden. De oudste door mij gevonden advertenties waarin serinettes te koop werden aangeboden dateren allemaal uit de laatste decennia van de 18e eeuw.26
In 1750 verscheen de eerste editie van het door F. van Wickede geschreven ‘Kanari-uitspanningen of nieuwe verhandeling van de Kanari-teelt’. Ook van Wickede, die bij het schrijven van z’n boek overduidelijk leentjebuur heeft gespeeld bij Hervieux, wijdde een hoofdstuk aan het africhten van kanaries. Evenals Hervieux nam van Wickede in zijn boek een aantal ‘airtjes’ in notenschrift op.27  De instructie voor het trainen van kanaries beperkt zich in van Wickede´s boek tot het gebruik van de flageolet. Was de in Arnhem woonachtige van Wickede niet op de hoogte van het bestaan van de serinette? De mij in het Nederlandse taalgebied oudst bekende vermelding van het africhten van een kanarie met een serinette dateert van 1763. In de Amsterdamse Courant van 26 maart werd een advertentie geplaatst waarin een ambulante kanariehandelaar adverteerde met kanaries die niet alleen ‘op de  Flagelet’, maar ook ‘naar ’t Orgel geleerd zyn’.28 Overigens werd in de in 1786 uitgegeven vijfde druk van ‘Kanari-uitspanningen’ nog altijd uitsluitend het africhten van kanaries met behulp van de flageolet beschreven. Pas in de uit 1837 daterende zesde druk van van Wickede’s boek is in desbetreffend hoofdstuk ‘flageolet’ vervangen door ‘orgeltje’.29 Ondanks de introductie van de serinette hebben we de indruk dat zeker in de 18e eeuw, de meeste kanaries met de fluit werden afg
ericht. Uitermate zelden valt uit de advertentie op te maken dat de vogels ‘naar ’t Orgel geleerd zyn’. Als er een tipje van de sluier over de opleiding wordt opgelicht, wat meestal niet het geval is, dan wordt vrijwel altijd de ‘fluyt’, ‘Flachelet’, ‘Flachet’ of ‘Flageolet’ genoemd als instrument waarmee de vogel het deuntje werd aangeleerd. Mogelijk dat de aanschaf van een serinette voor menig africhter toen (nog) een te grote investering was.30 

 
Titelblad van de eerste editie van F. van Wickede’s ‘Kanari-uitspanningen. Het boekje werd vele malen herdrukt en het was tot diep in de 19e eeuw het belangrijkste Nederlandstalige handboek voor de kanariekweker.

Handel in ‘geleerde’ kanaries
Mede op basis van het aantal in de krant geplaatste advertenties waarin ‘geleerde’ kanaries te koop werden aangeboden krijgt men de indruk dat gedurende de 18e eeuw de clientèle voor de deuntjes zingende kanaries bestond uit een beperkt deel van de bevolking, in het bijzonder de hogere inkomens. De ‘geleerde’ kanaries werden op openbare verkopingen, door lokale winkeliers en door ambulante vogelhandelaren verkocht. Vanwege de aard van de handel werd vooral door de rondreizende vogelhandelaren in de krant geadverteerd. Omdat we onze informatie met name aan advertenties hebben ontleend kan dat een vertekend beeld oproepen en kan de handel in ‘geleerde’ kanaries veel levendiger zijn geweest dan het aantal advertenties in de kranten suggereert.
Advertenties waarin de veiling van ‘geleerde’ kanaries op publieke verkoping
en werd aangekondigd werden vooral aangetroffen in uit de eerste decennia van de 18e eeuw daterende kranten. In de Amsterdamse Courant van 30 januari 1723 stond een advertentie waarin de lezer er op werd geattendeerd dat ‘Dingsdag den 16 Maert, zal men ten huyze van Evert Metz, op de Kleveniers Burgwal in de Hoop verkopen een schoone partye Canary-Vogels uyt het beste Ras, alsmedee zeer schoone Zangvogels die de Liefhebbers voldoen zullen met haer zang, en daer bij twee makke vogels die geleert zijn’. Op 23 februari 1723 adverteerde Evert Metz opnieuw. Nu met de mededeling dat de veiling was verplaatst naar 9 maart. De ‘twee makke Vogels, die ieder een deuntje fluyten’ stonden nog steeds in de verkoop.
Dat ‘geleerde’  kanaries op openbare verkopingen bij opbod werden verkocht is wellicht ook een aanwijzing dat de prijs van kanaries die de kunst verstonden een of meerdere airtjes te zingen in de eerste decennia van de 18e eeuw nog altijd aanzienlijk was. In uit de tweede helft van de 18e eeuw daterende kranten werden door mij geen advertenties van openbare verkopingen aangetroffen waarop ‘geleerde’ kanaries werden geveild. Wel werd in deze periode geadverteerd door lokale handelaren die deuntjes zingende kanaries te koop aanboden.31 
We veronderstellen dat het merendeel van de ‘geleerde’ kanaries, die via een openbare verkoping of lokale handelaar van eigenaar wisselden, in de Republiek hun opleiding had genoten. Diverse advertenties die in de winter van 1728 in de Amsterdamse Courant geplaatst werden voor een verkoping op 31 maart wekken op z’n minst deze indruk: Tijdens deze vendu zouden niet alleen een ‘buyten gemeene party (…) Inlandse Kanary–Vogels’ verkocht worden ‘als mede 2 of 3 die geleert zijn op de fluyt, welke daegs te voren gesien en gehoort konnen werden’.32  In uit de laatste decennia van de 18e eeuw daterende edities van de Amsterdamsche Courant werden advertenties aangetroffen waarin door lokale Amsterdamse vogelhandelaren ‘inlandsche geleerde Kanary-vogels’ te koop werden aangeboden.33

Buitenlandse ‘geleerde’ kanaries
Het is heel onwaarschijnlijk dat afgerichte ‘inlandsche’ kanaries in de ambulante handel terecht kwamen. De, van stad naar stad, de Republiek rondreizende vogelverkopers waren in de regel buitenlanders. Kijken we naar de herkomst van de ambulante vogelhandelaren die in de 18e eeuw de Republiek bezochten en in kranten adverteerden dan vallen een aantal zaken op: Er werd tot 1804 geen enkele advertentie gevonden waarin een uit Tirol afkomstige vogelverkoper ‘geleerde’ kanaries aanbood. Op grond van de aangetroffen advertenties concluderen we dat in de 18e eeuw de Tirolers zich nadrukkelijk toelegden op de handel in kleurkanaries, kanaries met kuiven en zangkanaries in algemene zin.34  

 
Afbeelding: Een vrouw draait aan de slinger van een serinette en speelt de kanarie die boven haar hangt een melodietje voor. De afbeelding is een fragment van een gravure van René Gaillard (1719-1790). Bij de gravure is een gedichtje van acht regels afgedrukt met de titel ‘L'heureux serin’ (De gelukkige kanarie). De gravure dateert van ca. 1765. (Bron: Internet, The British museum, reg. Nr.  1875,0710.477)

De uit ‘Saksen’, d.w.z. uit de Harz, Halle, Braunschweig en Hannover, afkomstige kooplui handelden aanvankelijk levendig in ‘geleerde’ goudvinken. Toen zij vanaf de jaren ’60 van de 18e eeuw ook kanaries gingen verkopen bleven de afgerichte goudvinken in hun assortiment, maar werd slechts één advertentie gevonden van een uit Halle afkomstige handelaar met kanaries die ‘differente Aria’s’ zongen.35  Terwijl men in deze Duitse regio over de kennis en ervaring beschikte om vogels een deuntje aan te leren bleef men met betrekking tot de Hollandse markt nagenoeg volledig geconcentreerd op het africhten van goudvinken. Het is een interessante onderzoeksvraag waarom de in de Republiek rondtrekkende Saksische vogelkooplui hun assortiment ‘geleerde’ vogels nauwelijks met kanaries hebben uitgebreid.36
Bovenstaande betekent overigens niet dat er in Duitsland geen kanaries werden afgericht om een melodietje te zingen. In A.I. Kellner’s, in 1805 verschenen, ‘Naturgeschichte der Kanarienvogel’ kunnen we een anekdote lezen van een schoolmeester die het africhten van kanaries als bijverdienste heeft. Regelmatig laat hij zijn leerlingen alleen om in een belendend kamertje de aldaar aanwezige jonge kanariemannen met het zangorgeltje een melodietje voor te spelen.37
De mij oudst bekende advertentie van een rondreizende handelaar in ‘geleerde’ kanaries dateert van 6 oktober 1746. Een uit Neurenberg afkomstige vogelverkoper adverteerde met kanaries die ‘op de Flachet geleerd’ waren.38 Het is niet alleen de mij oudst bekende advertentie, maar ook de enige van een uit zuidelijk Duitsland afkomstige handelaar in ‘geleerde’ kanaries.
De meeste 18e eeuwse advertenties, waarin kanaries die een deuntje konden zingen te koop werden aangeboden, werden geplaatst in de periode na 1760 en de vogels werden vrijwel uitsluitend door Franstalige kooplui verkocht.
Medio de 18e eeuw werd de ambulante kanariehandel in de Republiek gedomineerd door Tirolers en Zuid Duitsers. Dit beeld wordt opgeroepen zowel uit de krantenadvertenties als de door F. van Wickede verstrekte informatie in zijn in 1750 uitgegeven ‘Kanari-uitspanningen, of nieuwe verhandeling van de
Kanari-teelt’. In dit boek wordt ook de aandacht gevestigd op handelaren uit de Zui-delijke Nederlanden. Zo lezen we dat ‘in de Maenden Augustus en September Luiker Walen en Walinnen Kanari-vogels veilen, die in het Luiksche en in Braband in de kloosters geteeld worden’. Uit van Wickede’s beschrijving van de handelswijze van deze kooplieden concluderen we dat de uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstige handelaren geen deuntjes zingende kanaries verkochten. 39 Duidelijk is wel dat medio de 18e eeuw Wallonië zich ook tot een centrum van kanarieteelt had ontwikkeld.
Op grond van in de Amsterdamse Courant geplaatste advertenties concluderen we dat men in Wallonië in de tweede helft van de 18e eeuw zich o.m. toelegde op het africhten van kanaries, zowel met de fluit als met de serinette. Van enkele handelaren die de steden in de Republiek aandeden is hun herkomst bekend: L.L. Dortie kwam uit ‘Luikerland’, Jan Leenderts en Henri Watard uit ‘Limburg’. Andere met name genoemde handelaren in ‘geleerde’ kanaries waren Sr. Moreau, Nicolaas Jacquet, Pieter Le Gran, Herman Honet, Francois Nisset, Adam Wielket; naar we aannemen allemaal uit het Franstalige deel van de Zuidelijke Nederlanden afkomstig. Sommige kooplui, waarvan de namen niet altijd even consequent gespeld werden, bezochten jaren achtereen, vnl. in de maanden februari – maart, Amsterdam om hun deuntjes zingende kanaries te verkopen, zoals Sr. Moreau (1759-1766), Jan Leenderts/Leenders (1760-1764), Henri/Hendrik Water/Waatar/Wathar/Wattaard/Quatar/ Watha (1764-1782), Nicolaas Jacquet (1778-1779), Piet Le Gran/Lagraan (1780-1789), Herman/Hermanus/Manus Honet/Honnet/Hennet (1783-1789), Adam Wielket/Wilkens (1792-1793).40

Repertoire en populariteit geleerde kanaries
Over het repertoire van de in de Republiek verkochte ‘geleerde’ kanaries is weinig bekend. De uit de 18e eeuw bewaard gebleven serinettes zijn vooral van Franse herkomst en bevatten dus ook Franse melodietjes. Door mij werd slechts één advertentie gevonden waarin een deuntje werd genoemd: In de Amsterdamse Courant van 21 april 1759 adverteerde Sr. Moreau met een kanarie die ‘Wilhelmus van Nassau’ kon zingen. Hiermee wordt de indruk gewekt dat ‘geleerde’ kanaries speciaal voor de Hollandse markt werden afgericht.
De vraag hoe populair de melodietjes zingende kanarie in de 18e eeuw was is erg lastig te beantwoorden. Advertenties waarin kanaries die een wijsje konden zingen te koop werden aangeboden werden door mij vrijwel uitsluitend gevonden in de Amsterdamse Courant. Gedurende de periode 1760-1800 werd per jaar in Amsterdam maximaal door drie verschillende handelaren voor ‘geleerde’ kanaries geadverteerd. Soms had een handelaar ook maar ‘eenigen’ kanaries bij zich die een deuntje konden zingen. Er werd gedurende de periode 1660-1795 in de Republiek dus wel gehandeld in wijsjes zingende kanaries, maar de clientèle is, naar mijn veronderstelling, nooit heel erg groot geweest, ook niet in de tweede helft van de 18e eeuw toen het aanbod van, met name, de ambulante vogelhandelaren het grootst was. Het bedrag dat voor een ‘geleerde’ kanarie neergeteld moest worden ging namelijk de financiële draagkracht van het overgrote deel van de bevolking ver te boven.  De regio Amsterdam lijkt het belangrijkste afzetgebied te zijn geweest.41

Verkoopprijs ‘geleerde’ kanaries
We zagen hiervoor dat medio de 17e eeuw men maar liefst 60-80 gulden voor een ‘geleerde’ kanarie betaalde. Aangenomen wordt dat naarmate er meer kanaries werden gefokt en afgericht de prijs voor een deuntjes fluitende kanarie daalde. Welk bedrag men in de 18e eeuw voor een ‘geleerde’ kanarie moest neertellen kon tot dusver niet achterhaald worden. Een aanwijzing voor de prijs die ca. 1800 voor een kanarie, die één of meerdere airtjes kon zingen, betaald moest worden vinden we in A.I. Kellner’s ‘Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen’. In een noot staat een persoonlijke opmerking van de vertaler. Nadat hij de lezer geattendeerd heeft op de frauduleuze praktijken van de ambulante vogelverkopers en een advies heeft gegeven bij het kopen van kanaries wilde hij ook nog wel iets kwijt over de verkoopprijs van ‘geleerde’ kanaries: ‘Hoe dikwijls maken zij ook veel geld voor een vogel, die airtjes fluit. Zulke heb ik meermalen gezien, voor welke twee tot drie dukaten gegeven was. In het jaar 1806 bood iemand voor zulk een vogel vier dukaten. Het antwoord was: ‘Hij is voor nog geen acht te koop, in Holland krijg ik voor deze meer’.42
Op grond van voorafgaande schatten we dat omstreeks 1800 een ‘geleerde’ kanarie van gemiddelde kwaliteit voor 10-15 gulden werd verkocht. De hoogte van de prijs zal ongetwijfeld mede bepaald zijn door het aantal deuntjes dat de kanarie fluiten kon.
Dat niet alleen de handel maar ook het africhten van kanaries toentertijd een lucratieve aangelegenheid was kunnen we concluderen uit een in A.I. Kellner’s, ‘Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen’ opgenomen ‘Anekdote’  over een waarschijnlijk in Saksen wonende schoolmeester. ‘Bij een schoolonderzoek klaagden de boeren hunnen Schoolmeester aan, dat hij, gedurende den schooltijd, alle half uren in de naastgelegene kamer ging, en dan kanarievogelen op het vogelorgel voorspeelde: ‘Dat gaat niet aan’, zeide de Heer School-inspector, ‘wanneer gij dat niet nalaat, dan moet ik het aangeven: gij zijt ter onderwijzing der kinderen, maar niet der vogelen aangenomen’. – ‘Maar, Hoogeerwaardig Heer!’ antwoordde de schoolmeester; ‘bij het onderwijs mijner schoolkinderen zou ik van honger moeten sterven; want daarvoor verkrijg ik jaarlijks twintig rijksdaalders; het onderwijs mijner vogels brengt mij meer op, menige boer, die mij voor zijn kind jaarlijks agt goede grosschen (twaalf stuivers Hollands) geeft, betaalt mij voor zijnen vogel, dien ik leer, twee rijksdaalders en wanneer hij goed leert, nog meer, zonder nu nog te spreken van het geen ik door den handel met deze vogels verdien: moet ik het onderwijzen van één van beide opgeven, dan geef ik mijne kinderen op en behoude de vogelen.” 43

 
Afbeelding. Schilderij getiteld ‘La Serinette’ uit 1751. Een tot de gegoede kringen behorende dame speelt op een serinette een kanarie in een kooi een melodietje voor. Geschilderd door Jean-Baptiste Siméon Chardon (1699-1779)

Serinettes in de praktijk
Op grond van 18e en 19e eeuwse literatuur en krantenadvertenties kunnen we concluderen dat serinettes werden gebruikt om kanaries een melodietje aan te leren. Het africhten vond plaats buiten gehoorsafstand van zingende soortgenoten en begon als de kanarie nog heel jong was en nauwelijks soorteigen zang had gehoord. Hiervoor zagen we dat ca. 1800 het gebruikelijk was om meerdere kanaries tegelijk af te richten en het kanaries aanleren van melodietjes een lucratieve aangelegenheid, voor sommigen zelfs een belangrijke neveninkomsten was. Mij zijn geen tekeningen of schilderijen bekend van dergelijke trainingscentra voor ‘geleerde’ kanaries. Er zijn wel prenten en schilderijen gemaakt van personen die aan de slinger van een serinette draaien. Het is echter de vraag of de kunstenaars een situatie hebben vastgelegd waarin een jonge kanarie wordt afgericht.
Naast een aan René Gaillard toegeschreven, gravure zijn mij tot dusver vier 18e eeuwse schilderijen bekend waarop een afgebeelde persoon aan de slinger van een serinette draait
.
Op de uit ca.1765 daterende gravure van René Gaillard (1719-1790) is een vrouw afgebeeld die in een eenvoudige omgeving, een keuken?, een kanarie een liedje voorspeelt op een serinette. Bij de prent  is een achtregelig gedichtje afgedrukt met de titel ‘L’heureux serin’.
De mij bekende schilderijen zijn:
- The Graham Children, in 1742 geschilderd door  William Hogarth (1697-1764)  (Collectie The National Gallery, London).
- La Charmeuse (De bekoorlijke dame), ca. 1750 geschilderd door Jean- François Gilles (Colson), 1733-1803) (Collectie Fine Arts Museums of San Francisco, San Francisco).
- La Serinette, in 1751 geschilderd  door Jean-Baptiste Siméon Chardon (1699-1779), (Collectie Musée du Louvre, Paris).
- Micaela Maria de las Nieves Fourdinier, in 1783 geschilderd door Luis Pablo Saturnino Paret y Alcázar (1746-1799) (Collectie Museo Nacionale del Prado, Madrid)

Afbeelding. ‘The Graham Children’ (1742), geschilderd door William Hogarth (London, 1697-1764)

Op het in 1742 door William Hogarth (1697-1764) geschilderde ‘The Graham Children’ zien we de kinderen van Daniël Graham, apotheker van de Britse koning George II. Van links naar rechts zijn dat: Thomas (geb. 18-08-1740), Henrietta Catherine (geb. 08-11-1733), Anna Maria (geb. 07-07-1738) en Richard Robert (geb. 08-01-1735) De in de babywagen zittende Thomas was al overleden toen Hogarth het schilderij schilderde. De zeven jarige Richard Robert  heeft een serinette op z’n schoot.
Op  het uit 1751 daterende ‘La Serinette’ van  Jean-Baptiste Siméon Chardon (1699-1779) zien we een kamerinterieur met een vogelkooi en een dame die aan de slinger van een serinette draait. De schilderijen van de Franse schilder Jean Francois Gilles Colson en de Spaanse schilder Luis Paret y Alcázar betreffen beide
evens een portret van een vrouw. Terwijl de vrouw aan de slinger van de serinette draait zit de kanarie niet in een kooi maar luistert de vogel toe op de rand van het zangorgeltje. Mede op grond van de weelderigheid van de jurk mogen we concluderen dat op de schilderijen van  Chardon, Gilles Colson en Paret y Alcázar vrouwen uit welgestelde kringen worden geportretteerd.
Van de dame op het door Luis Paret y Alcázar geschilderd portret is de naam bekend. Het is namelijk diens echtgenote Micaela Maria de las Nieves Fourdinier. Luis Paret y Alcázar was al op relatief jonge leeftijd als veelbelovend schilder in dienst getreden bij het Spaanse hof en heeft vrijwel z’n hele carrière in opdracht van de Spaanse koning geschilderd. Aan de kleding waarin hij z’n vrouw heeft geschilderd  kan geconcludeerd worden dat het verblijf aan het hof hem geen windeieren heeft gelegd.44

 
Luis Pablo Saturnino Paret y Alcázar (Madrid, 1746-1799) schilderde in 1783 diens echtgenote Micaela Maria de las Nieves Fourdinier terwijl ze aan de slinger van een serinette draait en de kanarie op de rand van het deksel zit.

Dat op de schilderijen mensen uit welgestelde, bourgeois, kringen met een serinette worden afgebeeld is niet zo verwonderlijk. Minder vermogenden beschikten domweg niet over de middelen om zich door een schilder te laten portretteren. Verder zagen we in voorafgaande dat men, zeker medio de 18e eeuw, voor de aanschaf van een serinette diep in de buidel moest tasten. Om deze reden is het daarom aannemelijk dat serinettes toen alleen in de huiselijke kring van welgestelden werd aangetroffen. 

Was, echter, Daniël Graham behalve hofapotheker ook kanariekweker; zitten de door Gilles Colson en  Chardon geschilderde chique geklede dame in de woonkamer van een kanariefokker, en werden zowel zoonlief als de vrouw des huizes ingeschakeld om jonge kanaries af te richten? Het zou kunnen, want met het houden en fokken van kanaries hield Jan met de Pet zich in de 18e eeuw niet bezig, maar is het aannemelijk? Zoals het ook maar de vraag is of  Luis Paret y Alcázar behalve hofschilder ook kanariefokker was. Mogelijk bezat Micaela Maria de las Nieves Fourdinier een kanarie die één of meerdere wijsjes kon zingen en speelde op gezette tijd op de serinette de melodietjes voor die de kanarie op het repertoire had. Je vrouw afbeelden met de kanarie waaraan ze gehecht is lijkt geen vergezocht motief om haar zo te schilderen zoals Luis Paret y Alcázar heeft gedaan.
Men kan zich ook niet aan de indruk onttrekken dat op
de schilderijen de serinette en de kanarie attributen zijn die de schilder de gelegenheid geven het familie- en vrouwenportret te verlevendigen: Ook in dit opzicht zijn de vier genoemde schilderijen vergelijkbaar: (groeps)portretten met de serinette als decoratie.

Jean-François Gilles (Colson), (Dijon, 1733 - Parijs, 1803), schilderde ca. 1750 'La Charmeuse', een dame die aan de slinger van een slinger van een serinette draait, terwijl de kanarie op de rand van het deksel zit.

Kan de serinette in de afgebeelde situaties dan geen enkel functioneel nut toegeschreven worden? Er is, naar mijn overtuiging, op de genoemde 18e eeuwse schilderijen geen reële situatie weergegeven waarin een kanarie daadwerkelijk wordt afgericht een melodietje te zingen. Aannemelijker is om te veronderstellen dat de serinette werd aangeschaft om de kanarie de ingestudeerde wijsjes voor te spelen opdat hij zijn repertoire niet zou vergeten. Voor een onderbouwing van deze veronderstelling moeten we te rade gaan bij wetenschappers die de zangontwikkeling, i.h.b. van kanaries, hebben bestudeerd.
In 2005 publiceerden Fernando Nottebohm en Dorothea Leonhardt, professoren aan de Rockefeller University, in het wetenschappelijk tijdschrift Science de resultaten van hun onderzoek waarin het een kanarie aanleren van een soortvreemd liedje, nader was bestudeerd. Ze kwamen o.m. tot de conclusie dat het mogelijk is jonge kanaries een voor een kanarie vreemd liedje aan te leren, maar de vogel wel de neiging heeft bij het volwassen worden het liedje te vergeten en terug te vallen op soorteigen repertoire.45
In een eerder onderzoek hadden F. Nottebohm en anderen
bij mankanaries ontdekt dat het volume van delen van de hersenen waarin de zangontwikkeling plaatsvindt in de loop van het jaar fluctueert. Kanaries verliezen jaarlijks in de zomer en met name tijdens de rui, met het krimpen van het volume van bepaalde hersendelen, een deel van hun zanggeheugen om dit vervolgens in de loop van het najaar bij de groei van het hersenvolume weer opnieuw te ontwikkelen. Het gevolg is dat in  de loop der jaren het lied van een kanarie kan veranderen.46
De resultaten van de onderzoeken in de laboratoria van de Rockefeller University in New York verschaffen ons een wetenschappelijke verklaring voor een verschijnsel dat kanariekwekers al lang kennen. Wanneer een kanarieman met stamvreemde zang wordt aangeschaft zal de zang van de aangekochte vogel in de loop der jaren zich aanpassen aan het zangmilieu waarin hij zich op dat moment bevindt. Tijdens de rui, waarin door de ruiende man niet of nauwelijks wordt gezongen, wisselt de vogel niet alleen van verenkleed, maar kan ook de zang veranderen.
Ook in voorafgaande eeuwen moet men, evenals Nottebohm & Co. in 2005, geconstateerd hebben dat de gekochte ‘geleerde’ kanarie na verloop van tijd de ingestudeerde wijsjes niet meer zo herkenbaar zong als bij aanschaf. Mijn veronderstelling is daarom dat serinettes niet alleen werden
gekocht voor het africhten van kanaries, maar ook om een ‘geleerde’ kanarie regelmatig het kunstmatig aangeleerde lied voor te spelen opdat hij het niet zou ‘vergeten’. De door Jean-Baptiste Siméon Chardon, Jean Francois Gilles Colson en Luis Pablo Saturnino Paret y Alcázar geschilderde welgestelde dames zijn, naar mijn overtuiging, niet bezig een jonge kanarie een liedje aan te leren, maar spelen op de serinette hun ‘geleerde’ kanarie het ingestudeerde deuntje voor om z’n geheugen op te vijzelen.
Serinettes werden, naar mijn veronderstelling, dus niet alleen gebruikt om kanaries een melodietje aan te leren, maar ook om het geheugen van ‘geleerde’ kanaries op te frissen.

Algemeen bekend fenomeen
Beperkte het bezit van een wijsjes zingende kanarie zich hoogstwaarschijnlijk tot een vrij kleine, welgestelde, groep. De bekendheid met het fenomeen was, naar mijn indruk, algemeen. In ieder geval onder degenen die konden lezen en schrijven. Deze conclusie is gebaseerd op een ingezonden stuk in de te Amsterdam uitgegeven ‘Opregte Nederlandsche Courant’ van 11 januari 1787. Om de toenmalige strijd tussen patriotten en prinsgezinden op de hak te nemen schreef een onbekende een ingezonden brief waarin hij een fictieve ambulante vogelverkoper ten tonele voerde die twee soorten ‘geleerde’ kanaries verkocht: kanaries die patriottische of prinsgezinde deuntjes zongen. Al naar gelang de politieke voorkeur kon men dus een kanarie aanschaffen die hem welgezinde liedjes floot. De keuze om het ingezonden stuk in deze vorm te gieten zal ongetwijfeld bepaald zijn door de wetenschap dat het overgrote deel van de lezers goed op de hoogte was van ambulante vogelverkopers die melodietjes zingende kanaries verkochten.

Wijsjes zingende kanaries in de 19e eeuw
De door buitenlanders gedomineerde ambulante kanariehandel lijkt erg veel hinder ondervonden te hebben van de Napoleontische oorlogen. De instabiele situatie in Europa weerhield kennelijk velen om met hun handelswaar vanuit Duitsland naar Holland te reizen. Het aantal krantenadvertenties van ambulante vogelverkopers gedurende de periode van de Bataafse Republiek, het Koninkrijk Holland en de jaren dat Nederland bij Frankrijk was ingelijfd is opvallend klein. Pas na 1820 lijken de Tiroolse en vooral Saksische vogelhandelaren weer de draad van voor de Napoleontische oorlogen te hebben opgepakt. Tussen het bescheiden aantal advertenties dat in uit de ‘Franse Tijd’ daterende kranten werd aangetroffen stonden ook enige waarin een uit ‘Tyrool’ afkomstige handelaar, Pieter Le Clerq! ‘geleerde kanaries’ te koop aanbood, waaronder enkele exemplaren die het wijsje van ‘De Deserteur’ floten, een toen kennelijk populair liedje.46 Pieter verkocht overigens niet alleen kanaries die een melodietje konden zingen, maar had ook ‘eenige geleerde lijsters’ in z’n assortiment. 
De indruk bestaat dat in de 19e eeuw het gebruik van de serinette steeds meer ingeburgerd raakte en in populariteit het africhten met het flageoletje voorbij streefde. Zo werd regelmatig door Nederlandse handelaren in muziekinstrumenten geadverteerd met orgeltjes waarmee je kanaries een liedje kon aan
-leren. F. van Oekelen, ‘organist’ prees zich niet alleen aan als orgel- en pianostemmer, maar had zelfs ‘fraaije nieuwe Draai-Orgeltjes, geschikt voor Kanarie-Vogels, en dito Orgels voor Meerlers en Kanarie-Vogels, die voor beide in één zijn´ in de verkoop. Het is overigens de enige advertentie die ik heb gevonden waarin een serinette te koop werd aangeboden die gebruikt kon worden voor zowel het africhten van kanaries als merels.47
De uitgever van F. van Wickede’s ‘Kanari-uitspanningen’ besloot voor de in 1837 uit te geven zesde druk de tekst over het africhten van kanaries volledig te redigeren. Werd tot en met de vijfde uitgave de lezer geïnstrueerd kanariemannetjes met een fluitje een melodietje voor te fluiten en daarvoor passende ‘airtjes’ in notenschrift afgedrukt, in de zesde editie van 1837 werd in de originele tekst het ‘flageoletje’ vervangen door ‘orgeltje’. Kennelijk was het africhten met de serinette inmiddels standaard geworden en werd het fluitje nauwelijks meer gehanteerd.48 
Hoewel incidenteel een uit Saksen afkomstige vogelhandelaar ‘geleerde’ kanaries te koop aanbood kwamen ook na de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 de meeste ambulante vogelverkopers die ‘airtjes’ fluitende kanaries in de aanbieding hadden uit de Zuidelijke Nederlanden.49
De frequentie waarin voor ‘geleerde’ kanaries in kranten werd geadverteerd werd naarmate de 19e eeuw vorderde steeds lager. Waar de belangstelling voor de deuntjes fluitende goudvink tot in de 20e eeuw bleef bestaan lijkt in Nederland de melodietjes zingende kanarie in de 19e eeuw stilaan uit de huiskamers te zijn verdwenen.

Noten
1. Plokker, Jaap, Geschiedenis: Ambulante kanariehandelaren te Leiden in de 18e en 19e eeuw. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari 2014, 30e jaargang nr.1, pp. 14-32 en mei 2014, 30e jaargang, nr. 2, pp. 10-36.; Michel Klein: Leydse Courant, 29-05-1818, 04-01-1822, 28-01-1831, 07-09-1832, 27-02-1837, 04-03-1840, 24-01-1842. Pieter Posthaus: Leydse Courant, 26-04-1820, 27-04-1821, 25-02-1822, 10-03-1823, 09-04-1824, 02-03-1825, 14-04-1828, 16-03-1831. Voor Pieter Posthaus zie ook: Rotterdamsche Courant, 14-03-1835. Voor Michel Klein, zie ook: Rotterdamsche Courant, 14-05-1836. Voor het africhten als bijverdienste: Kellner, Augustus Immanuel, Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen, pp. 107-108. Amsterdam 1808, 1e editie.
2. Blagrave, Joseph, The Epitome of the Art of Husbandry, London 1675, 3rd ed., pp. 125, 134-135. (Inventarisnummer Kon. Bibl.: KW 1113 F4)
3. Nylant, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen, afbeeldende allerhande Menschen, Beesten, Vogelen, Visschen, etc. Met een Beschrijvende haar gestalte / hoedanigheden / natuur / krachten / eigenschappen / en genegentheden met 160 Figuren. Amsterdam, 1672, p. 228, 231. (Inventarisnr. Kon. Bibl.:  KW 447 F 13)
4. Amsterdamse Courant: 27-11-1783,  24-11-1787, 17-01-1804; Middelburgsche courant: 31-05-1821.
5. Plokker, J., Aria’s fluitende goudvinken. In ‘Onze Vogels’, Orgaan van de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers, januari 2007, pp. 3-5.
6. Kellner, A.I., Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen, o.c. pp. 107-108.
7. Goudvinken handelaren met in de advertentie een verwijzing naar de woonplaats van de koopman: Amsterdamse Courant: 27-04-1747, 30-03-1756, 10-04-1759, 14-04-1759, 03-04-1760, 03-04-1762, 16-03-1771,  16-03-1773, 10-04-1773, 24-03-1774, 05-04-1777; Opregte Groninger Courant: 30-06-1772, 10-07-1772, 30-06-1775; Haagsche Courant: 13-04-1750 (ontleend aan Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken, Hilversum 2002, p. 279. )
Advertenties voor ‘geleerde’ goudvinken met opgave van repertoire: Amsterdamse Courant: 01-04-1741, 27-04-1747, 28-04-1757, 14-04-1759, 03-04-1762, 10-05-1768, 16-05-1771, 16-03-1773, 10-04-1773, 24-03-1774, 10-05-1774, 6-4-1775, 05-04-1777; Oprechte Haerlemsche Courant: 18-04-1741.
8. Advertentie waarin wordt aangegeven dat goudvink wijsje met Flageolet is aangeleerd: Amsterdamse Courant 30-05-1741, 16-03-1771.  Over de praktijk in de 19e eeuw in Duitsland en een nadeel van het vogelorgeltje:  De Pluimgraaf,  Weekblad voor Liefhebbers van Zang- en Kamervogels, Pluimvee, Duiven en Konijnen, tevens officieel orgaan van Luscinia, Vereeniging ter bevordering der liefhebberij van Zang-, Sieraad en Kamervogels. Uitgegeven door De Erven Loosjes, Haarlem, Jaargang 1900, pp. 282-283 (4 mei 1900).  Uit: De Pluimgraaf, gebundelde jaargangen 1899-1900, in het bijzonder de onder redactie van  C.L.W. Noorduijn verschenen rubriek ‘Zang en Kamervogels’. De bundel is samengesteld door Gea Stoop en uitgegeven door de ’s  Gravenhaagse Vereniging van Vogelliefhebbers ‘Luscinia’, z.j. Over serinettes die speciaal voor goudvinken werden gemaakt vindt men enige informatie op de website van de in Parijs gevestigde restaurateur van oude mechanische muziekinstrumenten, Bernhard Pin. Men vindt er ook enige, weliswaar uiterst beknopte, informatie over het gebruik en de fabricage van vogelorgeltjes in Frankrijk in de 18e eeuw. (www.bernard-pin.com)
9. Plokker, J., Aria’s fluitende goudvinken. In ‘Onze Vogels’, Orgaan van de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers, januari 2007, pp. 3-5.
10. Leydsche Courant, 26-04-1820, 27-04-1821, 25-02-1822, 24-04-1822, 10-03-1823, 16-03-1831. Zie voor de 18e eeuw ook noot 7.
11. De Pluimgraaf, Weekblad voor Liefhebbers van Zang- en Kamervogels, Pluimvee, Duiven en Konijnen, tevens officieel orgaan van Luscinia, Vereeniging ter bevordering der liefhebberij van Zang-, Sieraad en Kamervogels. Uitgegeven door De Erven Loosjes, Haarlem, Jaargang 1900, p. 107 en 123 (resp. 16 en 23 februari 1900). Uit: De Pluimgraaf, gebundelde jaargangen 1899-1900, o.c. Zie voor wijsjes fluitende goudvinken ook: Plokker, J., Aria’s fluitende goudvinken. In ‘Onze Vogels’, Januari 2007, pp. 3-5.
12. Rotterdamsche courant: 02-04-1825, 14-03-1835, 14-05-1836; Groninger courant: 04-03-1825; Leydsche Courant 16-03-1831, 04-03-1840, 09-02-1863; Leidsch Dagblad, 22-12-1881, 13-02-1890, 26-02-1914.. 
13.
Blagrave, Joseph, The Epitome, o.c., pp. 125, 134-135.  Nylant, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel, o.c., p. 228.  Zanden, J.L., Kosten van levensonderhoud en loonvorming in Holland en Oost-Nederland 1600-1850. Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 11 (1985), p. 312.
14. Dapper, O., Naukeurige Beschrijvinge van de Afrikaanse Eylanden als Madagaskar of Sant Laurens, Sant Thomee, d’eilanden van Kanarien Kaep de Verd, Malta en andere. Uitgegeven te Amsterdam door Jacob van Meurs op de Keysersgracht in de stadt Meurs, 1668, p. 93. (Inventarisnummer Kon. Bibliotheek: 185 B 11)
15. Nylant, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel, o.c., p. 228.
16. Plokker, J., Huiskamerkanaries in de Nederlanden in de 16e eeuw. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2013, 29e jaargang, nr. 3, pp. 12-27.   Roo, Tom de, Dierlijke gezelschap, menselijke reflectie, Gezelschapsdieren en hun culturele betekenis in de Moderne Tijd. Universiteit Antwerpen, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis, 2004-2005, pp. 138-145.  Roo, Tom de, Kanarieliefhebberij in de 18e eeuw – op het kruispunt van wetenschap en vrije tijd. In: De achttiende eeuw, nr. 41 (2009), pp. 106-108.  Plokker, J., Kanariehandel in de 16e eeuw vanuit West-Europees perspectief . In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2013, 29e jaargang, nr. 3, pp. 38-76.   
17. Hervieux de Chanteloup, J.C., Traité curieux des serins de Canarie/ Naauwkeurige verhandeling van de Kanarivogels. pp. 87-97. Deze gecombineerde Frans/Nederlandse uitvoering werd in 1712 uitgegeven door Hendrik Schelte te Amsterdam. De vertaling vanuit het Frans is van A. Moubach.
18. Hervieux, Nouveau traité des serins de Canarie, 1e editie, Parijs, bij Claude Prudhomme, 1709. Hervieux, Nouveau traité des serins de Canarie, 2e editie, Parijs, bij Claude Prudhomme, 1713, pp. 101-107.
19. Hervieux de Chanteloup, J.C., Nouveau traité des serins de Canarie, 3e editie, Parijs, bij Joseph Saugrain, 1745, pp. 101-107.
20. Hervieux de Chanteloup, J.C., Nouveau traité des serins de Canarie, 3e editie, o.c., pp. 356-359.
21. Info van diverse sites op internet.
22. Onder meer op de website van de in Parijs gevestigde restaurateur van oude mechanische muziekinstrumenten, Bernhard Pin, is enige, weliswaar uiterst beknopte, informatie te vinden over het gebruik en de fabricage van vogelorgeltjes in Frankrijk in de 18e eeuw.(www.bernard-pin.com
).
23. Hervieux de Chanteloup, J.C., Nouveau traité des serins de Canarie, 3e editie, Parijs, bij Joseph Saugrain, 1745,  pp. 356-359.  
Plokker, J., Ambulante kanariehandelaren te Leiden in de 18e en 19e eeuw. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari, 30e jaargang nr.1, pp. 14-32 en mei 2014, 30e jaargang, nr. 2, pp. 10-36. 
24. Zie ook: ‘s Hertogenbossche Courant, 21-12-1779, 24-12-1779, 03-03-1780, 07-03-1780.
25. Amsterdamse Courant, 27-11-1783.
26. ‘s Hertogenbossche Courant, 21-12-1779, 24-12-1779, 03-03-1780, 07-03-1780; Amsterdamse Courant, 27-11-1783.
27. Wickede, F. van, Kanari-uitspanningen, Amsterdam 1786, 5e druk, pp.  72-80. De in Arnhem woonachtige van Wickede heeft overduidelijk zich laten inspireren door het boek van  J.C. Hervieux en neemt daar grote stukken uit over, maar vult de tekst ook aan met eigen ervaringen en is daarom meer dan een Nederlandstalige bewerking van Hervieux’ boek. Hier dachten overigens de uitgevers van beide boeken heel verschillend over. Voor de polemiek tussen beide uitgevers zie o.m. Leydsche Courant 23-05-1750 en 03-06-1750.  
28. Amsterdamse courant, 26-03-1763. 
29. F. van Wickede, F. van, ‘Kanari-uitspanningen of nieuwe verhandeling van de Kanari-teelt’, zesde druk, Amsterdam 1837, pp. 79-84.
30. Amsterdamsche Courant, op de fluit, o.m., 11-03-1728, 30-05-1741, 06-10-1746, 08-02-1759, 21-04-1759, 08-03-1760, 28-03-1761, 01-04-1762, 15-03-1763, 25-02-1764, 16-03-1765, 08-02-1766, 22-04-1766, 09-02-1769, 16-03-1771. 
Op het orgel: 26-03-1763.
31. Amsterdamsche Courant, 24-11-1787, 23-2-1788, 14-05-1791.
32. Zie ook Amsterdamsche Courant, 24-03-1725, 11-03-1728, 18-03-1730.
33. Amsterdamsche Courant, 14-05-1791. Zie ook Amsterdamsche Courant, 24-11-1787, 23-02-1788.
34. Plokker, J., Ambulante kanariehandelaren te Leiden in de 18e en 19e eeuw
. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari 2014, 30e jaargang nr.1, pp. 14-32 en mei 2014, 30e jaargang, nr. 2, pp. 10-36.
35. Amsterdamse Courant, 24-11-1789.
36. Plokker, J., Ambulante kanariehandelaren te Leiden in de 18e en 19e eeuw, o.c.
37. Kellner, Augustus Immanuel, Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen, pp. 74-75,
107-108. Amsterdam 1808, 1e editie. Oorspronkelijke Uitgave: Naturgeschichte der Kanarienvogel,  Leipzig 1805. Deze ‘anekdote’ werd, zonder bronvermelding overigens,  in ‘Onze Vogels’, jaargang 2016, editie maart, blz. 20.  afgedrukt in de rubriek ‘Door de jaren heen’.
38. Amsterdamse Courant, 06-10-1746.
39. Wickede, F. van, Kanari-uitspanningen, of nieuwe verhandeling van de kanari-teelt, pp. 1-6. Amsterdam 1786, 5e druk.    
40. Amsterdamsche Courant, 08-02-1759, 21-04-1759, 08-03-1760, 28-03-1761, 01-04-1762, 15-03-1763, 26-03-1763, 25-02-1764, 10-03-1764, 23-02-1765, 16-03-1765, 08-02-1766, 22-04-1766, 12-05-1767, 09-02-1769, 19-02-1771, 27-02-1773, 10-03-1778, 26-11-1778, 13-02-1779, 16-03-1779,18-05-1779, 29-02-1780, 27-04-1780, 28-02-1782, 05-03-1782, 14-05-1782, 28-10-1782, 11-02-1783, 10-11-1785, 25-02-1786, 29-04-1786, 01-05-1787, 20-05-1788, 09-04-1789, 24-11-1789, 06-11-1792, 27-04-1793.
41. Zie noot 40.
42. Kellner, Augustus Immanuel, Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen, p. 6. Amsterdam 1808, 1e editie. Eén dukaat vertegenwoordigde toen een waarde van ca. 5½ gulden, iets meer dan een gemiddeld week
loon van een bouwvakker.)
43. Kellner, Augustus Immanuel, Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen, pp. 107-108. Amsterdam 1808, 1e editie.
44.
De gravure van René Gaillard en de schilderijen van Jean-Baptiste S. Chardon, Jean Francois Gilles Colson en Luis Paret y Alcázar heb ik op Internet gevonden. Door Marieke Lefeber, conservator van het te Utrecht gevestigde Museum Speelklok, werd ik geattendeerd op ‘The Graham Children’ van William Hogarth.
45.
Nottebohm, e.a., Freedom and Rules: The Acquisition and Reprogramming of a Birds Learned Song. In : Science, May 13th,  2005, Vol. 208, issue 5724, pp. 1046-1049. Zie ook: ‘For Young canaries learning their song, freedom in youth gives way to rules in adulthood. Newswire, internetsite van de Rockefeller University, May 12th, 2005.
46. Nottebohm, F. & M.E. Nottebohm, Relationship between song repertoire and age in the canary. Passim. Zeitschrift für Tierpsychologie nr. 46, 1978. Nottebohm, F., A brain for all seasons: Cyclical anatomical changes in song control nuclei oft he canary brain. Science 214 , pp. 1368-1370 (1981). Internet. Kirn, J.R., B. O’Loughlin, S. Kasparian, F. Nottebohm, Cell death and neuronal recruitment in the high vocal center of a adult male canaries are temporally related to changes in song. Proc. Natl. Acad. Sci. USA 19, pp. 7844-7848 (1994), Internet. Nottebohm, F., The neural basis of birdsong (2005). Internet. Zie ook: Plokker, J., Het fokken van zangkanaries en wetenschappelijk onderzoek. In: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2009, nr. 3, pp. 38-49.
4
7.  Amsterdamse courant 17-01-18034, 1-2-1806.
4
8. Middelburgsche courant: 31-05-1821.  Zie ook de advertentie van ´Meyer en Blessing´ in de Rotterdamsche courant van 08-08-1826, 12-08-1826, 05-08-1834 en  09-08-1834,  waarin ´Orgels om Kanarievogel te leeren´ werden aangeboden.
4
9.  F. van Wickede, F. van, ‘Kanari-uitspanningen of nieuwe verhandeling van de Kanari-teelt’, zesde druk, Amsterdam 1837, pp. 79-84.
50. Rotterdamsche courant: 17-04-1827, 07-12-1830; ´s Gravenhaagsche courant: 18-03-1826.

Bovenstaand artikel is een bewerking van twee artikelen die verschenen in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie maart 2017, 33e jaargang nr.1, pp. 3-35 en editie september 2017, 33e jaargang nr. 3, pp. 3-7.


 

TOP

 

Huisvesting, voeding en gezondheid

 

Probiotica in herhaling

door Jaap Plokker

 

Inleiding
In het  dagblad Trouw van 27 januari 2005 las ik een artikel getiteld ‘Drankjes en yoghurtjes werken wel, maar nut?’ over het effect van bacterierijke melkproducten als Yakult en Danone Activia. Uiteraard ging het over menselijke consumptie en het effect van probiotica op de menselijke gezondheid. Toen ik het las herinnerde ik me een artikel dat ik met Piet Hagenaars had geschreven voor het clubblad van De Kanarievogel over gebruik van bacterierijke voedingssupplementen in de vogelhouderij. Na enige zoeken vond ik het terug in het februarinummer van 2000. Het bestond uit een algemeen gedeelte, dat door mij was geschreven en een praktijkervaring van de hand van Piet Hagenaars. In 2000 was mijn veronderstelling dat het gebruik van probiotica in de vogelhouderij geen rage zou zijn. De afgelopen jaren heeft elk gerenommeerd voederbedrijf inderdaad een dergelijk product op de markt gebracht. Ook de mens en z’n gezondheidscultus is, getuige de reclame filmpjes voor o.m. Yakult,  al enige jaren in de ban van de probiotica.
Ook ik heb een seizoen probiotica (Aves-Probiotics) aan mijn krachtvoer toegevoegd, maar ben daarmee gestopt. Wel maak ik tot op de dag van vandaag mijn krachtvoer rul met biogarde yoghurt. Ik heb voornoemd artikel dus met meer dan gewone belangstelling gelezen. 
Omdat niet iedereen de oude jaargangen van ons clubblad bewaart en er inmiddels ook weer nieuwe lezers zijn bijgekomen is hieronder een gedeelte van het artikel uit het clubblad van februari 2000 overgenomen en daaraan toegevoegd een transscriptie van het voornoemde artikeltje uit het dagblad Trouw.

Probiotica
In 1998 verscheen in het januarinummer van "Onze Vogels" voor de eerste maal een advertentie van AVES-PROBIOTICS. Voor veel siervogelliefhebbers werd hiermee weer een nieuw woord aan het reeds rijke vakjargon toegevoegd: Probiotica. Omdat er een gerede kans bestaat dat het toevoegen van probiotica aan het voedsel­pakket meer dan een rage zal blijken te zijn is het wel eens aardig om in ons clubblad stil te staan bij de vraag wat we ons hierbij moeten voorstellen.
 

Antibiotica
Met eigen ogen kan men constateren dat ouder­vogels de mest van de jonge vogels uit het nest verwijderen en deze niet wegwerpen maar inslikken. Het jonge vogeltje krijgt vervolgens via de kropvoeding z'n eigen ontlasting weer toegediend. Dit gebruik van de oudervogels is van essentieel belang voor de opbouw van een bacterieleven in het darmkanaal, de zogenaamde darmflora. Een goed uitgebalanceerde darmflora is van groot belang voor een voor­spoedige groei van het jong en de gezondheid van de volwassen dieren.
In het bacterieleven onderscheiden we kwaadaardige en goedaardige bacteriën. Kwaadaardige bacteriën zijn ziekteverwekkers, goedaardige bacteriën onderdrukken de groei van cq. vernietigen de kwaadaardige bacteriën. We weten allemaal uit eigen ervaring dat deze strijd niet altijd in het voordeel van de vogel wordt beslist. Om de zieke vogel een handje te helpen heeft menig vogelliefhebber het, vaak met succes, verstrekt: Antibiotica. Vogels die het slachtoffer dreigden te worden van een bacteriële infectie en meer dood dan levend waren, knapten, nadat ze enkele dagen een antibioticum toegediend hadden gekregen, zienderogen op. In zo'n geval had het medicijn z'n werk goed gedaan, namelijk de groei van de kwaadaardige bacteriën was afgeremd of zelfs alle ziekteverwekkers waren gedood.
Waar menigeen niet altijd bij stilstaat is dat met het toedienen van een antibioticum ook nuttige bacteriën in het darmkanaal worden vernietigd. De weerstand van de vogel neemt daardoor aanmerkelijk af en niet zelden zie je dat vogels, die met antibiotica opgekalefaterd zijn, na verloop van tijd toch weer ziekteverschijnselen vertonen. De weerstand is te klein om kwaadaardige indringers afdoende te lijf te gaan.

Probiotica
Probiotica is geen verzamelnaam voor diverse medicamenten, maar zijn levende bacteriën die aan vogels worden toegediend om de darmflora te verbeteren en daarmee een grotere weerstand op te bouwen tegen ziekteverwekkende bacteriën.
Min of meer bij toeval ontdekte men in het begin van deze eeuw dat boeren in Bulgarije, die regelmatig Bulgaarse yoghurt aten, over een grotere weerstand beschikten en gemiddeld ouder werden dan colle­ga's elders in Europa. De sleutel tot de oplossing van dit verschijnsel bleek de bacterie Lactobacillus acidophilus te zijn. Lactobaccillus bacteriën blijken in ruime hoeveelheden voor te komen in de darmflora en hoe rijker de aanwezigheid en dus hoe actiever deze bacteriën zijn des te groter is de kans dat ziekteverwekkende bacteriën in het darmkanaal worden onderdrukt.
Het is niet zo vreemd dat deze wetenschap ook is toegepast in de vogelvoeding. Zo is het gebruik van Bulgaarse yoghurt, kwark, etc. in kringen van vogelfokkers geen onbekend verschijnsel. In plaats van deze natuurproducten heeft de firma Aves Product b.v. een poeder op de markt gebracht, Aves-Probiotics, dat bestaat uit een grote hoeveelheid gecoate levende bacteriecellen. Door de bacteriecellen te coaten worden ze in de krop, kliermaag en spiermaag beschermd tegen de inwerking van de zuren zodat uiteindelijk voldoende levende bacteriecellen het darmkanaal kunnen bereiken. Aves-Probiotics bevat de cellen van negen bacteriën met ieder een karakteristieke werking, waardoor de darmflora over een breed scala wordt versterkt. De fabrikant beklemtoont in z’n mailing dat van het verstrekken van probiotica een preventieve werking uitgaat, namelijk verhoging van de natuurlijke weerstand tegen bacteriële infecties. Aves-Probiotics is dus geen geneesmiddel. Aves Probiotics wordt, dagelijks, verstrekt via het drinkwater of het krachtvoer.

Drankjes en yoghurtjes werken wel, maar nut?
Yakult, functie of fictie? De laatste tijd laait de discussie over de functie van zogenaamde probiotica, die te vinden zijn in drankjes en yoghurtjes als Danone Activia en Yakult, weer op. Algemeen Dagblad besteedde deze week zelfs een hele pagina aan de vermoedens en verwachtingen over de zuivelproducten. De conclusie was dat veel claims van producenten niet wetenschappelijk zijn onderbouwd, al spreken voedingswetenschappers in dienst van de zuivelbranche van het tegendeel. Zij vinden verbetering van weerstand en stoelgang aantoonbaar.
In Trouw werden de claims van Yakult al enkele jaren geleden aan de kaak gesteld. Destijds was Gijsbert Jansen, medisch microbioloog, van mening dat er geen enkele reden was iedere dag uit zo’n flesje te drinken. Alleen na heftige diarree zou het tijdelijk slikken van wat extra bacteriën heilzaam kunnen werken.
Volgens Gjalt Welling, verbonden aan de disciplinegroep Darmecologie van de specialisatie Medische Microbiologie aan de Universiteit Groningen, is het onderscheid tussen functie en fictie genuanceerder. Dat de bacteriën in de drankjes werken, is nog niet aangetoond. Wel blijkt uit studies dat de voedingssupplementen íets doen. Zo is in Duitsland een onderzoek uitgevoerd onder patiënten die een levertransplantatie ondergingen. Degenen die na de transplantatie probiotica toegediend kregen waren significant minder vatbaar voor schadelijke bacteriën. Dat suggereert dat de stoffen in de medicinale zuivelproducten wel degelijk werken.
Ook is aangetoond dat de bacteriën die drankjes als Danone en Campina Vifit bevatten, in de goede regionen terechtkomen. Ze werden aangetroffen in de darmen en de ontlasting en zijn dus niet al in het maagzuur gestorven, zoals eerder werd verwacht.
Ondanks deze voor de branche positieve resultaten, zijn wetenschappelijk onderbouwde bewijzen voor het nut en de werking van de bacteriedranken nog niet gevonden. ‘Tot dusver weten we dat de werking ervan verschilt per individu. Sommigen hebben er baat bij, doordat potentieel gevaarlijke bacteriën onderdrukt kunnen worden door de probiotica in de producten. Ideaal zou zijn als een groep darmpatiënten in tweeën verdeeld zou worden, waarna de ene helft wel de yoghurt met bacteriën toegediend krijgt en de ander helft niet. Maar dergelijke onderzoeken zijn kostbaar en moeilijk uit te voeren. Het is dus makkelijker en lucratiever om iedereen die bacteriën te laten slikken. Tenslotte is nog nooit aangetoond dat de producten een schadelijke werking hebben.”
Volledige larie zijn de producten dus niet, maar het nut van het drinken van zo’n flesje is vooralsnog niet aangetoond.


Commentaar
Wat moet je met zo’n stukje in de krant. Zoals gezegd maak ik al jaren mijn krachtvoer rul met gewone biogarde yoghurt. Op de verpakking staat welke bacteriën erin zitten. Het zijn dezelfde als in Yakult. Of in de mest van mijn vogels de nuttige Lactobaccillus bacteriën zullen worden aangetroffen en het eten van de in het krachtvoer aanwezige biogarde yoghurt een positieve uitwerking heeft op de darmflora weet ik niet, tenslotte is het maagzuur van vogels sterker dan dat van de mens. Ik huldig het standpunt: Baat het niet, schaden doet het zeker ook niet. Van een kennis weet ik dat haar hond verzot is op yoghurt. Ik constateer dat mijn vogels het met yoghurt rul gemaakt krachtvoer heel graag eten. Ze eten het zelfs beter dan het niet rul gemaakte voer. Kortom, ik ga gewoon door op de ingeslagen weg en wie weet heb ik in de afgelopen jaren toch enige darmkwaaltjes bij mijn vogels kunnen voorkomen.   

Literatuur
Piet Hagenaars en  Jaap Plokker, Probiotica. In: Clubblad ‘De Kanarievogel’, 16e jaargang, nr. 1 (Februari 2000), pp. 40-45.
N.N., Drankjes en yoghurtjes werken welk, maar nut? In: Trouw, 27 januari 2005.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2005, nr. 2, pp. 5-9.

 - 0 -

 

TOP

 

Voordat je de jonge vogels op stok hebt

door Jacques de Beer

Al weken loop ik met de gedachte: ‘Laat ik mijn goede bevindingen eens op papier zetten, zodat andere kwekers hier misschien ook iets aan hebben’
Met het clubblad in aantocht ben ik tussen de hektiek door, waarin ik mij momenteel bevindt, toch maar eens achter de computer gaan zitten.
Ik ben al jarenlang Harzerkweker en doe dit met veel plezier. Tegenwoordig met heel veel hulp van mijn Oom Hen van Rijn proberen we toch elk jaar weer veel vogels op stok te krijgen, zodat we aan de wedstrijden kunnen meedoen.

Kanaries kweken als muizen? Vergeet het maar!
Wedstrijden zijn in onze tak van sport niet het aller belangrijkste maar het is toch fijn om een bevestiging te krijgen van de keurmeesters. Als de zangkanaries op de wedstrijd lekker willen zingen en je een goede keurlijst hebt, dan weet je toch dat je goed bezig bent. Optisch lijken ze toch heel veel op elkaar, maar als ze goed zijn afgericht en daardoor in een half uur hun hele lied laten horen, is er toch niets mooier!
Maar ik wil het in dit artikel niet hebben over de zangprestaties, hoe fascinerend ook, maar over de periode voordat je de jonge vogels op stok hebt. Er zijn heel veel vogelboeren die zeggen: ‘Kanaries kweek je toch als muizen?!’ Ik weet wel beter. Al jaren lang loop ik met mijn vogels te kwakkelen: eieren onbevrucht, windeieren, heel veel jonge vogels die binnen drie dagen dood in het nest liggen, zwarte stip, etc. Ik ben bij een dierenarts geweest; heb vogels in Utrecht laten onderzoeken. Al met al heeft het me honderden euro’s gekost. Ten einde raad heb ik op een ledenvergadering mijn probleem naar voren gebracht en aan de andere leden om advies gevraagd.

Adviezen
Twee adviezen die ik kreeg wil ik jullie niet onthouden.Van de heer Kloots, een wildzangkweker, kreeg ik een tip over een middel tegen zweetziekte, neststerfte en bacteriële diarree. Het heet FLUMIX WSP. Het is een poeder dat je in het drinkwater oplost. Je begint een dag voordat de jongen uitkomen en na 7 dagen moet je stoppen.

Van Theo Kramp kreeg ik een recept voor krachtvoer. Het bestaat uit:
1000 gram gekookte eieren (20 stuks);
1000 gram gekookte witvis;
1250 gram beschuitmeel (fijn paneermeel);
750 gram griesmeel
500 gram Aves Opfok
9 maatlepels Aves Probiotics (een middel om de zuurgraad te verhogen)
20 eetlepels honingpollen
20 eetlepels heet water om de honingpollen in op te lossen
7 eetlepels negerzaad
7 eetlepels blauwmaanzaad
 

Hiervan maak ik een homogene massa en vries dit in in porties van 200 gram. Na het ontdooien voeg ik, per 200 gram krachtvoer, een maatschepje gistocal van Beaphar en twee maatschepjes Bovomix conditiepoeder van Bogena toe. Een keer per week krijgen alle vogels appelazijn in een dosering van een eetlepel op twee liter water. Sommige kwekers zullen nu zeggen: ‘Die vent is gek’, maar sinds ik dit doe kweek ik perfect. Doe met deze informatie niets of je voordeel, ik wens een ieder veel succes.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2006, nr. 3, pp. 2-3.

-0-
 

TOP

 

Tellen van dagen voorkomt problemen

door Jacques de Beer

Welke kanariekweker kent het niet: Uit het nest werpen van pas geringde jongen, veren plukken en het te snel beginnen aan een volgend legsel. Als de jongen geboren worden dan begin ik gelijk de dagen te tellen, ik raap de eieren, dus al mijn jongen komen tegelijk uit. Raap je niet dan moet je gaan tellen als het laatste jong is uit gekomen. Waarom tel ik? In onderstaande zal ik dat duidelijk maken.

Een hulpmiddel bij het ringen is: Poepen de jongen op de rand van het nest dan pas ringen! De pop gooit ze er niet meer uit na het ringen als de jongen op de rand schijten. Dit is ook vrij logisch, want de pop wil het nest schoon houden!

Met de veertiende of de vijftiende dag gaat de pop niet meer op het nest zitten om de jongen warm te houden. Dit is voor mij het moment om de jongen in een grote bak met stro te leggen. Om bij de pop de drang om opnieuw te gaan nestelen te vertragen verplaats ik de pop met de jongen naar een andere vlucht. Het maakt niet uit hoeveel poppen en jongen je bij elkaar doet. Alleen de grootte van de schaal doet er wel toe. Poppen en jongen van diverse geboortedata zitten bij elkaar in dezelfde schaal. Alle poppen voeren alle jongen; dat maakt echt niet uit. Zorg wel voor voldoende krachtvoer.

·         Na 31- 35 dagen kan de pop weer terug naar het broedhok.

Tussen de 31 en 35 dagen wil de pop namelijk weer een nest gaan maken. Dit geeft ze aan door nestmateriaal in haar snavel te nemen. Nu is het moment aangebroken dat ze weer terug moet naar het broedhok. Haar jongen worden door de andere poppen gewoon gevoerd.
Ik geef de pop gelijk een nieuw nest en nestmateriaal en zet de man erbij. Na vier, vijf dagen legt ze het eerste ei.
Tip: Geef elke pop een andere kleurring als ze met de jongen in een vluchtje gaan, zodat je ze makkelijk uit elkaar kan halen. Gooi ook wat nestmateriaal tussen het stro, wit materiaal zie je heel snel in de snavel van de pop.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2006, nr. 4, pp. 2-3. 

 -0-
 

TOP

 

Medicijnen of brandnetels, negerzaad en boerenwormkruid

 door Jacques de Beer

 Van een oude kweker kreeg ik diverse adviezen, die ik graag met anderen wil delen.

Brandnetels
Ieder jaar krijgen mijn vogels een bloedreinigingskuur met sap van jonge brandnetels.
De brandnetels haal je uit de vrije natuur. Handschoenen aan en op die plaats plukken waarvan je zeker weet dat daar niet met gif gespoten of gestrooid wordt.
Pluk 15 jonge brandnetels en knip die in twee delen. De brandnetels mogen niet groter zijn dan 20 centimeter. Vervolgens goed laten koken en na afkoeling zeven.
De kuur bestaat uit 8 dagen twee volle eetlepels van het brandnetelsap dagelijks aan het verse drinkwater toevoegen.
Het brandnetelsap moet je die 8 dagen in de ijskast bewaren.
Ik weet niet of u al eens van deze methode heeft gehoord? Ik heb, met uitzondering van enkele vogels, nooit ziektes bij mijn vogels gehad. 

Negerzaad
Ik, en nog andere kanariekwekers, hadden destijds problemen met negerzaad.
Mijn eerste gedachte: je hebt zeker teveel gegeven. Maar het toeval was dat enkele personen die dezelfde samenstelling van het zaad gaven er ook last van hadden.
Twee kanaries zijn het slachtoffer geworden, zij werden erg mager. Maar omdat ik niet wist wat de oorzaak was, kon ik ook niet tijdig ingrijpen. Totdat wij, op advies van een dierenarts, gingen experimenteren.
Als je merkt dat een vogel heel mager is, moet je hem direct van de andere vogels scheiden en in een apart kooitje zetten.
Veertien dagen lang heb ik de vogel alleen gepelde gebroken haver gegeven, dus geen ander zaad of groenvoer. Om de dag werd een afgestreken suikerlepeltje eivoer, zonder negerzaad, verstrekt. Tevens kreeg de vogel om de drie dagen enkele vitaminedruppels in het water.
Ik heb nu besloten alleen nog maar negerzaad in het zelfgemaakte eivoer te doen als er jongen zijn en tijdens de rui.

Magere vogels zijn te herkennen aan:
- zitten meestal dik en slapen veel

- je voelt het borstbeen
- ziet levervlekjes
- stront aan de anus (darmstoornis)

Ik heb na de verandering van voeren nooit meer last van dezelfde verschijnselen gehad. Tevens moet ik erbij vermelden dat er al meerdere vogels bij andere sportvrienden zo zijn geholpen!

Boerenwormkruid
Vanzelfsprekend ent ik ieder jaar tegen pokken. Maar er zijn ook nog andere bestrijdingsmiddelen tegen ongedierte zoals vliegen en muggen, namelijk boerenwormkruid. Dit kan je in de vrije natuur plukken. Het is ook een middel dat vroeger gebruikt werd in de kleerkasten en onder de matrassen i.p.v. mottenballen of andere chemische middelen. Ik had zelfs een buurvrouw die mij altijd om een paar struiken vroeg, het kruid in open koffiefilterzakjes deed en in de kleerkast hing. Ze zei dan tegen mij: "Dat deden wij vroeger thuis ook". Zo rond augustus zie je overal het boerenwormkruid staan. De geel geplukte bloemtrossen hang ik rond mijn vogelvluchten, binnen en buiten, maar zo dat de vogels er niet aan kunnen komen.
Bloembakken met afrikaantjes, waar ongedierte ook niets van moet hebben, zet ik ook overal neer.
Enkele sportvrienden vinden dit maar onzin. Ik heb bij hun de vogels van de stokken zien vallen. Er is voor mij geen middel te veel om dat te voorkomen.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2007, nr. 3, pp. 21-22

-0-
 

TOP

 

Stuifmeel

 door Jacques de Beer

 Nu er de laatste tijd nogal eens artikelen over stuifmeel in de pers verschijnen, zal bij velen ongetwijfeld de vraag zijn opgekomen wat is dit nu eigenlijk? Gaat het hier om een product van de voedingsmiddelenindustrie of om een natuurproduct en kunnen wij als vogelliefhebbers er wat mee?

Stuifmeelpollen als voedingssupplement
De lezer zal het nijvere bijenvolkje vast en zeker wel eens hebben gade geslagen. Wanneer een bij met onvermoeibare ijver de afzonderlijke bloemen bezoekt om de honing te verzamelen, volstrekt zich tegelijkertijd een tweede inzameling, want de pootjes strijken daarbij over het stuifmeel dat er in kleine klompjes aan blijft hangen, zodat er een soort van gele laarsjes ontstaan. Deze verzamelde stuifmeelkorrels vormen de pollen van de plant. Bijenhouders zijn meestal goede waarnemers en zo zijn zij op de gedachte gekomen deze pollen, of stuifmeelballetjes, bij wijze van proef te verzamelen en bij ongunstig weer aan de bijen te voeren. En wat bleek nu? De bijen die dit stuifmeelvoedsel in ruime mate kregen, waren na acht tot tien generaties groter, sterker, gezonder en bouwden zelfs grotere honingraatcellen. Ook hun tong werd naar verhouding langer, waardoor zij zelfs nectar uit planten konden halen, die voor gewone bijen niet toegankelijk waren.
Dit bracht de imker ertoe wat meer aandacht aan het stuifmeel te besteden. Men ging proeven doen, waarbij ook muizen aanvullend met stuifmeel werden gevoed. Dit leidde ertoe dat bij deze muizen de vatbaarheid voor ziekten sterk verminderde, de vruchtbaarheid zienderogen toenam, de vacht glanzend en gezond werd en er geen huidziekten meer voorkwamen. De vitaliteit van de diertjes nam toe en hun levensduur werd langer. Het stuifmeel werd derhalve nog grondiger onderzocht. De analyse toonde aan dat stuifmeel zeer rijk aan vitaminen is en vrijwel alle mineralen en spoorelementen bevat die voor mens en dier van levensbelang zijn.
Uit proeven bij mensen is gebleken dat stuifmeel, via de geslachtsklieren, alle endocriene klieren beïnvloedt. Mensen die zich moe en afgetobd voelen kunnen vaak wat fitter worden door bij hun ontbijt een halve theelepel stuifmeel,  of pollen complex, in te nemen. Stuifmeel is ook een uitstekend hulpmiddel bij verlaagde bloeddruk.

Stuifmeel als voedingssupplement in vogelvoeding
Veel  kwekers gebruiken pollen in hun krachtvoer, maar om de pollen door het krachtvoer te mengen lossen ze dit op in water. De bolletjes pollen vallen dan makkelijk uiteen. Maar de werking van deze pollen is nu minimaal! Als u pollen door het krachtvoer wil mengen moet u de zuurgraad (PH waarde) in het oplossende vocht verhogen. Gebruik daarom dezelfde hoeveelheid vocht, maar doe er eens wat appelazijn bij of gebruik een natuurproduct met een hoge zuurgraad. Als ik mijn kracht/eivoer maak dan doe ik op twintig eetlepels pollen twee eetlepels appelazijn en de rest lauw water.
Tenslotte nog een tip voor iemand die na het lezen van dit artikel ook stuifmeelpollen aan zijn krachtvoer zou willen toevoegen: Verander uw voersamenstelling niet tijdens de kweek, maar probeer dit eens uit op een klein aantal van uw vogels, zodat u beter het resultaat kunt bekijken!

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2008, nr. 2, pp. 3-4.

-0-

 

TOP


 

Stuifmeel in herhaling

door Jaap Plokker 

Het artikel over stuifmeel van Jacques de Beer, dat in de vorige editie van ons clubblad werd gepubliceerd, is voor mij aanleiding geweest om ook eens mijn ervaringen met stuifmeelpollen  op papier te zetten.

Na enige jaren van gezoek en getob welk krachtvoer mij het beste beviel ben ik uiteindelijk er toe gekomen zelf m’n krachtvoer te gaan maken van hard gekookt ei en beschuit waaraan een, volgens de fabrikant voorgeschreven, dosering Aves Opfok (poeder) wordt toegevoegd. Ik voer dit al ruim 20 jaar tot grote tevredenheid. De kanaries eten het graag, de bakjes zijn binnen korte tijd leeggegeten en de poppen voeren er hun jongen goed mee.
Vanwege mijn betrokkenheid bij de Speciaalclub Natuurbroed Gouldamadines kwam ik al heel wat jaren geleden in aanraking met het fenomeen stuifmeel.1 Ik ben vervolgens stuifmeelpollen aan mijn krachtvoer gaan toevoegen. Hoewel het rul maken van het door mij zelf gemaakte krachtvoer niet echt noodzakelijk is doe ik het toch wel, namelijk met een beetje biogarde yoghurt (1½  eetlepel) waarin ik de stuifmeelpollen (1½-2 Aves maatjes) oplos en dat alles op een portie van 3 eieren en 9 beschuiten. Ik geef de stuifmeelpollen vanaf het broedseizoen tot de vogels in het najaar helemaal door de rui zijn. In de wintermaanden verstrek ik het niet.
Stuifmeelpollen zijn niet goedkoop. Ik betaal, anno 2008, in de winkel van een professionele bijenimker te Noordwijkerhout bijna € 17,00 voor een kilo. Daar doe ik dan wel een heel broedseizoen mee. Waarom deze uitgave en zie ik er iets van terug? Eerlijk gezegd, ik weet het niet. Ik heb me ooit om laten praten door iemand die me een heel positief verhaal over stuifmeel heeft verteld en dacht zoiets: ‘Wie weet krijgen mijn vogels met dit natuurproduct iets extra’s dat ze niet krijgen via het kunstmatige (Aves) krachtvoer’.
Met stuifmeelpollen moet je ook oppassen. En medelid van de vogelvereniging De Kanarievogel, René Laarman, een vooraanstaand kweker van yorkshire postuurkanaries, vertelde ooit een keer tijdens een ledenvergadering een wat minder positieve ervaring met stuifmeel. Ook hij was op aanraden van andere kwekers stuifmeelpollen gaan verstrekken. Aanvankelijk voegde hij de korreltjes toe aan het krachtvoer. De poppen pikken als eerste de stuifmeelpollen er tussenuit en voerden de jongen er mee. Toen hij zag hoe graag de vogels het aten en wetende wat er allemaal aan voedingswaarde in de pollen zit werd hij wat scheutiger met het verstrekken. Het gevolg was dat al zijn kweekpoppen plus de jongen in conditie achteruit gingen, o.m. diarree kregen, kortom volop ellende. Toen hij naar een lagere dosering stuifmeelpollen ging en de korrels in opgeloste vorm aan het krachtvoer ging toevoegen verdwenen de problemen. René had, naar hij achteraf aannam, zijn vogels een te hoge dosering stuifmeelpollen gegeven, met als waarschijnlijk gevolg een eiwitvergiftiging. Het probleem zat dus niet in de pollen, maar in een al te enthousiaste kweker. Moraal van het verhaal: stuifmeel is zo rijk aan o.m. eiwitten dat wordt aanbevolen de pollen gedoseerd te verstrekken.    

Ter complementering van het verhaal over stuifmeel is het wellicht informatief om aan te geven wat men onder meer in de pollen kan aantreffen.

Eiwitten            – 30%, waarvan een derde als vrije aminozuren.
Koolhydraten    – 30%
Vetten               – 20%, waarvan 50% meervoudig onverzadigde vetzuren.
Mineralen         –  calcium, fosfor, kalium, zwavel, selenium, molybdeen,
                             zink, magnesium, ijzer, mangaan, koper, jodium.
Vitaminen         –  vitamine A (retinol)
                         –  vitamine B1 (thiamine)
                         –  vitamine B2 (riboflavine)
                         –  vitamine B3 (nicotinamide)
                         –  vitamine B6 (pyridocxide)
                         –  vitamine B8 (biotine)
                         –  vitamine B9 (foliumzuur)
                       
 –  vitamine B12 (kobalamine)
                        
–  vitamine C (ascorinezuur)
                         –  vitamine D (ergosterol)
                         –  vitamine E (tocoferol)
                         –  vitamine K (fytomenadion)
                         –  rutine

Het nut van pollen voor mens … en dier?
Tot slot enkele citaten uit een door een imkerij uitgegeven brochure over pollen. Uiteraard hebben die betrekking op menselijke consumptie. We gaan er op voorhand maar even van uit dat wat goed is voor de mens ook zijn nut heeft voor het dier.
 ‘Pollen zijn niet alleen van levensbelang voor de bijen, het unieke mengsel bevat ook voor de mens essentiële stoffen voor een goede gezondheid. (…) Er is geen enkel natuurlijk en kant en klaar product, waar zovel essentiële voedingsstoffen in zitten als in deze pollen. (…) Eiwitten spelen een vitale rol bij de groei in ons lichaam. Ze herstellen versleten weefsels en vormen enzymen en antistoffen tegen ziektekiemen. De bouwstenen van eiwitten zijn aminozuren. Voor een deel maken we ze zelf in ons lichaam, de rest moeten we uit onze voeding halen. Deze zogenaamde ‘essentiële aminozuren’ zijn in de pollen rijk vertegenwoordigd. Tenslotte bevatten bijenpollen bijna alle vitaminen die een mens nodig heeft. Vanwege de relatief grote hoeveelheid vitamine B12 zijn bijenpollen vooral waardevol voor mensen die geen of weinig vlees eten. (… ) De biljoenen cellen en weefsels in de spieren hebben suiker nodig voor energie. Wanneer spieren actief zijn verbruiken ze bijna viermaal zoveel glycogeen dan wanneer ze rusten. Het is een biologisch wetenschappelijke ontdekking, dat de voorverteerde suikers in de pollen zich in het bloed snel omzetten in glycogeen. Bijna direct na het innemen treedt een snelle natuurlijke opname van koolhydraten op en wordt er voeding naar de spiercellen en weefsel gezonden wat resulteert in een krachtig en energiek gevoel.  (…)  Pollen ‘verhelpen de hardnekkigste verstoppingen, hebben een genezende werking op diaree, darmontstekingen en andere onaangename infecties, die door een verkeerde ontwikkeling van de darmflora of gevaarlijke ziektekiemen in de darmen veroorzaakt worden. Ook spelen pollen in de darmen, dankzij de natuurlijke antibiotica, de rol van regulator. Ze verstoren of onderdrukken de voor de mens schadelijke microben en helpen de goede de overhand te krijgen.’Vanzelfsprekend probeert de verkoper met een zo positief mogelijk verhaal zijn product aan de man te brengen. Waar in bovenstaande waardevolle informatie overgaat in loze verkooppraatjes kan ik moeilijk beoordelen. Ik heb er gewoonweg niet de deskundigheid voor. Wellicht dat iemand anders in dit verband nog een bijdrage voor het clubblad wilt leveren.

Noten.
1. Booij, N.P., Honingpollen een goed voer voor onze Goulds? Wat zijn honingpollen en propolistinktuur? In: Contactblad Doelgroep Gouldamadine, nr. 5 (1989), pp. 10-11.
2. ‘Pollen’, brochure uitgegeven door Imkerij De Drie Bijen, Pletterij 15, Noordwijkerhout. Zie ook www.dedriebijen.nl. Ook de in het artikel vermelde opsomming van stoffen die in de pollen aangetroffen worden zijn ontleend aan deze brochure.

Zie verder ook:
Abbing, J., Gouldamadinen. In: Contactblad Speciaalclub Natuurbroed Gouldamadine – Nederland, nr. 12 (1992). Linden, D. v/d, Vitaminen of kale koppen. In: Contactblad Speciaalclub Natuurbroed Gouldamadine – Nederland, nr. 12 (1992).
Holsheimer, J.P., Voeding van kooi- en volièrevogels. Zutphen 1985, pp. 18-38.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2008, nr. 3, pp. 10-12.

-0-


TOP

BAYCOX

door Jacques de Beer

Op de site www.harzers.nl vond ons lid Jacques de Beer een artikel van de heer A.J. Vinkenvleugel, een ervaren harzerkweker, over diens ervaringen met het medicijn Baycox. Jacques vond zijn relaas belangwekkend genoeg om het als kopie voor ons clubblad in te zenden. Hieronder volgt een enigszins bewerkte weergave van het door Vinkenvleugel geschreven  en op voornoemde website geplaatste artikel.

Jaren geleden had de heer A.J. Vinkenvleugel veel problemen met het groot krijgen van de jonge kanarievogels. De nesten werden na een paar dagen vuil en de jongen groeiden niet. Hij hield er per nestje misschien een of twee over. Op advies werd door hem toen een bepaald middel gebruikt, dat op verschillende momenten werd toegediend; de ene keer te vroeg en de andere keer te laat. Het gevolg was dat hij veel problemen bleef houden met het groot krijgen van jonge kanaries.
Hij besprak zijn problemen met diversen personen waaronder de heer Schoones, ook een ervaren harzerkweker. Schoones herkende de verschijnselen en vertelde Vinkenvleugel dat hij het euvel, naar zijn mening, had opgelost door de vogels een kuur te geven met Baycox.
Vinkenvleugel schafte het medicijn aan en begon direct met een kuur. Het was begin maart. De vogels zaten in de broedkooien en enkele waren al bezig met het maken van een nest. Gedurende drie dagen werd er drinkwater verstrekt in een dosering van 5 ml Baycox op 1 liter water.
Het eerste legsel van de vogels was, op enkele nestjes na met één of twee bevruchte eitjes, geheel onbezet. Het tweede legsel en het derde legsel waren goed bevrucht en tot zijn verbazing was geen enkel nest bevuild als gevolg van zweetziekte (colibacterie). Het resultaat was mooie volle nesten met jonge vogels die groeiden als kool. Wat Vinkenvleugel opviel was dat de nesten, na het verlaten van de jongen, droog waren. Dat had hij wel anders meegemaakt.
Sinds deze ervaring geeft Vinkenvleugel begin januari zijn vogels een kuur met Baycox met als resultaat een goed broedseizoen en geen last van de gevreesde zweetziekte.
Behalve dat Vinkenvleugel met Baycox de bij hem heersende zweetziekte kon beteugelen is het middel onder vogelkwekers beter bekend als bestrijder van coccidiose. Het verhaal van Vinkenvleugel komt wat ongeloofwaardig over wanneer je leest dat Baycox geen bacteriën bestrijdt en algemeen wordt aangenomen dat de zweetziekte veroorzaakt wordt door de colibacterie. Een bacteriële infectie bestrijden met een middel dat geen bacteriën doodt. Ra, ra, hoe kan dat? Vinkenvleugel veronderstelt dat een vogel die vrij is van coccidiose de colibacterie zelf beter aan kan, met bovenstaande ervaring als resultaat. Hij omschrijft het als volgt: Je kunt het vergelijken met een grasveld. Als je zorgt dat er geen kale plekken in komen, krijgt het onkruid geen kans.
Vinkenvleugel adviseert de kweekvogels 4-6 weken voor het broedseizoen preventief een kuur te geven met Baycox in een dosering van, 4 á 5 ml per liter drinkwater en dit gedurende 3 dagen achtereen.

Bron:
A.J. Vinkenvleugel, Ervaringen met het medicijn BAYCOX. Op: www.harzers.nl. Zie ‘Homepagina’, knop ‘Artikelen’ (Nederlands).

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2008, nr. 3, pp. 13-14.

-0-

TOP

 

Mijn ervaring met roofmijten

door Jacques de Beer
 

Naar aanleiding van de oproep in een vorige editie van ons clubblad om eigen ervaringen met de bestrijding van bloedluis te delen met anderen reageerde Jacques de Beer met onderstaand artikel.

Het is voor mij alweer enige jaren geleden dat ik me met roofmijten, Dutchy’s, bezig hield. Wij, de vogelvereniging Vogelvrienden Leiden en Omstreken, hebben destijds John Evers uitgenodigd om het gebruik van roofmijten als methode om bloedluis te bestrijden toe te lichten. Het was een zeer interessante lezing en iedereen wilde deze methode wel eens toepassen.
Ik heb toen een paar bakjes met roofmijten besteld en op meerdere plekken aan mijn kweekkooien geplaatst. Deze roofmijten moeten in een bakje met tuinaarde worden gedaan en dan systematisch in het broedverblijf worden opgehangen. Met systematisch bedoel ik dat als de roofmijten uitrukken ze met gemak elk uithoekje moeten kunnen bereiken om aan de maaltijd, de bloedluis, te kunnen gaan beginnen. De roofmijten zijn geen marathonlopers, en als kweker wil je dat ze alle bloedluizen vernietigen. Ook moeten ze weer terug kunnen naar de bakjes met tuinaarde, omdat ze zich moeten kunnen voortplanten. Dit doen ze het liefst in wat vochtige tuinaarde.

Mijn ervaring
In het wedstrijdseizoen speel ik zo’n zeven wedstrijden. De kisten en zangkooitjes moeten worden behandeld met een middel om de bloedluizen te weren c.q. te doden. Als je tegenwoordig de vogels, kooitjes, kisten onbeschermd inbrengt dan vraag je om problemen. Bij het afhalen van je vogels na een wedstrijd moet, als je onbeschermd de strijd in gaat, je eigenlijk een dierenvervoersvergunning hebben want je neemt soms heel veel extra dieren mee naar huis. Heel veel organisaties proberen de inzenders op te voeden, maar op een of andere manier lukt dit niet.
Als je Dutchy’s in contact brengt met een bestrijdingsmiddel voor de bloedluis dan sterven deze ook. Omdat ik voor mijn wedstrijdvogels ook chemische bloedluis bestrijdingsmiddelen gebruikte waren mijn Dutchy’s daarvan het slachtoffer. Het is dus bijna onmogelijk om beide bestrijdingsmethoden naast elkaar te gebruiken. Ik moet er wel bij vermelden dat de Dutchy’s het hok goed schoon houden van bloedluis, het is dus een goede keuze als je wat minder wedstrijden draait en geen bestrijdingsmiddelen wilt gebruiken.

Conclusie
Op dit moment bestrijd ik de bloedluis met gif. Ik gebruik een bestrijdingsmiddel dat in Nederland niet verkocht mag worden. Het is schadelijk voor de bloedluis, maar ook voor de vogels en voor mezelf. Ik spuit dan ook in een leeg verblijf met een masker voor. De vogels krijgen ook een druppel Ivomec onder de vleugel of in de nek. Dit doe ik vier keer per jaar omdat het middel maar drie maanden werkzaam is. Er gaat dus veel werk en geld zitten in het bestrijden van de bloedluis. Natuurlijk ben ik ook preventief bezig, maar als je ooit een uitbraak hebt gehad dan wil je dit  nooit meer meemaken.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2013, nr. 1, pp. 23-24.

-0-

TOP


 

Coccidiose

door Jaap Plokker

Elders in dit clubblad vinden jullie een door Jacques de Beer ingezonden artikel van A.J.Vinkenvleugel  over Baycox. Het was voor mij aanleiding op zoek te gaan naar een artikel over o.m. coccidiose dat ik in 1986 voor het clubblad van vogelvereniging De Kanarievogel schreef. Voor onderstaande bijdrage heb ik dat artikel weer eens uit de mottenballen gehaald en hier en daar bijgewerkt. Tot slot worden leden  die interesse hebben om gezamenlijk Baycox in te kopen opgeroepen zich te melden bij Ton Diepenhorst.

Een bekend verhaal
Onderstaande situatiebeschrijving zal voor velen geen onbekend verschijnsel zijn: Het is een mooie zomerse dag. De in het voorjaar geboren jongen fladderen door de volière en de jeugdrui is in volle gang. De jongen mannen proberen al fraselend iets van een lied te produceren. Met trots fantaseer je al over hoe hun zang straks zal klinken: mooie diepe klokken en goede afgezette tjokken. Plots wordt je aandacht getrokken naar een jonge vogel op de rand van de voerbak. Een pluizig bolletje met de kop in de veren gestoken. De vogel is makkelijk te vangen en wanneer je de veren op borst en buik wegblaast ziet je een messcherp borstbeen en een rood opgezwollen buikje. Negen van de tien lezers zullen nu al hun diagnose stellen: coccidiose. In de meeste gevallen zullen ze ook gelijk hebben. Soms betreft het een incidenteel geval, maar het komt ook voor dat coccidiose gedurende de zomermaanden als een epidemie rondwaart en veel slachtoffers onder, met name, jonge vogels velt. 
 


Coccidiose
Coccidiose wordt veroorzaakt door eencellige parasieten, die leven in de darmcellen van de vogel. Deze parasieten, coccidiën, produceren eitjes, oöcysten genoemd, die met de ontlasting van de vogel in het vogelverblijf komen. Bij gunstige omstandigheden, zoals een vochtige bodem, hoge luchtvochtigheid en aangename temperaturen komen de oöcysten tot rijping.
Wanneer nu zo’n gerijpt eitje weer door de vogel wordt opgenomen, bijvoorbeeld via het voedsel of door het rondscharrelen op de bodem, nestelt het zich in de darmwand. Via celdeling breidt het aantal parasieten zich geweldig uit. Als gevolg hiervan worden de darmcellen vernietigd. De beschadigde darmwand maakt niet alleen infectie van de rest van het vogellichaam door andere micro-organismen mogelijk,  maar ook het voedsel kan nu niet meer worden opgenomen, de vogel vermagert zienderogen en sterft uiteindelijk.
Vogels die aan coccidiose lijden zijn als volgt te herkennen: de vogel zit bol, met de kop tussen de veren, is sterk vermagerd, heeft dus geen greintje vet bij hals en stuit en heeft een messcherp borstbeen. De buik is rood en opgezet, de ontlasting is dun en slijmerig en soms met bloed. De vogel zit voortdurend bij de voerbak, maar neemt nauwelijks iets op. In de terminale fase kan de vogel hersenverschijnselen vertonen, zoals draaihals en verlammingsverschijnselen. De dood zal dan spoedig volgen.
Wordt de ziekte in een eerder stadium ontdekt dan is genezing mogelijk met het toedienen van een medicijn via het drinkwater. Jarenlang werd hiervoor Esb3 gebruikt, maar tegenwoordig geven veel kwekers de voorkeur aan Baycox. Esb3 heeft namelijk als nadeel dat het niet alleen de coccidiën bestrijdt; Baycox laat, bijvoorbeeld, het bacterieleven ongemoeid.
Het merkwaardige verschijnsel doet zich voor dat in vrijwel ieder vogelverblijf coccidiën voorkomen, Kerngezonde en vitale vogels schijnen hiervan weinig hinder te ondervinden, maar o wee als de vogel om welke reden dan ook niet in optimale conditie verkeert. Je moet hierbij denken aan de poppen die aan het eind van het broedseizoen misschien wat te veel van hun krachten gevergd hebben en ook nog een rui periode moeten meemaken. Ook jonge vogels zijn heel kwetsbaar. Terwijl het vogellichaam nog in volle ontwikkeling is vergt de jeugdrui nog eens extra energie. Juist in deze periode zijn de jonge vogels uitermate gevoelig voor coccidiose.


Voorkomen is beter dan genezen
Voorkomen is beter dan genezen, en dit geldt ook voor coccidiose. Eén van de allergrootse oorzaken van een uitbraak van coccidiose is overbevolking. Wij, zangkanariekwekers, fokken in het voorjaar graag veel vogels om in het najaar voldoende keus te hebben om met een mooie zangstam naar de wedstrijd te kunnen gaan. In de zomer zitten, als het kweekseizoen naar wens verlopen is, onze vogelverblijven overvol en ik durf wel te stellen dat bij nagenoeg iedere zangkanariekweker sprake is van overbevolking. Aan de eerste voorwaarde voor mogelijke coccidiosedoden onder onze vogels voldoen we, denk ik, allemaal. Om een uitbraak van coccidiose te voorkomen moeten we dus extra aandacht schenken aan de overige risicofactoren.
Allereerst moet worden opgemerkt dat vrijwel alleen zwakke en kwetsbare vogels van coccidiose slachtoffer worden. Strenge selectie in de constitutie van ons kweekmateriaal lijkt een onvermijdelijke voorwaarde. Zorg voor een goede hygiëne in het vogelverblijf. Een vochtige bodembedekking is vragen om moeilijkheden. Zogenaamde kattenbakkorrels, lava- of kalksteengrit hebben een voor de coccidiosebestrijding o zo belangrijke vochtabsorberende werking. Gebruik de korrels vooral in de vlucht onder de zitstokken. Ik heb ook kwekers gekend die onder de zitstokken gaas hadden met daaronder kranten en ieder dag de kranten vervingen en regelmatig het gaas met een ontsmettingsmiddel schoonmaakten. Ter voorkoming van coccidiose dient men de conditie van de jonge vogels tijdens de jeugdrui op peil te houden door veel krachtoer te verstrekken. Voor de opbouw van het verenpakket is een eiwitrijk menu vereist. Zorg dat de vogel dat ook tot zich neemt. Jonge vogels eten graag groenvoer en geweld of gekiemd zaad. De verleiding is dan ook groot om ze dat volop te verstrekken. Maar hierin schuilt een groot gevaar. De vogels krijgen te weinig bouwstoffen en te veel vocht naar binnen. Vogels verzwakken bij het overmatig verstrekken van groenvoer en gekiemd zaad onherroepelijk waardoor de kans op coccidiose alleen maar toeneemt.
Strenge selectie in het kweekmateriaal, goed hygiëne en het aan de jonge vogels volop verstekken van krachtvoer en matig groenvoer zal de kans op een coccidiose-epidemie zeker verkleinen, maar het blijft, met name, gedurende de zomermaanden altijd oppassen geblazen.


Eigen ervaringen
Gedurende de jaren ’80 en ’90  ben ik een grootverbruiker van Esb3 geweest. Ik kuurde regelmatig en gedurende de zomermaanden niet alleen preventief maar ook curatief. Desondanks kon ik niet voorkomen dat bij mij regelmatig vogels aan coccidiose overleden. Ik weet niet wanneer ik voor het laatst Esb3 bij de dierenarts gehaald heb, misschien is het inmiddels al 10 jaar geleden,maar op een bepaald moment ben ik gewoonweg met al dat gekuur gestopt.
Het heeft bij mij niet tot desastreuze gevolgen geleid, integendeel. Ik heb al jaren geen coccidiose epidemie gehad. Het blijft bij mij beperkt tot een enkel geval, misschien 3-4 dode jonge vogels per seizoen, op een totaal van ongeveer 70 jonge kanaries. Zand als bodembedekker heb ik uit mijn hokken verbannen. Met zoveel vogels in je hok is, weinig vochtabsorberend, zand op de bodem een waar coccidioseparadijs. In de volières gebruik ik kalksteengrit, wat een hele goede vochtabsorberende werking heeft. Ik ben er van overtuigd dat deze bodembedekker bij mij heel preventief werkt. 
Heb ik een zieke vogel dan, maak ik gebruik van BS van Pharma Belgica de Weerd. In een volgend clubblad zal ik hierover een en ander op papier zetten.

 
Baycox collectief inkopen
Voor de bestrijding van coccidiose heb ik tot op heden nog nooit Baycox gebruikt. Ik weet dat veel kanarie- en Europese cultuurvogelkwekers regelmatig met succes dit medicijn voor de bestrijding van coccidiose toedienen. Baycox is een vloeistof, met als voornaamste werkzame stof toltrazuril, dat in de originele verpakking 3 jaar houdbaar is. Het werkt tegen alle stadia van de coccidiosecyclus die zich in het vogellichaam zelf afspelen en heeft in de meeste gevallen geen invloed op de natuurlijke immunisatie. Tevens kan het in combinatie met andere middelen, bijvoorbeeld een antibioticum, gebruikt worden. In voornoemd artikel van A.J. Vinkenvleugel wordt een dosering genoemd van 5 ml Baycox op een liter water en dat gedurende 3 dagen. Een andere bron noemt 2 ml Baycox per liter drinkwater en dat gedurende 2 dagen.    
Eén van de gebruikers van Baycox onder onze leden is Ton Diepenhorst. Hij vertelde me dat Baycox een prijzig medicijn is, zeker wanneer je het bij de dierenarts moet kopen. Voor zover je daarin slaagt, want vaak heeft de dierenarts het ook niet, omdat het alleen in liter verpakking te koop is en welke dierenarts verkoopt binnen een relatief korte periode een liter Baycox? Om geïnteresseerde leden in de gelegenheid te stellen voor een relatief voordelig bedrag Baycox aan te schaffen wil Ton Diepenhorst de organisatie op zich nemen om via de NZHU collectief Baycox te bestellen. Zijn er bijv. 10 liefhebbers dan wordt een liter Baycox aangeschaft en deze verdeeld over 10 flesjes van 100 cc. Zo’n flesje van 100 cc komt dan op € 20,00. (Kosten Baycox + flesje + benzinekosten naar verkoopadres vise versa + kleine bijdrage voor de NZHU) Leden die interesse hebben om een flesje van 100 cc Baycox (goed voor 35 - 50 liter drinkwater en onverdund 3 jaar houdbaar) via Ton te kopen moeten dit telefonisch of per e mail aan hem doorgeven. Bij voldoende animo wordt de bestelling tijdens één van de najaarsbijeenkomsten/ zangwedstrijd aan desbetreffenden overhandigd. 

Literatuur
- Holsheimer, J.P., Ziekten van kooi- en volièrevogels. Zutphen 1983, pp. 70-71.
- Plokker, J., Zomerperikelen voor kanarie- en wildzangkweker. In: Clubblad ‘De Kanarievogel’, jaargang 1986, zomereditie, pp. 15-19.

Voor het schrijven van dit artikel, dat behalve over coccidiose ook handelt over kanariepokken en atoxoplasma, heb ik o.m. gebruik gemaakt van de volgende literatuur:
- Dekkers, A., Coccidiose, de cyclus en de praktijkervaring. In: Vogelvreugd, jrg. 1985, pp. 156-158.
- Dorrestein, Drs. G.M., Ziekten en verzorging van volièrevogels. Paper Faculteit der Diergeneeskunde, Rijksuniversiteit Utrecht.
- Vervest, H. en W. Arets, Gezondheid en ziekten bij Europese Cultuurvogels en verwante zaadetende vogels. Uitgave Speciaalclub Europese Cultuurvogels van de NBvV, 1996. pp. 49-50 en 61-62.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2008, nr. 3, pp. 15-20.

 -0-

TOP


 

B(etere) S(pijsvertering)

door Jaap Plokker

Het gebruik van voedingssupplementen en -preparaten en medicijnen is ‘hot’ in de vogelwereld. Als je kijkt naar het aantal advertenties waarin de vele in deze producten gespecialiseerde bedrijven hun waar aanprijzen moet er ook een aardige cent mee te verdienen zijn. Wees eens eerlijk? Wie gaat er vroeg of laat niet voor de bijl en laat zich ompraten om zo’n wondermiddel uit te proberen? Ook dit artikel gaat over medicatie en er wordt inderdaad een middel aangeprezen. Dus wees gewaarschuwd.

Niet elk experiment eindigt in de vuilnisbak
Jaren geleden sprak ik eens een eigenaar van een dierenspeciaalzaak in Katwijk. Hij vertrouwde me toe dat hij aan de klanten in de winkel kon merken wanneer er bij de plaatselijke vogelvereniging De Kanarievogel een of andere deskundige een lezing had gehouden. Daags daarna werd hij namelijk overstelpt met klanten die naar de producten vroegen die in de lezing waren aangeprezen. Wij vogelliefhebbers experimenteren wat af. Laten we eerlijk zijn, vaak blijft het bij een eenmalige aanschaf van een bepaald product, maar het komt uiteraard ook voor dat we iets tegen het lijf lopen dat wel bevalt en we permanent in onze hobby gaan gebruiken. Neem nou krachtvoer. Weet je nog wanneer je bent overgestapt op het huidige krachtvoer en ook waarom? Vroeger en dan praat ik over de jaren ’70 gebruikte ik TOVO. Vanwege het gemak ben ik toen overgestapt op een krachtvoer dat ik niet meer zelf rul hoefde te maken. Dat beviel op den duur niet en na wat omzwervingen langs diverse merken, w.o. CéDé, werd ik medio de jaren ’80 door iemand uit De Kanarievogel attent gemaakt op Aves. Indachtig de uitspraak van een oud-voorzitter van De Kanarievogel ‘Ei met beschuit eten ze altijd’ ben ik in de jaren ’80 bij wijze van experiment overgestapt op Aves krachtvoer en ik gebruik dat, 30 jaar later, nog steeds. Mijn vogel eten het graag, voeren de jongen er goed mee, dus waarom zou ik van krachtvoermerk veranderen?
Wie op zoek gaat naar mijn vogelapotheek moet lang zoeken en vindt dan uiteindelijk hoog ik een kastje een zakje, dichtgevouwen en dichtgehouden met een wasknijper. Op het  8  cm bij 11 cm grote zakje met een maximale inhoud van 5 gram poeder staat in ietwat grote letters ‘B.S., Betere Spijsvertering’. Het is het enige medicijn dat ik de laatste jaren in huis heb. Ik gebruik het sporadisch en meestal met goed resultaat. ‘BS’ is voor mij dus ook zo’n blijver. Hoe ben ik aan dit middel gekomen?


Terug in de tijd
Tijdens de zomermaanden van 1998 kreeg ik wat problemen met de gezondheid van een nest jonge japanse meeuwtjes. En­kele meeuwtjes vermager­den, terwijl mede­nestgenoten het op het oog aan niets ontbrak. Ik verdacht de ouders ervan dat zij wat vroeg met voeren waren gestopt en heb toen de verma­gerde jongen bij een ander, nog wel voerend, meeuwen­koppel met jongen gezet. Voor twee vogels heeft dit niet mogen baten. Zij zijn na een paar dagen overleden.
In de loop van september deden dezelfde verschijnse­len zich opnieuw voor. De meeuwtjes waren 2-3 weken oud. Ze kwamen af en toe uit het nest, maar kropen er ook overdag nog regelmatig in. Twee jongen vielen mij op, omdat ze op het oog er niet helemaal jofel bij zaten. Toen ik ze in m'n hand nam kon ik constateren dat de vogeltjes sterk verma­gerd waren: scherp borstbeen, ingevallen buik, krop leeg.
Ik herinnerde me de gebeurtenissen van enige weken daar­voor en moest nu eveneens constateren dat de overige jongen uit hetzelfde nest blaakten van gezondheid. De ouders voerden dus prima, maar waarom sloegen ze de beide sterk vermagerde vogels over? Waren die niet bijdehand genoeg?
Opnieuw heb ik de vermagerde jongen naar een nest met jongere vogels overgelegd. 's Avonds heb ik dat nest gecontroleerd en wat bleek: de eigen jongen lagen met volle kroppen, maar bij de overgelegde vogels waren de kroppen leeg. Ik besloot toen de vogels zelf wat te voeren, zodat ze in ieder geval met een volle krop de nacht zouden ingaan.
Ik had het eivoer, op basis van ei en beschuit waar­aan de voorgeschreven hoeveelheid AVES-opfok was toegevoegd, goed nat gemaakt en met een stokje probeerde ik wat voer in het bekje te stoppen. Dat ging nog wel, maar het eivoer ging met mondjesmaat naar binnen: Met de grootst mogelijke moeite, voortdurend slikken, strekken met de nek, verdween er wat krachtvoer via de slokdarm naar de krop. Na 5 minuten voeren was er nog maar een schijntje eivoer naar binnen gegleden. M'n eerste conclusie kon gemaakt worden. Dat deze vogel zo sterk vermagerd was kwam duidelijk niet door de voederdrang van de ouders, maar omdat de jonge meeuw niet kon slikken! Er was iets loos met de jonge vogel, maar wat?

Op zoek in de boeken
Omdat, naar mijn mening, nog heel vaak de vogelhou­der de beste dierenarts van z'n eigen vogels is ben ik in de boeken eens op zoek gegaan naar de mogelijke oorzaak van mijn problemen met de jonge meeuwen. Na wat zoeken en heen en weer geblader vond ik de naam van een ziekte als gevolg waarvan vogels moeite hebben met eten en drinken: Trichomoniasis, oftewel "het geel". Nu had ik deze ziekte wel eens door duivenmelkers horen noemen, maar dat ook tropische vogels hiervan het slachtoffer konden worden was mij tot dan toe niet bekend. Ook in de literatuur wordt "het geel" vooral als een duivenziekte beschreven, maar daar wordt tevens aan toegevoegd dat de ziekte ook voorkomt bij vinkachtigen, jonge kanaries, parkieten, kwartels, rijstvogels, prachtvinken, kortom bij welke vogels eigenlijk niet?  Volgens Dorrestein wordt de Trichomoniasis flagellaat af en toe bij kanaries en regelmatig bij Australische prachtvinken, w.o. de zebravink, gevonden.
Merkwaardig vond ik dat op het oog in het keelgat en slokdarm geen enkel spoor van "geel" aangetroffen werd. Dit heeft me heel lang aan het twijfelen gehouden of ik met m'n diagnose het wel bij het juiste eind heb gehad. Toen ik enige weken later een duivenmelker hierover aansprak kreeg ik te horen dat dit helemaal niet zo uitzonderlijk was. "Het geel" is niet altijd met het blote oog te constateren aan de hand van kleine gele knobbeltje in de keelholte. Alleen bij zeer ernstige gevallen komt dit voor en mijn meeuwen hadden het loodje al gelegd voordat de status van "zeer ernstig geval" was bereikt.

Medicatie
De volgende ochtend leefden de meeuwen nog. Ik heb ze toen weer van wat eivoer voorzien en ben die dag bij de dierenarts om een zakje "TRICHO PLUS" gegaan. Een middel, poeder, tegen trichomoniasis en gezien de duif op de verpakking overduidelijk een medicijn voor tropische vogels. Ik heb de meeuwen in het drinkwater de halve duivendosering verstrekt en uiteraard de jongen gevoerd met wat poeder door het eivoer: Dat hadden ze in ieder geval binnen. Een dag later slikten de vogels al beter en twee dagen na het begin van de medicatie lagen ze 's avonds weer met volle kroppen in het nest. Ik heb het medicijn 5 dagen via het drinkwater verstrekt. Er is geen vogel overleden.
Vier weken later had ik hetzelfde weer bij de hand. Opnieuw bij een meeuw van 2-3 weken oud. Ik was nu een gewaarschuwd man en had bovendien het medicijn in huis. Ook deze vogel bleef in leven.

Even een zijsprongetje
  
Trichomoniasis behoort tot de protozoaire ziekten. Protozoën zijn uiterst kleine, eencellige organismen, ook wel flagellaten genoemd, die dankzij een gastheer bestaan en zich voortplanten in het vogellichaam. Bij coccidiose, een bij siervogelhouders veel beruchtere protozoaire ziekte, nestelt de flagellaat zich in het darmkanaal, bij trichomoniasis in de keelholte.
De ziekte is dus goed te bestrijden. De werkzame stof is "Rodanizol" en bij mijn vogels heeft het medicijn "TRICHO PLUS" toen goed gewerkt. Behandelt men de ziekte niet dan vermageren de vogels en sterven uiteindelijk aan ondervoeding.
Ondanks dat ik toen al bijna 25 jaar bij het houden en kweken van vogels betrokken was en dus veel beter had moeten weten heb ik de stommiteit begaan door te snel te concluderen dat de oudervogels niet voerden en in de praktijk dus zieke vogels in een nest met gezonde jongen gelegd met mogelijk desastreuze gevolgen voor laatstgenoemde. Een geluk bij een stommiteit is geweest dat de ziekte zich niet op grote schaal heeft verspreid. 
Verder was opvallend dat niet alle vogels slachtoffer van "het geel" zijn geworden. Ten eerste de volwassen meeuwen: Omdat de jongen, volgens mij, niet anders dan door het voeren besmet geraakt konden zijn, moest ook bij de ouders de flagellaat aanwezig zijn geweest, maar er waren bij hen geen ziekteverschijnselen te bespeuren. Ook de overige nestjongen zouden via het voeren met de trichomoniasis flagellaat geïnfecteerd moeten zijn geraakt, maar ze bleven, op het oog, kerngezond. Vogels in een goede conditie kunnen kennelijk een uitbraak van trichomoniasis onderdrukken; de zwakkeren duidelijk niet.
 

Van ‘Tricho Plus’ naar ‘BS’
In het clubgebouw waar De Kanarievogel haar vergaderingen en tentoonstelling organiseert zijn ook twee postduivenverenigingen gehuisvest. Eén van die verenigingen heeft een ‘winkel’ die op zaterdagmorgen open is en waar voornamelijk duivenvoer wordt verkocht.
Op een zaterdagmorgen was ik in het clubgebouw en raakte aan de praat met duivenmelkers. Ik vertelde hen mijn verhaal over het geel bij mijn japanse meeuwtjes en hoe ik de ziekte had bestreden. Ik vroeg hen of ook zij het middel Tricho Plus gebruikten voor de bestrijding van het geel bij hun duiven. Dat was niet het geval. Zij gebruikten ‘BS’ en dat verkochten ze in het ‘zaadhok’. Ik was er toch, dus ik er gelijk op af. De zaadverkoper vertelde me dat de duivenmelkers ‘BS’ niet alleen tegen het geel gebruikten, maar dat het overal goed voor was. Hij had er goede ervaringen mee en verkocht het regelmatig, dus ik heb toen ook maar zo’n zakje gekocht. Het kon me de kop niet kosten; het was ongeveer een daalder (oud geld)
In de jaren daarna heb ik nog een paar keer het zelfde euvel bij mijn meeuwtjes gehad en ‘BS’ werkte prima. Als ik tegenwoordig bij mijn tropen of kanaries een vogel heb die er niet florissant bij zit, zoals opgezwollen buik bij tropen (darmproblemen) of kanaries (darmproblemen en coccidiose) zet ik de vogel apart en verstek ‘BS’ door het drinkwater. In heel veel gevallen knapt de vogel binnen een paar dagen op. Ik durf wel te stellen dat ik met ‘BS’ menig vogelleven gered heb. Er gaan ook bij mij natuurlijk wel eens vogels dood. Ik heb afgelopen jaar in totaal ongeveer 83 waterslagers geringd en er zitten nu nog 76 jonge kanaries op stok. Aan enkele jonge kanaries, misschien zullen dat er maximaal 6 geweest zijn, heb ik BS toegediend om coccidiose te bestrijden. Sommige daarvan leven nog steeds, bij enkele vogels hielp de medicatie aanvankelijk, maar later kregen de vogels een grote lever, hetgeen er, volgens mij, op duidde dat de coccidiose was overgegaan in atoxoplasmose. Ze hebben het uiteindelijk niet overleefd. Bij het ontdekken van de eerste symptomen van coccidiose bij een individuele vogel in augustus heb ik een nieuw zakje ‘BS’ van 5 gram aangebroken. Het is nu ik dit schrijf, oktober 2008, nog steeds niet op.  

Slot
Zoals gezegd is het enige medicijn dat ik voor mijn vogels in huis heb ‘BS’. Ik gebruik het als wondermiddel bij elke zieke vogel en meestal verstrek ik het met positief resultaat. Werkt ‘BS’ niet dan is de ziekte voor de vogel meestal fataal. Jammer, maar er moet ook iets zijn van een natuurlijke selectie. De tekst op het zakje is toegespitst op gebruik door duiven, maar bij kanaries en tropische vogels werkt het net zo goed. Op de verpakking staat dat het verstekt kan worden ‘tegen krop- en darmprotozoën: o.a. trichomoniase, coccidiose, hexamitiase en bacteriële krop- en darmonstekingen’. ‘BS’ is een product van Pharma Belgica De Weerd, p.o. box 4607, 4803 EP Breda. (www.belgicadeweerd.com
Vroeger was het gemakkelijk te krijgen. Zoals gezegd: de duivenmelkers en ook mijn zaadleverancier hadden het open en bloot in de winkel liggen. Tegenwoordig is het product niet meer vrij verhandelbaar. Waarschijnlijk is dit vanwege de antibiotica die in het middel zijn verwerkt. De kosten zijn inmiddels wel omhoog gegaan. Volgens mij moet je nu ongeveer € 1,75 voor een zakje van 5 gram neerleggen.
 

Literatuur
- Dorrestein, Drs. G.M., Ziekten en verzorging van volièrevogels.  Paper Faculteit der Diergeneeskunde, Rijksuniversiteit te Utrecht,  zj., passim.
- Holsheimer, J.P., Ziekten van kooi- en volièrevogels. Zutphen,  1983, p. 74.
- Plokker, Jaap, Niet al het geel is geel. In: Clubblad ‘De Kanarievogel’, februari 1999, pp. 42-45.
- Vervest, H. en W. Arets, Gezondheid en ziekten bij Europese  Cultuurvogels en verwante zaadetende vogels. Uitgave Speciaalclub  Europese cultuurvogels, 1996, pp. 49-51.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2009, nr. 2, pp. 25-32.

-0-

TOP


 

Vogelmijt bestrijding

door Jaap Plokker

Bloedluis is één van de, zo niet grootste plaag voor de vogelliefhebber. Jaap Plokker viel het oog op een voor hem tot dusver onbekend product. Nieuwsgierig geworden? Lees verder.

Aan vogelmijt, in onze kringen beter bekend als bloedluis, bewaren veel vogelliefhebbers onaangename herinneringen. Dit kan variëren van een paar dode nestjongen tot een volkomen geruïneerd broedseizoen. Het is dus niet vreemd dat door kwekers aan het voorkomen en, in voorkomend geval, bestrijden van bloedluis grote prioriteit wordt gegeven. Hierbij was tot voor kort ‘de gifspuit’ de enige oplossing. Toen ik met de vogelsport begon hadden we nog de onvolprezen Vapona strip. Toen die niet meer verkocht mocht worden ben ik overgeschakeld op U3. Allemaal behoorlijk schadelijke stoffen die niet voor niets uit de handel zijn genomen, daarbij de vogelliefhebber wel met een probleem opzadelend. Voor sommigen lag de oplossing in het aanschaffen van in Nederland verboden, maar in het buitenland nog volop verkrijgbare bestrijdingsmiddelen. Wat moet je anders wanneer het ene na het andere nestjong wordt leeggezogen en een compleet broedseizoen verloren dreigt te gaan?

Sedert de Vapona strip heeft ook de bestrijding van vogelmijt een enorme vlucht genomen. Het principe bleef echter onveranderd: De mijten bestrijden met een giftige stof, waarmee zij in aanraking moeten komen, met de dood als gevolg. Dit kan door in de kooien op plaatsen waar de mijten verblijven het vergif te smeren of te spuiten. Bij een ander middel komt het gif via een druppel op de huid van de vogel in de bloedbaan terecht en wordt het door de op het vogellichaam aanwezige luizen met het bloed opgezogen. Het nadeel van de bestrijding met giftige stoffen is dat de mijten op den duur een resistentie hiertegen ontwikkelen en er dus regelmatig een krachtiger of een andere werkzame stof geïntroduceerd moet worden.

Roofmijten
Wat je van bovenstaande werkwijze en de positieve resultaten die velen van ons met dergelijke producten hebben behaald ook mag denken, het blijft werken met vergif. Een totaal andere benadering van het probleem was de methode om bloedluis te bestrijden met natuurlijke vijanden: roofmijten. Voor sommige kwekers krijgt deze natuurlijke bestrijdingswijze de voorkeur boven het werken met giftige stoffen. Gezien de diverse ervaringsverhalen die mij ter ore kwamen werkte deze methode niet bij iedereen naar tevredenheid. Toch heb ik over het inzetten van roofmijten ook positieve reacties gehoord. 

Finecto+
In het tijdschrift ‘Landleven’, dat ik toevallig onder ogen kreeg en doorbladerde, vond ik een artikeltje waarin de aandacht werd gevestigd op een product dat mij tot dusver niet bekend was: Finecto+. De fabrikant van Finecto+ pretendeert een bestrijdingsmiddel tegen bloedluis op te markt te brengen dat én effectief én natuurvriendelijk is. Finecto+ spuit je in de kooien op de plaatsen waar de luizen lopen of zullen gaan lopen. Na het opdrogen van het water is er op de plaats waar gespoten is een poeder-achtige aanslag ontstaan. De in het poeder werkzame stof doet de luizen die er mee in aanraking komen verdrogen. Het meest effectief is het middel tegen de eerste stadia van de vogelmijt. Omdat de jonge luizen niet tot volwassenheid en dus voortplanting komen zal de populatie op den duur uitsterven. Het is dus eerder een product om de bloedluis structureel te bestrijden dan een product om à la minuut de mijten te doden.   

Oproep
Omdat ieder jaar weer kwekers hun broedseizoen deels of geheel zien mislukken als gevolg van een explosie van bloedluis is het heel zinvol ervaringen met elkaar te delen. Ik zou dan ook graag van lezers/kwekers reacties ontvangen op dit artikel in de vorm van praktijkervaringen, zowel positief als negatief, met de in dit artikel besproken bestrijdingswijzen: giftige stoffen, zowel als bestrijdingsmiddel in de kooien als die werken via het bloed van de vogel, en roofmijten. In het bijzonder ben ik benieuwd naar ervaringen die kwekers hebben met het product Finecto+.
Voor degene die serieus wil overwegen een poging te wagen met Finecto+: Informatie over dit product is te vinden op de website www.finectoplus.nl.
Ik hoop in één van de volgende edities van ons clubblad de binnengekomen reacties met jullie te kunnen delen.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2012, nr. 3, pp. 3-6.

-0-
 

TOP


 

Bloedluis en andere ectoparasieten


door Jaap Plokker

Naar aanleiding van een klein artikel over vogelmijtbestrijding in editie 2012-3 van ons clubblad en de oproep te reageren met ervaringsverhalen heb ik van diverse zijden reacties mogen ontvangen. Van Willem de Jong kreeg ik een boek te leen, getiteld ‘Bloedluis en andere ectoparasieten’, geschreven door Harrie van Rooij. Het beloofde vervolg op voornoemd artikel wil ik gieten in de vorm van o.m. een bespreking van dit boek.1

Luizen en muizen zijn in kringen van vogelhouders dankbare gespreksonderwerpen. Het rijmt en klinkt daarom ietwat amusant, maar met geen van beide willen we eigenlijk geconfronteerd worden. Helaas hebben we allemaal wel met één, en sommigen van ons, die het minder goed getroffen hebben, met beide, te maken (gehad). Een schrale troost is, als dit tenminste tot troost kan zijn, dat vele generaties vogelkwekers met deze plaaggeesten te kampen hebben gehad. Joseph Blagrave geeft in zijn in 1675 uitgegeven ‘The Epitome of the Art of Husbandry‘ kanariehouders het advies de voerbak zo op te hangen dat de muizen er niet bij kunnen en het voer opvreten, opdat de vogels niet van honger omkomen. In het door John Ray geschreven en in 1678 uitgeven ‘The Ornithology of Francis Willughby’ citeert hij de Italiaan Ulisse Aldrovandi, die fokkers de tip geeft de kanaries regelmatig met wijn te besprenkelen waardoor de luizen dood gaan en de vogels een grotere weerstand tegen luizen opbouwen. Wij drinken de wijn liever zelf op in plaats van er onze kanaries mee te besprenkelen en daarom in onderstaande andere methoden die ons ten dienste staan om de bloedluis te bestijden.2

Reacties
Vrij snel nadat jullie editie 2012-3 van ons clubblad, met daarin een klein artikel over luisbestrijding en het product Finecto+, op de deurmat vonden werd ik gebeld door Willem de Jong. Hij vertelde dat hij iemand kende in het oosten des lands die Finecto+ gebruikte bij de bestrijding van bloedluis en daar heel tevreden over was. Via de mail ontving ik een berichtje van Joop Aelbrecht, die mij vertelde dat hij met succes gebruikt maakte van het middel Bogena Parasita. Hij druppelt de vogels drie keer per jaar en heeft tot op heden geen resistentie ontdekt. Van Jacques de Beer ontving ik een artikel over zijn ervaringen met o.m. roofmijten, dat in deze editie van ons clubblad is afgedrukt en iedereen kan lezen. Tevens kunnen we bij Jacques lezen dat hij Ivomec gebruikt, evenals het door Joop Aelbrecht gehanteerde product van Bogena, gebaseerd op de werkzame stof Ivermectine, dat via een druppel op de huid in de bloedbaan van de vogel terechtkomt en via het zuigmechanisme van de bloedluis in het lichaam van de luis, waarna die aan vergiftiging overlijdt. Tijdens de contacten die ik heb gehad met leden, zowel op de laatste bijeenkomsten als tijdens de wedstrijd, heb ik van diverse kwekers gehoord dat ook zij een van genoemde of een daarmee vergelijkbaar product gebruiken. Kennelijk heeft bij menigeen het druppeltje in de nek de ouderwetse gifspuitbus vervangen. Alhoewel Ton Toet in het interview dat we vorig jaar met hem hadden nog vertelde dat hij Ardap gebruikte, een in Duitsland vrij verkrijgbaar product van het bekende merk Quiko, met o.m. Permethrin als werkzame stof.
 
‘Bloedluis en andere ectoparasieten’ van Harrie van Rooij
In voornoemd artikel in ons clubblad heb ik de vogelmijt- of bloedluisbestrijding verdeeld in drie categorieën, t.w. chemische bestrijdingsmiddelen, oftewel vergif, natuurlijke vijanden en milieuvriendelijke bestrijdingmiddelen. Ook in voorafgaande is deze driedeling terug  te vinden: Ivermectine en Permethrin vallen onder de chemische bestrijdingsmiddelen, de insecticiden, roofmijten onder de natuurlijke vijanden en Finecto+ probeert op een milieuvriendelijke wijze de luizenplaag te bestrijden. Ook in het hier te bespreken boek van Harrie van Rooij is deze categorisering terug te vinden. Genoemde auteur breekt in zijn boek toch wel een lans om de strijd met de luis aan te binden zonder gebruik van insecticiden. Alvorens we verder ingaan op de bestrijding van de bloedluis of vogelmijt wil ik eerst iets meer over het boek en de inhoud vertellen.
Hoewel ik geen deskundige ben, en dus als leek een oordeel vel, komt het boek van Harrie van Rooij bij mij over als gedegen en goed gedocumenteerd. In het eerste deel bespreekt van Rooij achtereenvolgens de bloedluis of vogelmijt, de zwarte vogelmijt en de noordelijke vogelmijt. De auteur beschrijft van elke mijtensoort o.m. de levenscyclus, meest geliefde verblijfplaatsen, reproductiegedrag en mogelijke bestrijdingsmethoden. In het tweede deel passeert een lange rij van bestrijdingsmethoden en met naam en toenaam genoemde bestrijdingsmiddelen, zowel natuurlijke vijanden van de vogelmijten als insecticiden en milieuvriendelijke bestrijdingsmiddelen. Omdat het boek in 2010 is uitgegeven en de markt voortdurend in beweging is zullen de meest recente producten in het boek ontbreken.
Het is in dit verband uiteraard onmogelijk om de inhoud van het volledige boek weer te geven. Degenen die zich in deze materie uitgebreider willen verdiepen kan ik de aanschaf van het boek van Harrie van Rooij aanbevelen. In onderstaande zal ik volstaan met een paar ’krenten’ uit de luizenpap en me daarbij beperken tot de gewone bloedluis en de zwarte vogelmijt.
 
De bloedluis
De voor ons meest bekende en gevreesde pleeggeest is de bloedluis. Voor het oog goed zichtbaar en zodra we een exemplaar zien lopen weten we eigenlijk wel zeker dat hij of zij niet de enige is. De bloedluis is lichtschuw en verstopt zich overdag in naden en kieren om, wanneer het donker is, op oorlogspad te gaan op zoek naar vogelbloed. De luis vindt de bloedleverancier met behulp van z’n warmtesensoren en reukorgaan De huid van een bloedluis bestaat uit een verharde waslaag. De zuurstofopname gebeurt via acht openingen in de rug.    
De bloedluis voelt zich het plezierigst, en gaat dan ook het meest succesvol tot voortplanting over, in temperaturen van 20o C – 37o C  en bij een luchtvochtigheid van 70%. Onder de 12o C komen de luizeneitjes niet uit. Temperaturen lager dan –20oC en boven de 45o C zijn fataal voor alle stadia van de bloedluis. Tussen –20o C en 45o C kunnen eitjes van de bloedluis 8 à 9 maanden overleven.
Van eitje tot volwassen luis doorloopt de bloedluis diverse stadia. Gemiddeld leven bloedluizen 20 dagen en in die periode worden ca. 30 eitjes gelegd. Ongeveer 40% van de eitjes groeit uit tot een volwassen bloedluis. Uit een eitje ontwikkelt zich in 2 – 3 dagen een zespotige larve. Om zich na 1-2 dagen zich te ontwikkelen tot een 8 potige protonimf heeft de larve geen voeding nodig. De protonimf heeft een bloedmaaltijd nodig om zich in 1-2 dagen te ontwikkelen tot een deutonimf. Na een bloedmaaltijd ontwikkelt  deze deutonimf zich in 1-2 dagen tot een volwassen bloedluis, die in staat is eitjes te produceren. Onder optimale omstandigheden duurt de ontwikkeling van eitje tot volwassen bloedluis ca. 7-8 dagen. Dit betekent dat wanneer een bloedluis op een leeftijd van ca. 20 dagen van ouderdom overlijdt de achterkleinkinderen op punt staan volwassen te worden. 
Welke kennis over de kwetsbare eigenschappen van de bloedluis kunnen we benutten bij het (preventief) bestrijden van de bloedluis?
Beneden 12o komen bloedluiseitjes niet uit. Wanneer we de temperatuur in ons vogelverblijf zo laag mogelijk houden voorkomen we een explosie van bloedluis. Broeden in een wat kouder jaargetijde/vogelverblijf heeft onmiskenbaar voordelen.
Bloedluizen moeten zich verplaatsen uit hun schuilplaats naar de vogel om bij het noodzakelijk bloed te kunnen komen. Op deze route kunnen we diverse valstrikken plaatsen: Vet verstopt de openingen in de rug van de luis waardoor geen zuurstofopname meer mogelijk is. De washuid is gevoelig voor een product op basis van silica. Als gevolg van het silicaproduct raakt de washuid beschadigd en droogt de luis uit. De aantrekkelijkheid van het bloed van de gastheer kan verlaagd worden door de vogel knoflookextract of vitamine B2 te geven.  
Uiteraard zijn luizen ook kwetsbaar voor chemische bestrijdingsmiddelen, insecticiden. De luis heeft echter een buitengewoon goed vermogen om tegen deze producten resistentie op te bouwen. Om de luizen met deze middelen te bestrijden zullen dus steeds grotere doses en/of zwaardere vergiften gebruikt moeten worden. Tenslotte kunnen we de luizen ook bestrijden met natuurlijke vijanden zoals de roofmijt. Jacques de Beer heeft hiermee ervaring en ik verwijs hierbij dan ook naar zijn bijdrage in dit clubblad.

De zwarte luis
De zwarte luis is kleiner dan de bloedluis, maar ook met het blote oog zichtbaar. De zwarte luis heeft 8 poten en is daardoor, evenals de bloedluis, eigenlijk geen luis, maar een mijt. Zwarte luizen zijn niet lichtschuw en verplaatsen zich ook overdag. Ze kunnen heel hard lopen.
De meeste vogelliefhebbers hebben te maken met zwarte luis wanneer er jongen in de nesten liggen, dus in het voorjaar en vroeg in de zomer. Daarna neemt hun aantal af en op het eind van de zomer zijn ze in de regel totaal uit het zicht verdwenen.
Zwarte luis houdt zich graag op in nesten met jonge vogels. Bij een explosie van zwarte luis vindt men ze ook overdag op de vogels. Jonge vogels overleven een aanval van zwarte luis zelden, volwassen vogels lijken er weinig last van te hebben.
Zwarte luizen leggen hun eieren met voorkeur op stof of restmateriaal in de buurt van het nest. Bij een te lage temperatuur kunnen de eitjes maanden blijven liggen om, als de omstandigheden en het voedselaanbod verbeterd zijn, uit te komen. Afhankelijk van de temperatuur komen de eieren na 1 à 2 dagen uit in de vorm van een larve. De larve gaat op zoek naar bloed en verpopt zich 17 uur na de bloedmaaltijd in het eerste popstadium. Na 1 à 2 dagen verpopt de pop zich naar het tweede popstadium, waaruit na 1 dag een volwassen zwarte luis tevoorschijn komt. Dit betekent dat, afhankelijk van de omstandigheden, in 4-7 dagen het eitje van de zwarte luis zich ontwikkelt tot een volwassen luis, die tot reproductie in staat is. Uit onderzoek blijkt dat een volwassen zwarte luis langer leeft dan een bloedluis. Er zijn zwarte luizen gevonden die bijna 6 weken hebben geleefd.
Omdat de fase van ei naar volwassen luis korter duurt en de zwarte luis langer leeft is de zwarte luis in principe een gevaarlijker klant voor ons vogelbestand dan de bloedluis. Ook het levenspatroon van de zwarte luis maakt de bestrijding van deze plaaggeest veel lastiger dan van de bloedluis: hij verstopt zich niet in naden en kieren, maar houdt zich op in en in de nabijheid van de nesten en op de jonge vogels en verplaatst zich daarbij heel snel. Wanneer je een oude vogel in de hand neemt waarop zich zwarte luizen bevinden zie je ze binnen de korte keren over je eigen hand rennen. Zwarte luizen kunnen ook via de kleren van de mensen zich van het ene vogelhok naar het andere verplaatsen. Conclusie: Heb je last van zwarte luizen, dan zou je ze zo willen omruilen voor bloedluizen: ze zijn een groot gevaar voor jonge vogels en heel lastig te bestrijden. In de loop der jaren hebben mijn vogels zowel te lijden gehad van bloedluizen als van zwarte luizen. Een deel van bovenstaande, aan het boek van Harrie van Rooij ontleende, tekst kan ik uit eigen ervaring bevestigen.      

Bestrijdingsmethoden
In bovenstaande zijn al wat mogelijkheden genoemd die vogelliefhebbers ter  beschikking staan om luizen te bestrijden. De meest milieuvriendelijke methode is het gebruiken van natuurlijke vijanden van de luis, zoals de door firma Refona op de markt gebrachte roofmijten, door Refona ‘Dutchy’s’ genoemd. Ik weet dat bestuurslid Henk van der Wel een fervent voorstander van het gebruik van roofmijten is en ook Jacques de Beer staat, zoals hij zelf in dit clubblad schrijft, er niet negatief tegenover. Volgens de firma Refona kunnen de roofmijten ook ingezet worden bij de bestrijding van zwarte luis. Eén conclusie lijkt echter overduidelijk: Wanneer je overgaat op het gebruik van roofmijten zal je alle overige bestrijdingmiddelen, m.n. de insecticiden, moeten laten staan, omdat daar ook de roofmijten het slachtoffer van worden.
We kunnen het leven van de luis in ons hok minder aantrekkelijk maken door het gebruik van Vitamine B2 en knoflook. Vitamine B2 komt van nature o.m. voor in eigeel, kiemzaad, broccoli, bladgroente en maakt het vogelbloed minder aantrekkelijk voor de luis. Knoflook heeft hetzelfde effect en het verstrekken van knoflookpoeder of knoflookextract door het drinkwater of eivoer verminderd de bloedopname van luizen bij de gastheren. Genoemde methode is eigenlijk luisverjagend en werkt daardoor eerder preventief, maar niet luisdodend en is dus van weinig waarde bij de bestrijding van een luizenplaag. 
Toch zijn er ook bestrijdingsmethoden die, zonder gebruik van insecticiden, voor de luis dodelijk zijn. We zagen dat temperaturen beneden de – 20o C en boven de 45o C voor de luis en z’n eitjes fataal zijn. Het vogelverblijf en/of mogelijke verblijfplaatsen van de luis verwarmen tot boven de 45o C heeft een zuiverend effect. De vraag is echter of je met de hete lucht en/of het hete water in alle naden en kieren kunt komen waar de eitjes liggen en de kiem voor een volgende explosie blijft bestaan.
Men kan ook denken aan gebruik van oliën en vetten. Wanneer luizen over een vette substantie lopen kunnen de openingen in de huid waardoor de luis ademt verstopt raken. Ook de al eerder genoemde silicaproducten vallen in deze categorie. Silica is een verzamelnaam voor o.m. fytoplankton en kiezelwieren. Deze worden zeer fijn gemalen en hebben als eigenschap dat ze een heel sterk absorberend vermogen hebben voor oliën en vetten. Komt het silicapoeder op de huid van de luis, bijv. wanneer de luis over een laagje poeder loopt, dan wordt de waslaag van de huid beschadigd en zal de luis uitdrogen of geen bescherming meer hebben tegen infecties. Omdat de silicaproducten een natuurlijke oorsprong hebben zijn ze niet belastend voor het milieu. Bijkomend voordeel is dat de luis geen resistentie tegen dit product kan opbouwen. Met een spuitbus, die van te voren heel goed geschud moet worden, spuit men de nevel met daarin het poeder op de plaatsen waarvan je verwacht dat daar luizen zullen lopen. Het vocht in de nevel droogt op en er blijft een poederlaagje achter. Na het reinigen van de kooien met water moet uiteraard opnieuw gespoten worden.
Producten die op basis van deze methode op de markt worden gebracht zijn o.m. Birdy Finect, Decimite, Diatom, Finecto, Home Shield, Insecto Sec en U-5 bloedluispoeder. Van diverse zijden heb ik positieve verhalen over het gebruik van silicaproducten vernomen.
Tenslotte mag ik dit artikel natuurlijk ook niet de klassieke gifspuit ontbreken. Voor veel vogelliefhebber is dit toch nog altijd de meest betrouwbare methode om de luizen te bestrijden. Tijdens de Bondsshow van de NBvV in Apeldoorn stond ik in de zangkanariehoek met o.m. Jan Zonderop wat te kletsen en kwam de onvolprezen Vaponastrip ter sprake. De werkzame stof in de oude Vaponastrip was Dichlorvos, wat ook verwerkt zat in U3, bij velen van ons ook een bekend en veelgeprezen product. We weten allemaal dat de oude Vapona strip en het oude U3 in Nederland niet meer verkocht mogen worden. Het is mij onbekend of er nog een luisbestrijdingsmiddel op basis van Dichlorvos in Nederland verkrijgbaar is.
Cypermethrin en Permethrin zijn insecticiden die de zenuwcellen van de insecten aantast. Beide chemische verbindingen vormen de werkzame stoffen in Ardap van Quiko. Ardap is in Nederland niet verkrijgbaar, maar wel in Duitsland gewoon te koop. Veel vogelliefhebbers hebben goede ervaringen met Ardap en weten via, via wel aan dit product te komen.
Een relatief nieuw bestrijdingsmiddel is Ivermectine. Over de neveneffecten van dit middel op de lange termijn is nog weinig bekend. Door vogelliefhebbers wordt de Ivermectine meestal via een druppel vloeistof op de kale vogelhuid aangebracht waarna de werkzame stof wordt opgenomen in de bloedbaan van de vogel. De luizen zuigen het met Ivermectine geïnfecteerde bloed op en sterven er aan. Ik hoor tegenwoordig van veel vogelliefhebbers dat zij een product op basis van Ivermectine gebruiken voor de bestrijding van bloedluis. Bekende merknamen op basis van Ivermectine zijn Ivomec (MSD Agvet), Panomec, Oramec, Bird- Parasite (Travipharma), Animec, Parasita (Beaphar), Anti Parasiet (Beaphar).
Harrie de Rooij weet te melden dat inmiddels in de VS al veel luizen met een  resistentie tegen Ivermectine zijn waargenomen. Er bestaan nog steeds twijfels of Iveremectine geen schadelijke effecten kan hebben voor jong vogelleven in het ei en na het uitkomen. Aldus Harrie van Rooij.
 
Slot
In bovenstaande hebben we in de vorm van een uitgebreide bespreking van Harrie van Rooij’s boek ons verdiept in het leven en bestrijdingsmethoden van grote plaaggeesten voor de vogelliefhebber en zijn vogels, de bloedluis en de zwarte luis. Mocht dit artikel voor de lezer aanleiding zijn om te reageren in ons clubblad, dan wordt hij of zij bij deze van harte uitgenodigd ervaringen met ons te delen.  

Noten
1. Harrie van Rooij, Bloedluis en andere ectoparasieten. Uitgave van Drukkerij het Centrum Utrecht BV, 2010 (ISBN 978-90-9025476-0)
2. Joseph Blagrave, Epitome of the Art of Husbandry. London 1675. New Aditions, Of Singing Birds, p. 111; John Ray, The Ornithology of Francis Willughby. London 1678, Book II, Chapter XIII, p. 262. 

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2013, nr. 1, pp. 14-22.

-0-

TOP


 

Op consult bij Hedwig van der Horst

door Jaap Plokker

Via secretaris Piet Hagenaars werden de leden van de vogelvereniging ‘De Kanarievogel’ te Katwijk op de hoogte gesteld van de lezing die dierenarts Hedwig van der Horst op 15 mei 2017 zou geven bij de Eerste Voorburgse KanarievogelVereniging (EVKV) ‘De Kanarievogel’. Op een ledenvergadering van de Katwijkse vogelclub schoot Krien Onderwater me aan met de mededeling dat hij  zin had om er naar toe te gaan en hij vroeg mij of ik ook interesse had. Zo gezegd zo gedaan en op de bewuste maandagavond togen we gezamenlijk naar het clubgebouw van de handbalvereniging EHC in Den Haag waar de lezing werd gehouden. Bij aankomst bleken wij niet de enige NZHU’ers te zijn. Ook Joop Aelbrecht, Jacques de Beer, Piet Hagenaars en Paul Schilte bleken benieuwd te zijn naar wat Hedwig van der Horst te melden had. Tijdens de lezing heb ik wat aantekeningen gemaakt en onderstaande is een poging een weergave te geven van de, mijn inziens, belangrijkste onderwerpen die aan de orde kwamen. 

Na een uitgebreide introductie waarin de in vogels gespecialiseerde dierenarts Hedwig van der Horst een en ander vertelde over haarzelf en haar praktijk in het Brabantse plaatsje Riel, werd het vervolg van de avond opgehangen aan enkele vragen die vooraf aan haar waren gemaild. De lezing concentreerde zich rond twee kernpunten:
-          Bevorder de weerstand van je vogels tegen ziektes door goede voeding en strenge selectie.
-          Des te minder medicijnen je de vogels toedient des te kleiner is de kans op resistentie en des te groter de afweer van je vogels.  

Selectie, voeding en weerstand
Bij het selecteren van het kweekmateriaal laten fokkers zich vooral leiden door de potentiële TT-kwaliteiten van het nageslacht en wordt er veel te weinig geselecteerd op de constitutie van de vogels. Het gevolg is dat de weerstand van de Nederlandse cultuurvogels afneemt wat o.m. tot uitdrukking komt in een lager reproductievermogen en een steeds lager wordende gemiddelde leeftijd waarop vogels overlijden.  Het cultuurvogelbestand wordt, aldus Hedwig van der Horst,  kapot gefokt. Om toch de gewenste kweekresultaten te bereiken worden allerlei noodgrepen toegepast zoals het verstrekken van voedingssupplementen en het preventief toedienen van medicijnen. Op de korte termijn lijken deze praktijken de problemen op te lossen, maar op den duur zal deze handelswijze zich tegen de fokker keren. Met dit gedrag bevindt hij zich op een weg die uiteindelijk dood loopt. Hedwig van der Horst pleit derhalve voor een veel rigider selectiebeleid op grond van gezondheidscriteria.

Probiotica
De markt voor vogelvoeding en vogelvoedingssupplementen is wereldwijd een miljardenzaak. Alle marketing trucs worden door de fabrikanten uit de hoge hoed getoverd om de kwekers te verleiden hun producten te kopen. Veelal wordt geschermd met het promotiepraatje dat het nieuwe product het resultaat is van wetenschappelijk onderzoek, maar de realiteit is dat er nauwelijks gedegen onderzoek is gedaan naar de optimale samenstelling van vogelvoer. De meeste kennis is gebaseerd op praktijk ervaringen in het verleden.  Als voorbeeld van hoe de vogelkwekers door de fabrikanten worden bedot en het geld uit hun zak wordt geklopt noemt Hedwig van der Horst het gebruik van Probiotica.
Probiotica is een verzamelnaam voor bacteriën die in het lichaam een nuttige functie vervullen. Met het innemen van o.m. probiotica preparaten, biogarde yoghurt en Yakult komen vooral lactobacillen in het lichaam terecht. Daar hebben deze melkzuurbacteriën de taak om in het maagdarmkanaal suikers om te zetten in zuren waardoor de ontwikkeling en groei van voor de gezondheid schadelijke bacteriën wordt belemmerd. Deze gedachte is gebaseerd op onze kennis over de darmflora bij zoogdieren in het algemeen en de mens in het bijzonder en is geëxtrapoleerd naar het vogelleven. Bij vogels, met uitzondering van de hoenderachtigen, gaat dit principe echter niet op. Bij gezonde zangvogels is het maagdarmkanaaal schoon van bacteriën en is het toedienen van Probiotica om de darmflora te beïnvloeden dus zinloos, domweg omdat er geen darmflora is. Voor het verschijnsel dat de pop de eerste dagen de ontlasting van de piepjonge vogels oppikt wordt vaak de verklaring gegeven dat hiermee de darmflora van de jonge vogel wordt opgebouwd. Vogels kennen echter geen bacterieleven in de darmen en dit kan dus niet de reden zijn. Aannemelijk is de veronderstelling dat de ontlasting van de jonge vogel nog heel veel halfverteerde voedselresten bevat en de jonge vogel dus via de door de pop opgenomen ontlasting gemakkelijk verteerbaar voedsel krijgt verstrekt.

Aanzuren
Het enige positieve gevolg van het vogels toedienen van melkzuurbacteriën via Yakult of biogarde is dat het zuurgehalte in de darmen wordt verhoogd waardoor de ontwikkeling en toename van bacteriën wordt belemmerd. Het effect van het toedienen van Probiotica voor dit doel is echter verwaarloosbaar klein. Om het zuurgehalte in het spijsverteringskanaal te verhogen zijn andere middelen veel effectiever.
Veel vogelfokkers verhogen de zuurgraad in het maagdarmkanaal van hun vogels door appelazijn of citroenzuur aan het drinkwater toe te voegen. Hedwig van der Horst is hiervan geen voorstander. De zuren in citroenzuur en appelazijn belemmeren weliswaar de ontwikkeling van bacteriën, zoals de coli bacterie, maar hebben ook een negatief effect op de kalkopname in het vogellichaam met als gevolg problemen met het aanmaken van een goede eischaal en ontwikkelingsachterstand van het skelet bij jonge vogels. Het gebruik van voornoemde zuren is daarom met name tijdens de broedtijd niet aan te bevelen.
Hedwig van der Horst is een voorstander van het ‘aanzuren’, maar geeft de voorkeur aan het gebruik van producten op basis van chlooramine of waterstofperoxide.  Met name gebruik van waterstofperoxide heeft als voordeel dat er geen restproducten in het lichaam achterblijven. Zij noemt Aqua-Clean van Kanters als een product op waterstofperoxidebasis dat je veel beter kunt gebruiken dan citroenzuur of appelazijn.

Megabacterie
De bewering dat het gebruik van zuren als appelazijn en citroenzuur de ontwikkeling van de megabacterie zou tegengaan is hoogst twijfelachtig. De megabacterie is eigenlijk een schimmel,  bevindt zich in de maag van een vogel en gedijt dus in een zure omgeving. Verhoging van de zuurgraad in de maag zou zelfs de ontwikkeling van de megabacterie kunnen stimuleren. Zolang de megabacterie zich tot verblijf in de maag beperkt zijn er geen problemen. Die ontstaan wel wanneer de schimmel zich door het maagdarm-kanaal gaat verspreiden. Eenmaal in de darmen beland is de aanwezigheid van de schimmel aan de hand van de ontlasting te constateren en kan doelgerichte medicatie toegediend worden. 

Vitamine A en  palmolie
Ziektebestrijding begint met het verhogen van de weerstand van de vogel. Vitamine A vervult hierbij een heel belangrijke rol. Krachtvoerfabrikanten zijn voortdurend op zoek naar een goede balans in de hoeveelheid vitamine A in het krachtvoer. Te veel vitamine A is nl. even nadelig als te weinig. Om-dat een overschot aan vitamine A het vogellichaam niet verlaat, maar wordt opgeslagen in de lever kan een te hoge dosering vitamine A tot leverproblemen leiden.  Om de weerstand van de vogel te verhogen ziet Hedwig van der Horst daarom niet de oplossing in het verhogen van de dosering vitamine A in het eivoer, maar in de verstrekking van caroteen in natuurlijke producten. Caroteen wordt, naar behoefte, door het lichaam omgezet in vitamine A en een teveel aan caroteen verlaat via de ontlasting het lichaam. Producten als wortelen en paprika bevatten veel caroteen, maar te weinig om in de behoefte aan vitamine A te kunnen voorzien. Hedwig van der Horst propageert daarom onbewerkte rode palmolie aan het vogelmenu toe te voegen. Rode palmolie is een ‘caro-teenbom’, waardoor de vogel in staat is de eigen weerstand te verhogen door caroteen om te zetten in vitamine A.
Palmolie verwerken in fabrieksmatig vervaardigde krachtvoeders is niet zo eenvoudig. Palmolie is een vet en daardoor beperkt houdbaar. Om de houd
-baarheid van het krachtvoer te verhogen wordt dit door de fabrikant verhit tot een temperatuur boven 50o C. Wordt palmolie verwarmd tot boven de 50o  C dan wordt de caroteen in de olie afgebroken en verliest de palmolie dus het voor de aanmaak van vitamine A essentiële bestanddeel.
Het caroteen in de palmolie heeft effect op de kleur van de vogel. Voor fokkers van zangkanaries is dit niet zo’n probleem, maar voor kwekers van kleurkanaries is het oppassen geblazen.

Ziekte en medicatie
Een vogel die zich niet lekker voelt zit dik. Dit zegt alleen iets over de algehele gesteldheid van de vogel, maar nog niets over de aard van de ziekte. Een vogel die dik zit moet nader bekeken worden. Voor de fokker zichtbare symptomen die duiden op een ziekte zijn o.m. een dikke buik, ontlastingsresten rond de cloaca, dunne ontlasting (Ik voeg er zelf aan toe: scherp borstbeen, hijgen, piepen, kraken bij het ademen, grote lever. J.P).
Niet alle dunne ontlasting hoeft te duiden op diarree, maar is er sprake van diarree dan kan dat verschillende oorzaken hebben, zoals de aanwezigheid van:
-          bacteriën
-          parasieten
-          schimmels/gisten
-          virussen

Mestonderzoek
Via mestonderzoek is vaak de oorzaak van de ziekte vast te stellen. Omdat zangvogels nauwelijks over een darmflora beschikken kunnen bacteriële infecties relatief gemakkelijk in de ontlasting ontdekt worden. In de eerste plaats is er de mogelijkheid de mest onder de microscoop te onderzoeken. Een veel betrouwbaardere onderzoeksmethode is het maken van een uitstrijkje van de ontlasting. Door middel van kleuring van het uitstrijkje kan de ziekteverwekkende bacterie herkend worden. Niet alle dierenartsen zijn toegerust  om een uitstrijkje en een kleurenanalyse te maken. Van in vogel-ziekten gespecialiseerde dierenartsen mag je dit wel verwachten. Een kleurenanalyse kan alleen gemaakt worden van relatief verse ontlasting en het moet ook zeker zijn dat de mest niet door ander bacterieleven is besmet. De ontlasting moet dus niet van de kooibodem opgeschept worden. Het is daarom aan te bevelen de zieke vogel te isoleren en de mest op aluminiumfolie op te vangen, dit dicht te vouwen en, al dan niet via de post, bij de dierenarts te (laten) bezorgen.  

Preventieve medicatie
Fokkers hebben nogal eens de neiging hun voor bepaalde ziektes gevoelige vogelbestand preventief tegen het ziek worden te behandelen. Een voorbeeld hiervan is het aan het begin van het broedseizoen aan alle vogels toedienen van Baycox en/of ESB3, of een moderne variant daarvan, om coccidiose tegen te gaan. Hedwig van der Horst adviseert kwekers dit niet te doen. Ziektebestrijding moet beperkt blijven tot het in een ‘noodsituatie’ toedienen van een middel dat voor het ziektebeeld een oplossing biedt. Het systematisch toedienen van medicatie aan gezonde vogels leidt tot een zwakkere weerstand bij de vogel en de schadelijke bacteriën bouwen een resistentie op tegen de in het medicijn aanwezige werkzame stof. Kortom, Hedwig van der Horst adviseert  alleen medicatie toe te dienen wanneer er ziekteverschijnselen zijn.
Het ongebreideld gebruik van antibiotica heeft er al toe geleid dat sommige bacteriën resistent zijn geworden voor bepaalde medicatie. Gebruik van antibiotica wordt daarom aan steeds strengere, wettelijke, regels gebonden. 

Kanariepokken of hapziekte
Regelmatig melden zich kanariefokkers bij Hedwig van der Horst met kanariepokken op het hok. Deze ziekte kan in het vogelverblijf voor een waar slagveld zorgen. De enige effectieve remedie is het enten van de vogels. De laatste jaren is de entstof niet alleen een stuk duurder geworden, maar ook steeds lastiger te verkrijgen. Ook in 2017 heeft Poulvac, de fabrikant van het vaccin, geen nieuwe entstof aangemaakt. Probeer maar eens iemand te vinden met nog een oud voorraadje. Het hoeft niemand te verbazen dat met deze schaarste op de markt malafide figuren hun slag proberen te slaan. Zo wordt in Oost Europa, Hedwig noemde Polen met name, gefabriceerde entstof op de Nederlandse markt aangeboden als een vervanger voor het product van Poulvac. Hedwig waarschuwt de fokkers er voor om dit product niet te kopen. Het is entstof voor kippen en voor de bestrijding van hapziekte bij kanaries volkomen  nutteloos; weggegooid geld.
Rest de fokkers om hapziekte te voorkomen door het vogelverblijf zo veel mogelijk vrij van muggen, de verspreiders van de ziekte,  te houden. Muggengaas kan hiervoor een probaat middel zijn.

Piepende en hijgende vogels
Met vogels die bij het ademen geluid, zoals gehijg, gepiep en gekraak,  produceren is iets aan de hand. Er zijn diverse mogelijkheden zoals:
-          luchtpijpmijt
-          longinfectie
-          megabacterie

Luchtpijpmijt is een parasiet, die bestreden kan worden met anti luchtpijpmijt. Meestal betreft het een vloeistof, met de werkzame stof  Ivermectine,  dat wordt toegediend door een druppeltje op de kale huid aan te brengen.
Zowel een longinfectie als de aanwezigheid van megabacterie is aan de hand van de ontlasting van de vogel vast te stellen. Leidt een anti luchtpijpmijt kuurtje niet tot het gewenste resultaat dan is mestonderzoek de volgende stap.

Oogziekten
Voor vogels met ontstoken ogen adviseert Hedwig van der Horst Oculsan oogdruppels. Op Internet heb ik eens naar dit product gezocht en het wordt uitsluitend geadviseerd voor gebruik bij honden en katten. Kennelijk heeft Hedwig er ook positieve ervaringen mee bij vogels.

Luizen, mijten
Niet zozeer een ziekte, maar wel heel vervelend voor vogels en voor jonge vogels zelfs levensbedreigend zijn mijten, in de volksmond vaak bloedluizen genoemd. Op de markt zijn twee soorten producten verkrijgbaar om mijten te bestrijden: chemische en natuurlijke.  Chemische bestrijdingsmiddelen doden de mijten, maar bij veelvuldig gebruik kunnen mijten resistent worden en verliest het product zijn werking. Variatie in gebruik van werkzame stoffen zorgt er voor dat mijten minder snel resistent worden. Het bekende druppeltje in de nek is een product met Ivermectine als werkzame stof. Mijten kunnen hiertegen een resistentie opbouwen. Gedoseerd gebruiken derhalve.
Tegenwoordig zijn er ook producten te koop op basis van sylicaten. Voorbeelden hiervan zijn Homeshield en Finecto. Dit is eigenlijk zand, maar dan miniem van grootte en heel scherp. De mijt die hier overheen loopt krijgt een krasje in de beschermhuid en droogt uit. Tegen dit product kunnen mijten geen resistentie opbouwen. Een andere natuurlijke methode is het gebruik van roofmijten, de zogenaamde Dutchy’s. Sommigen zijn over het inzetten van roofmijten laaiend enthousiast, anderen zijn wat minder positief.

Praktische info en tips
In vogelziekten gespecialiseerde dierenartsen zijn schaars en worden steeds schaarser. In het verleden behoorden vogelziekten tot de standaardopleiding van een dierenarts, maar dat is tegenwoordig niet meer het geval. Wil je bij een calamiteit bij je vogels een zinvol consult dan moet je er eigenlijk zeker van zijn dat de dierenarts zich in vogelziekten heeft gespecialiseerd. Bij de doorsnee dierenarts mag je geen specialistische kennis op vogelgebied verwachten. Vaak heeft de doorsnee dierenarts ook niet de juiste uitrusting om van de ontlasting een uitstrijkje en een kleurenanalyse te maken. Wil je de ontlasting van een zieke vogel door een in vogelziekten gespecialiseerde dierenarts laten onderzoeken en ben je niet in de gelegenheid om de arts persoonlijk te bezoeken verzend dan de ontlasting per post naar het door jou vertrouwde adres. Bezorg de envelop met het mestmonster nooit voor of tijdens het weekend ter post. Vrijdag geposte brieven worden nl. pas op dinsdag bezorgd! 
Hetzelfde geldt voor het opsturen van een dode vogel voor onderzoek. Bewaar de dode vogel in de koelkast, niet in de vriezer! tot het meest geschikte moment van verzending. Stop je de dode vogel in een gewone envelop dat loop je het risico dat het lichaam in de postsorteermachine wordt geplet. Verzend de vogel dus in een doosje. Voor kleine vogeltjes volstaat een luciferdoos(je). 
Voor een mestonderzoek brengt Hedwig van der Horst bijna 19 euro in rekening. Haar adresgegevens zijn: Vogelpraktijk ‘De Horst’, Dorpstraat 25B, 5133 AD, Riel. Tel. 06-54668826. Ze geeft er de voorkeur aan om via de mail te communiceren.E-mail: vogelpraktijkdehorst@hotmail.com.
In Den Haag is ook een in vogelziekten gespecialiseerde dierenartsenpraktijk. Paul Schilte heeft daar de mest van twee vogels laten onderzoeken en was hiervoor € 66,50 kwijt. ‘Den Haag’ is dus aanzienlijk duurder dan ‘Riel’.
Voor degene die toch graag persoonlijk contact met de dierenarts heeft en in de buurt van Den Haag woont hierbij het adres: Dierenkliniek ‘Het Zicht’, Het Zicht 61-63, 2543 AK, Den Haag. Uiteraard vragen naar de in vogelziekten gespecialiseerde dierenarts in de kliniek. Je kunt zonder afspraak binnenlopen. 

Slot
Bovenstaande is mijn weergave van een door dierenarts Hedwig van der Horst verzorgde lezing, die ik naar eer en geweten zo getrouw mogelijk heb geprobeerd te verwoorden. Hetgeen door Hedwig van der Horst naar voren is gebracht is overduidelijk haar visie, waarmee je het niet eens hoeft te zijn. Inmiddels heb ik ook ontdekt dat sommige vogelkwekers hun vraagtekens plaatsen bij hetgeen door haar wordt beweerd. Mocht je inhoudelijke vragen hebben over bovenstaande dan moeten die niet aan mij worden gericht, maar aan Hedwig van der Horst. Haar e-mailadres staat hierboven onder ‘Praktische info en tips’.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2017, nr. 3, pp. 22-
30.

-0-

TOP

voeding

Palmolie

door Jaap Plokker

Jaren geleden vertrouwde een eigenaar van een Katwijkse dierenspeciaalzaak me toe dat hij op zaterdagochtend zonder navraag te doen wist waar de lezing die avond daarvoor bij ‘De Kanarievogel’ over was gegaan, want de winkel liep vol met vogelkwekers die allemaal om hetzelfde product vroegen, dat hij uiteraard op dat moment helemaal niet of slechts beperkt in voorraad had. Als vogelkwekers hebben wij een zwak voor producten die de hemel in worden  geprezen en, wees eerlijk, zijn we allemaal niet één of zelfs meerdere keren gevallen voor zo´n promotiepraatje? Deze keer een artikel over een product dat ik sinds kort aan mijn eivoer toevoeg: palmolie.

In de jaren dat ik voorzitter van de Katwijkse vogelvereniging ‘De Kanarievogel’ was werd ik regelmatig benaderd door pas beginnende kwekers die bijkans radeloos waren. Van Jantje kregen ze te horen dat ze dit moeten voeren, van Pietje dat en Klaasje had een nog beter voedingsadvies. Van al die goed bedoelde adviezen zagen ze door de bomen het bos niet meer en werd vervolgens aan mij gevraagd wat de beste tip was. Mijn antwoord was steevast een vraag: Waar ben je niet tevreden over? Als ze dan het antwoord schuldig bleven zei ik: ‘Dan moet je niets veranderen en het laten bij wat je nu gewend bent om te doen’.

Biggencompost
Niet altijd heb ik me aan mijn eigen advies gehouden. Een paar voorbeelden: In het najaar van 1995 werd bij ‘De Kanarievogel’ tijdens een lezing over kromsnavels door tropenkeurmeester Louis Polanen gemeld dat hij enige tijd de vogels biggencompost voorschotelde en hij met zijn agaporniden een ‘muiter kweekseizoen’ had gehad. Piet Hagenaars heeft toen via zijn relaties bezuiden de grote rivieren een baal biggencompost aangeschaft en tijdens een ledenvergadering een monster rond laten gaan. Diverse kwekers hebben toen bij Piet een baal biggencompost besteld, waaronder ondergetekende.
Eerlijk is eerlijk, de kanaries aten er goed van, gezien hun zwarte snavels en zwarte ontlasting, maar wat eet een kanarie niet zou je bijna zeggen. Mijn ervaring was dat de vogels het liefst in de compost zaten te spitten wanneer het vers was. De biggencompost was alleen verkrijgbaar in balen van 25 kg en zo veel aten mijn vogels ook weer niet. Kortom, na verloop van tijd was de compost uitgedroogd en het restant van de laatste baal is door mij gemengd met potgrond om spruitenplanten voor m‘n volkstuin op te kweken. Biggencompost schijnt nog steeds te bestaan, maar ik heb er onder
zangkanariekwekers al jaren niet meer over gehoord. 

Fenegriek poeder
Enige jaren geleden vernam ik van enkele NZHU leden dat zij fenegriek poeder aan het krachtvoer toevoegden om het verenpikken tegen te gaan. Nu had ik ook aardig wat poppen die niet van de staarten van hun jongen konden afblijven dus leek het mij de poging wel waard om het ook te doen. Aanvankelijk was het een hele toer om te ontdekken waar je het kon kopen en na stad en land te hebben afgereden kreeg ik te horen dat een winkel in paardensportbenodigdheden, ‘Pas de Deux’, op nog geen 500 meer van mijn huis, het verkocht. Ik heb een emmertje aangeschaft en iedere keer een dosering aan mijn krachtvoer toegevoegd. Ik merkte niet direct verschil, maar dacht:  ‘Baat het niet, schaden doet het ook niet’. Ik heb enkele jaren in de kweek en ruitijd fenegriek poeder door mijn krachtvoer gemengd, maar afgelopen najaar was het op en ben ik zo laks geweest, ook al was het niet zo ver fietsen, om geen nieuw emmertje fenegriek poeder te kopen. Wat is het resultaat tijdens het kweekseizoen tot dusver: Ik merk geen enkel verschil met het verenpikken tussen de periode dat ik wel en geen fenegriek door mijn krachtvoer mengde. Met het toevoegen van fenegriek poeder aan mijn krachtvoer ben ik definitief gestopt.

Palmolie
En nu ben ik dus weer voor de bijl gegaan. Op 15 mei 2017 heb ik bij de Eerste Voorburgse Kanarievogel Vereniging (EVKV) ‘De Kanarievogel’ een lezing bijgewoond van de in vogels gespecialiseerde dierenarts Hedwig van der Horst. Haar verhaal heeft me er toe gebracht om palmolie door mijn krachtvoer te mengen. Ik ben daar begin juni, dus tijdens het broedseizoen, mee begonnen. Wat waren mijn motieven en zie ik effect? Met Hedwig van der Horst constateer ik dat in de loop der jaren de leeftijd waarop mijn kweekvogels overlijden steeds jonger wordt. Ik ben vanouds gewend om uitzonderlijk goede kweekpoppen niet weg te doen en na jaren trouwe dienst overlijden zij dan op den duur op natuurlijke wijze. Had ik vroeger nog wel redelijk bejaarde kweekpoppen in mijn hok, de laatste decennia is het een uitzondering wanneer een pop bij mij vier jaar wordt. Dit jaar waren mijn oudste poppen van 2014. Zijn onze waterslagers de laatste decennia steeds zwakker en daardoor vatbaarder voor ziekten geworden, die ze door een afnemende natuurlijke weerstand van de vogels op steeds jongere leeftijd fataal worden? Wanneer Hedwig van der Horst dit beweert durf ik haar niet tegen te spreken. Haar adviezen om weer te werken naar een vogelbestand met een grotere intrinsieke weerstand zijn: het strenger selecteren van de kweekvogels, niet alleen op TT-kwaliteiten maar ook op constitutie, goede voeding en minder snel naar de medicijnpot grijpen, in ieder geval het niet preventief toedienen van medicatie.
Een van de factoren die leiden tot een grotere natuurlijke weerstand is, volgens van der Horst, het verstrekken van de juiste dosering vitamine A. Omdat aan het extra toedienen van vitamine A de nodige risico’s verbonden zijn adviseerde zij het verstrekken van palmolie vanwege de hoge dosis caroteen in dit product. De vogel zet in het lichaam de caroteen naar eigen behoefte zelf om in vitamine A, terwijl het overschot aan caroteen het lichaam op natuurlijke wijze verlaat. Kortweg heb ik dus besloten om, door middel van het toevoegen van palmolie aan het krachtvoer, mijn vogels in de gelegenheid te stellen meer vitamine A aan te maken met als doel de natuurlijke weerstand te verhogen.
Wanneer ik dit artikel schrijf is het begin september. Hoe kijk ik op het afgelopen seizoen terug?  Eind maart heb ik de poppen in broedhokken gedaan. De kweek begon moeizaam met relatief veel kleine legsel. Over de bevruchting mocht ik niet klagen. Uiteindelijk werden ook de legsels groter en heb ik in totaal, met 32 broedhokken, 106 jongen geringd. De eerste jongen werden op 15 april geboren en het laatste legsel kroop op 27 juni uit het ei. Vanaf het moment van ringen tot op heden zijn van deze 106 geringde jongen er 15 doodgegaan, met wisselende oorzaken. Sommige bleven in het nest al achter en zijn nooit uitgevlogen, enkele zijn tot bloedens toe doodgepikt, anderen leden aan een kwaal waarbij het leek of ze een grote bloedarmoede hadden: bleke hoorndelen en gelige buik. Van een enkeling heb ik het vermoeden dat het coccidiose/ataxoplasmose betrof, maar dit betrof een enkele vogel.

 
Foto. Een pot ongeraffineerde, rode, palmolie van 500 ml, zoals ik die in Leiden in een toko voor € 3,75 koop.

Heb ik door het verstrekken van palmolie minder uitval van jonge kanaries gehad?  Ik heb niet echt de indruk. Wel heb ik, voor mijn gevoel, minder last gehad van coccidiose/ataxoplasmose dan in voorafgaande jaren. Ik heb geen enkele keer de vogels preventief ESB3 of Baycox verstrekt. Omdat ik sommige vogels betrapte op wat ontstoken darmen heb ik alle jongen twee keer een BS kuurtje gegeven. Sommige jonge vogels die dik zaten en overduidelijk iets mankeerden heb ik afgezonderd en aan hen wel medicatie verstrekt, met wisselend resultaat.
Hedwig van der Horst gaf aan dat de caroteen rijke palmolie effect heeft op de kleur van de vogels. Nu is dat voor waterslagers niet echt een probleem. Ik zie echter niet zo veel kleurverandering bij de vogels sinds ik palmolie verstrek. Ter vergelijking: het verstrekken van rozenbottels heeft veel meer gevolgen voor de kleur van de vogels, maar mijn ogen zijn die van een zangkanariekweker en niet van een kleurkanariekweker. 
Ik heb de indruk dat dit jaar het verenpikken minder massaal is dan in voorafgaande jaren. Over de algehele gezondheidsituatie van mijn vogels ben ik op dit moment niet ontevreden. Zijn deze positieve constateringen een gevolg van het verstrekken van palmolie door het krachtvoer? Ik weet het niet; het zou kunnen. Ik heb in ieder geval besloten met het mengen van palmolie door het krachtvoer
voorlopig door te gaan. 

Verkrijgen en verstrekken
Nadat ik besloten had palmolie door mijn krachtvoer te mengen was het eerste probleem uiteraard: Hoe kom ik er aan? Die vraag was nog niet zo eenvoudig te beantwoorden. Ik kon me niet heugen het ooit eerder ergens te hebben zien staan. Op de markt in Katwijk verkocht de reformkraam het niet. Hoewel volgens Internet het product in het assortiment van AH zit, trof ik bij alle door mij bezochte AH vestigingen, inclusief de XXL in Leiden, geen palmolie in de schappen. Uiteindelijk heb ik het eerste potje maar via Internet besteld. Geen goedkope zaak, omdat de portokosten voor mijn rekening waren. Omdat Hedwig van der Horst verteld had dat palmolie door toko’s werd verkocht ben ik op goed geluk Toko ‘Nieuwe Wereld’ aan de Nieuwe Rijn in Leiden binnengestapt: Hoeveel potten wil je hebben? In deze toko kost een pot ongeraffineerde, rode, palmolie van een halve liter € 3,75.
Alleen de ongeraffineerde, rode, palmolie bevat het voor de vogels belangrijke caroteen. Er is ook geraffineerde palmolie op de markt, maar dat bevat geen caroteen (meer) en is dus voor ons doel ongeschikt.
De term ‘olie’ wekt de indruk dat palmolie vloeibaar is. Dat is bij kamertemperatuur niet het geval. Palmolie wordt vloeibaar boven de 300 C. Wordt de olie verhit tot boven de 500 C dan wordt het caroteen afgebroken. Ongeraffineerde palmolie op kamertemperatuur is een substantie die erg veel lijkt op chocopasta of roomboter buiten de koelkast op een mooie zomerse dag. Het is dus niet vloeibaar, wel smeerbaar en goed te mengen met krachtvoer. Nadat ik met een lepel de palmolie door het krachtvoer heb geroerd meng ik het nog een na met mijn handen. De warmte van mijn handen maakt de palmolie vloeibaarder en dan mengt het dus beter met het krachtvoer.  Heb ik een overschot dan bewaar ik het restant krachtvoer tot een volgende keer in de koelkast. Komt het met palmolie vermengde krachtvoer uit de koelkast dan is het voer door de palmolie stijf geworden. Even op temperatuur laten komen, desnoods met de hand er door roeren en door de warmte wordt de viscositeit lager en is het weer een heerlijk rul krachvoertje. 
Ik maak altijd meerdere porties krachtvoer tegelijk en vries het dan in. Een portie krachtvoer is bij mij: 9 beschuiten, 3 grote of 4 middelgrote hard gekookte eieren en drie schepjes Aves Opfok. In de keukenmachine wordt dit gemengd tot een heerlijk krachtvoertje dat de vogels graag eten. Om het iets ruller te maken doe ik er een lepel biogarde yoghurt door en in de broedtijd een theelepeltje stuifmeelkorrels. Aan zo’n portie voeg ik sinds kort twee theelepels, met kop, rode palmolie toe.
Als ik kijk hoe de vogels het krachtvoer eten merk ik geen verschil tussen het krachtvoer met en zonder palmolie. Beide worden door de vogels goed gegeten.

Slot
Op Internet heb ik eens gezocht naar info over het verstrekken van palmolie aan vogels. Het merendeel van de info had betrekking op kromsnavels. In de kringen van de houders en fokkers van kromsnavels is het verstrekken van palmolie dus niet ongebruikelijk. Kanariekwekers die palmolie verstrekken heb ik nog niet gesproken. Heb je ervaring met palmolie of ken je iemand die het aan zijn kanaries geeft dan hoor ik dat uiteraard heel graag: japlokker@ziggo.nl

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2017, nr. 3, pp. 31-
36.

-0-

TOP
 

Hygiëne voorkomt problemen

door  Liesbeth Bruinink

In de vorige editie van ons clubblad werd nogal uitgebreid stilgestaan bij het probleem van bloedluis. Liesbeth Bruinink verbaasde zich er over dat in zowel het artikel van Jacques de Beer als dat van Jaap Plokker niet werd ingegaan op de hygiëne in het vogelverblijf. Hierbij haar aanvulling op genoemde artikelen.

Graag zou ik willen reageren op het stukje betreft bloedluis in het vorige clubblad. Ik heb gelezen dat bij het bestrijden van bloedluis veel bestrijdingsmiddelen worden gebruikt en het één vaak nog beter is dan het andere. Ik vraag mij echter af of er ook wel eens over goede hygiëne wordt gesproken of geschreven. Ik ben misschien dan wel als kweker van waterslagers een beginneling, maar toch houd ik voet bij stuk dat hygiëne een eerste vereiste is. Men zegt wel dat schrobben alleen niet voldoende is, maar als men de hygiëne in het vogelverblijf in acht neemt kan men een hoop ellende voorkomen.

Ik heb mijn vogels binnen zitten in een aparte kamer met Novilon op de vloer. Dit is heel praktisch vegen, stofzuigen en dweilen. Bij het schoonmaken van de kooien ga ik als volgt te werk: het vuile zand gooi ik weg, daarna veeg ik alles goed uit. Vervolgens neem ik de stofzuiger en met het smalle hulpstuk zuig ik alle hoeken, gaten en kieren goed schoon. Daarna maak ik en sopje en worden de wanden van de kooien goed schoongemaakt. Dat geldt uiteraard ook voor de laden, zitstokken en niet te vergeten de voer- en waterbakjes. Als ik klaar ben met schoonmaken spuit ik toch altijd voor de zekerheid nog een bestrijdingsmiddel in alle hoeken, kieren en op de zitstokken, om bloedluis te voorkomen.
Het is allemaal een hoop werk, maar een echte vogelliefhebber heeft dit er voor over. Vogels houden betekent  niet alleen lusten, maar ook lasten.
Ik moet toegeven dat ik in het verleden wel eens een fout heb gemaakt, dat volgens mij ook met stukje hygiëne te maken had. Ik had namelijk een goed koppel waterslagers met eieren en die kwamen op een gegeven moment uit. Even later vond ik dode jongen onder de pop. Ik zag echter dat het nestje van de vogels vuil was. Ik dacht bij mezelf: ‘Dit gaat me geen tweede keer gebeuren’. Dus ben ik als volgt te werk gegaan. Zodra als ik zag dat een nestje smerig was heb ik dat nestkastje er uit gehaald. De jongen heb ik zolang in wat keukenpapier in een keukenweegschaal gelegd. Het vuile nestmateriaal heb ik weggegooid. Het nestmandje heb ik uitgeklopt en gewassen en vervolgens ook weer ingespoten met bestrijdingsmiddel tegen luis. Tegenwoordig zorg ik er altijd voor dat ik schone nestmandjes heb. Zodat ik ze op deze wijze kan verschonen zodra ik vuile nesten heb. Met wat schoon nestmateriaal zet ik de jongen vervolgens weet terug in hun schone nestkastje.

Ik hoop dat ik de kwekers nuttige tips heb gegeven, want goede hygiëne wordt altijd beloond. Anderzijds sta ik altijd open voor goede raad van de meer ervaren kwekers.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, jaargang 2013, nr. 2, pp. 5-6.

-0-

TOP

 

Harzers

Harzers en hun lied – deel 1: holrol

door Jacques de Beer

Regelmatig heeft de redactie onze harzerkwekers uitgenodigd een bijdrage te leveren aan ons clubblad. Over kopie aangaande de waterslagers hebben we niet te klagen en dan lijkt het alsof de harzers in onze vereniging niet in tel zijn, integendeel. Gelukkig heeft Jacques de Beer de handschoen opgepakt en  een serie artikelen geschreven over het harzerlied. Hierbij deel 1. We hopen natuurlijk, nu er één schaap over de dam is, dat er meerdere zullen volgen.

Het is nu maandagmorgen 21 juli 2008 en het stort buiten, een mooi moment voor het schrijven van een stukje. De poppen zijn uitgebroed en er vliegen 75 jongen rond. In één van de laatste clubbladen stond dat er veel over waterslagers wordt geschreven maar helaas weinig over de  harzers en hun lied. Alvorens ik hieraan ga beginnen zal ik eerst iets vertellen over mezelf.
Ik ben kok van beroep en heb dus veel verstand van voedsel. Ik kan dit aardig terug koppelen naar mijn vogels, vandaar dat mijn vorige bijdragen voor het clubblad meestal over voedsel gingen en nooit over de zang c.q. toeren van harzerlied.
Ik ben geen keurmeester, heb niet op het conservatorium gezeten en ben ook niet echt muzikaal onderlegd. U kunt dus niet van mij verwachten dat ik het hazerlied om ga zetten in noten die voor de mens herkenbaar zijn. Maar met de harzer injectie die ik waarschijnlijk op zeer jonge leeftijd van mijn vader heb gekregen, de 26 jaar ervaring met het kweken van harzers en het lesboek van de Landelijke Speciaalclub Harzers komen we een heel eind.1 

Toerenkennis door luisteren
Het leren herkennen van de toeren doe je in principe door naar de vogels te luisteren. Vooral als ze opgekooid zitten is dit een zeer mooi moment! Het laten zingen op een tijdstip dat jij dit wilt kun je wel uit boekjes halen en ervaringen van collega kwekers zijn ook een ideaal hulpmiddel. Ik weet nog wel dat ik in het begin de toeren geen naam wist te geven. Dit leer je alleen door met ervaren kwekers te luisteren naar je eigen vogels, maar ook van andere harzers leer je heel veel. Gelegenheden hiervoor zijn de technische dagen van de speciaalclubs, zoals de Doelgroep Zang NZHU en de Landelijke Speciaalclub Harzers, het bijzitten van een keuring op een onderlinge wedstrijd of het afluisteren op de Bondshows van ANBV en NBvV.
Ik heb het geluk gehad om dit met de grote jongens uit het vak te doen: Willem Schimmel, Ab de Koning, Theo Kramp, Goof van der Heiden, Piet Hagenaars, Theo van Loon, Arie van Leeuwen, Jan Boes, Gerritsen, A. Halberstadt en noem maar op!

Rolvogels en slagvogels
Aan de hand van de structuur van het gezongen lied kan je twee soorten harzers onderscheiden: rolvogels en slagvogels. Hoewel hierover verschil van mening bestaat tussen de liefhebbers vind ik het wel verhelderend om dit onderscheid te maken. Rolvogels, de naam zegt het eigenlijk al, ‘rollen’ de toeren aaneen. Het is moeilijk op papier te zetten, maar de vogels brengen hun lied alsof je een knikker op een RVS plaat laat rollen. Er zijn dus bijna geen onderbrekingen. Slagvogels brengen sommige delen van het lied rollend, maar hebben ook vele stukken welke het lied onderbreken.
Het lied van sommige vogels zou je een combinatie kunnen noemen van beide, maar daarover later meer.
Of je aangesproken wordt door rol- of slagvogels is een kwestie van persoonlijke smaak. Kweek de vogels welke jij het mooiste vindt. Schaf nooit een vogel aan op zijn hoge keurlijst, maar luister naar de vogel. Spreekt het lied je aan en heeft hij bovendien een hoog aantal punten op de keurlijst staan dan is dit alleen maar meegenomen.

Omstandigheden tijdens de keuring en de technische dag   
Of de vogels tijdens het afluisteren gedurende de keuring of technische dagen volledig tot hun recht komen wordt voor een belangrijk deel bepaald door de omstandigheden waaronder de vogels gehuisvest zijn en de manier waarop ze door de medewerker worden behandeld. Het maakt niet uit of we hier spreken over waterslagers of harzers en het geldt voor ongeacht welke show.
De vogels moeten rustig staan met niet teveel licht. De temperatuur waar de vogels verblijven buiten de keuring moet zo rond de 18 graden zijn en in de keurkamer liefst iets warmer. Ze moeten, ondanks de vreemde omgeving, net als bij de kweker zich thuis kunnen voelen. Het kooitje is dan hun territorium. Het aantal uren licht op de keurdag en de technische dag maakt voor deze twee dagen niet zoveel uit, ook al moeten we dit niet overdrijven.
Veelal zijn er mensen in een vereniging die daar een gevoel voor hebben alsof ze zelf een vogel zijn. Een meester op dit gebied in onze omgeving is Theo Kramp, die op vele wedstrijden wordt gevraagd. Laten we van zijn kennis en ervaring gebruik van maken.
Wat is het niet prachtig als we op de wedstrijd en de technische dag de vogels mogen horen zoals de kweker het bedoeld heeft.
 

Harzertoeren en  driedeelbaarheid in beoordeling
In het lied van de harzer onderscheiden we de volgende toeren: Holrol, Knor, Waterrol (deze toer komt bijna niet meer voor), Schokkel, Kloeken, Holklingel, Fluiten en Klingelrol. Ons keursysteem berust op de drie deelbaarheid in de beoordeling, te weten in voldoende, goed en zeer goed. Om tijdens de keuring een toer te kunnen belonen met een voldoende, goed of zeer goed is de grondtoon waarop desbetreffende toer gezongen wordt van doorslaggevend belang. Met grondtoon bedoelen we de klinker waarop de toer wordt gezongen. De grondtoon van de holrol moet zijn u, o en oe, de grondtonen van de knor moet zijn u, o en oe, die van de waterrol u, o en oe en van de schokkels, kloeken, holklingels en fluiten u, o en oe. Hoe dieper de grondtoon, dus op de klinker o of oe, hoe eerder de keurmeester een beoordeling in het zeer goede zal geven. Zingt een vogel uitsluitend op de grondtoon u dan zal de keurmeester niet hoger kunnen beoordelen dan met voldoende.

Standaardeisen
Om een systematische beoordeling mogelijk te maken voerden we het begrip standaardeis in. In een standaardeis wordt vastgelegd hoe een toer idealiter zou moeten klinken. Aan de hand van deze criteria beoordeelt de keurmeester de afzonderlijk gezongen toeren en de totale voordracht van de harzer.
Aandachtpunten waarover in de standaardeisen beoordelingscriteria zijn vastgelegd zijn:

Onderverdeling toerenscala
In het hiervoor genoemde toerenscala wordt niet elke toer als even waardevol voor het harzerlied beschouwd. Er zijn toeren die voor de kwaliteit van het lied belangrijker worden geacht dan andere. Het verschil in waardering wordt tot uitdrukking gebracht in een hoger maximaal toe te kennen puntentotaal.
We onderscheiden:
·         Hoofdtoeren, ook wel zeer goede toeren genoemd
     
Dit zijn: holrollen, knorren en waterrollen. Deze toeren zijn van samenstelling soms ingewikkeld en in toonomvang en toondiepte al de andere toeren overtreffend.
·         Middentoeren, ook wel goede toeren genoemd
      Dit zijn kloeken, schokkels, holklingels en fluiten. Deze toeren kenmerken zich door een betrekkelijk eenvoudige structuur, maar kunnen van dezelfde diepte zijn als de zeer goede toeren.
·         Voldoende toeren.
     
Dit zijn de klingels en de klingelrollen. Dit zijn toeren, die wat helderheid, eenvoudige zuiverheid, betreft ons gehoor aangenaam aandoen.

De structuur bepaalt de naam van de toer.
Onder de structuur verstaan we de klinker(s) en medeklinkers(s) waaruit de toerlettergreep is opgebouwd plus de voordrachtswijze.
De voordrachtswijze kan zijn rollend en afgezet. Is het lied deels rollend en deels afgezet dan noemen we het samengesteld.
De waarde van de toeren wordt door de klinker en door de mate waarin ze beantwoorden aan de voor die toer gestelde standaardeisen, bepaald.
Tot de rollende toeren, ook ononderbroken toeren genoemd, worden gerekend: holrol, knor, waterrol en klingelrol.
Tot de afgezette toeren, ook onderbroken toeren genoemd, worden gerekend: kloeken, fluiten, schokkels, holklingels en klingels.
Tot de samengestelde toeren worden gerekend: kloekrol, waterrol en kloekknor.
De hiervoor genoemde samengestelde toeren komen als zodanig niet op de keurlijst van de ANBV voor. De beoordeling voor kloekrol en de waterrol wordt verwerkt in de rubriek kloeken en die voor de
kloekknor in de rubriek knor. Op de keurlijst van de NBvV wordt de kloekenpartij gesplitst in twee rubrieken: kloeken en kloekenrol. Over het hoe en waarom, nut en noodzaak  van dit verschil tussen beide bonden gaan we hier verder niet in.

Holrol in diverse vormen
We beginnen de beschrijving van de afzonderlijke harzertoeren met de holrol. De holrol is een van de drie hoofdtoeren in het harzerlied.
De holrol is een ononderbroken toer, omdat de lettergrepen elkaar zo snel opvolgen, dat ze door het menselijke oor als een ononderbroken geluidstroom wordt waargenomen. In het algemeen geldt dat een holrol van waarde wordt gezongen op de klinkers U, O of OE. De voor de holrol kenmerkende medeklinker is R.
Binnen de holrol onderscheiden we een grote variëteit aan vormen:
·       Rechte holrol: Dit is de meest eenvoudige vorm van holrol. De grondtoon beperkt zich tot één klinker. Dit kan op U, O of OE.
·
       Dalende holrol over twee klinkers: De vogel gaat zonder onderbreking van een rechte holrol op de grondtoon U over naar de grondtoon O of van O naar OE. In zangkanariekwekerstaal heeft de
        grondtoon U een hogere toonligging dan O of OE en van deze drie is de grondtoon OE het diepst. Omdat de vogel de grondtoon varieert naar een diepere grondtoon noemen we de holrol dalend.
·
       Stijgende holrol over twee klinkers: Hier speelt zich het omgekeerde af als bij de dalende holrol. De grondtoon gaat naar een hogere toonligging, dus van O naar U of van OE naar O dus spreken
        we van een stijgende holrol.
·
       Dalende holrol over drie klinkers: Behalve over twee  klinkers kan een vogel de holrol ook variëren over drie klinkers, dus van de grondtoon U via de O naar OE. Let wel, dit moet zonder
        onderbreking gezongen worden.
·
       Stijgende holrol over drie klinkers: U raadt het denk ik wel, de stijgend holrol over drie klinkers volgt precies de omgekeerde weg als de dalende holrol over drie klinkers: grondtoon OE via O
         naar U.
·
       Koelerende holrol: Bij deze holrol is de medeklinker R bijna niet meer te horen. Wij horen dan een langgerekte toon op OE, die met L of H verbonden is.
·
       Tremulerende holrol: Bij deze rol trilt de grondtoon. De tremulerende holrol kan niet verward worden met de tremulerende holklingel wanneer men goed op de medeklinkers let en eraan denkt dat
        de tremulerende holklingel een licht afgezette toer is en dat de tremulerende holrol een zuivere rollende toer is.
·
       Sproedelende holrol: Dit is een holrol die haast gelijk is aan de koelerende holrol, maar waarbij men nog een watergeluid hoort.

Zoals uit bovenstaande blijkt kennen we de holrol in vele variaties. Een vogel die een grote variëteit van deze toer in zijn lied heeft is goud waard. Wanneer een harzer begint te rollen van stijgende, oe-o-u, naar dalende, u-o-oe, zang dan weet je niet wat je meemaakt. Luisteren naar topvogels brengt emoties boven en er zijn kwekers/liefhebbers die tranen in de ogen krijgen!
Het is niet altijd even eenvoudig om bovenstaande variaties in holrol direct te herkennen. Een beetje geoefend oor kan toch, zeker met hulp van een keurmeester of ervaren kweker, op een technische dag wel herkennen op welke grondtoon de holrol gezongen wordt en of hij recht is, stijgend of dalend wordt gezongen. Ook voor mij en ik loop toch al wat jaren mee, is het best lastig om een koelerende, tremulerende of sproedelende holrol te herkennen. Word je er door iemand op attent gemaakt dan valt het zeker op en is het een genot om er naar te luisteren.

Geconcentreerd luisteren
Of ik nu met mijn vogelvriend Goof van der Heiden zit te luisteren of met velen in een keurkamer, wanneer een vogel met een toer in het ‘zeer goede’ op de proppen komt dan is iedereen stil en krijgt men rode konen. Als we de vogels beluisteren dan hoeven we echt niet muisstil te zijn, rustig praten kan nooit kwaad. Waar we wel op moeten letten zijn de bewegingen van de handen, want daar schrikken de vogels van. Daardoor breken ze steeds hun lied af en moeten ze opnieuw beginnen. Geconcentreerd luisteren met velen is wel eens een probleem, want met zo’n 20 a 30 man in een keurkamer wil het wel eens te druk zijn met praten, zodat je de vogels bijna niet meer hoort. Laten we daar eens aan denken. Ik weet dat iedereen graag iets wil zeggen over een vogel die indruk maakt, dat komt spontaan in je op, daar ben je ook liefhebber voor. Maar probeer toch tijdens het afluisteren zo weinig mogelijk te zeggen en doe dat later bij de koffie of een biertje.
Wil men zich in deze materie verder verdiepen dan kan ik het lesboek Harzers aanbevelen dat verkrijgbaar is tijdens de Bondsshow van de ANBvV te Zutphen.

Noten

  1. Voor dit artikel heb ik uitgebreid gebruik gemaakt van: Lesboek Harzers, uitgave  ANBvV, 1994.     

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2009, nr. 1, pp. 21-27

-0-

                                    

TOP

 

Harzers en hun lied – deel 2: Knor

door Jacques de Beer

In de vorige editie van ons clubblad begon Jacques de Beer met een artikelenreeks over de harzers en hun lied. De vorige keer stond de holrol centraal. Ditmaal gaat Jacques dieper in op een andere hoofdtoer in het harzerlied: de knor.

Terugblik op het afgelopen wedstrijdseizoen
Nadat we de holrollen hebben gehad gaan we verder met de knorren, maar voordat ik daar aan ga beginnen wil ik eerst even iets kwijt over de wedstrijden die we gehad hebben! Het is nu maandag 29 december 2008 en de meeste wedstrijden hebben we achter de rug. De grote krijgen we echter nog: de Bondskampioenschappen van de ANBVV in Zutphen en van de NBvV in Apeldoorn en de clubkampioenschappen van de Landelijk Speciaalclub Harzers (LSH) te Bennekom. Terugkijkend op de onderlinge wedstrijd van de Vogelvrienden Leiden e.o., mijn eigen vogelvereniging, was dit een leuke tentoonstelling met een behoorlijk aantal vogels. Het is alleen jammer dat er steeds minder harzerkwekers aan deze wedstrijd meedoen, in totaal werden 40 harzers ingeschreven. Dankzij o.m. de goede verzorging van Theo Kramp zongen de vogels vrij aardig. Het leuke van deze wedstrijd was wel dat er ook een ander zangkanarieras aanwezig was, t.w. Timbrado’s!
Daarna kregen we de wedstrijd van het Gewest 6  in Voorburg: Hiervoor waren wel wat meer Harzers ingeschreven, zo’n 140. De kwantiteit was iets minder dan in 2007, maar de kwaliteit was zeer goed! Keurmeester en lid van onze doelgroep Max Gerhards pakte op het Gewest 6 het kampioenschap bij de stammen met 389 punten en de meesterzangersprijs met 98 punten.
De wedstrijd in Katwijk van de Doelgroep Zang NZHU rond de kerstdagen was een zeer goed georganiseerde happening, een compliment voor het bestuur. Met een enorm aantal Waterslagers en toch ook een kleine 80 Harzers een behoorlijke wedstrijd. De Harzers waren weer in goede handen van Theo Kramp en de technische dag op 24 december was zeer gezellig.
Misschien wel dankzij de aanwezigheid van kloekvrije harzers werd ook dit jaar weer uitgebeid gediscussieerd over de kloeken. Het gesprek concentreerde zich niet zozeer over hoe deze toer door de harzers ten gehore werd gebracht maar veeleer over het verschil in waardering van de kloeken bij de twee bonden: Volgens de bij de Algemene Bond gehanteerde keurlijst kunnen maximaal 18 punten geven worden aan de kloeken. Hiertoe worden de kloeken in alle mogelijke vormen gerekend. Tijdens een keuring van harzers overeenkomstig de richtlijnen van de Nederlandse Bond worden de kloeken gescheiden in afgezette kloeken, waaraan maximaal 18 punten toegekend kunnen worden en kloekrollen waarvoor een keurmeester een vogel ook maximaal met 18 punten mag belonen. In totaal kunnen dus volgens de keurlijst van de NBvV aan de kloeken in alle mogelijke vormen 36 punten gegeven worden. Dat is twee keer zoveel als op een wedstrijd van de de ANBVV. 
In de vorige aflevering heb ik aangegeven dat we de toeren van het harzerlied onderscheiden in hoofdtoeren, middentoeren en voldoende toeren. Holrol en knor zijn twee hoofdtoeren, waaraan maximaal 27 punten toegekend kunnen worden. Kloeken worden in het harzerlied gerekend tot de middentoeren. Wanneer nu de kloeken in alle vormen tijdens de keuring worden gescheiden in kloeken en kloekenrollen en voor elk ook nog maximaal 18 punten te behalen zijn, kunnen aan de kloeken in alle vormen maximaal 36 punten toegekend worden en dat is meer dan een hoofdtoer! Dit is toch wel stof om eens over na te denken!
Tenslotte wil ik ook nog aan de besturen van speciaalclubs het volgende met betrekking tot de keuze voor bekers en trofeeën ter overweging meegeven. Ik hoor en ondervind dat het wel leuk is om een prijs te winnen, maar als je meer wedstrijden speelt en goede resultaten behaalt wordt je huis te klein voor al deze trofeeën! Het belangrijkste is toch dat deze resultaten in de catalogus staan?! Ik prefereer het uitreiken van VVV bonnen of iets dergelijks in plaats van al dat blik. Nu genoeg geschreven over de wedstrijden en verder met de toeren van het harzerlied.

De knor
We vervolgen onze bespreking van het harzerlied met de knor.1 De knor is een hoofdtoer en kan bewaardigd worden van 1 tot en met 27 punten. De klinkers waarop de toer gezongen moet worden zijn ‘u’, ‘o’ en ‘oe’. Ook bij de knor geldt: hoe dieper, hoe hoger de waardering. De knor wordt ingezet met de medeklinker ‘kn’ of ‘gn’ en de sluitingsmedeklinker is ‘r’.
De knor is de bas in het harzerlied en kan daarin niet gemist worden. Het is belangrijk dat deze toer met vrijwel gesloten snavel gezongen wordt. Knorren en holrollen worden met bolle trillende krop voorgedragen. Een goede  knor eindigt altijd op de medeklinker r, die krachtig ten gehore moet worden gebracht. Denk eens aan een startende motor welke niet aan wil slaan.

Variaties in knor
Knorren kunnen in vele vormen en variaties gezongen worden: Mooie vormen waarnaar het aangenaam luisteren is, maar vaak ook variaties die we beter uit het lied van onze vogels kunnen weren.
We onderscheiden de volgende vormen van knor, die als zodanig ook door de keurmeester op de keurlijst kan worden vermeld. Vormen van knor die worden gewaardeerd zijn:
Foute knorren
Er zijn ook vormen van knor die men beter uit het lied van de harzer kan weren. Dit zijn:

Tot zover de bespreking van de knor. De volgende keer komt de waterrol aan bod. Ook dit is een hoofdtoer, die echter niet veel meer voorkomt. Hij is zo zeldzaam geworden dat ik, bijvoorbeeld, hem nog nooit gehoord heb.

Noten

1. Voor dit artikel heb ik uitgebreid gebruik gemaakt van: Lesboek Harzers, uitgave  ANBvV, 1994.                

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2009, nr. 2, pp. 20-24.

-0-

TOP

 

Harzers en hun lied

 

Deel 3 – de waterrol

door Jacques de Beer

In de artikelenreeks van Jacques de Beer over het lied van de harzer plaatsen we deze keer het derde deel. Ditmaal gaat Jacques dieper in op een hoofdtoer die de laatste decennia een beetje in het verdoemhokje is geraakt: de waterrol. Maar alvorens deze toer van harzerlied te bespreken stelt hij enkele algemene zaken uit de zangkanariesport aan de orde.

Jonge poppen
Het wordt weer eens tijd om het lied van de harzers compleet te maken. Maar omdat er in de vogelwereld zoveel te vertellen is nog even dit. Het is nu zondag 1 februari 2009. De vogels zitten al in de broedkooien. Dit jaar wat eerder omdat we niet op wintersport gaan. Wat me dit jaar opvalt en er  is ieder jaar weer wat anders, dat de poppen zeer snel tot nestellen overgaan. Maar ook een paar die totaal geen interesse hebben voor het nestmateriaal. Deze  poppen zijn zo te zien  kerngezond, poten zijn schoon en de veren zitten strak om het lijf. Ogen zijn helder en de ademhaling is niet te horen, geen piep of ruis, de ontlasting is zwart met een wit puntje en ligt droog op de zandlade. Toch maar even wat boeken erbij pakken. Ik heb als naslagwerk het harzerboek van de nog niet zo lang geleden overleden Paul Kwast en het boek van de zangkanariekweker van M. Weijling. Het boek van M.Weijling is geschreven in 1948 en de tweede druk in 1953. Al 61 jaar geleden werd deze materie op papier gezet en is voor mij nog steeds een goede informatiebron. Het eerste hoofdstuk was voor dit probleem het belangrijkste. Het gaat over kanarieziekten, niet hoe u ze kunt genezen, maar hoe je ze kunt herkennen. Deze heer M. Weijling schrijft niet de medicijnen voor om ze te genezen maar geeft aan om deze vogels uit te sluiten voor de kweek zodat veel problemen in de loop der jaren verdwijnen. Ik kon geen bruikbare informatie vinden totdat ik bij de leeftijd van de kweekvogels kwam.
Ik werk met het computerprogramma Zoo Easy, dus dit is een kleine moeite om bepaalde dingen na te kijken. En hier kwam het probleem boven water, deze poppen waren nog maar negen, tien maanden oud. Normaal gesproken kweek ik nooit met vogels jonger dan twaalf maanden.

Wat mij opviel
Tijdens het seizoen 2008/2009 zijn me een aantal zaken opgevallen. Ik noem ze en misschien herkenen jullie het ook.
·
         Er zijn in Nederland nog maar 11 harzerkeurmeesters, t.w. 7 bij de ANBvV en 4 bij de NBvV.
·
         Ondanks de verminderde belangstelling voor het kweken van zangkanaries zijn er nog steeds schitterende wedstrijden, waar topvogels te beluisteren zijn.
·
         Na de laatste wedstrijd verwisselen heel veel mooie vogels van eigenaar.
·
         De prijzen, in €’s, van de vogels bij echte liefhebbers vallen best wel mee.
·
         De bonte en groene harzers zijn weer in opkomst en met zeer goede zangkwaliteiten.
·
         De verschillen in de beoordeling voor kloeken en kloekrollen bij beide bonden moeten eens onder de loep worden genomen. Bij de NBvV is dat nu 2 x 18 punten; bij de ANBvV 1 x 18 pnt.
·
         De kloekrollen worden nu kettingkloeken genoemd, omdat het eigenlijk geen echte roltoer is.
·
         Er zijn steeds meer prijswinnaars die moeite hebben met blik als prijzen.
·
         Er wordt geen recessie geconstateerd bij de harzer.
·
         Er werden door sommige vogels goede schokkels gebracht.
·
         Door John Evers, leverancier roofmijten (dutchies), wordt zeer adequaat gereageerd bij problemen.
 
Waterrollen
Na bovenstaande algemene opmerkingen nu over naar de 3e hoofdtoer in het harzerlied, de waterrol. De waterrollen kunnen bewaardigd worden van 1 t/m 27 punten.1
Voor een goede vorm van deze toer zijn de kenmerkende klinkers en medeklinkers:
·         Waardeklinkers    : u, o, oe.
·         Medeklinkers       : w, g, d, l, r, b.

De waterrollen hebben hun naam te danken aan hun overeenkomst met het geluid van water. Het geluid van water komt in veel vormen voor. We denken maar eens aan het geluid van stromend water in een bergbeek, aan het geluid van een vallende druppel op een wateroppervlak en aan het geluid van kokend water waarvoor wij woorden gebruiken als pruttelen of borrelen.
Het is dan ook geen wonder dat de waterrollen moeilijk te omschrijven zijn. Het watergeluid of als u wilt het waterkenmerk heeft dus verschillende vormen waarin het tevoorschijn kan komen in het lied. Het geluid van een stromende bergbeek, die over een ongelijke bodem zeewaarts stroomt kan zeer verschillend worden gehoord afhankelijk van de watersnelheid en de ongelijkheid van de bodem. Dit kan de verklaring zijn voor het zeer grote aantal medeklinkers dat in de waterrollen kan voorkomen. Wanneer echter de waterrol ook kan worden nagebootst met een holle pijp, die men in een emmer water steekt en daar doorheen blaast, dan zullen afhankelijk van het feit of we hard dan wel zacht blazen steeds gelijke watergeluiden voortgebracht worden. Dat is dan de verklaring voor het feit, dat door de Duitsers het kenmerk van water beperkt wordt tot bl.
De kwekers hebben de laatste decennia de waterrol uit hun vogels geweerd, omdat ze vreesden dat het water gemakkelijk op ander toeren kon worden overgebracht, waardoor die toeren dan verwateren. Niettemin is het jammer dat deze toer verdwijnt en dat er weinig kwekers meer zijn, die zich op die toer toeleggen. Het is zelfs zo, dat er zonder water geen goede holrol gezongen kan worden. Een typisch watergeluid ontstaat wanneer een druppel water op een wateroppervlak valt. Er ontstaat dan geen rollend maar een afgezet geluid. Naast het kenmerk van de medeklinkers bl treedt een tweede kenmerk naar voren en dit is de i- klank. Dit is het waterkenmerk zoals we dat aanduiden in bijvoorbeeld de waterkloeken (uik, oik, oeik).
Door het wegwerken van bepaalde toeren wordt de gevarieerdheid van het harzerlied zonder meer verkleind, (verarming) zij het dat de overblijvende toeren in grote volmaaktheid ten gehore kunnen worden gebracht.
Zoals ik al eerder vermelde: Ik heb deze toer zelf nog nooit bewust gehoord.
Ik heb me daarom moeten beperken tot wat de literatuur er over schrijft. De volgende keer gaan we verder met het lied van de harzer en dan komt de schokkel aan bod.

Noten
1. Voor dit artikel heb ik uitgebreid gebruik gemaakt van: Lesboek Harzers, uitgave  ANBvV, 1994.  

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2009, nr. 3, pp. 27-29.


-0-

TOP

Harzers en hun lied

 

Deel 4 – de schokkel 

door Jacques de Beer

In de artikelenreeks van Jacques de Beer over het lied van de harzer plaatsen we deze keer het vierde deel. Ditmaal gaat Jacques dieper in op een toer die zelden te beluisteren is: de schokkel. 

Voordat ik ga beginnen eerst even een beleving betreffende deze toer op de wedstrijd van de Landelijke Speciaalclub Harzers (LSH) te Bennekom op 13 t/m 17 januari 2009. Het betrof een stam vogels van de heer  J.A.C. van Rooy uit Bladel. De vogels waren gekeurd op woensdag en de technische dag was op zaterdag. Toen de vogels werden gekeurd brachten ze geen fluiten maar één vogel bracht een schokkel van 12 punten. Eén vogel op de 409 harzers bracht een schokkel.
Op zaterdag werden de vogels door  liefhebbers en een voorzittende keurmeester beluisterd. De vogels zongen erg goed en brachten prachtige holklingels en nu ook fluiten. Na enige tijd ging de top vogel schokkels brengen, prachtig en de mensen zaten met rode konen en bijna niet ademend te luisteren naar deze vogels.

Standaardeisen schokkel
Wat zegt het lesboek over de schokkel?
De medeklinker is       : h
De waardeklinkers zijn           : u,o,oe (a in lachschokkel)
De schokkel ie een middentoer en kan bewaardigd worden van 1 t/m 18 punten.
De schokkel is een zuiver afgezette toer. Het ritme van de schokkel is ongeveer gelijk aan dat van de holklingel, maar tussen de toerlettergrepen van de schokkel is meer ruimte dan tussen de toerlettergrepen van de holklingel. Aan de manier van zingen van de vogel kan men soms zien, dat het de schokkel is, de vogel schokt als het ware zelf mee.
De schokkel is een zuiver afgezette toer en kan dus nimmer gebogen zijn vanwege zijn onderbroken structuur. De klinker bepaalt of de toer bewaardigd wordt in het u-,o- of oe- gebied, wat voor het aan deze toer toe te kennen puntentotaal heel belangrijk is.

Schokkelvarianten
We onderscheiden de volgende schokkelvarianten:

Lachschokkel:        De lachschokkel is de minste van de vier varianten in klank, omdat hij gezongen wordt op de klinker a. Deze klinker is in alle andere toeren fout omdat hij de benaming vlak heeft. Alleen bij de schokkel valt hij nog in het voldoende.

Rechte schokkel:    De rechte schokkel  is een schokkel op één en dezelfde grondtoon/klinker.

Stijgende schokkel:   Wanneer een vogel de schokkel varieert van een diepere naar een hogere toonlaag, dus van de klinker oe naar u, noemde we dit een stijgende schokkel.

Vallende schokkel:    We spreken van een vallende schokkel wanneer de vogel de toer varieert van een hogere toonlaag naar een diepere grondtoon zingt.

Ter verduidelijking de variatie van de klinkers bij een stijgende of vallende schokkel:

Stijgend:    - van o naar u
                  - van oe naar o
                  - van oe naar o naar u

Vallend:     - van u naar o
                  - van o naar oe
                  - van u naar o naar oe

De mooiste vorm is de combinatie van de vallende en de stijgende schokkel, of de omgekeerde vorm!

Noten
1. Voor dit artikel heb ik uitgebreid gebruik gemaakt van: Lesboek Harzers, uitgave  ANBvV, 1994
.

Dit artikel werd geplaatst in: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2010, nr. 1, pp. 19-20.       

-0-

TOP

Harzers en hun lied

 

Deel 5: Kloeken

door Jacques de Beer

In de artikelenreeks van Jacques de Beer over het lied van de harzer plaatsen we deze keer het vijfde deel. Ditmaal gaat Jacques dieper in op een toer die hij zelf liever niet in de zang van zijn vogels wilt horen. Hoe dat in elkaar steekt lezen we allemaal in het volgende clubblad, maar in onderstaande eerst een beschrijving van: de kloeken. 

Voordat ik verder ga met de bespreking van de kloeken wil ik het eerst enkele woorden besteden  aan het feit dat onze zangvogels, als ze voor de keurmeester staan,  in die 20-30 minuten een topprestatie moeten leveren. Hoe krijg je je vogels zo ver dat dit ook lukt. Er zijn er onder ons die daar meesters in zijn, maar wat deze kwekers precies doen,  ik weet het niet en zij zelf waarschijnlijk ook niet, omdat ze het altijd al zo gedaan hebben.
Net zoals bij menselijke topsport moeten we de mannen in topvorm zien te brengen. We kunnen dit doen met:

*    Licht
*    Voer
*    Licht en voer
*    Supplementen: honing, druivensuiker, vitaminen e.d.
*    Bioritme

*    Een combi van de hierboven beschreven punten

Ik maakte in januari 2009 op een wedstrijd van de Landelijke Speciaalclub Harzers (LSH) in Bennekom mee dat er twee vogels al zongen voordat de hele stam op tafel stond. Er was geen drift op het lied van de harzers te bekennen en toch waren ze gewoon weg niet te stoppen. Hoe je vogels zo ver kunt krijgen weet ik zelf ook niet precies, want op mijn keurlijsten staat ook dikwijls NG. Afgelopen seizoen heb ik met sommige kwekers eens een afspraak gemaakt om begin oktober te komen kijken op hun hok. Ik wil er wel eens achter komen hoe zij het voor elkaar krijgen. Ik zal t.z.t. mijn ervaringen eens met jullie delen.

De Kloeken
Dit is voor mij persoonlijk de toer waar we bij de kweekvogels erg op moeten letten. Eigenlijk moet ik schrijven ‘toeren’ omdat het is: ‘Kloeken in alle vormen’. In 2008 is door het keurmeesterkorps harzers van de ANBvV besloten dat we geen ‘kloekrollen’ meer zeggen of schrijven maar ‘ketting-kloeken’. Dit is gedaan, omdat de kloekrollen geen echte roltoer is, ook al hoor je de ‘r’.
Het is een verrijking als een harzer een mooie kettingkloek en of afgezette kloeken brengt, maar het gevaar bij deze is dat als je niet uitkijkt het kloekwerk door het hele lied komt. Ik heb bij mijn vogels ooit meegemaakt dat het hele lied kloekaccent had. Ik sta misschien bekend als kloek onvriendelijk, maar als u nu in mijn kweekvertrek komt dan hoort u wel degelijk kettingkloekjes, maar een afgezette kloek is in mijn kweekruimte taboe. In 2008 waren van de 37 opgekooide mannen er 4 met afgezette kloeken en 6 met kettingkloeken, de rest was kloekvrij. Ik stel de kweekkoppels niet speciaal kloekvrij samen maar kloekpop x kloekman doe ik niet. Met een kloekpop bedoel ik een pop waarvan de broers kloeken hebben.
Ik zal hier wel mensen tegen de haren in strijken, sorry hiervoor, maar u moet weten dat ik harzers kweek welke ik mooi vind. Zoals ik in deel 1 van deze serie heb geschreven onderscheiden we rolvogels en slagvogels. De harzers welke hun lied rollend brengen zullen nooit een afgezette- of geslagen kloek brengen, zij kunnen dit niet. De slagvogels hebben een andere structuur, zij kunnen vele vormen kloeken brengen. Wel moet ik schrijven dat sommige harzers meesters zijn in het nadoen van hun mindere gebroeders. Omdat zij het vermogen niet hebben om bepaalde klanken voort te brengen, kan deze poging tot imitatie ontaarden in een verschrikkelijke vorm van kloeken, ook wel Chinese kloeken genoemd. Pas dus wel op dat kwalitatief mindere vormen van kloeken niet door uw hele zangkast komen. Iets dat werkt: Zet u mindere vogels boven in de zangkast.

Kloeken volgens het lesboek
In het lesboek Harzers van de ANBvV 1994 staat: De kloek is een middentoer en kan gewaardeerd worden van 1 t/m 18 punten. Ik ga gewoonlijk niet in op de waardering van de toeren want daar zijn de keurmeesters voor, maar omdat je zoveel kloekvormen hebt kan ik er eigenlijk niet onder uit. De driedeelbaarheid waarop het systeem berust ziet er voor een middentoer als volgt eruit:

- voldoende    : gezongen op de klinker u  -    1  t/m 6 punten,
- goed            : gezongen op de klinker o  -    7  t/m 12 punten,
- zeer goed     : gezongen op de klinker oe - 13  t/m 18 punten.

Kloeken in alle vormen
We onderscheiden onder de verzamelnaam ‘kloeken in alle vormen’ de volgende kloeken:

Afgezette kloeken:          - Afgezette kloek,
                   &nbs