AlgemeenContactblad

 

Algemeen

 

De leden van de Speciaalclub Zang NZHU wonen verspreid over Nederland. Het clubblad is daarom een belangrijk middel om elkaar te informeren en ervaringen uit te wisselen. In het Contactblad vindt men verslagen van de door de Speciaalclub georganiseerde activiteiten en artikelen met betrekking tot het houden en fokken van zangkanaries, i.h.b. harzers, waterslagers en timbrado's.
Uitgangspunt is om drie keer per jaar een editie van het Contactblad uit te geven.

Op deze site is de laatste editie van het Contactblad integraal geplaatst.
Elders op deze site vindt men ook, op onderwerp gerubriceerde, artikelen uit vorige edities van het Contactblad.

De eindredactie en distributie van het Contactblad is in handen van:
Jaap Plokker
Hercules 86
2221 MD Katwijk

TOP

 

 

Laatst verschenen edities Contactblad

 

Hieronder vindt men de laatst verschenen edities van het clubblad van de Speciaalclub Zang NZHU, maart 2017, 33e jaargang, nr. 1.


Contactblad

 

Speciaalclub Zang NZHU

  
©    Het contactblad van de Speciaalclub Zang NZHU verschijnt drie keer per jaar. De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de artikelen. Overname van artikelen of delen daaruit is toegestaan mits daarbij de naam van de auteur en de bron wordt vermeld.


Contactblad Speciaalclub Zang NZHU editie 2017-1

Maart 2017, 33e jaargang, nr. 1

 

Inhoudsopgave
Voorwoord 
Opslagperikelen
Afluisterochtend 3 december 2016
Verslag Clubkampioenschappen 2016
Een roller kan geen slager zijn
Mededelingen 
 

-0-

vereniging

Voorwoord

door Jaap Plokker

Voor je ligt een bijzondere aflevering van ons clubblad. De meeste leden krijgen deze editie voor de eerste keer niet op papier, maar digitaal.
Degene die niet hebben gereageerd op de oproep in het vorige clubblad vinden op deze pagina een herinnering geniet en ik hoop dat ik van het merendeel het bericht krijg dat het clubblad in het vervolg digitaal naar hun e-mailadres opgestuurd kan worden.
Het voordeel van de digitale versie voor de club is dat het kostenbesparend is en voor de lezer o.m. dat de foto’s scherper en in kleur te zien zijn.
Nieuw is ook het aantal advertenties. Zonder een advertentiekrantje te willen worden hoop ik dat in de loop van dit jaar we meer adverteerders mogen verwelkomen. Achterin, onder Mededelingen, daarover meer.
In deze editie kijken we terug op diverse verenigingszaken, waaronder de activiteiten gedurende het afgelopen maanden met als hoogtepunt onze 32e clubkampioenschappen.
Verder ook een artikel waarin ik de waterslagerkwekers probeer een spiegel voor te houden. Ik maak me zorgen over het voortbestaan van de authentieke waterslager en heb dat geprobeerd onder woorden te brengen. Hopelijk leidt het artikel tot actie, maar dat heb ik niet zelf in de hand.
In deze editie missen jullie de traditionele ‘historische’ bijdrage. Er ligt een artikel klaar op de plank, maar daarvoor was deze keer onvoldoende ruimte.
Voor de leden die deze artikelen met interesse lezen: In de volgende editie het resultaat van een uitvoerig historisch onderzoek naar kanaries die werden afgericht om melodietjes te zingen.
Voor deze keer wens ik je weer veel leesplezier toe, hetzij op papier hetzij achter de computer.

-0-

vereniging

Opslagperikelen

door  Jaap Plokker

Binnen een kalenderjaar heeft ons wedstrijdmateriaal op drie verschillende plaatsen gestaan. Hieronder het vervolg van het relaas ‘opslagperikelen’.

In editie 2016-3 van ons clubblad heb ik beschreven hoe we in het voorjaar van 2016 plotsklaps onze opslagruimte kwijt raakten en we voor nood van mijn neef een hal ter beschikking kregen om ons wedstrijdmateriaal op te slaan. Dit pand stond echter in de verhuur en zodra zich een huurder aandiende moesten we onze spullen weghalen. We hadden daardoor wat lucht om zelf op zoek te gaan naar een nieuwe opslagruimte. Die meenden we gevonden te hebben vlak bij het clubgebouw van De Kanarievogel, maar dat is uiteindelijk niet doorgegaan. Wat wel doorging was het aantrekken van de economie en de vraag naar bedrijfsruimte. Medio januari werd ik weer gebeld door mijn neef met de mededeling dat hij een huurder had voor het pand waarin ons materiaal stond. De nieuwe huurder zou graag medio februari de hal in gebruik willen nemen. Een oplossing, al was tijdelijk, had hij voor ons niet beschikbaar, dus moesten we zelf op zoek. Toen ik via de mail het bestuur van de vereniging hiervan in kennis stelde kwam Ton Diepenhorst met een fantastisch voorstel. Ton was twee jaar geleden gestopt met het houden en kweken van waterslagers, maar in z’n schuur was alles nog ingericht voor de vogelhouderij. Als dat was opgeruimd zou er ruimte beschikbaar zijn voor ons materiaal. We hebben ons geen moment bedacht en zijn direct op het voorstel van Ton ingegaan. Op zaterdag 21 en 28 januari 2017 hebben we bij Ton in zijn schuur de volières gesloopt, alles weggehaald wat nog aan de vogelhouderij herinnerde en ruimte gecreëerd om ons wedstrijdmateriaal te kunnen opslaan. ‘We’ zijn André Toet, Theo Kramp, Jaap Plokker, terwijl Gerard van Zuijlen en Ton Diepenhorst met de aanhanger heen en weer reden naar de ‘milieustraat’ in Katwijk om het volière-gaas, hout, etc. weg te brengen. Zaterdag 28 januari was alles in gereedheid gebracht en dus kon op zaterdag 4 februari het materiaal verkast worden. Om 10.00 u. verzamelden de verhuizers zich bij het pand waarin onze spullen stonden aan de Ambachtsweg. Om 11.00 u. waren door Jacques de Beer, Theo Kramp, Gerard van Zuijlen, André Toet, Ton Diepenhorst en ondergetekende de vrachtwagen van Gerard en de aanhanger van Ton geladen. Er restte nog één ritje met de aanhanger om de laatste wanden van de keurkamers op te halen. Bij Ton’s huis aangekomen werd eerst de aanhanger gelost. Terwijl Jacques, Ton en Jaap het laatste vrachtje gingen halen begonnen Theo, Gerard en André de vrachtwagen te lossen. Even na 12.00 uur stond alles op z’n plek in de schuur van Ton en was het hoog tijd geworden om met een kopje koffie voldaan terug te kijken op wat er die ochtend was gedaan.

 
Foto. 4 februari 2017. Verkassen van wedstrijdmateriaal naar onze nieuwe opslag in de schuur van Ton Diepenhorst. Het laden van keurkamerdaken in de vrachtwagen bij de oude opslag van de KBM.. Vlnr. André Toet, Gerard van Zuijlen, Theo Kramp en Jacques de Beer.

Onze dank gaat uit naar de KBM die ons sinds juni 2012 in de gelegenheid heeft gesteld onze keurkamers, vervoerskoffers, etc. kosteloos op te slaan. Als club zijn we uiteraard Ton Diepenhorst heel erkentelijk en dankbaar dat hij deze oplossing heeft aangeboden. Terwijl ons materiaal keurig staat opgeslagen kunnen we, dankzij Ton, op ons gemak uitkijken naar een meer permanente oplossing van onze opslagperikelen.

-0-

vereniging

Afluisterochtend 3 december 2016

door Jaap Plokker

Op zaterdag 3 december 2016 werd voor de zevende keer een afluisterochtend georganiseerd. Behalve het met elkaar luisteren naar hopelijk mooie vogels is deze activiteit ook bedoeld om zich te bekwamen in het kritisch luisteren en beoordelen van het lied.

Vanaf 09.30 u. druppelden de leden het clubgebouw van De Kanarievogel aan de Oude ’s Gravendijckseweg te Katwijk binnen. Onder het genot van een kopje koffie werden de laatste nieuwtjes uitgewisseld. Om 10.00 u. bleek dat we met negen personen 28 waterslagers oftewel 7 stammen zouden gaan afluisteren.

Opzet
Evenals voorafgaande jaren was het niet de bedoeling om zomaar wat vogels af te luisteren. Deze ochtend moest ons ook weer een stapje verder brengen in het herkennen en beoordelen van de toeren. Daarom werden de aanwezigen in tweetallen verdeeld. Elk tweetal kreeg de opdracht van elke bovenste vogel van een stam een keurlijstje in te vullen en de stam als geheel te beoordelen met een rapportcijfer. Als alle stammen op tafel waren geweest werden de behaalde scores van de bovenste vogels opgeteld en rolde er een hoogste enkeling uit. Van de afgeluisterde stammen moest elk tweetal een top drie opstellen. Met deze gegevens kon ook de mooiste stam bepaald worden. Jaap Plokker had twee gerookte  ‘mekrielen’, makrelen voor de niet-Katukkers, meegenomen , voor de eigenaren van de mooiste enkeling en de mooiste stam elk één.


Foto. 3 december 2016. Afluisterochtend. Vlnr. Ton Diepenhorst, Rob Bisschops, Tinus Teeuwen, Piet Drop en Jan Zonderop in volle concentratie op de zingende waterslagers.

Vlot zingende vogels
De eerste stam die op tafel kwam beloofde niet veel goeds voor de afluisterochtend. De vogels zongen niet door, braken voortdurend af en kwamen niet verder dan een paar toertjes. Gelukkig waren dit de eerste en laatste vogels die het lieten afweten. De resterende tijd werden we getrakteerd op vlot doorzingende vogels.
We betrapten ons er op dat een stam die uitblonk in de hoofdtoeren volop lof kreeg toebedeeld, terwijl een viertal dat wat minder prominent de klokkende waterslag  liet horen die eer wat minder te beurt viel. Toen we echter gingen kijken of de vogels met de mooie klokken wel een compleet lied zongen en hoe de toeren uit het binnenlied werden gezongen moesten we tot de conclusie komen dat de vogels die op het eerste gehoor wat minder indruk maakten uiteindelijk wel eens een hogere eindscore zouden hebben behaald. Zo bleek maar weer eens dat het gevoel en het verstand bij het beoordelen van vogels niet altijd hetzelfde resultaat tot gevolg hoeven te hebben.

Publieksprijzen
Ca. 12.30 u. waren alles stammen op tafel geweest en kon de eindbalans opgemaakt  en de ’mekrielen’ uitgereikt worden. De hoogste bovenste vogel was van Jan Zonderop en een stam van Krien Onderwater werd als mooiste viertal aangewezen. Jaap Plokker overhandigde  met een ‘gefeliciteerd en eet smakelijk’ de ’mekrielen’ aan Jan en Krien, dankte alle aanwezigen voor hun komst, gezellige sfeer en wenste hen en wel thuis toe.

 
Foto. 3 december 2016. Afluisterochtend. Vlnr.  Krien Onderwater, Gerard de Brabander en André Toet geconcentreerd luisterend naar de opstaande stam. 

-0-

vereniging

Verslag Clubkampioenschappen 2016

door Jaap Plokker

 
Van 22 t/m 24 december 2016 organiseerden we onze 32e clubkampioenschappen. Voor de eerste keer vond dit evenement plaats in het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk, tevens het clubgebouw van vogelvereniging De Kanarievogel.

Een nieuwe wedstrijdlocatie, een nieuw draaiboek
Na 19 keer onze clubkampioenschappen in het gebouw van het ID College in Katwijk georganiseerd te hebben sloten we daar op 23 december 2015 definitief de deur achter ons. Het jaar 2016 was dus voor het bestuur een heel andere dan voorafgaande jaren, omdat een nieuwe wedstrijdlocatie ook een ander draaiboek voor onze jaarlijkse wedstrijd betekende.  Onze in het ID College opgebouwde routine zouden we in de nieuwe wedstrijdlocatie maar ten dele kunnen benutten. In het voorjaar hebben we als bestuur op een zaterdagmorgen het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk bezocht en daar ter plekke de blauwdruk voor het draaiboek opgesteld. Na de jaarvergadering op 30 november 2016 hebben we met de vaste ploeg medewerkers al lopende door het gebouw alle wedstrijddagen en wat er te doen stond doorgenomen.
Organiseerden we tot dusver onze wedstrijd in de Kerstvakantie, vlak voor de Kerstdagen of tussen Kerst en Nieuwjaar, het gebouw van Kleindierensport is tussen Kerst en Nieuw echter gereserveerd voor een postduivenevenement. Wij moeten dus in het vervolg onze clubkampioenschappen plannen voor Kerstmis. In het recente verleden bleek dat een studiedag op zaterdag de grootste opkomst liet zien. We  hebben daarom besloten in het vervolg onze clubkampioenschappen te organiseren op donderdag, vrijdag en zaterdag voor Kerst. Voor mij persoonlijk betekende dit dat ik deze keer tijdens de opbouw- en inkooidag en de keuringsdag vanwege verplichtingen op school niet van de partij kon zijn.
Het verslag van deze wedstrijd is dus ook mede gebaseerd op de info van anderen en daarom wat beknopter dan voorafgaande verslagen.

 
Foto. 17 december 2016. Verkassen. De wedstrijd begin pas echt wanneer het materiaal verkast wordt van de opslag naar de wedstrijdlocatie. Gerard van Zuijlen en Ton Diepenhorst laden de aanhanger achter Ton’s auto.

Inschrijving, verkassen, opbouw en inkooien
Op donderdag 1 december 2016 kwamen Ton Diepenhorst, Gerard van Zuijlen en Jaap Plokker bij elkaar om de inschrijvingen voor de clubkampioenschappen administratief te verwerken, de volgorde van keuring te loten en de vogels over de keurmeesters te verdelen. Toen alle inschrijfformulieren waren verwerkt konden we de volgende conclusies trekken: 23 leden hadden 374 zangkanaries ingeschreven, t.w. 44 harzers, verdeeld over 7 stammen en 16 enkelingen en 330 waterslagers, verdeeld over 45 stammen, 36 stellen en 78 enkelingen. In vergelijking tot vorig jaar betekende dit een forse daling van het aantal inzenders, nl. van 28 naar 23,  Het aantal ingeschreven vogels was niet veel lager dan vorig jaar; 381 in 2015 en 374 in 2016. Dit betekende dat we niet alle gecontracteerde keurmeesters nodig hadden. Henk Doward en Frans Laurijssen, de keurmeesters die van de alleen reizenden de grootste afstand moesten overbruggen zijn geïnformeerd dat zij niet hoefden te komen.
Op zaterdag 17 december werd het resterende deel van het voor de wedstrijd benodigde  materiaal naar het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk gebracht. Een gedeelte stond er al, omdat de vogelvereniging De Kanarievogel er van gebruik had gemaakt tijdens haar tentoonstelling. Gelukkig had Gerard van Zuilen de firma van Egmond uit Rijnsburg weer bereid gevonden een vrachtwagen uit te lenen en kwam ook het aanhangwagentje van Ton Diepenhorst goed van pas. In één ritje werd al het materiaal van onze nieuwe opslag bij de Katwijkse Bouw Maatschappij naar het clubgebouw van De Kanarievogel vervoerd.
Op donderdag 22 december was om 09.00 u. de opbouwploeg in het gebouw present om de ruimtes vrij te maken, de keurkamers op te zetten, tafels met vervoerkoffers klaar te zetten voor het inkooien, etc., etc. Het was een forse ploeg, maar dat was ook nodig, want er lag veel meer werk op ons te wachten dan we in de school gewend waren. Ton Diepenhorst, Piet Drop, Piet Hagenaars, Theo Kramp, Krien Onderwater, Paul Schilte, Tinus Teeuwen en Jan Zonderop konden dus aan de bak. Hoewel alles nieuw was en er af en toe geïmproviseerd moest worden kwamen de van te voren opgestelde plattegrondjes goed van pas en ruimschoots voor de geplande aanvang van het inkooien stond alles op z’n plaats en konden de wedstrijdvogels in ontvangst worden genomen.
Om 18.00 u. zat het merendeel van de wedstrijdvogels in de koffers. Ca. 19.45 u. werd de balans van het inkooien opgemaakt. Iedereen die we hadden verwacht was gekomen en er waren 2 vogels absent. De blinde lijsten hoefden niet aangepast te worden. We konden dus direct beginnen met het verplaatsen van de koffers naar de tafels bij de keurcabines, waar de vogels de volgende dag beoordeeld zouden worden. Om 20.30 u. konden de lichten uit en heerste er volkomen rust in het gebouw.

 
Foto. 22 december 2016. Opbouwen. Paul Schilte, Theo Kramp, Krien Onderwater en Tinus Teeuwen bezig met de opbouw van de keurkamers.

Keuringsdag 23 december 2016
De keuringsdag, vrijdag 23 december, begon voor Jacques de Beer en Piet Hagenaars met het ‘luchten’ van de zangkanaries. Intussen kwamen ook de keurmeesters binnen die een volle keurdag hadden met tegen de 50 vogels per persoon. Na een welkomstwoord van Jacques de Beer kregen de keurmeesters de blinde lijst uitgereikt en konden om 09.00 u. de eerste vogels op tafel gezet worden. De vogels werden door 8 keurmeesters beoordeeld: de harzers door Ton Gerritsen (ABVV) ; de waterslagers door: Joop Aelbrecht (NBvV), Toon van Gestel (ANBV), Willy Kling (ANBV), Piet van de Kuil (ANBV), Hubert Martina (ANBV), Krien Onderwater (NBvV) en André Toet (NBvV).
Terwijl de keurmeesters de vogels afluisterden en de keurbriefjes invulden was elders in het gebouw het wedstrijdsecretariaat in vol bedrijf: Jacques de Beer, Piet Drop, Max Gerhards, Piet Hagenaars en Jan en Tiny Zonderop verzamelden de keurlijsten, schreven de namen en ringnummers er op en voerden in de computer de resultaten in.  Terwijl het wedstrijdsecretariaat op volle toeren draaide en Theo Kramp er voor zorgde dat de harzers op tijd voor de keurmeester verschenen, zorgde Ton Diepenhorst voor de koffie en verscheen rond etenstijd Ageeth Onderwater om te helpen bij het diner.
Rond het middaguur werd de keuring onderbroken voor een aperitiefje met aansluitend wederom een overheerlijk Chinees buffet.
Toen ca. 16.00 u. de keuring achter de rug was en de keurmeesters met penningmeester André Toet hadden afgerekend kon voor bestuur en medewerkers zonder overhaast gedoe de verdere organisatie opgepakt worden, zoals het verplaatsen van de transportkoffers naar de inkorfruimte, het voeren van de vogels, het afbreken van de keurcabines, het inrichten van de afluisterlocaties, het maken van de catalogus, etc. Inmiddels had Ton Diepenhorst z’n aanhanger opgehaald  en werd een deel van het niet meer benodigd wedstrijdmateriaal opgeladen en naar de opslagruimte vervoerd. Dat scheelde in ieder geval op 24 december na het uitkooien een rit. Daarna was aan vrijwel iedereen een welverdiende rust gegund. Dat gold niet voor Jaap Plokker die nog een klusje te klaren had: het in orde maken en drukken van de catalogus en oorkondes die daags daarop resp. aan de inzenders en prijswinnaars zouden worden uitgereikt. Gelukkig kwam in de loop van de avond Piet Hagenaars langs om te assisteren en rond 10.00 u. lag voor iedere inzender de catalogus klaar, waren de oorkondes gedrukt en zat voor hen de dag er ook op.

 
Foto. 22 december 2016. Inkooien. De tafel staat vol met kooitjes van o.m. Jaap Plokker. Jacques de Beer en Jan Zonderop staan klaar om ze weg te brengen als Piet Drop ze heeft ingeschreven.

Studiedag 24 december
Op zaterdag 24 december hadden we onze traditionele studiedag. De dag begon met het vaste ritueel van het open zetten van de koffers zodat de vogels konden eten en drinken. Om 09.00 u. arriveerde Krien Onderwater en konden de ringen van de belangrijkste prijswinnaars gecontroleerd worden.
Vanaf 09.30 u. druppelden de eerste mensen binnen en ca. 10.00 u. opende  Jaap Plokker de studiedag met een korte toespraak en het bekend maken van de belangrijkste prijswinnaars. Vervolgens werden de catalogi en keurlijsten uitgedeeld. Nadat die in ontvangst waren genomen volgde een periode waarin men het erg druk had met het bestuderen van de catalogus, de eigen keurlijsten en die van de tafelgenoten. Inmiddels was het aantal bezoekers allengs groter geworden en het dus de hoogste tijd om de eerste vogels af te luisteren.
Om ca. 10.30 u. begon de eerste afluisterronde. Andries Gort becommentarieerde de waterslagerzang. In een van de opslagruimtes had zich een klein gezelschap harzerkwekers verzameld, dat de regie volledig in eigen hand had en naar believen vogels afluisterde.
Voor het middaguur was er voor de waterslagers één uitgebreide afluisterronde waarin de mooiste enkelingen en de prijswinnende stellen op tafel kwamen. Geheel volgens het tijdschema ging iedereen om ca. 12.00 u. naar het conversatiegedeelte van de vergaderzaal voor de middagpauze. Daar kon men zich te goed doen aan erwtensoep, broodjes gehaktbal, etc. Ageeth en Mandy Onderwater hadden de handen vol om aan iedereen het bestelde te kunnen presenteren. Van de pauze werd tevens gebruik gemaakt om een verlotingsronde te houden en wisselden de eerste orchideeën van eigenaar.
In de middag was er ook één afluistersessie. Bij de waterslagerkwekers kwamen de mooiste stammen op tafel. Omstreeks 14.15 u. werd het laatste viertal van tafel gehaald en nam iedereen plaats in het conversatiegedeelte van de  vergaderzaal voor een drankje, een pauzepraatje en de tweede en laatste verloting o.l.v. Ageeth en Mandy Onderwater.  Dankzij Gerard van Zuijlen zaten er schitterende orchideeën in de prijzenpot en de meeste lotenkopers konden dan ook één of meer gewonnen orchideeën mee naar huis nemen.
Alvorens tot de uitreiking van het eremetaal over te gaan werden Ageeth en Mandy Onderwater bedankt voor het organiseren en bemensen van het buffet en Andries Gort voor de uitleg bij de waterslagers. Zij gingen ieder aan het eind van de middag met een mooie orchidee naar huis. De studiedag werd traditioneel afgesloten met de prijsuitreiking. Dit jaar bestond  het ‘eremetaal’ wederom uit geldprijzen. Als blijvende herinnering ontvingen de 1e t/m 3e prijswinnaars en de derbywinnaars een oorkonde en de overige prijswinnaars een bondsmedaille.
Precies volgens planning om 15.00 u. kon begonnen worden met het uitkooien. Hierna volgden voor de medewerkers nog de grote schoonmaak en het vervoer van het materiaal naar de opslagruimte van de KBM in het industriegebied. Dankzij de welwillende medewerking van een groot aantal inzenders ging het opruimen bijzonder snel. Heel stimulerend was het om te zien hoeveel mensen bleven helpen met het opruimen. Inmiddels was ook Gerard van Zuilen gearriveerd met de bloemenwagen en had Ton Diepenhorst z’n aanhangwagen opgehaald. Toen deze waren volgeladen was al het NZHU materiaal uit het gebouw. Terwijl een groepje het materiaal naar de opslag vervoerde en daar op z’n plek zette bleven anderen in het gebouw achter om alles in te richten zoals het op donderdag was aangetroffen: een hele klus. Toen de vervoersploeg terug kwam was het gebouw zo goed als in de oorspronkelijke staat teruggebracht en werd met een afzakkertje een toast uitgebracht op een geslaagde wedstrijd.

 
Foto. 23 december 2016. Keuringsdag. Tiny Zonderop voert de keurlijsten in t.b.v. de catalogus.

Slot
Tot slot is een bijzonder woord van dank op z’n plaats. Ik wil de verenigingen De Kanarievogel en KoPluKo bedanken voor het mogen gebruiken van hun faciliteiten in hun clubgebouw.  Ik wil graag Krien, Ageeth en Mandy Onderwater bedanken voor het organiseren van het buffet. Zij hebben het van Ton en Tineke Diepenhorst overgenomen, voorwaar geen eenvoudige klus en zeker voor de eerste keer spannend. Jullie hebben het voortreffelijk gedaan, bedankt.  Onze dank betreft ook Andries Gort voor het becommentariëren van de waterslagerzang. We zijn de keurmeesters Doward en Laurijssen heel erkentelijk dat zij het bericht dat ze niet hoefden te keuren sportief hebben opgevat en het keurloon niet in rekening hebben gebracht. Een dankwoord is ook op z’n plaats voor de leden die het bestuur hebben geholpen tijdens de opbouw- en opruimwerkzaamheden en hand- en spandiensten hebben verricht tijdens de wedstrijd- en studiedagen, t.w.  Tiny en Jan Zonderop, Piet Drop, Jacques de Beer, Max Gerhards, Piet Hagenaars, Theo Kramp, Krien Onderwater Paul Schilte en Tinus Teeuwen. Naast genoemde personen wil ik ook graag de inzenders in mijn dank betrekken voor het helpen bij het opruimen van de wedstrijdlocatie na het uitkooien. Last but not least wil ik m’n medebestuursleden, Ton, Gerard, Henk en André bedanken voor hun betrokkenheid en inzet voor de vereniging gedurende het jaar 2016.
Onze 32e clubkampioenschappen werden georganiseerd op een nieuwe wedstrijdlocatie. Veel organisatorische zaken moesten voor de eerste keer ‘ontdekt’ worden. De voorbereiding bleek gedegen en op een enkel verbeterpuntje na valt er voor volgend jaar in het draaiboek niet veel te veranderen. Hoewel de omgeving nieuw was, was de sfeer tijdens de studiedag ouderwets ontspannen en gezellig. 
Het was daarom in mijn beleving van 22 t/m 24 december 2016 goed toeven in het gebouw van stichting Kleindierensport Katwijk. Hopelijk tot volgend jaar.

Prijswinnaars 2016
De prijswinnaars van onze 32e clubkampioenschappen, welke gehouden werden van 22-24 december 2016, zijn:

Harzers:
Meesterzanger en winnaar NBvV Bondskruis: Max Gerhards, 90 pnt.
Stammen: 1e prijs: Max Gerhards, 347 pnt.; 2e prijs (= kloekvrije vogels): Jacques de Beer, 329 pnt.
Enkelingen: 1e prijs: Piet Hagenaars, 88 pnt.

Waterslagers:
Meesterzanger: Jan Zonderop, 150 pnt.
Stammen: 1e en 2e prijs: Krien Onderwater, resp. 579 en 576 pnt.; 3e  prijs: Jan Zonderop, 575 pnt.; 4e prijs: Frans Christoffels, 560 pnt.; 5e  prijs: Paul Schilte, 559 pnt.; 6e prijs: Hubert Martina, 558 pnt.; 7e  en 8e prijs: Jan Zonderop, resp. 557 en 552 pnt.
Stellen: 1e en 2e prijs: Piet Drop, resp. 291 en 291 pnt.; 3e prijs: Jan Zonderop, 288 pnt.; 4e  en 5e prijs: Willy Kling, resp. 288 en 286 pnt.
Enkelingen: 1e prijs: Willy Kling, 147 pnt.; 2e en 3e prijs: Hein Lentz, resp. 142 en 141 pnt.; 4e prijs: Joop Aelbrecht, 140 pnt.;  5e prijs: Hein Lentz, 140 pnt.

De Derbyprijzen werden gewonnen door Jacques de Beer (harzers) en Krien Onderwater (waterslagers).

 
Foto. 24 december 2016. Ringencontrole door Krien Onderwater.

-0-

waterslagers

Een roller kan geen slager zijn

door Jaap Plokker

Met deze stelling bekritiseerde in België de voorzitter van de KBF, Armand Van de Vonder, in 1971 de verharzering van de zang van de Belgische waterslagers. Zijn uitspraak heeft in Nederland nog niets aan actualiteit ingeboet.

Een ontploffende Cobra
Op zaterdag 7 januari 2017 zaten we tijdens de studiedag van de waterslager-speciaalclub ‘De Nachtegaal’ in Rijssen te luisteren naar een stam, ingetogen, beschaafd zingende en harmonieus klinkende vogels. Toen ik in het gezelschap van misschien wel meer dan 1000 jaar ervaring in het kweken van waterslagers me liet ontvallen dat het heel mooie zangkanaries, maar geen waterslagers waren, leek het wel of er achter in de zaal een verlate Cobra ontploft was. Met een ruk keerden alle hoofden zich om en in menig blik meende ik een gedachte te kunnen bespeuren van: ‘Maakt hij een grapje of is die vent niet goed wijs?’ 
Mijn opmerking was allerminst grappig bedoeld en om te kunnen oordelen over de zinnigheid raad ik aan verder te lezen. De vogels die mij bovenstaande opmerking ontlokten beschikten niet over een krachtig lied, hielden de toeren lang aan en verbonden alle toeren aan elkaar; rolden als het ware van de ene toer in de ander. Om in het jargon van Van de Vonder te blijven waren deze vogels dus eigenlijk waterrollers en geen waterslagers.1
Op grond van de reacties op mijn opmerking kreeg ik de indruk dat veel van de in Rijssen aanwezige kwekers van mening was dat als iemand geraakt wordt door de diepe, ingetogen waterrollerzang hij het recht moet hebben om zich in de kweek op deze vogels te richten. Omdat de wedstrijd maar een onderdeel van de hobby is en we dagelijks naar onze vogels luisteren spreekt het voor zich dat je zangkanaries kweekt waarvan het lied je bekoort. Maar het kan toch niet de bedoeling zijn dat al naar gelang ieders smaak en voorkeur de standaardeisen worden geïnterpreteerd? De korte discussie, we waren tenslotte bij elkaar om vogels af te luisteren, had me er wel op attent gemaakt dat het in Nederland kennelijk hoog tijd is om de aandacht te vestigen op de positie van de geslagen waterslagerzang.

 
Foto. 24 december 2016. Opening van de studiedag door Jaap Plokker.

Wat willen we?
Dat anno 2017 stammen waterrollers beoordeeld worden door keurmeesters zonder dat over de zangstructuur een opmerking wordt gemaakt en ze volop meedoen voor de prijzen bij de waterslagers noopt, mijn inziens, ons te bezinnen op de fundamentele vraag waar wij met onze waterslagerzang in Nederland naar toe willen. Is het tijd om onze definiëring van het ideale waterslagerlied te herformuleren? Willen we af van de nachtegaalzanger als meest ideale waterslager? Gaan we de standaaardeisen zo oprekken dat we in het vervolg iedere zangkanarie die bewaterde toeren laat horen een waterslager noemen? Zo nee, hoe voorkomen we dan dat waterslagers die het predicaat nachtegaalzanger niet verdienen op wedstrijden tot de prijswinnaars behoren?
Sedert in de jaren ’70 van de vorige eeuw in België het lied van de nachtegaalzanger is afgezworen is het geen overbodige luxe ons regelmatig boven
-staande vragen te stellen. Immers, in Nederland is weliswaar, vooralsnog, gekozen voor behoud van de klassieke waterslagerzang, maar menig kweker is gecharmeerd geraakt van de ontwikkelingen in België die geleid hebben tot waterslagers  met een rollende zangstructuur, met diepe, beschaafde toervormen en veel water op de hoofdtoeren. Sinds de Belgische waterslagerrevolutie hebben we in Nederland dus een categorie kwekers die onverkort vasthoudt aan het geslagen, expressieve, waterslagerlied, terwijl de voorkeur van anderen uitgaat naar de meer beschaafde, ingetogen zang van de waterroller.2

 
Foto. 24 december 2016. Studiedag. Harzerkwekers analyseren de wedstrijdresultaten. Vlnr. Piet Hagenaars, Max Gerhards, Erik Buizer, Theo Kramp en Jacques de Beer.

Definiëring begrippen
Om nog even duidelijk te maken wat de essentiële verschillen zijn tussen de waterslager en de waterroller een stukje zangtheorie:
In de klassieke opvatting worden waterslagers ook wel nachtegaalzangers genoemd. Dit betekent niet dat een waterslager zingt of behoort te zingen als een nachtegaal in de vrije natuur, maar dat er wel een verwantschap bestaat tussen het lied van de nachtgaal en dat van de waterslager.
Het lied van de nachtegaal is opgebouwd uit zeer korte strofes die worden gevormd door één of enkele toeren die vrij abrupt in elkaar overgaan. Verder zijn in het lied van de nachtegaal de medeklinker ‘k’ en metallieke klanken prominent aanwezig. Deze kenmerken geven aan het nachtegaallied het zogenaamde geslagen karakter.
Van de waterslager als nachtegaalzanger wordt niet zozeer verwacht dat hij het lied opbouwt uit de voor de nachtegaalzang zo typerende korte strofes of zoveel mogelijk toeren uit het lied van de nachtegaal imiteert,  maar wel dat zijn lied een geslagen karakter heeft.
Een waterslager is dus beduidend meer dan een zangkanarie die bewaterde toeren laat horen.
In afwijking van de hiervoor beschreven klassieke waterslagerzang heeft tijdens de jaren ’70 in België een veredeling van het waterslagerlied plaatsgevonden met als oogmerk een diepere, beschaafdere zang van de waterslager met de prominente aanwezigheid van de toeren klokkende, rollende en bol-lende waterslag in het lied. Men heeft dit gerealiseerd door waterslagers te kruisen met harzers. De consequentie van dit veredelingsproces is dat de structuur van het lied van Belgische waterslagers veel meer associaties oproept met dat van de harzer dan met de nachtegaalzang. Deze waterslagers hebben geen geslagen, maar een rollende of golvende zangstructuur.3
Een waterslager die een rollend lied zingt kan dus eigenlijk geen nachtegaal
-zanger in de klassieke betekenis van het woord genoemd wordenArmand De Vonder noemde in 1971 de Belgische vogels met harzerbloed daarom geen waterslagers, maar waterrollers.

 
Foto. 24 december 2016. Studiedag. Alle aandacht bij Jan Zonderop, Andries Gort en Piet Drop is gericht op de keurlijsten.

Een Nederlandse waterslager is een nachtegaalzanger
Eén van de eersten die voornoemde ontwikkelingen in België beoordeelden als een bedreiging voor het klassieke waterslagerlied was waterslager- én harzerkeurmeester/kweker Catrien van der Toorn. In 1979 publiceerde zij in Onze Vogels een artikel waarin zij de Nederlandse waterslagerkwekers waarschuwde voor de verharzering van het waterslagerlied en haar artikel afsloot met : ‘Heus, sportvrienden, als wij niet oppassen gaat het de verkeerde kant op’.4
In tegenstelling tot in België werd in Nederland onverkort vastgehouden aan de klassieke nachtegaalzanger. Ter bescherming van de geslagen waterslager-zang werd in 1981 door de ANBV en NBvV een nieuwe keurlijst ingevoerd die afweek van de COM keurlijst: tjokken en tjokkenrol werden gesplitst en de rubriek ‘nachtegaalaccent’ geïntroduceerd.
In 2008 werd de huidige keurlijst voor waterslagers, waarop de rubriek ‘nachtgaalaccent’ niet meer voorkomt, in gebruik genomen. In een artikel in Onze Vogels verschafte toenmalig voorzitter van de KMV Zang Bert Renes de lezer een uitgebreide toelichting op de wijzigingen en ging hij ook in op de mogelijke consequenties van het afschaffen van de rubriek nachtegaalaccent voor de geslagen waterslagerzang.5
Tussen de regels door lezende krijgt men de indruk dat Bert Renes bij het opstellen van de tekst zweefde tussen hoop en vrees. Enerzijds is hij er van overtuigd dat de keurlijst mogelijkheden biedt om de geslagen waterslagerzang volledig tot z’n recht te laten komen, anderzijds twijfelt hij of alle keurmeesters over de juiste kennis beschikken om de structuur van de nachtegaalzang in die van de waterslager te ontdekken en op waarde te beoordelen.
De positie van de nachtegaalzanger werd in 2007 door Bert Renes positief beoordeeld: ‘Er zijn veel waterslagers met een geslagen lied, veel minder hebben een rollende structuur’. Er waren wel vogels met een rollende structuur, ‘maar zeker niet meer in aantallen die de term ’bedreigend’ rechtvaar
-digen’. Naar z’n vaste overtuiging zou met de nieuwe keurlijst, ondanks het afschaffen van de rubriek nachtegaalaccent, de waterslagers met een geslagen zangstructuur ‘hoger in de punten komen dan de vogels met een rollende structuur.’
Als de afschaffing van nachtegaalaccent toch geen effect heeft op de positie van de nachtegaalzanger dan was het schrappen van deze rubriek een win-win situatie, omdat de interpretatie van ‘nachtgaalaccent’ voor veel onbegrip en verwarring bij keurmeesters en kwekers had gezorgd. Met het verdwijnen van ‘nachtegaalaccent’ op de keurlijst voor waterslagers waren na de keuring de eindeloze discussies over de beoordelingen in deze rubriek gelukkig verleden tijd.6  
In een ‘overdenking’ heb ik in 2007 de nodige vraagtekens geplaatst bij de nieuwe keurlijst voor waterslagers. Mijn stelling was dat een ‘keurlijst niet alleen een wijziging is van de beoordelingssystematiek tijdens onze zangwedstrijden, maar ook richting gevend is voor de toekomstige zang van onze waterslager’. Hoewel Bert Renes stelt dat de keurmeesters ‘een duidelijke keuze maken voor waterslagers met een geslagen lied’, werd door hem niet aangegeven welke afspraken er tussen de keurmeesters waren gemaakt waardoor waterslagers met een geslagen lied ‘hoger in de punten komen dan de vogels met een meer rollende structuur’. Bij het ontbreken van concrete afspraken was mijn conclusie het tegenovergestelde van die van Bert Renes: ‘Hoewel dit indruist tegen alle op papier gezette bedoelingen verwacht ik in de nabije toekomst een grotere populariteit van de waterslagers met het golvende lied. (…) Het ‘lijkt mij dat tijdens zangwedstrijden de golvende waterslagers met de nieuwe keurlijst beter af zijn dan met de vorige’.7
Helaas is Bert Renes niet meer onder ons en is het onmogelijk met hem te evalueren en analyseren waarom uiteindelijk mijn slotconclusie de realiteit anno 2017 meer benadert dan de zijne. Mijn stellige indruk is namelijk dat op dit moment met name in Oost- en Zuid Nederland de waterroller op veel sympathie kan rekenen, mogelijk meer dan de waterslager en op landelijke wedstrijden en die van de speciaalclubs waterrollers even hard mee doen voor de hoofdprijzen dan waterslagers.

 
Foto. 24 december 2016. Studiedag. Gerard van Zuijlen en Piet Hagenaars aan de balie bij Ageeth en Mandy Onderwater.

Bezinning
Dit artikel is zowel een oproep als een aanzet om met elkaar de huidige stand van zaken te analyseren en antwoorden te formuleren op de bezinningsvragen die hiervoor werden gesteld.
Is mijn analyse juist dat sinds de introductie van de huidige keurlijst in 2008 en de afschaffing van het begrip nachtegaalaccent de sympathie voor de geslagen waterslagerzang is afgenomen en een groeiend aantal waterslagers eerder de kwalificatie waterroller dan waterslager verdient? Moeten we deze ontwikkeling beschouwen als het, met ieders instemming, geleidelijk uitsterven van de klassieke waterslager en het stilzwijgend afscheid nemen van de zangstructuur van het nachtegaallied als voorbeeld voor de waterslagerzang? Mocht dit het geval zijn dan moeten we ook consequent zijn, de knoop doorhakken, breken met het verleden, de zangtheorie herschrijven en alle verwijzingen naar het nachtegaallied schrappen. We kiezen dan dus voor de huidige Belgische waterslager als voorbeeld, oftewel, om met Armand Van de Vonder te spreken, het bezit van bewaterde toeren is synoniem voor waterslager geworden.8
We kunnen dan ook in Nederland à la minute de COM keurlijst invoeren.
V
inden we dat we in Nederland de opdracht hebben om de eeuwenoude nachtegaalzanger te koesteren en onderschrijven we de huidige zangtheorie nog volledig, dan moeten we ook daaruit consequenties trekken en o.m. ons beraden op welke stappen we zouden kunnen nemen om verdere ‘verharzering’ en ‘verrolling’ van het Nederlandse waterslagerlied tegen te gaan.
Kortom, er zullen, mijn inziens, keuzes gemaakt en consequenties getrokken moeten worden. De weg die veel kwekers op 7 januari 2017 in Rijssen wilden inslaan, nl. al naar gelang ieders smaak en voorkeur de raskenmerken van de waterslager oprekken, lijkt mij in ieder geval de minst wenselijke.

Culturele erfenis
Ik heb een zwak voor tradities en het lied van de eeuwenoude nachtegaalzanger is mij mede om die reden dierbaar. Dat de Belgen in de jaren ’70, wat betreft de waterslagerzang, onachtzaam met hun culturele erfenis zijn omgesprongen is hun keuze. Hoewel in België de bakermat van het zangkanarieras waterslager heeft gestaan hoeven wij hun voorbeeld niet te volgen.
De geschiedenis van de zangkanarie als nachtegaalzanger gaat terug tot
medio de 17e eeuw. We spreken dus over een zangkanarievariant van bijna 400 jaar oud! Aanvankelijk moesten kanaries het lied van de nachtegaal imiteren. Later, m.n. in de 20e eeuw, werd de waterslagerzang veredeld, bijgeschaafd, tot een lied waaruit de minder welluidende toervormen, waarin de nachtegaal grossiert, zo veel mogelijk werden geëlimineerd. Wat bleef was de geslagen structuur van de waterslagerzang: een krachtig, staccato-achtig lied, bestaande uit toeren die abrupt in elkaar overgaan, de metallieke klanken en de medeklinker ‘k’ die krachtig en prominent door het lied klinkt. Ik zie geen enkele reden om dit klassieke waterslagerlied ten grave te dragen. Willen we het geslagen waterslagerlied veredelen door zo veel mogelijk foutieve toervormen te elimineren, prima. Laat het een uitdaging van de fokker zijn om dit te doen binnen het bestek van de geslagen zangstructuur en niet te kiezen voor de gemakkelijkste weg door te kruisen met harzers of Belgische waterslagers. Kruisen met harzers of Belgische waterslagers is niet alleen de weg van de minste weerstand, maar heeft, zo hebben we allemaal kunnen constateren, ook tot gevolg dat de klassieke waterslagerzang in de verdrukking komt.

 
Foto. 24 december 2016. Studiedag. De zaal tijdens de verloting olv. Ageeth en Mandy Onderwater.

Suggesties voor de toekomst
Wedstrijden en keuringen zijn richtinggevend voor de toekomstige zang van onze waterslagers. Als we in Nederland voor de nachtegaalzanger kiezen dan bepalen uiteindelijk de keuringen en wedstrijduitslagen de populariteit van de waterslager. Er ligt dus een verantwoordelijke last op de schouders van de keurmeesters. Zij hebben de sleutel tot het behoud van onze nachtegaalzanger in de hand.
Belangrijk is om met elkaar concreet en verifieerbaar af te spreken wat we onder een geslagen lied verstaan en welke criteria we hanteren om te bepalen of een lied geslagen of rollend is. 
Onderstaand schema en definities zouden hierbij als uitgangspunt kunnen dienen:
Een geslagen lied wordt gekenmerkt door een krachtige uitspraak van de toeren, die, daar waar wenselijk, metalliek klinken en een snelle opeenvolging van de toeren waarbij de indruk wordt gewekt dat de ene toer abrupt in de ander overgaat. De medeklinker ‘k’ wordt, zowel in de toeren waar de medeklinker ‘k’ mede is gewenst als de toeren waarvan de medeklinker ‘k’ een wezenlijk onderdeel vormt, op een duidelijk herkenbare, krachtige, wijze uitgesproken.
Een rollend of golvend waterslagerlied wordt gekenmerkt door toeren die lang worden aangehouden, soms variëren in toonhoogte en waarbij de indruk wordt gewekt dat de ene toer in de ander overvloeit.
9

Waterslager

Waterroller

 

 

Nachtegaalzanger

Harzerachtige zangstructuur

Geslagen zangstructuur

Rollende zangstructuur

 

 

Krachtige, expressieve, zang

Ingetogen zang

Kort aangehouden toeren

Lang aangehouden toeren

Abrupte overgang van de ene in andere toer

Toeren vloeien in elkaar over

Metalliek klinkende toeren

Nauwelijks metalliek klinkende toeren

Toeren met medeklinker ‘k’ zijn prominent aanwezig. ‘k’ wordt krachtig uitgesproken

Toeren met medeklinker ‘k’ zijn aanwezig, maar worden veel minder krachtig uitgesproken

 Zangkanaries die volgens deze criteria overduidelijk als waterroller bestempeld kunnen worden zouden middels een opmerking van de keurmeester op het keurbriefje ook als zodanig aangeduid moeten worden, bijvoorbeeld, ‘Het lied bezit een rollende structuur’. Wellicht is het een optie om de rubriek ‘nachtegaalaccent’ opnieuw in te voeren. Verdient een waterroller punten voor indruk? Vogels met een compleet lied en o.m. 25 punten voor klokkende en 22 punten voor rollende waterslag en 12 punten voor tjokken, maar met een rollende zangstructuur zouden eigenlijk een minimaal aantal punten voor indruk toebedeeld moeten krijgen. In de rubriek ‘indruk’ zou het lied als geheel beoordeeld moeten worden. ‘Indruk’ is veel meer dan een bonus voor goed gezongen toeren. Vanuit deze gedachte is het verdedigbaar om in de rubriek ‘indruk’ alleen maar punten toe te kennen wanneer er sprake is van een raszuivere waterslager. Dit zijn enkele suggesties om tijdens de keuring er voor te zorgen dat, om met Bert Renes te spreken, waterslagers met een geslagen lied ‘hoger in de punten komen dan de vogels met een meer rollende structuur’.

Slot
In bovenstaande is een precair onderwerp aangesneden. Misschien heb ik kwekers die meer affectie hebben met het rollende dan met het geslagen waterslagerlied wel tegen me in het harnas gejaagd. Vroeger of later moeten we echter de gevolgen van de invoering van de herziene keurlijst in 2008 onder ogen zien en aan deze discussie beginnen. Ik verzoek de keurmeesters vriendelijk om hierin het voortouw te nemen. Doen we dit niet dan herhaal ik, als pleitbezorger van de klassieke, geslagen, waterslagerzang, de woorden van Catrien van der Toorn uit 1979: ‘Heus, sportvrienden, als we niet oppassen gaat het de verkeerde kant op’.10

Noten
1. Van de Vonder, Armand, Onze Waterslager. In: ‘De Witte Spreeuwen’, maandblad van de Koninklijke Belgische Ornithologische Federatie, editie juni 1971, p. 355-357.
2. Plokker, Jaap, Revolutie in de zangkast, ontwikkelingen in de zangkanariesport 1970-2010, deel 1, waterslagers. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie februari 2011, 27e jaargang, nr. 1, pp. 15-30.
3. Plokker, Jaap, Het lied van de waterslager. Deel 1, Zangtheoretische begrippen. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2011, 27e jaargang, nr. 2, pp. 16-28. Voor het artikel met geluidsfragmenten: zie www.zangkanaries.nl.
4. Toorn, Mevr. C. v/d, Over Zangkana­ries gesproken... Zitten we wel op de goede toer? In: Onze Vogels, jrg. 1979, p. 521.
5. Renes, B., Over kanaries gesproken, Dit artikel gaat over de technische gevolgen van invoering nieuwe waterslagerkeurlijst. In: Onze Vogels, jrg. 2007, p. 306-307.
6. Ibidem.
7. Plokker, Jaap, Overdenkingen bij de nieuwe keurlijst voor waterslagers. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie oktober 2007, 23e jaargang, nr. 3, pp. 3-20.
8. Van de Vonder, Armand, Onze Waterslager, o.c., p. 355-357.
9. Plokker, Jaap, Het lied van de waterslager. Deel 1, Zangtheoretische begrippen. In: Contactblad Doelgroep Zang NZHU, editie mei 2011, 27e jaargang, nr. 2, pp. 16-28. Voor het artikel met geluidsfragmenten: zie www.zangkanaries.nl.
10.
Toorn, Mevr. C. v/d, Over Zangkana­ries gesproken... Zitten we wel op de goede toer? In: Onze Vogels, jrg. 1979, p. 521.

 
Foto. 24 december 2016. Uitkooien. De vogels van Freek Schot verdwijnen in de tas.

-0-

vereniging

Mededelingen

Contributie 2017
De contributie voor 2017 bedraagt € 15,00. Veel leden hebben de contributie voor 2017 inmiddels voldaan. Moet je nog betalen, dan word je vriendelijk verzocht de contributie z.s.m. over te maken op Bankrekeningnr. NL94 INGB 0009279191 t.n.v. Speciaalclub Zang NZHU te ‘s Gravenhage.  Weet je het niet meer of je het geld hebt overgemaakt, de adresgegevens van penningmeester André Toet staan vermeld op de binnenzijde van de omslag.
 

Clubkampioenschappen 2017
Onze 33e clubkampioenschappen staan gepland voor 21 t/m 23 december 2017 wederom in het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk, Oude ’s Gravendijckseweg 2a, 2221 DB te Katwijk. Op donderdag 21 december zullen de vogels worden ingekooid, op vrijdag 22 december vindt de keuring plaats en op zaterdag 23 december 2017 hopen we met elkaar weer een uiterst gezellige en onderhoudende studiedag te beleven. Vergeet genoemde data niet in de agenda of op de kalender te noteren!

 

Advertenties
In deze editie van ons clubblad komen jullie opeens een aantal advertenties tegen. Als je het artikel over de financiële toekomst van de club gelezen hebt begrijp je dat deze extra inkomsten buitengewoon welkom zijn. We danken Ton Gerritsen voor zijn inspanningen om deze adverteerders bereid te krijgen een advertentie in ons clubblad te plaatsen.
Het is duidelijk dat meer adverteerders heel erg welkom zijn en laten de inspanningen van Ton een voorbeeld zijn voor anderen. Het spreekwoord indachtig ‘Als er één schaap over de dam is volgen er meer’ hopen we dat ook andere leden  proberen adverteerders te werven. We zien de reacties met spanning tegemoet.

 
Foto. 23 december 2016. Keuringsdag 32e  clubkampioenschappen. Harzerkeurmeester Ton Gerritsen in zijn keurkamer.

                                                                                                                    

Contactblad Speciaalclub Zang NZHU

De Speciaalclub Zang NZHU is aangesloten bij de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers

Mei 2017, 33e jaargang, nr. 2

 

Inhoudsopgave 
Voorwoord
‘Geleerde-Kanarie-Vogels’
Mededelingen    
                                                                              
 

vereniging

Voorwoord

door Jaap Plokker

Voor je ligt een speciale extra aflevering van ons clubblad. Op de jaarvergadering is besloten in het vervolg drie edities per jaar uit te geven. Op de plank lag echter nog een clubblad vullend artikel. Ik had de mogelijkheid om dit te knippen in diverse afleveringen, maar ik heb toch maar besloten het als één verhaal te publiceren en als een vierde extra editie van ons clubblad te verspreiden.
In mijn speurtocht naar de oorsprong van de waterslager hebben we geconcludeerd dat in het verleden op alle mogelijke manieren vogelgedrag en –zang werd gemanipuleerd. In vorige edities verschenen artikelen over kunstjes vertonende en sprekende kanaries. Deze keer staan kanaries centraal die geleerd werden een bekend melodietje te fluiten, de zogenaamde ‘geleerde’ kanaries.
Tijdens het onderzoek kwam ik al snel tot de conclusie dat over dit onderwerp nauwelijks iets gepubliceerd is. Ook uit de contacten met de conservator van het Museum Speelklok in Utrecht moest ik concluderen dat er nog nauwelijks gedegen onderzoek is gedaan naar het gebruik van zangorgels om kanaries een deuntje aan te leren.
Voor jullie ligt dus het resultaat van mijn pionierswerk. Het is al met al een heel verhaal geworden en de inhoud komt, mijn inziens, pas goed tot z’n recht wanneer het als één, doorlopend, geheel wordt gepubliceerd.
Uit reacties weet ik dat er behoorlijk wat leden zijn die breed geïnteresseerd zijn in onze hobby en de historische stukjes met interesse lezen. Anderen boeit het verleden wat minder. Om ook de laatstgenoemden een clubblad met actuele zaken niet te onthouden hoop ik voor de zomerstop nog een derde editie van ons clubblad uit te geven met o.m. een verslag van een hokbezoek.
Tenslotte wens ik de in de historie van onze hobby geïnteresseerde lezers veel leesplezier toe.

-0-

algemeen

 

Op ontdekkingstocht in de geschiedenis:

Speurtocht naar de oorsprong van de Waterslager

‘Geleerde Kanarie-Vogels’

door Jaap Plokker

We vervolgen onze speurtocht naar de oorsprong van de waterslager door ons verder te verdiepen in het manipuleren van kanariegedrag en –zang in het verleden. Na artikelen over kunstjes vertonende kanaries en kanaries die kunnen spreken deze keer een uitgebreid artikel over kanaries die een melodietje kunnen zingen.

Wijsjes zingende vogels
Wie op 24 april 1822 de Leydsche Courant doorspitte kwam de volgende advertentie tegen: ‘Alhier is gearriveerd P. Posthaus, met een fraaije partij geleerde Goudvinken, die verscheide Aria’s zingen: Wilhelmus van Nassau, Malbroek, Contredans, Deserteur en meer’. Ook de uit het Beierse Klein Langheim afkomstige ambulante vogelverkoper Michel Klein, die gedurende de jaren 1818-1842 o.a. Leiden bezocht en daar ‘De Omgekeerde Pot’, in de Mandenmakersteeg, als vaste logement verkoos, verkocht deuntjes zingende goudvinken. Wie van hem een ‘geleerde’ goudvink wilde kopen moest in genoemde herberg zich bij hem vervoegen. Of Pieter en Michel hun goudvinken zelf hadden afgericht weten we niet. We nemen aan dat de ambulante vogelverkopers in de regel melodietjes zingende vogels opkochten bij africhters die het vogels aanleren van wijsjes als bijverdienste hadden.1
Dat je gemakkelijk goudvinken een deuntje, of ‘airtje’, kon aanleren en hoe je dat moest doen was door Joseph Blagrave al beschreven in de in 1675 te Londen uitgeven derde editie van ‘The Epitome of the Art of Husbandry’. Een belangrijke voorwaarde voor succes was dat je een vogel zo jong mogelijk bij de ouders vandaan haalde. Het a
frichten gebeurde door het wijsje met de mond of met een fluitje, een flageolet, voor te fluiten. Belangrijk was om eenvoudig te beginnen, met een niet te lang melodietje. Was dat succesvol dan kon eventueel een nieuw deuntje aangeleerd worden en verder stuk voor stuk, de volgende. Zowel tijdens het studeren als wanneer de vogel eenmaal één of meerdere ‘airtjes’ beheerste moest hij van andere vogels geïsoleerd blijven, want hij heeft, aldus Blagrave, de neiging welk vogelgeluid dan ook beter te onthouden dan een wijsje. Bovenstaande instructie gold niet alleen het africhten van goudvinken, ook spreeuwen, roodborstjes, kneutjes en kanaries kon je, volgens Blagrave,  een melodietje aanleren.2
Ook Petrus Nylant en Jan van Hextor schrijven in het in 1672 uitgegeven ‘Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen’ over het vogels aanleren van een melodietje. Zij beweren dat men hiervoor lijsters, kneutjes en kanaries kan africhten.3
Van later datum dateren advertenties waaruit valt op te maken dat o.m. lijsters, merels en papegaaien werden getraind om een deuntje te fluiten. Vogels die in staat waren een herkenbaar melodietje of ‘airtje’ te zingen  werden aangeduid met de term ‘geleerd’.4
Aangenomen wordt dat de meeste inheemse vogels die werden afgericht om een ‘airtje‘ te fluiten, in de vrije natuur waren geboren, op jonge leeftijd, voor het uitvliegen, uit het nest werden gehaald en verder met de hand werden grootgebracht.5 De beste resultaten werden immers behaald met vogels die niet of nauwelijks soorteigen zang hadden gehoord. Het in bezit hebben van een vogel die een melodietje kon zingen beperkte zich overigens niet tot de nestuithalers cq. vogelhouders, die voor eigen luistergenot vogels africhtten. Ook anderen wensten de beschikking te hebben over een vogel die een bekend deuntje kon zingen. Daarom was het uithalen van nesten, het met de hand grootbrengen van jongen en het aanleren van een wijsje voor sommigen een welkome (neven)inkomstenbron.6 Van genoemde vogelsoorten is het meest levendig en het langst gehandeld in ‘geleerde’ kanaries en, met name, goudvinken. 

‘Geleerde’ goudvinken
Medio de 18e eeuw waren de grote steden in de Republiek voor de internationale vogelhandel een interessant afzetgebied. Wanneer de ambulante vogel-verkoper met z’n handelswaar in een stad was gearriveerd werd een logement gezocht waar hij niet alleen kon slapen en eten, maar ook de mogelijkheid had om zaken te doen. In 18e en 19e eeuwse kranten vinden we veel advertenties van rondreizende vogelverkopers waarin ze hun komst aankondigden en meedeelden welke vogels ze hadden meegenomen. Deze advertenties verstrek-ken ons veel informatie over de 18e en 19e eeuwse vogelhandel en –teelt.
Medio de 18e eeuw verschenen in de Republiek regelmatig Duitstalige vogelhandelaren uit de streek die we tegenwoordig het Roergebied noemen en ook uit Saksen, in het bijzonder uit de Harz en de op steenworp afstand hiervan gelegen steden Halle, Hannover en Braunschweig. Deze, uit Centraal Duitsland afkomstige, kooplieden verkochten Europese vogels en vooral zogenaamde ‘Geleerde Goud-Vinken’. Het repertoire van de goudvinken bestond uit ‘Geestelyke en Waereldlyke Deuntjes’, meer in het bijzonder ‘Psalmen’, ‘Marschen’, ‘Franse en Duytse Minewetten’ en  ‘Hollandse Deuntjes’.7
Werd aanvankelijk de  goudvinken een wijsje aangeleerd door het voor te fluiten met de mond of een flageoletje, in de eerste decennia van de 18e eeuw werd het zangorgeltje of serinette ontwikkeld. Dat instrument werd, behalve voor het kanaries aanleren van een melodietje, ook gebruikt voor het trainen van goudvinken.8
Tot aan het begin van de 20e eeuw bleef het africhten van goudvinken een algemeen voorkomend gebruik. Diverse eind 19e eeuwse Nederlandstalige boekjes beschrijven hoe je goudvinken, bijvoorbeeld met een zangorgeltje, een liedje kunt aanleren. Ten behoeve van het africhten werden jonge vogels uit nesten gehaald en verder met de hand opgefokt. Deze handelswijze werd niet alleen in Nederland toegepast, maar eveneens in Duitsland.9
De buitenlandse ambulante vogelverkopers die in onze streken ‘geleerde’ goudvinken verkochten kwamen voornamelijk uit Duitsland. Daar werd de handel op Nederland kennelijk zo belangrijk gevonden dat de voor de Nederlandse markt bedoelde goudvinken ook een repertoire werd aangeleerd, dat bij het Hollandse publiek goed in het gehoor lag, zoals het Wilhelmus, dat overigens pas in 1932 het officiële volkslied van Nederland werd.10 
De populariteit van de afgerichte goudvink beperkte zich niet tot de huiskamer. Ze werden rondom de overgang van de 19e  naar de 20e eeuw ook voor vogeltentoonstellingen ingezonden, zoals blijkt uit een verslag van de 15e Internationale Tentoonstelling van de vereniging ‘Avicultura’, die in februari 1900 in Den Haag werd georganiseerd: ‘Klasse 24. Ter opluistering (…) 3e pr. Paul Groesch voor Aria’s zingende goudvinken’.  De verslaggever kon het niet nalaten nog eens te benadrukken dat hij vol aandacht had staan luisteren bij ‘de snoezig aria’s zingende goudvinken van Paul Groesch’.11
Was men in de tweede helft van de 17e eeuw dus al bekend met de techniek om vogels een wijsje aan te leren, uit de frequentie waarmee in 18e en 19e eeuwse kranten werd geadverteerd mogen we concluderen dat er toen een levendige handel bestond in goudvinken die dit kunstje beheersten. Tot in de eerste decennia van de 20e eeuw reisden uit Duitsland afkomstige ambulante vogelverkopers regelmatig langs de Nederlandse grote steden om ‘geleerde‘ goudvinken te verkopen.12
De uit Gotha in Saksen Coburg afkomstige Richard Faulstick was de laatste Duitstalige ambulante vogelhandelaar die Leiden bezocht. In het Leidsch Dagblad van 26 februari 1914 adverteerde hij niet alleen met een ‘mooie collectie Saksische Kanarievogels (Seiffertse stam met koller)’, maar ook  met ‘geleerde goudvinken die verschillende aria’s fluiten’.
In de in de regio Leiden verschijnende kranten werden na de Eerste Wereldoorlog geen advertenties meer aangetroffen van Duitse ambulante vogelhandelaren.

‘Geleerde Kanarie-Vogels’
Ten tijde van het verschijnen van Petrus Nylant en Jan van Hextor’s ‘Het Schouw-toneel der Aertse schepselen’ in 1672 en de derde druk van Joseph Blagrave’s ‘The Epitome of the Art of Husbandry’ in 1675 was men, zowel in de Republiek als in Engeland, bekend met het kanaries aanleren van melodietjes. Nylant en van Hextor verschaffen ons informatie over de toenmalige waarde van een wijsjes zingende kanarie. Afhankelijk van de kwaliteit werd voor een mannetje dat dit kunstje beheerste 60 – 100 gulden betaald; een kostbaar vogeltje als je bedenkt dat een bouwvakker in Holland in die tijd ca. 20 gulden per maand verdiende.13
De hoge prijs zou er op kunnen wijzen dat de kunst om kanaries een ‘airtje’ aan te leren nog in de kinderschoenen stond en een ‘geleerde’ kanarie toen een relatief zeldzame verschijning was.

‘Inlandsche’ kanaries
Een voorwaarde voor het vogels kunnen aanleren van een melodietje is dat ze op zeer jonge leeftijd buiten gehoorsafstand van soortgenoten moeten worden gehuisvest. Was het in onze streken mogelijk in de vrije natuur jonge goudvinken uit nesten te halen, van soortgenoten te isoleren en een deuntje voor te fluiten, voor het africhten van kanaries ging deze vlieger niet op. Om in West Europa over jonge kanaries te kunnen beschikken moesten ze in gevangen-schap geboren worden. De mij tot dusver oudst bekende bron met het onom-stotelijk bewijs dat in de Republiek kanaries werden gekweekt is Olfert Dappers’s, in 1668 bij Jacob van Meurs in Amsterdam uitgegeven, boek ‘Naukeurige Beschrijvinge der Afrikaense Eylanden, enz.’. In zijn algemene beschrijving van het dierenleven op de Canarische eilanden schrijft Dapper o.m.: ‘d ‘Eilanden zijn ook tamelijk rijk van Vee, als Ossen, Bokken, wilde Ezels, Rheen, benevens veelerlei gevogelt, inzonderheit zekere kleine  vogeltjes, hier te landen, na deze eilanden, Kanary-vogels genoemt, die zeer schel en aengenaem zingen, en van daer herwaerts overgebracht worden en telen deze ook hier te landen voort.’ 14

 
Titelblad van het eerste in het Nederlands uitgegeven volledig aan het houden en kweken van kanaries gewijd boek: de vertaling uit het Frans van het door J.C. Hervieux geschreven (Nouveau) ‘Traité curieux des serins de Canarie’. In dit boek ook een uitgebreide handleiding voor het kanaries aanleren van een melodietje.

Een aanvulling op deze informatie vinden we in ‘Het Schouw-toneel’ van Petrus Nylant en Jan van Hextor. Zij weten ons te melden dat ten tijde van de publicatie van hun boek, in 1672, in de Republiek niet alleen in ‘vluchten’ ‘overvloedigh’ kanaries werden gefokt, maar deze bezigheid voor de kwekers ook nog bijzonder lucratief was.15 Medio de 17e eeuw werden er dus in de Republiek kanaries gekweekt en had men inmiddels ook ontdekt dat kanaries goed kunnen imiteren en je hen zelfs en wijsje kunt aanleren.
Contemporaine bronnen verschaffen ons uiterst fragmentarische informatie over het houden en kweken van kanaries in de Republiek in de 16e  en 17e eeuw. Op grond van boedelinventarissen veronderstellen we dat gedurende de periode 1550-1650 het in bezit hebben van een huiskamerkanarie in de Lage Landen toenam van uitermate schaars medio de 16e eeuw tot wat meer algeme
-ner voorkomend in de loop van de 17e eeuw. Het fokken van kanaries was aan veel minder mensen besteed. In de 16e eeuw beperkte zich dat waarschijnlijk tot enkele in de flora en fauna geïnteresseerde wetenschappers. Naarmate de 17e eeuw vorderde werd het houden en fokken van kanaries met name bedre-ven door enkele uit de vermogende burgerij afkomstige hobbyisten, die in hun volières en ‘vluchten’ jonge kanaries op stok kregen. Deze in de Republiek gekweekte kanaries werden ‘inlandsche’ kanaries genoemd. Het aanbod van ‘inlandsche’ kanaries was onvoldoende om aan de binnenlandse vraag te kun-nen voldoen. Het aanbod op de kanariemarkt werd zeker tot het eind van de 17e eeuw aangevuld met van de Canarische eilanden en de Azoren afkomstige wildvang kanaries en vanaf de eerste helft van de 17e eeuw met aanvankelijk in Tirol en later ook in Zuid Duitsland gefokte kanaries, die door uit deze streken afkomstige ambulante vogelverkopers in de Republiek werden verkocht.16  De door Nylant en van Hextor genoemde melodietjes zingende kanaries werden medio de 17e eeuw te koop aangeboden door, naar we aannemen, fokkers van ‘inlandse kanaries’ en/of Tiroolse ambulante vogelverkopers. Op grond van het assortiment kanaries waarmee de Tiroolse handelaren in de 18e eeuw door de Republiek trokken is het aannemelijk dat er in Tirol nauwelijks een traditie bestond in het africhten van ‘geleerde’ kanaries voor de Hollandse markt. Daarom veronderstellen we dat het merendeel van de in de 17e eeuw in Nederland aanwezige kanaries die een deuntje konden zingen hun opleiding ook in de Republiek hadden genoten.

 
Voorbeeld van een in de Nederlandse vertaling van Hervieux’ (Nouveau) ‘Traité curieux des serins de Canarie’ afgedrukt melodietje, dat je een kanarie met het flageoletje kon voorspelen.

Hervieux
Aangenomen wordt dat naarmate de 17e eeuw vorderde het aantal kanariefokkers toenam en het kanaries aanleren van een melodietje steeds populairder werd. Dit gold niet alleen voor de Republiek, maar ook voor Frankrijk. We kunnen deze conclusie trekken op grond van het eerste boek dat volledig aan het houden en fokken van kanaries is gewijd, nl. het door J.C. Hervieux geschreven ‘Nouveau traité curieux des serins de Canarie’, waarvan de eerste editie in 1709 in Parijs werd uitgegeven. Hervieux was ‘Opziender over de Kanariqueekery van haare Hoogh. de hertoginne van Berry’ en heeft zijn, mede op grond van de praktijk opgedane, kennis gepubliceerd in een lijvig boek-werkje. Hervieux beschrijft o.m. uitvoerig hoe je een kanarieman een melodietje kunt aanleren. In z’n boek staan, in notenschrift, diverse voorbeelden van ‘airtjes’ afgedrukt, die je kanaries op een flageolet zou kunnen voorspelen. Hervieux’ boek bleef  in de Republiek niet onopgemerkt en al in 1712 verscheen in Amsterdam een door A. Moubach verzorgde Nederlandse versie met op de linker pagina de originele Franse tekst en op de rechterzijde de vertaling. Dat zo snel na de oorspronkelijke Franse uitgave een Nederlandse vertaling verscheen zou er op kunnen wijzen dat in de Lage Landen inmiddels een respectabel aantal personen zich met het houden, fokken en mogelijk africhten van kanaries bezig hield.17  

Zangorgel of serinette
Tot het begin van de 18e eeuw werden kanaries uitsluitend afgericht door het deuntje met de mond of een flageoletje voor te fluiten. Omstreeks 1700 werd in Frankrijk geëxperimenteerd met het construeren van een orgeltje dat het flageoletje kon vervangen. In de eerste editie van zijn boek rept Hervieux er met geen woord over, maar in de in 1713 verschenen tweede uitgave werd aan de originele tekst een passage toegevoegd waarin Hervieux beschrijft welke stappen men had ondernomen om een orgeltje te ontwikkelen waarmee kanaries een wijsje kon worden aangeleerd. Aanvankelijk ging men uit van het klassieke orgel, met klavier, orgelpijpen en blaasbalg. Hiervan probeerde men een kleiner, gemakkelijk verplaatsbaar, model te vervaardigen dat voorzien was van speciaal voor kanariezang gestemde orgelpijpjes. Een praktisch probleem van dit model was de aanvoer van lucht naar de orgelpijpen. Versies werden ontwikkeld waarop met de rechterhand het klavier werd bespeeld en met de linkerhand de blaasbalg werd bediend.18 Ondanks alle experimenten om op basis van het klaviermodel een instrument te ontwikkelen dat gebruikt kon worden voor het africhten van kanaries hebben die niet geleid tot een type zangorgel dat op grote schaal in productie is genomen. Dat kon Hervieux in 1713, toen voornoemde pogingen door hem als veelbelovend werden ingeschat, nog niet weten. Uiteindelijk bleek de serinette wel een voor het africhten van kanaries bruikbaar instrument.  

Foto. Serinette uit 1753. Aan de voorzijde bevindt zich de slinger, die de blaasbalg (niet zichtbaar op de foto) en de rol met pennetjes in beweging brengt. De orgelpijpjes bevinden zich tegen de achterwand van het kistje. (bron: internet)

In de uit 1745 daterende derde herziene uitgave van Hervieux’ boek onthulde de auteur dat bij het verschijnen van de tweede editie er al proefexemplaren van de serinette bestonden. Ze bevonden zich echter nog in een dusdanig stadium van ontwikkeling dat hij het voorbarig vond er al over te schrijven.19 In 1745 was de situatie wezenlijk anders. Er werden inmiddels serinettes voor de markt gefabriceerd en in de derde editie van Nouveau traité des serins de Canarie’ werd een hoofdstukje aan het zangorgeltje gewijd. De beste exemplaren werden, volgens de auteur, in Lotharingen vervaardigd. Hij beval zelfs een, met name genoemde, in Parijs op de zuidoever van de Seine, vlak bij de Notre Dame, in de Rue du Petit-Pont woonachtige, handelaar in muziekinstrumenten aan om een serinette bij aan te schaffen.20
De faam van de serinette verspreide zich snel over de Franse grenzen en was ca. 1740 ook doorgedrongen tot welgestelde Engelse families. Op het in 1742 door William Hogarth geschilderde groepsportret van de kinderen van Daniël Graham zit Richard Graham namelijk met een serinette op z’n schoot.
Op basis van de eerste drie edities van Hervieux’ boek kunnen we dus de introductie van de serinette in Frankrijk globaal dateren. Omstreeks 1710 werden de eerste experimentele exemplaren vervaardigd. Gedurende de daaropvolgende decennia ontwikkelde de serinette zich tot een voor iedereen bruikbaar instrument om kanaries een melodietje aan te leren. Met name in Lotharingen, in het bijzonder in de stad Mirecourt, vanouds een productiecentrum van muziekinstrumenten, legden handwerklieden zich toe op het vervaardigen van zangorgels.
Ca. 1740 had de bekendheid met de serinette zich tot buiten Frankrijk verspreid.

Afspeeltechniek van de serinette
In de loop van de 16e eeuw verscheen in de Lage Landen in veel belforts en kerktorens een carillon. Ter introductie van het slaan van het uurwerk werd met de beiaard een melodietje gespeeld, de zogenaamde voorslag. Ons het meest bekend in de oren klinkend voorbeeld van zo’n voorslag deuntje is wellicht dat van de Big Ben in Londen. De voorslag werd niet gespeeld door de beiaardier, maar ging  automatisch door middel van een ronddraaiende trommel met uitstekende pennen, die via een bepaald mechanisme klokken met verschillende tonen lieten klinken. Door de pennen in een bepaalde volgorde op de trommel te plaatsen kon er met de verschillende klokken van de beiaard een melodietje gespeeld worden zonder dat er een mensenhand aan te pas kwam.21
Hoewel de serinette ook wel een zangorgel wordt genoemd roept het houten kistje nauwelijks associaties met een orgel op. Er is, bijvoorbeeld, nergens een klavier te bespeuren. Onder het deksel bevindt zich echter een afspeelmechaniek waarin de technieken zijn toegepast van zowel het klassieke orgel als het mechanisch spelend carillon: Het geluid wordt voortgebracht door middel van orgelpijpjes waar lucht door geblazen wordt en het melodietje wordt gevormd door een serie pennetjes in een bepaalde volgorde op een cilinder te plaatsen.

Afbeelding. Werktekening van het mechaniek van een serinette. T is een orgelpijpje. Via L wordt de met de blaasbalg opgewekte lucht naar het orgelpijpje geblazen. S is een klepje waarmee de toevoer van lucht naar het orgelpijpje wordt geregeld. Met B wordt het bewegen van klepje S geregeld. Wanneer de rol draait en glijder B over een pennetje glijdt gaat B omhoog en daarmee het klepje bij S open. Lucht ontsnapt nu via het orgelpijpje en produceert de daarbij behorende toon.(bron: internet)

Serinettes zijn vanaf de eerste helft van de 18e eeuw tot zeker het eind van de 19e eeuw gefabriceerd en gebruikt om vogels melodietjes aan te leren. Het uiterlijk en mechaniek van de serinette is gedurende die periode nauwelijks gewijzigd. Het instrumentarium van een serinette is geplaatst in een houten kistje van ca. 25 cm lang, 20 cm breed en 15 cm hoog. Het deksel is scharnierend. Op de binnenzijde van het deksel is veelal een briefje bevestigd met het repertoire dat met het orgeltje gespeeld kan worden. Vaak zijn dat 5 – 6 melodietjes. In het kistje bevindt zich een serie orgelpijpjes, een blaasbalg en een rol met pennetjes. Aan de zijkant van het kistje bevindt zich een slinger, waarmee de rol en de blaasbalg in beweging gebracht kunnen worden. De met de blaasbalg opgewekte lucht wordt door de orgelpijpjes geperst. De toevoer van lucht naar de afzonderlijke orgelpijpjes wordt gereguleerd via de pennetjes op de cilinder. Op deze wijze zorgt een serie pennetjes op de rol dat er een melodietje uit de orgelpijpjes komt. Op de cilinder is plaats voor meerdere series pennetjes en dus meerdere melodietjes. Door een mechanisme kan men de luchtregelaars die over de pennetjes glijden horizontaal over de rol verplaatsen en op deze wijze dus het melodietje kiezen wat men wil afspelen.22 Hoe sneller men aan de slinger draait, des te harder draait de cilinder, des te hoger is het tempo van het wijsje. Het vergt dus wel enige muzikale intuïtie om met de juiste snelheid aan de slinger te draaien, zodat de vogel het melodietje steeds in hetzelfde tempo krijgt voorgespeeld. 

Handel in serinettes
Voor de aanschaf van een serinette moest aanvankelijk diep in de buidel getast worden. Volgens Hervieux bedroeg de prijs in 1745 ca. vijftig ‘livres’. Ter vergelijking: voor een gewone kanarie moest toen in Frankrijk drie ‘livres’ betaald worden. In de Republiek vroegen de Tiroolse ambulante vogelverkopers ca. 1775 drie gulden voor de meest algemeen voorkomende kanarie. Een livre in Frankrijk had dus ongeveer dezelfde waarde als een gulden in de Republiek. Medio de 18e eeuw bedroeg in Holland het weekloon van een bouwvakker ca. vijf gulden. Concluderend: Grofweg kwam de prijs van een serinette in Frankrijk toen overeen met ca. 20% van het jaarsalaris van een bouwvakker in de Republiek.23 Het is dus logisch te veronderstellen dat serinettes alleen in gegoede kringen werden aangetroffen en de meeste africhters  vooralsnog gebruik bleven maken van de flageolet.
Getuige een advertentie in de Amsterdamse Courant van 15 juni 1784 beperkte de fabricage van serinettes zich op den duur niet tot Frankrijk, maar werden ze in de tweede helft van de 18e eeuw ook in Duitsland vervaardigd: ‘Te Amsterdam, op de Botermarkt, in de Schenkkan, is aangekomen een Koopman van Frankfort met een party zeer mooije en goede Orgels, speelende zeer aangename Deuntjes, om Canary Vogels daarna te leeren zingen’. Mogelijk hebben handige handwerkslieden in de Republiek zich ook toegelegd op het vervaardigen van serinettes. Een aanwijzing hiervoor vinden we in de ‘s Hertogenbossche Courant van 17 december 1779 waarin ‘den Stads Horlogiemaker L. van Doorn’ adverteerde met ‘extra fijne orgels om Kanary en andere vogels te leeren fluiten’.24
In de Republiek werden serinettes ook verkocht door rondreizende handelaren in muziekinstrumenten: ‘Anthony de Paris heeft een groot Assortiment van alle soorten Violen, Citteren en Bas-Violen, ook Orgelen voor Canarie-Vogels en voor Papagaaijen, en ook andere Orgelen, zo mooi en curieus dat men die nooit alhier in Amsterdam heeft gezien, (…) hy logeert te Amsterdam op den hoek van de Papenburgsteeg by Joseph Vigier, de Lions Koopman in Paraplus en Parasols’.25

 
Afbeelding: Een vrouw draait aan de slinger van een serinette en speelt de kanarie die boven haar hangt een melodietje voor. Afgebeeld is een gravure van René Gaillard (1719-1790). Bij de gravure is een gedichtje van acht regels afgedrukt met de titel ‘L'heureux serin’ (De gelukkige kanarie). De gravure dateert van ca. 1765. (Bron: Internet, The British museum, reg. Nr.  1875,0710.477)

Gebruik van zangorgels in de Republiek
In voorafgaande kwamen we tot de conclusie dat de serinette in de eerste decennia van de 18e eeuw in Frankrijk werd ontwikkeld en in Lotharingen zangorgels voor de markt werden geproduceerd. Getuige het uit 1742 daterende  groepsportret ‘The Graham Children’ van William Hogarth was in de jaren ’40 het bezit van een serinette al doorgedrongen tot vermogende Engelse families. Het is daarom welhaast ondenkbaar dat medio de 18e eeuw men in de Republiek niet op de hoogte was van het bestaan van de serinette. Toch zijn daarvan tot dusver weinig aanwijzingen gevonden. De oudste door mij gevonden advertenties waarin serinettes te koop werden aangeboden dateren allemaal uit de laatste decennia van de 18e eeuw.26
In 1750 verscheen de eerste editie van het door F. van Wickede geschreven ‘Kanari-uitspanningen of nieuwe verhandeling van de Kanari-teelt’. Ook van Wickede, die bij het schrijven van z’n boek overduidelijk leentjebuur heeft gespeeld bij Hervieux, wijdde een hoofdstuk aan het africhten van kanaries. Evenals Hervieux nam van Wickede in zijn boek een aantal ‘airtjes’ in notenschrift op.27  De instructie voor het trainen van kanaries beperkt zich in van Wickede´s boek tot het gebruik van de flageolet. Was de in Arnhem woonachtige van Wickede niet op de hoogte van het bestaan van de serinette? De mij in het Nederlandse taalgebied oudst bekende vermelding van het africhten van een kanarie met een serinette dateert van 1763. In de Amsterdamse Courant van 26 maart werd een advertentie geplaatst waarin een ambulante kanariehandelaar adverteerde met kanaries die niet alleen ‘op de  Flagelet’, maar ook ‘naar ’t Orgel geleerd zyn’.28 Overigens werd in de in 1786 uitgegeven vijfde druk van ‘Kanari-uitspanningen’ nog altijd uitsluitend het africhten van kanaries met behulp van de flageolet beschreven. Pas in de uit 1837 daterende zesde druk van van Wickede’s boek is in desbetreffend hoofdstuk ‘flageolet’ vervangen door ‘orgeltje’.29 Ondanks de introductie van de serinette hebben we de indruk dat zeker in de 18e eeuw, de meeste kanaries met de fluit werden afg
ericht. Uitermate zelden valt uit de advertentie op te maken dat de vogels ‘naar ’t Orgel geleerd zyn’. Als er een tipje van de sluier over de opleiding wordt opgelicht, wat meestal niet het geval is, dan wordt vrijwel altijd de ‘fluyt’, ‘Flachelet’, ‘Flachet’ of ‘Flageolet’ genoemd als instrument waarmee de vogel het deuntje werd aangeleerd. Mogelijk dat de aanschaf van een serinette voor menig africhter toen (nog) een te grote investering was.30 

 
Titelblad van de eerste editie van F. van Wickede’s ‘Kanari-uitspanningen. Het boekje werd vele malen herdrukt en het was tot diep in de 19e eeuw het belangrijkste Nederlandstalige handboek voor de kanariekweker.

Handel in ‘geleerde’ kanaries
Mede op basis van het aantal in de krant geplaatste advertenties waarin ‘geleerde’ kanaries te koop werden aangeboden krijgt men de indruk dat gedurende de 18e eeuw de clientèle voor de deuntjes zingende kanaries bestond uit een beperkt deel van de bevolking, in het bijzonder de hogere inkomens. De ‘geleerde’ kanaries werden op openbare verkopingen, door lokale winkeliers en door ambulante vogelhandelaren verkocht. Vanwege de aard van de handel werd vooral door de rondreizende vogelhandelaren in de krant geadverteerd. Omdat we onze informatie met name aan advertenties hebben ontleend kan dat een vertekend beeld oproepen en kan de handel in ‘geleerde’ kanaries veel levendiger zijn geweest dan het aantal advertenties in de kranten suggereert.
Advertenties waarin de veiling van ‘geleerde’ kanaries op publieke verkoping
en werd aangekondigd werden vooral aangetroffen in uit de eerste decennia van de 18e eeuw daterende kranten. In de Amsterdamse Courant van 30 januari 1723 stond een advertentie waarin de lezer er op werd geattendeerd dat ‘Dingsdag den 16 Maert, zal men ten huyze van Evert Metz, op de Kleveniers Burgwal in de Hoop verkopen een schoone partye Canary-Vogels uyt het beste Ras, alsmedee zeer schoone Zangvogels die de Liefhebbers voldoen zullen met haer zang, en daer bij twee makke vogels die geleert zijn’. Op 23 februari 1723 adverteerde Evert Metz opnieuw. Nu met de mededeling dat de veiling was verplaatst naar 9 maart. De ‘twee makke Vogels, die ieder een deuntje fluyten’ stonden nog steeds in de verkoop.
Dat ‘geleerde’  kanaries op openbare verkopingen bij opbod werden verkocht is wellicht ook een aanwijzing dat de prijs van kanaries die de kunst verstonden een of meerdere airtjes te zingen in de eerste decennia van de 18e eeuw nog altijd aanzienlijk was. In uit de tweede helft van de 18e eeuw daterende kranten werden door mij geen advertenties van openbare verkopingen aangetroffen waarop ‘geleerde’ kanaries werden geveild. Wel werd in deze periode geadverteerd door lokale handelaren die deuntjes zingende kanaries te koop aanboden.31 
We veronderstellen dat het merendeel van de ‘geleerde’ kanaries, die via een openbare verkoping of lokale handelaar van eigenaar wisselden, in de Republiek hun opleiding had genoten. Diverse advertenties die in de winter van 1728 in de Amsterdamse Courant geplaatst werden voor een verkoping op 31 maart wekken op z’n minst deze indruk: Tijdens deze vendu zouden niet alleen een ‘buyten gemeene party (…) Inlandse Kanary–Vogels’ verkocht worden ‘als mede 2 of 3 die geleert zijn op de fluyt, welke daegs te voren gesien en gehoort konnen werden’.32  In uit de laatste decennia van de 18e eeuw daterende edities van de Amsterdamsche Courant werden advertenties aangetroffen waarin door lokale Amsterdamse vogelhandelaren ‘inlandsche geleerde Kanary-vogels’ te koop werden aangeboden.33

Buitenlandse ‘geleerde’ kanaries
Het is heel onwaarschijnlijk dat afgerichte ‘inlandsche’ kanaries in de ambulante handel terecht kwamen. De, van stad naar stad, de Republiek rondreizende vogelverkopers waren in de regel buitenlanders. Kijken we naar de herkomst van de ambulante vogelhandelaren die in de 18e eeuw de Republiek bezochten en in kranten adverteerden dan vallen een aantal zaken op: Er werd tot 1804 geen enkele advertentie gevonden waarin een uit Tirol afkomstige vogelverkoper ‘geleerde’ kanaries aanbood. Op grond van de aangetroffen advertenties concluderen we dat in de 18e eeuw de Tirolers zich nadrukkelijk toelegden op de handel in kleurkanaries, kanaries met kuiven en zangkanaries in algemene zin.34  

 
Afbeelding: Een vrouw draait aan de slinger van een serinette en speelt de kanarie die boven haar hangt een melodietje voor. De afbeelding is een fragment van een gravure van René Gaillard (1719-1790). Bij de gravure is een gedichtje van acht regels afgedrukt met de titel ‘L'heureux serin’ (De gelukkige kanarie). De gravure dateert van ca. 1765. (Bron: Internet, The British museum, reg. Nr.  1875,0710.477)

De uit ‘Saksen’, d.w.z. uit de Harz, Halle, Braunschweig en Hannover, afkomstige kooplui handelden aanvankelijk levendig in ‘geleerde’ goudvinken. Toen zij vanaf de jaren ’60 van de 18e eeuw ook kanaries gingen verkopen bleven de afgerichte goudvinken in hun assortiment, maar werd slechts één advertentie gevonden van een uit Halle afkomstige handelaar met kanaries die ‘differente Aria’s’ zongen.35  Terwijl men in deze Duitse regio over de kennis en ervaring beschikte om vogels een deuntje aan te leren bleef men met betrekking tot de Hollandse markt nagenoeg volledig geconcentreerd op het africhten van goudvinken. Het is een interessante onderzoeksvraag waarom de in de Republiek rondtrekkende Saksische vogelkooplui hun assortiment ‘geleerde’ vogels nauwelijks met kanaries hebben uitgebreid.36
Bovenstaande betekent overigens niet dat er in Duitsland geen kanaries werden afgericht om een melodietje te zingen. In A.I. Kellner’s, in 1805 verschenen, ‘Naturgeschichte der Kanarienvogel’ kunnen we een anekdote lezen van een schoolmeester die het africhten van kanaries als bijverdienste heeft. Regelmatig laat hij zijn leerlingen alleen om in een belendend kamertje de aldaar aanwezige jonge kanariemannen met het zangorgeltje een melodietje voor te spelen.37
De mij oudst bekende advertentie van een rondreizende handelaar in ‘geleerde’ kanaries dateert van 6 oktober 1746. Een uit Neurenberg afkomstige vogelverkoper adverteerde met kanaries die ‘op de Flachet geleerd’ waren.38 Het is niet alleen de mij oudst bekende advertentie, maar ook de enige van een uit zuidelijk Duitsland afkomstige handelaar in ‘geleerde’ kanaries.
De meeste 18e eeuwse advertenties, waarin kanaries die een deuntje konden zingen te koop werden aangeboden, werden geplaatst in de periode na 1760 en de vogels werden vrijwel uitsluitend door Franstalige kooplui verkocht.
Medio de 18e eeuw werd de ambulante kanariehandel in de Republiek gedomineerd door Tirolers en Zuid Duitsers. Dit beeld wordt opgeroepen zowel uit de krantenadvertenties als de door F. van Wickede verstrekte informatie in zijn in 1750 uitgegeven ‘Kanari-uitspanningen, of nieuwe verhandeling van de
Kanari-teelt’. In dit boek wordt ook de aandacht gevestigd op handelaren uit de Zui-delijke Nederlanden. Zo lezen we dat ‘in de Maenden Augustus en September Luiker Walen en Walinnen Kanari-vogels veilen, die in het Luiksche en in Braband in de kloosters geteeld worden’. Uit van Wickede’s beschrijving van de handelswijze van deze kooplieden concluderen we dat de uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstige handelaren geen deuntjes zingende kanaries verkochten. 39 Duidelijk is wel dat medio de 18e eeuw Wallonië zich ook tot een centrum van kanarieteelt had ontwikkeld.
Op grond van in de Amsterdamse Courant geplaatste advertenties concluderen we dat men in Wallonië in de tweede helft van de 18e eeuw zich o.m. toelegde op het africhten van kanaries, zowel met de fluit als met de serinette. Van enkele handelaren die de steden in de Republiek aandeden is hun herkomst bekend: L.L. Dortie kwam uit ‘Luikerland’, Jan Leenderts en Henri Watard uit ‘Limburg’. Andere met name genoemde handelaren in ‘geleerde’ kanaries waren Sr. Moreau, Nicolaas Jacquet, Pieter Le Gran, Herman Honet, Francois Nisset, Adam Wielket; naar we aannemen allemaal uit het Franstalige deel van de Zuidelijke Nederlanden afkomstig. Sommige kooplui, waarvan de namen niet altijd even consequent gespeld werden, bezochten jaren achtereen, vnl. in de maanden februari – maart, Amsterdam om hun deuntjes zingende kanaries te verkopen, zoals Sr. Moreau (1759-1766), Jan Leenderts/Leenders (1760-1764), Henri/Hendrik Water/Waatar/Wathar/Wattaard/Quatar/ Watha (1764-1782), Nicolaas Jacquet (1778-1779), Piet Le Gran/Lagraan (1780-1789), Herman/Hermanus/Manus Honet/Honnet/Hennet (1783-1789), Adam Wielket/Wilkens (1792-1793).40

Repertoire en populariteit geleerde kanaries
Over het repertoire van de in de Republiek verkochte ‘geleerde’ kanaries is weinig bekend. De uit de 18e eeuw bewaard gebleven serinettes zijn vooral van Franse herkomst en bevatten dus ook Franse melodietjes. Door mij werd slechts één advertentie gevonden waarin een deuntje werd genoemd: In de Amsterdamse Courant van 21 april 1759 adverteerde Sr. Moreau met een kanarie die ‘Wilhelmus van Nassau’ kon zingen. Hiermee wordt de indruk gewekt dat ‘geleerde’ kanaries speciaal voor de Hollandse markt werden afgericht.
De vraag hoe populair de melodietjes zingende kanarie in de 18e eeuw was is erg lastig te beantwoorden. Advertenties waarin kanaries die een wijsje konden zingen te koop werden aangeboden werden door mij vrijwel uitsluitend gevonden in de Amsterdamse Courant. Gedurende de periode 1760-1800 werd per jaar in Amsterdam maximaal door drie verschillende handelaren voor ‘geleerde’ kanaries geadverteerd. Soms had een handelaar ook maar ‘eenigen’ kanaries bij zich die een deuntje konden zingen. Er werd gedurende de periode 1660-1795 in de Republiek dus wel gehandeld in wijsjes zingende kanaries, maar de clientèle is, naar mijn veronderstelling, nooit heel erg groot geweest, ook niet in de tweede helft van de 18e eeuw toen het aanbod van, met name, de ambulante vogelhandelaren het grootst was. Het bedrag dat voor een ‘geleerde’ kanarie neergeteld moest worden ging namelijk de financiële draagkracht van het overgrote deel van de bevolking ver te boven.  De regio Amsterdam lijkt het belangrijkste afzetgebied te zijn geweest.41

Verkoopprijs ‘geleerde’ kanaries
We zagen hiervoor dat medio de 17e eeuw men maar liefst 60-80 gulden voor een ‘geleerde’ kanarie betaalde. Aangenomen wordt dat naarmate er meer kanaries werden gefokt en afgericht de prijs voor een deuntjes fluitende kanarie daalde. Welk bedrag men in de 18e eeuw voor een ‘geleerde’ kanarie moest neertellen kon tot dusver niet achterhaald worden. Een aanwijzing voor de prijs die ca. 1800 voor een kanarie, die één of meerdere airtjes kon zingen, betaald moest worden vinden we in A.I. Kellner’s ‘Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen’. In een noot staat een persoonlijke opmerking van de vertaler. Nadat hij de lezer geattendeerd heeft op de frauduleuze praktijken van de ambulante vogelverkopers en een advies heeft gegeven bij het kopen van kanaries wilde hij ook nog wel iets kwijt over de verkoopprijs van ‘geleerde’ kanaries: ‘Hoe dikwijls maken zij ook veel geld voor een vogel, die airtjes fluit. Zulke heb ik meermalen gezien, voor welke twee tot drie dukaten gegeven was. In het jaar 1806 bood iemand voor zulk een vogel vier dukaten. Het antwoord was: ‘Hij is voor nog geen acht te koop, in Holland krijg ik voor deze meer’.42
Op grond van voorafgaande schatten we dat omstreeks 1800 een ‘geleerde’ kanarie van gemiddelde kwaliteit voor 10-15 gulden werd verkocht. De hoogte van de prijs zal ongetwijfeld mede bepaald zijn door het aantal deuntjes dat de kanarie fluiten kon.
Dat niet alleen de handel maar ook het africhten van kanaries toentertijd een lucratieve aangelegenheid was kunnen we concluderen uit een in A.I. Kellner’s, ‘Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen’ opgenomen ‘Anekdote’  over een waarschijnlijk in Saksen wonende schoolmeester. ‘Bij een schoolonderzoek klaagden de boeren hunnen Schoolmeester aan, dat hij, gedurende den schooltijd, alle half uren in de naastgelegene kamer ging, en dan kanarievogelen op het vogelorgel voorspeelde: ‘Dat gaat niet aan’, zeide de Heer School-inspector, ‘wanneer gij dat niet nalaat, dan moet ik het aangeven: gij zijt ter onderwijzing der kinderen, maar niet der vogelen aangenomen’. – ‘Maar, Hoogeerwaardig Heer!’ antwoordde de schoolmeester; ‘bij het onderwijs mijner schoolkinderen zou ik van honger moeten sterven; want daarvoor verkrijg ik jaarlijks twintig rijksdaalders; het onderwijs mijner vogels brengt mij meer op, menige boer, die mij voor zijn kind jaarlijks agt goede grosschen (twaalf stuivers Hollands) geeft, betaalt mij voor zijnen vogel, dien ik leer, twee rijksdaalders en wanneer hij goed leert, nog meer, zonder nu nog te spreken van het geen ik door den handel met deze vogels verdien: moet ik het onderwijzen van één van beide opgeven, dan geef ik mijne kinderen op en behoude de vogelen.” 43

 
Afbeelding. Schilderij getiteld ‘La Serinette’ uit 1751. Een tot de gegoede kringen behorende dame speelt op een serinette een kanarie in een kooi een melodietje voor. Geschilderd door Jean-Baptiste Siméon Chardon (1699-1779)

Serinettes in de praktijk
Op grond van 18e en 19e eeuwse literatuur en krantenadvertenties kunnen we concluderen dat serinettes werden gebruikt om kanaries een melodietje aan te leren. Het africhten vond plaats buiten gehoorsafstand van zingende soortgenoten en begon als de kanarie nog heel jong was en nauwelijks soorteigen zang had gehoord. Hiervoor zagen we dat ca. 1800 het gebruikelijk was om meerdere kanaries tegelijk af te richten en het kanaries aanleren van melodietjes een lucratieve aangelegenheid, voor sommigen zelfs een belangrijke neveninkomsten was. Mij zijn geen tekeningen of schilderijen bekend van dergelijke trainingscentra voor ‘geleerde’ kanaries. Er zijn wel prenten en schilderijen gemaakt van personen die aan de slinger van een serinette draaien. Het is echter de vraag of de kunstenaars een situatie hebben vastgelegd waarin een jonge kanarie wordt afgericht.
Naast een aan René Gaillard toegeschreven, gravure zijn mij tot dusver vier 18e eeuwse schilderijen bekend waarop een afgebeelde persoon aan de slinger van een serinette draait
.
Op de uit ca.1765 daterende gravure van René Gaillard (1719-1790) is een vrouw afgebeeld die in een eenvoudige omgeving, een keuken?, een kanarie een liedje voorspeelt op een serinette. Bij de prent  is een achtregelig gedichtje afgedrukt met de titel ‘L’heureux serin’.
De mij bekende schilderijen zijn:
- The Graham Children, in 1742 geschilderd door  William Hogarth (1697-1764)  (Collectie The National Gallery, London).
- La Charmeuse (De bekoorlijke dame), ca. 1750 geschilderd door Jean- François Gilles (Colson), 1733-1803) (Collectie Fine Arts Museums of San Francisco, San Francisco).
- La Serinette, in 1751 geschilderd  door Jean-Baptiste Siméon Chardon (1699-1779), (Collectie Musée du Louvre, Paris).
- Micaela Maria de las Nieves Fourdinier, in 1783 geschilderd door Luis Pablo Saturnino Paret y Alcázar (1746-1799) (Collectie Museo Nacionale del Prado, Madrid)

Afbeelding. ‘The Graham Children’ (1742), geschilderd door William Hogarth (London, 1697-1764)

Op het in 1742 door William Hogarth (1697-1764) geschilderde ‘The Graham Children’ zien we de kinderen van Daniël Graham, apotheker van de Britse koning George II. Van links naar rechts zijn dat: Thomas (geb. 18-08-1740), Henrietta Catherine (geb. 08-11-1733), Anna Maria (geb. 07-07-1738) en Richard Robert (geb. 08-01-1735) De in de babywagen zittende Thomas was al overleden toen Hogarth het schilderij schilderde. De zeven jarige Richard Robert  heeft een serinette op z’n schoot.
Op  het uit 1751 daterende ‘La Serinette’ van  Jean-Baptiste Siméon Chardon (1699-1779) zien we een kamerinterieur met een vogelkooi en een dame die aan de slinger van een serinette draait. De schilderijen van de Franse schilder Jean Francois Gilles Colson en de Spaanse schilder Luis Paret y Alcázar betreffen beide
evens een portret van een vrouw. Terwijl de vrouw aan de slinger van de serinette draait zit de kanarie niet in een kooi maar luistert de vogel toe op de rand van het zangorgeltje. Mede op grond van de weelderigheid van de jurk mogen we concluderen dat op de schilderijen van  Chardon, Gilles Colson en Paret y Alcázar vrouwen uit welgestelde kringen worden geportretteerd.
Van de dame op het door Luis Paret y Alcázar geschilderd portret is de naam bekend. Het is namelijk diens echtgenote Micaela Maria de las Nieves Fourdinier. Luis Paret y Alcázar was al op relatief jonge leeftijd als veelbelovend schilder in dienst getreden bij het Spaanse hof en heeft vrijwel z’n hele carrière in opdracht van de Spaanse koning geschilderd. Aan de kleding waarin hij z’n vrouw heeft geschilderd  kan geconcludeerd worden dat het verblijf aan het hof hem geen windeieren heeft gelegd.44

 
Luis Pablo Saturnino Paret y Alcázar (Madrid, 1746-1799) schilderde in 1783 diens echtgenote Micaela Maria de las Nieves Fourdinier terwijl ze aan de slinger van een serinette draait en de kanarie op de rand van het deksel zit.

Dat op de schilderijen mensen uit welgestelde, bourgeois, kringen met een serinette worden afgebeeld is niet zo verwonderlijk. Minder vermogenden beschikten domweg niet over de middelen om zich door een schilder te laten portretteren. Verder zagen we in voorafgaande dat men, zeker medio de 18e eeuw, voor de aanschaf van een serinette diep in de buidel moest tasten. Om deze reden is het daarom aannemelijk dat serinettes toen alleen in de huiselijke kring van welgestelden werd aangetroffen. 

Was, echter, Daniël Graham behalve hofapotheker ook kanariekweker; zitten de door Gilles Colson en  Chardon geschilderde chique geklede dame in de woonkamer van een kanariefokker, en werden zowel zoonlief als de vrouw des huizes ingeschakeld om jonge kanaries af te richten? Het zou kunnen, want met het houden en fokken van kanaries hield Jan met de Pet zich in de 18e eeuw niet bezig, maar is het aannemelijk? Zoals het ook maar de vraag is of  Luis Paret y Alcázar behalve hofschilder ook kanariefokker was. Mogelijk bezat Micaela Maria de las Nieves Fourdinier een kanarie die één of meerdere wijsjes kon zingen en speelde op gezette tijd op de serinette de melodietjes voor die de kanarie op het repertoire had. Je vrouw afbeelden met de kanarie waaraan ze gehecht is lijkt geen vergezocht motief om haar zo te schilderen zoals Luis Paret y Alcázar heeft gedaan.
Men kan zich ook niet aan de indruk onttrekken dat op
de schilderijen de serinette en de kanarie attributen zijn die de schilder de gelegenheid geven het familie- en vrouwenportret te verlevendigen: Ook in dit opzicht zijn de vier genoemde schilderijen vergelijkbaar: (groeps)portretten met de serinette als decoratie.

Jean-François Gilles (Colson), (Dijon, 1733 - Parijs, 1803), schilderde ca. 1750 'La Charmeuse', een dame die aan de slinger van een slinger van een serinette draait, terwijl de kanarie op de rand van het deksel zit.

Kan de serinette in de afgebeelde situaties dan geen enkel functioneel nut toegeschreven worden? Er is, naar mijn overtuiging, op de genoemde 18e eeuwse schilderijen geen reële situatie weergegeven waarin een kanarie daadwerkelijk wordt afgericht een melodietje te zingen. Aannemelijker is om te veronderstellen dat de serinette werd aangeschaft om de kanarie de ingestudeerde wijsjes voor te spelen opdat hij zijn repertoire niet zou vergeten. Voor een onderbouwing van deze veronderstelling moeten we te rade gaan bij wetenschappers die de zangontwikkeling, i.h.b. van kanaries, hebben bestudeerd.
In 2005 publiceerden Fernando Nottebohm en Dorothea Leonhardt, professoren aan de Rockefeller University, in het wetenschappelijk tijdschrift Science de resultaten van hun onderzoek waarin het een kanarie aanleren van een soortvreemd liedje, nader was bestudeerd. Ze kwamen o.m. tot de conclusie dat het mogelijk is jonge kanaries een voor een kanarie vreemd liedje aan te leren, maar de vogel wel de neiging heeft bij het volwassen worden het liedje te vergeten en terug te vallen op soorteigen repertoire.45
In een eerder onderzoek hadden F. Nottebohm en anderen
bij mankanaries ontdekt dat het volume van delen van de hersenen waarin de zangontwikkeling plaatsvindt in de loop van het jaar fluctueert. Kanaries verliezen jaarlijks in de zomer en met name tijdens de rui, met het krimpen van het volume van bepaalde hersendelen, een deel van hun zanggeheugen om dit vervolgens in de loop van het najaar bij de groei van het hersenvolume weer opnieuw te ontwikkelen. Het gevolg is dat in  de loop der jaren het lied van een kanarie kan veranderen.46
De resultaten van de onderzoeken in de laboratoria van de Rockefeller University in New York verschaffen ons een wetenschappelijke verklaring voor een verschijnsel dat kanariekwekers al lang kennen. Wanneer een kanarieman met stamvreemde zang wordt aangeschaft zal de zang van de aangekochte vogel in de loop der jaren zich aanpassen aan het zangmilieu waarin hij zich op dat moment bevindt. Tijdens de rui, waarin door de ruiende man niet of nauwelijks wordt gezongen, wisselt de vogel niet alleen van verenkleed, maar kan ook de zang veranderen.
Ook in voorafgaande eeuwen moet men, evenals Nottebohm & Co. in 2005, geconstateerd hebben dat de gekochte ‘geleerde’ kanarie na verloop van tijd de ingestudeerde wijsjes niet meer zo herkenbaar zong als bij aanschaf. Mijn veronderstelling is daarom dat serinettes niet alleen werden
gekocht voor het africhten van kanaries, maar ook om een ‘geleerde’ kanarie regelmatig het kunstmatig aangeleerde lied voor te spelen opdat hij het niet zou ‘vergeten’. De door Jean-Baptiste Siméon Chardon, Jean Francois Gilles Colson en Luis Pablo Saturnino Paret y Alcázar geschilderde welgestelde dames zijn, naar mijn overtuiging, niet bezig een jonge kanarie een liedje aan te leren, maar spelen op de serinette hun ‘geleerde’ kanarie het ingestudeerde deuntje voor om z’n geheugen op te vijzelen.
Serinettes werden, naar mijn veronderstelling, dus niet alleen gebruikt om kanaries een melodietje aan te leren, maar ook om het geheugen van ‘geleerde’ kanaries op te frissen.

Algemeen bekend fenomeen
Beperkte het bezit van een wijsjes zingende kanarie zich hoogstwaarschijnlijk tot een vrij kleine, welgestelde, groep. De bekendheid met het fenomeen was, naar mijn indruk, algemeen. In ieder geval onder degenen die konden lezen en schrijven. Deze conclusie is gebaseerd op een ingezonden stuk in de te Amsterdam uitgegeven ‘Opregte Nederlandsche Courant’ van 11 januari 1787. Om de toenmalige strijd tussen patriotten en prinsgezinden op de hak te nemen schreef een onbekende een ingezonden brief waarin hij een fictieve ambulante vogelverkoper ten tonele voerde die twee soorten ‘geleerde’ kanaries verkocht: kanaries die patriottische of prinsgezinde deuntjes zongen. Al naar gelang de politieke voorkeur kon men dus een kanarie aanschaffen die hem welgezinde liedjes floot. De keuze om het ingezonden stuk in deze vorm te gieten zal ongetwijfeld bepaald zijn door de wetenschap dat het overgrote deel van de lezers goed op de hoogte was van ambulante vogelverkopers die melodietjes zingende kanaries verkochten.

Wijsjes zingende kanaries in de 19e eeuw
De door buitenlanders gedomineerde ambulante kanariehandel lijkt erg veel hinder ondervonden te hebben van de Napoleontische oorlogen. De instabiele situatie in Europa weerhield kennelijk velen om met hun handelswaar vanuit Duitsland naar Holland te reizen. Het aantal krantenadvertenties van ambulante vogelverkopers gedurende de periode van de Bataafse Republiek, het Koninkrijk Holland en de jaren dat Nederland bij Frankrijk was ingelijfd is opvallend klein. Pas na 1820 lijken de Tiroolse en vooral Saksische vogelhandelaren weer de draad van voor de Napoleontische oorlogen te hebben opgepakt. Tussen het bescheiden aantal advertenties dat in uit de ‘Franse Tijd’ daterende kranten werd aangetroffen stonden ook enige waarin een uit ‘Tyrool’ afkomstige handelaar, Pieter Le Clerq! ‘geleerde kanaries’ te koop aanbood, waaronder enkele exemplaren die het wijsje van ‘De Deserteur’ floten, een toen kennelijk populair liedje.46 Pieter verkocht overigens niet alleen kanaries die een melodietje konden zingen, maar had ook ‘eenige geleerde lijsters’ in z’n assortiment. 
De indruk bestaat dat in de 19e eeuw het gebruik van de serinette steeds meer ingeburgerd raakte en in populariteit het africhten met het flageoletje voorbij streefde. Zo werd regelmatig door Nederlandse handelaren in muziekinstrumenten geadverteerd met orgeltjes waarmee je kanaries een liedje kon aan
-leren. F. van Oekelen, ‘organist’ prees zich niet alleen aan als orgel- en pianostemmer, maar had zelfs ‘fraaije nieuwe Draai-Orgeltjes, geschikt voor Kanarie-Vogels, en dito Orgels voor Meerlers en Kanarie-Vogels, die voor beide in één zijn´ in de verkoop. Het is overigens de enige advertentie die ik heb gevonden waarin een serinette te koop werd aangeboden die gebruikt kon worden voor zowel het africhten van kanaries als merels.47
De uitgever van F. van Wickede’s ‘Kanari-uitspanningen’ besloot voor de in 1837 uit te geven zesde druk de tekst over het africhten van kanaries volledig te redigeren. Werd tot en met de vijfde uitgave de lezer geïnstrueerd kanariemannetjes met een fluitje een melodietje voor te fluiten en daarvoor passende ‘airtjes’ in notenschrift afgedrukt, in de zesde editie van 1837 werd in de originele tekst het ‘flageoletje’ vervangen door ‘orgeltje’. Kennelijk was het africhten met de serinette inmiddels standaard geworden en werd het fluitje nauwelijks meer gehanteerd.48 
Hoewel incidenteel een uit Saksen afkomstige vogelhandelaar ‘geleerde’ kanaries te koop aanbood kwamen ook na de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 de meeste ambulante vogelverkopers die ‘airtjes’ fluitende kanaries in de aanbieding hadden uit de Zuidelijke Nederlanden.49
De frequentie waarin voor ‘geleerde’ kanaries in kranten werd geadverteerd werd naarmate de 19e eeuw vorderde steeds lager. Waar de belangstelling voor de deuntjes fluitende goudvink tot in de 20e eeuw bleef bestaan lijkt in Nederland de melodietjes zingende kanarie in de 19e eeuw stilaan uit de huiskamers te zijn verdwenen.

Noten
1. Plokker, Jaap, Geschiedenis: Ambulante kanariehandelaren te Leiden in de 18e en 19e eeuw. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari 2014, 30e jaargang nr.1, pp. 14-32 en mei 2014, 30e jaargang, nr. 2, pp. 10-36.; Michel Klein: Leydse Courant, 29-05-1818, 04-01-1822, 28-01-1831, 07-09-1832, 27-02-1837, 04-03-1840, 24-01-1842. Pieter Posthaus: Leydse Courant, 26-04-1820, 27-04-1821, 25-02-1822, 10-03-1823, 09-04-1824, 02-03-1825, 14-04-1828, 16-03-1831. Voor Pieter Posthaus zie ook: Rotterdamsche Courant, 14-03-1835. Voor Michel Klein, zie ook: Rotterdamsche Courant, 14-05-1836. Voor het africhten als bijverdienste: Kellner, Augustus Immanuel, Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen, pp. 107-108. Amsterdam 1808, 1e editie.
2. Blagrave, Joseph, The Epitome of the Art of Husbandry, London 1675, 3rd ed., pp. 125, 134-135. (Inventarisnummer Kon. Bibl.: KW 1113 F4)
3. Nylant, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel der Aertsche Schepselen, afbeeldende allerhande Menschen, Beesten, Vogelen, Visschen, etc. Met een Beschrijvende haar gestalte / hoedanigheden / natuur / krachten / eigenschappen / en genegentheden met 160 Figuren. Amsterdam, 1672, p. 228, 231. (Inventarisnr. Kon. Bibl.:  KW 447 F 13)
4. Amsterdamse Courant: 27-11-1783,  24-11-1787, 17-01-1804; Middelburgsche courant: 31-05-1821.
5. Plokker, J., Aria’s fluitende goudvinken. In ‘Onze Vogels’, Orgaan van de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers, januari 2007, pp. 3-5.
6. Kellner, A.I., Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen, o.c. pp. 107-108.
7. Goudvinken handelaren met in de advertentie een verwijzing naar de woonplaats van de koopman: Amsterdamse Courant: 27-04-1747, 30-03-1756, 10-04-1759, 14-04-1759, 03-04-1760, 03-04-1762, 16-03-1771,  16-03-1773, 10-04-1773, 24-03-1774, 05-04-1777; Opregte Groninger Courant: 30-06-1772, 10-07-1772, 30-06-1775; Haagsche Courant: 13-04-1750 (ontleend aan Matthey, Ignaz, Vincken moeten vincken locken, Hilversum 2002, p. 279. )
Advertenties voor ‘geleerde’ goudvinken met opgave van repertoire: Amsterdamse Courant: 01-04-1741, 27-04-1747, 28-04-1757, 14-04-1759, 03-04-1762, 10-05-1768, 16-05-1771, 16-03-1773, 10-04-1773, 24-03-1774, 10-05-1774, 6-4-1775, 05-04-1777; Oprechte Haerlemsche Courant: 18-04-1741.
8. Advertentie waarin wordt aangegeven dat goudvink wijsje met Flageolet is aangeleerd: Amsterdamse Courant 30-05-1741, 16-03-1771.  Over de praktijk in de 19e eeuw in Duitsland en een nadeel van het vogelorgeltje:  De Pluimgraaf,  Weekblad voor Liefhebbers van Zang- en Kamervogels, Pluimvee, Duiven en Konijnen, tevens officieel orgaan van Luscinia, Vereeniging ter bevordering der liefhebberij van Zang-, Sieraad en Kamervogels. Uitgegeven door De Erven Loosjes, Haarlem, Jaargang 1900, pp. 282-283 (4 mei 1900).  Uit: De Pluimgraaf, gebundelde jaargangen 1899-1900, in het bijzonder de onder redactie van  C.L.W. Noorduijn verschenen rubriek ‘Zang en Kamervogels’. De bundel is samengesteld door Gea Stoop en uitgegeven door de ’s  Gravenhaagse Vereniging van Vogelliefhebbers ‘Luscinia’, z.j. Over serinettes die speciaal voor goudvinken werden gemaakt vindt men enige informatie op de website van de in Parijs gevestigde restaurateur van oude mechanische muziekinstrumenten, Bernhard Pin. Men vindt er ook enige, weliswaar uiterst beknopte, informatie over het gebruik en de fabricage van vogelorgeltjes in Frankrijk in de 18e eeuw. (www.bernard-pin.com)
9. Plokker, J., Aria’s fluitende goudvinken. In ‘Onze Vogels’, Orgaan van de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers, januari 2007, pp. 3-5.
10. Leydsche Courant, 26-04-1820, 27-04-1821, 25-02-1822, 24-04-1822, 10-03-1823, 16-03-1831. Zie voor de 18e eeuw ook noot 7.
11. De Pluimgraaf, Weekblad voor Liefhebbers van Zang- en Kamervogels, Pluimvee, Duiven en Konijnen, tevens officieel orgaan van Luscinia, Vereeniging ter bevordering der liefhebberij van Zang-, Sieraad en Kamervogels. Uitgegeven door De Erven Loosjes, Haarlem, Jaargang 1900, p. 107 en 123 (resp. 16 en 23 februari 1900). Uit: De Pluimgraaf, gebundelde jaargangen 1899-1900, o.c. Zie voor wijsjes fluitende goudvinken ook: Plokker, J., Aria’s fluitende goudvinken. In ‘Onze Vogels’, Januari 2007, pp. 3-5.
12. Rotterdamsche courant: 02-04-1825, 14-03-1835, 14-05-1836; Groninger courant: 04-03-1825; Leydsche Courant 16-03-1831, 04-03-1840, 09-02-1863; Leidsch Dagblad, 22-12-1881, 13-02-1890, 26-02-1914.. 
13.
Blagrave, Joseph, The Epitome, o.c., pp. 125, 134-135.  Nylant, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel, o.c., p. 228.  Zanden, J.L., Kosten van levensonderhoud en loonvorming in Holland en Oost-Nederland 1600-1850. Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 11 (1985), p. 312.
14. Dapper, O., Naukeurige Beschrijvinge van de Afrikaanse Eylanden als Madagaskar of Sant Laurens, Sant Thomee, d’eilanden van Kanarien Kaep de Verd, Malta en andere. Uitgegeven te Amsterdam door Jacob van Meurs op de Keysersgracht in de stadt Meurs, 1668, p. 93. (Inventarisnummer Kon. Bibliotheek: 185 B 11)
15. Nylant, P. en J. van Hextor, Het Schouw-toneel, o.c., p. 228.
16. Plokker, J., Huiskamerkanaries in de Nederlanden in de 16e eeuw. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2013, 29e jaargang, nr. 3, pp. 12-27.   Roo, Tom de, Dierlijke gezelschap, menselijke reflectie, Gezelschapsdieren en hun culturele betekenis in de Moderne Tijd. Universiteit Antwerpen, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis, 2004-2005, pp. 138-145.  Roo, Tom de, Kanarieliefhebberij in de 18e eeuw – op het kruispunt van wetenschap en vrije tijd. In: De achttiende eeuw, nr. 41 (2009), pp. 106-108.  Plokker, J., Kanariehandel in de 16e eeuw vanuit West-Europees perspectief . In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie september 2013, 29e jaargang, nr. 3, pp. 38-76.   
17. Hervieux de Chanteloup, J.C., Traité curieux des serins de Canarie/ Naauwkeurige verhandeling van de Kanarivogels. pp. 87-97. Deze gecombineerde Frans/Nederlandse uitvoering werd in 1712 uitgegeven door Hendrik Schelte te Amsterdam. De vertaling vanuit het Frans is van A. Moubach.
18. Hervieux, Nouveau traité des serins de Canarie, 1e editie, Parijs, bij Claude Prudhomme, 1709. Hervieux, Nouveau traité des serins de Canarie, 2e editie, Parijs, bij Claude Prudhomme, 1713, pp. 101-107.
19. Hervieux de Chanteloup, J.C., Nouveau traité des serins de Canarie, 3e editie, Parijs, bij Joseph Saugrain, 1745, pp. 101-107.
20. Hervieux de Chanteloup, J.C., Nouveau traité des serins de Canarie, 3e editie, o.c., pp. 356-359.
21. Info van diverse sites op internet.
22. Onder meer op de website van de in Parijs gevestigde restaurateur van oude mechanische muziekinstrumenten, Bernhard Pin, is enige, weliswaar uiterst beknopte, informatie te vinden over het gebruik en de fabricage van vogelorgeltjes in Frankrijk in de 18e eeuw.(www.bernard-pin.com
).
23. Hervieux de Chanteloup, J.C., Nouveau traité des serins de Canarie, 3e editie, Parijs, bij Joseph Saugrain, 1745,  pp. 356-359.  
Plokker, J., Ambulante kanariehandelaren te Leiden in de 18e en 19e eeuw. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari, 30e jaargang nr.1, pp. 14-32 en mei 2014, 30e jaargang, nr. 2, pp. 10-36. 
24. Zie ook: ‘s Hertogenbossche Courant, 21-12-1779, 24-12-1779, 03-03-1780, 07-03-1780.
25. Amsterdamse Courant, 27-11-1783.
26. ‘s Hertogenbossche Courant, 21-12-1779, 24-12-1779, 03-03-1780, 07-03-1780; Amsterdamse Courant, 27-11-1783.
27. Wickede, F. van, Kanari-uitspanningen, Amsterdam 1786, 5e druk, pp.  72-80. De in Arnhem woonachtige van Wickede heeft overduidelijk zich laten inspireren door het boek van  J.C. Hervieux en neemt daar grote stukken uit over, maar vult de tekst ook aan met eigen ervaringen en is daarom meer dan een Nederlandstalige bewerking van Hervieux’ boek. Hier dachten overigens de uitgevers van beide boeken heel verschillend over. Voor de polemiek tussen beide uitgevers zie o.m. Leydsche Courant 23-05-1750 en 03-06-1750.  
28. Amsterdamse courant, 26-03-1763. 
29. F. van Wickede, F. van, ‘Kanari-uitspanningen of nieuwe verhandeling van de Kanari-teelt’, zesde druk, Amsterdam 1837, pp. 79-84.
30. Amsterdamsche Courant, op de fluit, o.m., 11-03-1728, 30-05-1741, 06-10-1746, 08-02-1759, 21-04-1759, 08-03-1760, 28-03-1761, 01-04-1762, 15-03-1763, 25-02-1764, 16-03-1765, 08-02-1766, 22-04-1766, 09-02-1769, 16-03-1771. 
Op het orgel: 26-03-1763.
31. Amsterdamsche Courant, 24-11-1787, 23-2-1788, 14-05-1791.
32. Zie ook Amsterdamsche Courant, 24-03-1725, 11-03-1728, 18-03-1730.
33. Amsterdamsche Courant, 14-05-1791. Zie ook Amsterdamsche Courant, 24-11-1787, 23-02-1788.
34. Plokker, J., Ambulante kanariehandelaren te Leiden in de 18e en 19e eeuw
. In: Contactblad Speciaalclub Zang NZHU, editie februari 2014, 30e jaargang nr.1, pp. 14-32 en mei 2014, 30e jaargang, nr. 2, pp. 10-36.
35. Amsterdamse Courant, 24-11-1789.
36. Plokker, J., Ambulante kanariehandelaren te Leiden in de 18e en 19e eeuw, o.c.
37. Kellner, Augustus Immanuel, Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen, pp. 74-75,
107-108. Amsterdam 1808, 1e editie. Oorspronkelijke Uitgave: Naturgeschichte der Kanarienvogel,  Leipzig 1805. Deze ‘anekdote’ werd, zonder bronvermelding overigens,  in ‘Onze Vogels’, jaargang 2016, editie maart, blz. 20.  afgedrukt in de rubriek ‘Door de jaren heen’.
38. Amsterdamse Courant, 06-10-1746.
39. Wickede, F. van, Kanari-uitspanningen, of nieuwe verhandeling van de kanari-teelt, pp. 1-6. Amsterdam 1786, 5e druk.    
40. Amsterdamsche Courant, 08-02-1759, 21-04-1759, 08-03-1760, 28-03-1761, 01-04-1762, 15-03-1763, 26-03-1763, 25-02-1764, 10-03-1764, 23-02-1765, 16-03-1765, 08-02-1766, 22-04-1766, 12-05-1767, 09-02-1769, 19-02-1771, 27-02-1773, 10-03-1778, 26-11-1778, 13-02-1779, 16-03-1779,18-05-1779, 29-02-1780, 27-04-1780, 28-02-1782, 05-03-1782, 14-05-1782, 28-10-1782, 11-02-1783, 10-11-1785, 25-02-1786, 29-04-1786, 01-05-1787, 20-05-1788, 09-04-1789, 24-11-1789, 06-11-1792, 27-04-1793.
41. Zie noot 40.
42. Kellner, Augustus Immanuel, Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen, p. 6. Amsterdam 1808, 1e editie. Eén dukaat vertegenwoordigde toen een waarde van ca. 5½ gulden, iets meer dan een gemiddeld week
loon van een bouwvakker.)
43. Kellner, Augustus Immanuel, Natuurlijke Historie der Kanarie-Vogelen, pp. 107-108. Amsterdam 1808, 1e editie.
44.
De gravure van René Gaillard en de schilderijen van Jean-Baptiste S. Chardon, Jean Francois Gilles Colson en Luis Paret y Alcázar heb ik op Internet gevonden. Door Marieke Lefeber, conservator van het te Utrecht gevestigde Museum Speelklok, werd ik geattendeerd op ‘The Graham Children’ van William Hogarth.
45.
Nottebohm, e.a., Freedom and Rules: The Acquisition and Reprogramming of a Birds Learned Song. In : Science, May 13th,  2005, Vol. 208, issue 5724, pp. 1046-1049. Zie ook: ‘For Young canaries learning their song, freedom in youth gives way to rules in adulthood. Newswire, internetsite van de Rockefeller University, May 12th, 2005.
46. Nottebohm, F. & M.E. Nottebohm, Relationship between song repertoire and age in the canary. Passim. Zeitschrift für Tierpsychologie nr. 46, 1978. Nottebohm, F., A brain for all seasons: Cyclical anatomical changes in song control nuclei oft he canary brain. Science 214 , pp. 1368-1370 (1981). Internet. Kirn, J.R., B. O’Loughlin, S. Kasparian, F. Nottebohm, Cell death and neuronal recruitment in the high vocal center of a adult male canaries are temporally related to changes in song. Proc. Natl. Acad. Sci. USA 19, pp. 7844-7848 (1994), Internet. Nottebohm, F., The neural basis of birdsong (2005). Internet. Zie ook: Plokker, J., Het fokken van zangkanaries en wetenschappelijk onderzoek. In: Contactblad Doelgroep Zang, regio NZHU, jaargang 2009, nr. 3, pp. 38-49.
4
7.  Amsterdamse courant 17-01-18034, 1-2-1806.
4
8. Middelburgsche courant: 31-05-1821.  Zie ook de advertentie van ´Meyer en Blessing´ in de Rotterdamsche courant van 08-08-1826, 12-08-1826, 05-08-1834 en  09-08-1834,  waarin ´Orgels om Kanarievogel te leeren´ werden aangeboden.
4
9.  F. van Wickede, F. van, ‘Kanari-uitspanningen of nieuwe verhandeling van de Kanari-teelt’, zesde druk, Amsterdam 1837, pp. 79-84.
50. Rotterdamsche courant: 17-04-1827, 07-12-1830; ´s Gravenhaagsche courant: 18-03-1826.

-0-
 

vereniging

Mededelingen

Frans Christoffels overleden
Zondag 19 februari 2017  werd ik (Jaap Plokker) gebeld door Andries Gort, die me het trieste nieuws vertelde dat op 17 februari Frans Christoffels was overleden. Frans is op 1 januari 1994 lid van de NZHU geworden en heeft al die jaren trouw aan de activiteiten van de club deelgenomen: Kwam naar de jaarvergadering, schreef vogels in voor de wedstrijd en behoorde regelmatig tot de prijswinnaars. Frans was een vriendelijke man, verre van een druktemaker, bleef meestal bescheiden op de achtergrond. Typerend voor hem vind ik ook dat hij altijd de moeite nam, wanneer hij weg ging, mij ter afscheid de hand te drukken.
In mei 2008 zijn Ton Diepenhorst en ondergetekende bij Frans op bezoek geweest voor een interview voor het clubblad. Op de website van de club, www.zangkanaries.nl, staat onder Artikelen, Interviews, hiervan het verslag.

Foto. 24 december 2016. Studiedag32e clubkampioenschappen. Vlnr. Krien Onderwater, Joop Aelbrecht, Frans Christoffels, Andries Gort en Henk van der Wel.


 

Contactblad Speciaalclub Zang NZHU

De Speciaalclub Zang NZHU is aangesloten bij de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers

September 2017, 33e jaargang, nr. 3

Inhoudsopgave     
Voorwoord      
Een roller kan geen slager zijn – Terugblik 
In gesprek met ….  Henk Oudshoorn  
Op consult bij Hedwig van der Horst
Palmolie
Mededelingen



vereniging

Voorwoord

door Jaap Plokker

Nu ik dit zit te schijven is, volgens de kalender, de herfst al begonnen. Een nieuw verenigingsseizoen staat voor de deur, met uiteraard als klap op de vuurpijl onze clubkampioenschappen van 21 t/m 23 december 2017.  De mannetjes die daar straks zullen zingen zijn al geboren en zitten nu in de vluchten te studeren. Zonder jongen geen wedstrijdvogels, dus het broedseizoen is voor ons onmisbaar, maar het najaar beschouw ik toch als de meest interessante periode van onze hobby. Het op zang komen van de jongen, het zoeken naar de eerste toertjes, de sprank van hoop op een topvogel als je in de volière mooie toonstukjes hoort; was het oude man of  een jong en was het nou die gele of die met het zwarte petje? Dit is nog maar het begin, want straks komt het echte werk: het opkooien, het afluisteren. We boffen als zangkanariekwekers maar dat onze hobby zoveel razend interessante seizoenen kent.
Voor jullie ligt de derde clubblad editie van dit jaar. Stond de vorige aflevering geheel in het teken van het verleden, in dit clubblad staan we met beide benen in 2017. Het artikel over rolvogels en slagvogels in editie 2017-1 heeft nogal wat reacties opgeleverd. We komen er dus uitgebreid op terug. Verder een verslag over een lezing van dierenarts Hedwig van der Horst en voor het gebruikelijke interview zijn Ton en ondergetekende op bezoek geweest bij Henk Oudshoorn in Katwijk aan den Rijn.  
Editie 2017-4 van ons clubblad zal in de loop van november verschijnen en die aflevering zal geheel in het teken staan van de clubkampioenschappen en de jaarvergadering. Voor nu: veel leesplezier toegewenst.

-0-

waterslagers

Een roller kan geen slager zijn- Terugblik

door Jaap Plokker

De reacties naar aanleiding van de publicatie van het artikel ‘Een roller kan geen slager zijn’ in editie 2017-1 van ons clubblad mogen we niet onopgemerkt voorbij laten gaan: een terugblik.

Regelmatig krijg ik in de loop van een gesprek een opmerking over ons clubblad en meestal zijn dat waarderende woorden. Reacties op een artikel kort na het verschijnen van het clubblad komen zelden voor, tot editie 2017-1 en het daarin gepubliceerde artikel ‘Een roller kan geen slager zijn’. Van diverse zijden voelden mensen zich geroepen om op dit artikel te reageren, tijdens een ontmoeting met mij, via de mail of  telefoon. Zonder uitzondering waren de reacties instemmend en vond men het hoog tijd dat het geslagen waterslagerlied meer waardering krijgt.

Reactie uit België
Sommige reacties waren voor mij heel verrassend. Op 21 februari 2017 ontving ik onderstaand mailtje van ons Belgische lid Benny Uittebroek.

Van: Benny Uittebroek [mailto:benny-uittebroek@scarlet.be]

Verzonden: dinsdag 21 februari 2017 16:55

Aan: J.A. Plokker

Onderwerp: EEN ROLLER KAN GEEN SLAGER ZIJN ...

Beste Jaap,

Uiteraard heb ik jouw uitgebreide artikel met veel belangstelling en aandacht gelezen en herlezen. Vooral jouw suggesties om tijdens de keuring er voor te zorgen dat waterslagers met een geslagen liedstructuur hoger in de punten komen dan de vogels met een meer rollende structuur zijn voor de kwaliteit van onze Belgische Waterslager uitermate aanbevelenswaardig. Ik denk dan vooral aan de splitsing van de tjokken en tjokkenrol en het gebruik van de indrukpunten als een maatstaf om te bepalen in hoeverre de vogels voldoen aan de geslagen liedstructuur.

Graag wil ik dan ook nog van jou vernemen welke toeren je viseert als je spreekt over:
 - metalliek klinkende toeren
 - toeren met de medeklinker 'k'

Nog vriendelijke groeten

Benny

Ik vind het een heel opmerkelijk mailtje van Benny. Zeker wanneer ik daarbij betrek dat Benny heel erg actief is, ook als bestuurslid, in diverse geledingen van Belgische waterslagerkwekers. Je verwacht nu niet direct van onze zuiderburen een pleidooi voor het geslagen waterslagerlied. Later wil ik hier nog even op terug komen.

Uiteraard heb ik Benny geantwoord, die zelfde avond nog:

Op 21-2-2017 om 23:21 schreef J.A. Plokker:

Beste Benny

Leuk om van jou weer een mailtje te ontvangen, n.a.v. een door mij geschreven artikel. Zoals je hebt gezien grijp ik nog wel eens terug op artikeltjes die ik ooit van jou, jaren geleden, gekregen heb en waarvoor ik je nog steeds dankbaar ben.
Om te begrijpen wat ik bedoel met de medeklinker 'k' is het misschien verhelderend om even een stukje te luisteren naar het lied van de nachtegaal, bijvoorbeeld:  https://www.youtube.com/watch?v=NK2_bcQcoD4
De nachtgaal zingt in iedere strofe maar 2, hooguit 3 toeren. Hij springt met de toeren van de hak op de tak.
Het is opvallend hoe vaak je in de toeren de medeklinker 'k' hoort.
Hoewel de meeste toeren van deze nachtegaal we niet in onze waterslager wensen kan je toch mooie tjokken en met name tjokkenrollen horen die krachtig worden uitgesproken en de medeklinker 'k' prominent laten horen. Het is deze structuur, deze krachtige, afwisselende, zang die we, m.i., in onze waterslagerzang zouden moeten behouden.
Hoewel de nachtegaal niet scheutig is met de klokkende waterslag past de klok zoals jullie die graag in België horen, de luchtbel die vanuit de diepte aan de oppervlakte komt en open barst, niet in de structuur van dit lied. Als wij van een geslagen lied spreken dan zingt de waterslager een klokkende waterslag die met een uitgesproken 'k' begint:'klok'. Denkend aan de structuur zoals de nachtegaal zingt op you tube kan je er misschien een voorstelling van maken. Het probleem met deze vorm van klok is dat ze snel vervlakt en niet op de 'o' maar op de 'a' wordt gezongen, zoals de nachtegaal gewoonlijk doet. Het is ook lastig om op deze vorm voldoende water te behouden, d.w.z. de 'l' na de k wordt vaak steeds zwakker waardoor de toer steeds minder bewaterd klinkt. Zoals je hoort bezit het nachtgaallied weinig water.
Met toeren met de medeklinker 'k' bedoel ik dus de tjokken en tjokkenrollen zoals de nachtegaal ze in haar mooiste, krachtigste, vormen laat horen en de klokkende waterslag, ingezet met 'k'.
Met metalliek bedoel ik klanken van metaal op metaal. Hebben ze naklank dan noemen we ze in het waterslagerlied staaltonen, hebben ze geen naklank dan noemen wij ze in Nederland geslagen, of metallieke bellen. Dit zijn dus geen diepe, maar heldere toeren. In het lied van de nachtgaal op You Tube zitten ook volop heldere toervormen. Teveel heldere toeren, maken in onze ogen het lied van de waterslager 'licht', terwijl we de voorkeur aan 'diep' geven.
Hierdoor hebben we wellicht de mooie heldere toervormen de laatste decennia in ons waterslagerlied verwaarloosd, diep was nog niet diep genoeg. Juist de afwisseling van diepe toeren op de 'o', afgewisseld met de heldere klanken van bellen en staaltonen geven aan het waterslagerlied de voor mij waardevolle variatie, die ook zo kenmerkend is voor de nachtegaal. Heb je, al luisterend naar de geluidsopname twee identieke strofes gehoord? Wonderbaarlijk toch hoe zo'n nachtegaal varieert in z'n lied en wat een schier eindeloze variatie in toervormen hij bezit?
Zoals ik al schreef een waterslager behoort niet het lied van de nachtegaal te imiteren. We hebben het lied gecultiveerd, en niet voor niets, maar ik hoop dat we de structuur, de krachtige zang, met geslagen toeren, het van de hak op de tak afwisselen van toeren, en de rijke variatie die het nachtegaallied eigen is in onze waterslager mogen behouden. Ik ben het met Armand van de Vonder roerend eens wanneer hij zegt dat een waterslager meer is dan een zangkanarie met bewaterde toeren. Jammer dat er naar deze wijze woorden te weinig geluisterd is en wordt.

Met vriendelijke groeten

Jaap Plokker

Benny reageerde nog dezelfde avond:

Op 21-2-2017 om 23:48 schreef Benny Uittebroek:

Hartelijk dank, Jaap, voor je reactie !

Benny

‘De Belgische Waterslager’
Hier bleef het echter niet bij. Zaterdag 15 april 2017 werd ik door ons voor-malig lid John Ploeger uit Luyksgestel gebeld met de mededeling dat hij van mij een artikel had gelezen over Belgische en Nederlandse waterslagers dat de spijker helemaal op z’n kop sloeg. Aanvankelijk was ik in de veronderstelling dat John, of via, via het clubblad van ons onder ogen had gekregen, of op de website van de vereniging het artikel had  gelezen. Niets bleek minder waar. Na wat verder te hebben doorgevraagd bleek hij het artikel gelezen te hebben in ‘De Belgische Waterslager’, het orgaan van de  Koninklijke Belgische Federatie van Kanarieliefhebbers Belgische Waterslager. Op mijn verzoek heeft John de bewuste editie van ‘De Belgische Waterslager’ naar me toe gestuurd. In de week daaropvolgend viel de beloofde aflevering, met uiteraard alle dank aan John Ploeger, bij mij op de deurmat. 
De editie maart-april 2017 van ‘De Belgische Waterslager’ was een special die geheel gewijd was aan de rollende waterslager versus de waterslager met het geslagen lied. Redacteur Benny Uittebroek had naast het bewuste artikel uit ons clubblad ook het artikel van Armand Van de Vonder, waaraan ik de uitspraak ‘Een roller kan geen slager zijn’ had ontleend en dat ik ooit van hem had gekregen, opgenomen. Verder had Benny bovenstaand e-mailverkeer van 21 februari 2017 tussen hem en mij integraal in het orgaan van de KBFK gepubliceerd.

 
Foto. 24 december 2016. Studiedag 32e clubkampioenschappen. Het afluisteren van waterslagers.

Bovenstaande wekt de indruk dat bij sommige van onze collega waterslagerkwekers in België vraagtekens worden gezet bij de weg die zij nu met hun waterslagers volgen. Volgens John Ploeger, die al heel lang lid is van een Belgische vereniging en met zijn vogels aan wedstrijden in België deelneemt, eist het jarenlang focussen op de watertoeren steeds meer hun tol. De Belgische waterslager is over het algemeen het kwalitatief goede binnenlied helemaal kwijtgeraakt. Staaltonen met heldere naklank worden zelden gehoord. Ze zijn veelal ontaard tot een vorm van geslagen fluiten zonder enige metallieke klank en naklank. Fluiten zijn vaak nasaal. Geslagen tjokken en tjokkenrollen, die deze nachtegaaltoeren bij uitstek de kenmerkende hakkerige structuur geven, zijn zeldzaamheden. In het land der blinden is één oog koning en zodra een vogel, los van de watertoeren, een toervorm zingt die er een beetje op gaat lijken wordt hij door de keurmeesters al snel in het ‘zeer goede’ beoordeeld, terwijl een waardering in het ‘goede’ meer op z’n plaats zou zijn geweest. Volgens John lijkt het wel of de Belgische keurmeesters moeite hebben het geslagen waterslagerlied naar waarde te beoordelen. Hij wijt dit aan de jaren-lange focus op de rollende waterslagers met hun diepe zang en veel water op de hoofdtoeren. De huidige generatie keurmeesters is veelal uitsluitend opge-groeid met deze vogels en daarbij komt dat de Nederlandse vogels in België als minderwaardige waterslagers werden en door velen nog steeds worden beschouwd. Zodra je in België aan wedstrijden deelneemt met waterslagers waaraan hoorbaar een vleugje Nederlands bloed kleeft dan worden je vogels anders beoordeeld  Hij citeerde een keurmeester die tegen hem had gezegd:  ‘In België worden waterslagers gekweekt; in Nederland zangvogels’. Als je in de veronderstelling leeft dat vanuit het noorden weinig goeds kan komen en je bovendien je ogen en oren sluit voor de tekortkomingen van je eigen vogels dan krijg je vroeger of later de rekening gepresenteerd. Aldus in mijn woorden de reactie van John Ploeger, die al jaren probeert beide waterslagerculturen te verenigen in zijn eigen vogels, oftewel in de geslagen zangstructuur van de Nederlandse vogels probeert hij de watertoeren van de Belgische waterslager te kweken.

Slot
Sinds voornoemd e-mailverkeer heb ik geen contact meer gehad met Benny Uitteboek. Ik ben er van overtuigd dat hij niet zonder reden heeft gekozen om in ‘De Belgische Waterslager’ de aandacht te vestigen op het nachtegaalaccent van de waterslager. Benny een beetje kennende weet ik dat hij de oude garde Belgische waterslagerkwekers, waaronder de heer B. Peleman, groot gezag toekent. Ook Benny moet geconcludeerd hebben dat van het door de grondleggers van de waterslager bejubelde nachtegaalaccent in het lied van de huidige Belgische waterslager weinig meer terug te vinden is. Ik kan niet anders concluderen dan dat Benny zijn lezers en collega waterslagerkwekers de volgende vragen wilt voorleggen: Heeft Armand Van de Vonder gelijk wanneer hij stelt dat we in België zangkanaries fokken met bewaterde toeren die de kwalificatie waterslager niet verdienen en liggen we met het lied dat onze huidige Belgische waterslagers zingen nog wel op de juiste koers? We zullen met belangstelling volgen of de door hem geïnitieerde discussie in België een vervolg krijgt en zal leiden tot een beweging ‘back to the roots’ van de Belgische waterslager 

-0-

waterslagers

In gesprek met ….  Henk Oudshoorn

door Ton Diepenhorst en Jaap Plokker

Voor het traditionele interview bleven we dit jaar dicht bij huis: Katwijk Binnen. Op 3 mei 2017 hadden Ton en Jaap een afspraak bij Henk Oudshoorn. Henk’s vrouw was een weekje naar familie in Servië en dus hadden de mannen het rijk alleen om over de vogelhobby te praten.

Rond 11.00 u kwamen Jaap en Ton vrijwel gelijktijdig aan bij Henk’s woning en nadat Henk ons had binnengelaten werd al heel vlot door hem een kopje koffie met wat lekkers er bij geserveerd. Behalve koffie en gebak toverde Henk nog iets tevoorschijn: prijzen die hij in de jaren’60  op de tentoonstelling van De Kanarievogel had gewonnen: bekers, lauwertakjes en een heus oud model bondskruis van de NBvV.

Henk, weet jij nog waarmee je deze prijzen hebt gewonnen?
Ik zou het niet meer weten. Het is ook zo lang geleden. Ze waren in die tijd niet zo scheutig, dus die grote beker moet wel een belangrijke prijs geweest zijn. Het zijn trouwens wel prijzen uit een tijd dat ik nog niet zo lang vogels had en lid van de vereniging was geworden.

Wanneer ben je begonnen vogels te houden?
Als kleine jongen had ik al duiven. We woonden toen aan de Vinkenweg en hadden een groot erf. Ik weet ook nog dat we goudfazanten hadden. Mijn vader was timmerman en heeft toen een hok gemaakt, om vogels te houden. Daarin zat van alles en nog wat. Het zal in het begin van de jaren ’60 geweest zijn toen de eerste kanaries kwamen. Het was toen in Katwijk zo dat er eigenlijk maar één soort kanaries bestond: waterslagers. Dus die hadden wij ook. Ik ben toen lid geworden van ‘De Kanarievogel’ en heb ook prijsjes gewonnen, zoals jullie zien. 
Ik kan me nog herinneren dat als het erg vroor we het vogelverblijf vorstvrij probeerden te houden met een petroleumkachel. Op een keer was de pit gaan walmen en waren alle kanaries zo zwart als en tor.
 (Thuis heeft Jaap nog eens zijn eigen archief geraadpleegd en gevonden dat Henk voor het eerst vogels heeft ingeschreven voor de tentoonstelling van ‘De Kanarievogel’ van het kweekjaar 1966. Hij won toen gelijk een 2e prijs met een zebravink. Het jaar daarop behaalde Henk het stammenkampioenschap bij de waterslagers en won daarmee behalve een mooie grote beker ook het Bondskruis van de NBvV.)

 
Foto. 3 mei 2017. Ton Diepenhorst en Henk Oudshoorn (rechts) bewonderen door Henk in de jaren ’60 gewonnen prijzen.

Ik kan me herinneren dat je in de tijd dat ik voorzitter van ‘De Kanarievogel’ was lid van de club werd. Je bent er dus een poosje tussenuit geweest.
Dat klopt. In 1968 ben ik in dienst gegaan. Ik heb de vogels wel gehouden, maar alles werd wel op een lager pitje gezet. In 1975 ben ik getrouwd en kwam ik in een flat te wonen. In de flat was geen ruimte voor vogels. Dus ben ik met het houden en kweken van vogels gestopt en heb ook het lidmaatschap van de vogelvereniging opgezegd. Ik heb alleen een mankanarie voor in de huiskamer gehouden.
In de tweede helft van de jaren ’80 ben ik verhuisd naar deze eengezinswoning. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan: ik heb een klein kooitje gemaakt, bij een collega een waterslagerpop gekocht en de oude man er bij gezet. Je zult het niet geloven, maar van die oude man en de pop kreeg ik jongen. Mijn vrouw heeft me toen weer als lid van ‘De Kanarievogel’ aangemeld en sindsdien kweek ik hoofdzakelijk waterslagers.

‘Hoofdzakelijk waterslagers’, dus je hebt ook andere vogels.
Ik had vroeger behalve waterslagers ook andere vogels, tropen en die belangstelling is nooit verdwenen. Ik vind het wel leuk om naast de kanaries ook een paar koppeltjes tropen te houden en er mee proberen te kweken. Het geeft wat meer variatie dan alleen gele vogels in je hokken en het kweken met tropen is toch heel anders dan met kanaries. Ik heb o.a. japanse meeuwtjes en gordelgrasvinken gehad en nu heb ik een paar koppeltjes driekleur papageaaiamadines, bruinborst rietvinken en loodbekjes.

Ga je daarmee ook naar de tentoonstelling?
Ik heb van de tropen meestal één hooguit twee koppeltjes. Ik specialiseer me dus niet. Ik vind het gewoon leuk om jongen te kweken. Als dat lukt ring ik ze en als ze op kleur zijn en gaaf in de veren stuur ik ze in voor de tentoonstelling; meer voor de leut dan voor de wedstrijd, want om met de echte  tropenkwekers mee te kunnen doen heb ik gewoon te weinig keus.

Je hebt je dus vooral toegelegd op de waterslagerkweek. Wat spreekt jou daar het meest in aan?
Zangkanaries heb je omdat de zang van de vogels je aanspreekt. Dat geldt voor mij natuurlijk ook. Het lied van de waterslager vind ik mooi en naar een mooie vogel kan ik met genoegen luisteren. Vooral kan ik genieten van de rollende waterslag. Zeker wanneer het water er van af druipt.

Denk je dat je straks kan genieten van een mooie rollende waterslag in je eigen vogels?
Ik denk het niet, want tot dusver verloopt de kweek rampzalig. Ik heb nog maar drie jongen geringd en ik heb niet het idee dat het nog goed komt, want ik vind dat m’n poppen niet in broedconditie zijn. Als je je bedenkt dat ik voor m’n 15 broedkooien 18 poppen aangehouden heb dan mag je met recht zeggen dat 2017 voor mij een volledig mislukt kweekjaar is.

 
Foto. 3 mei 2017. Broedkooien in de schuur van Henk Oudshoorn.

Heb  je enig idee waar het probleem zit? 
Als ik het wist dan had ik er natuurlijk iets aan gedaan, maar het is voor mij een groot raadsel waar het probleem zit. Vroeger was het kweken van kanaries nooit een probleem. Hoe beroerd de vogels er ook bij zaten, je kweekte altijd jongen. Ze brachten de jongen groot met oud brood, beschuit en ei; niks uitgebalanceerd krachtvoer. Nu zijn de vogel veel beter gehuisvest, krijgen beter voer, maar het kweken is soms een ramp.

Ik hoor van jou al jaren dat het kweken niet vlot verloopt
Dat klopt. Ik krijg mijn poppen de laatste jaren niet goed in conditie. Eerst dacht ik dat het aan de muizen lag. Ik heb jaren erg veel last van muizen gehad. Maar dat heb ik de laatste paar jaar aardig onder controle. Met het verdwijnen van de muizen kwamen mijn kweekpoppen niet beter in conditie. Vorig jaar heb ik in januari bij Ton Toet 10 poppen gekocht. Ik kweekte toen in no time 40 jongen, vnl. van de poppen van Ton. Mijn eigen poppen deden het een stuk minder. Door omstandigheden is het er vorig jaar niet van gekomen om op tijd bij een kweker poppen te bestellen en te kopen en moest ik het dit voorjaar doen met mijn eigen poppen. Zie hier het resultaat.
Als ik ’s winters bij een kweker poppen koop kweek ik dat voorjaar genoeg jongen. Ben ik van mijn eigen poppen afhankelijk dan kweek ik geen veer. Ik zie het ook aan de vogels. Ze zijn gewoon niet in conditie en het ligt aan mij. Ik heb al aan alles gedacht, voer, licht, zuurstof, temperatuur, bloedluis, enz., maar de oplossing nog steeds niet gevonden. Om de bloedluis in toom te houden spuit ik Finecto en ik zie geen luizen; de vogels krijgen CEDE krachtvoer. Ik weet het echt niet. Als ik dus waterslagers wil kweken moet ik ieder jaar kweekpoppen kopen en al mijn eigen kweek  poppen van de hand doen. Het is niet de weg zoals het zou moeten, maar wil ik voldoende jongen hebben om mee te doen aan de wedstrijd dan is dit voorlopig de enige manier totdat ik er achter ben gekomen waar het euvel zit.


Foto. 3 mei 2017. Henk Oudshoorn in zijn schuur tussen de broedkooien met waterslagers en tropen
 

Intussen was het hoog tijd geworden om eens naar Henks vogelverblijf te gaan. Buiten heeft hij een volière waarin de vogels na het kweekseizoen worden gehuisvest. In de schuur staan zijn broedkooien met kanaries. Al kijkende en fotograferende wordt nog verder gefilosofeerd over wat er met dit verblijf mis zou kunnen zijn waardoor de vogels niet in conditie komen: Belucht je wel voldoende, waardoor er steeds frisse lucht in het schuurtje komt? De volière staat met het front naar de woonkamer. Valt er in het najaar en winter niet te veel licht in de volière waardoor de vogels niet aan hun rustperiode toe komen? Wordt, het als het zonnetje schijnt, niet te heet in de schuur en/of de volière? Komt er in het voorjaar wel voldoende licht in de schuur/broedruimte? Allerlei vragen die Henk zich ook gesteld heeft. Toen we afscheid namen ging dat met bewondering voor Henk, die, ondanks alle kweekteleurstellingen de laatste jaren, toch nog altijd de moed er in houdt.

 

-0-

ziekten

Op consult bij Hedwig van der Horst

door Jaap Plokker

Via secretaris Piet Hagenaars werden de leden van de vogelvereniging ‘De Kanarievogel’ te Katwijk op de hoogte gesteld van de lezing die dierenarts Hedwig van der Horst op 15 mei 2017 zou geven bij de Eerste Voorburgse KanarievogelVereniging (EVKV) ‘De Kanarievogel’. Op een ledenvergadering van de Katwijkse vogelclub schoot Krien Onderwater me aan met de mededeling dat hij  zin had om er naar toe te gaan en hij vroeg mij of ik ook interesse had. Zo gezegd zo gedaan en op de bewuste maandagavond togen we gezamenlijk naar het clubgebouw van de handbalvereniging EHC in Den Haag waar de lezing werd gehouden. Bij aankomst bleken wij niet de enige NZHU’ers te zijn. Ook Joop Aelbrecht, Jacques de Beer, Piet Hagenaars en Paul Schilte bleken benieuwd te zijn naar wat Hedwig van der Horst te melden had. Tijdens de lezing heb ik wat aantekeningen gemaakt en onderstaande is een poging een weergave te geven van de, mijn inziens, belangrijkste onderwerpen die aan de orde kwamen. 

Na een uitgebreide introductie waarin de in vogels gespecialiseerde dierenarts Hedwig van der Horst een en ander vertelde over haarzelf en haar praktijk in het Brabantse plaatsje Riel, werd het vervolg van de avond opgehangen aan enkele vragen die vooraf aan haar waren gemaild. De lezing concentreerde zich rond twee kernpunten:
-          Bevorder de weerstand van je vogels tegen ziektes door goede voeding en strenge selectie.
-          Des te minder medicijnen je de vogels toedient des te kleiner is de kans op resistentie en des te groter de afweer van je vogels.  

Selectie, voeding en weerstand
Bij het selecteren van het kweekmateriaal laten fokkers zich vooral leiden door de potentiële TT-kwaliteiten van het nageslacht en wordt er veel te weinig geselecteerd op de constitutie van de vogels. Het gevolg is dat de weerstand van de Nederlandse cultuurvogels afneemt wat o.m. tot uitdrukking komt in een lager reproductievermogen en een steeds lager wordende gemiddelde leeftijd waarop vogels overlijden.  Het cultuurvogelbestand wordt, aldus Hedwig van der Horst,  kapot gefokt. Om toch de gewenste kweekresultaten te bereiken worden allerlei noodgrepen toegepast zoals het verstrekken van voedingssupplementen en het preventief toedienen van medicijnen. Op de korte termijn lijken deze praktijken de problemen op te lossen, maar op den duur zal deze handelswijze zich tegen de fokker keren. Met dit gedrag bevindt hij zich op een weg die uiteindelijk dood loopt. Hedwig van der Horst pleit derhalve voor een veel rigider selectiebeleid op grond van gezondheidscriteria.

Probiotica
De markt voor vogelvoeding en vogelvoedingssupplementen is wereldwijd een miljardenzaak. Alle marketing trucs worden door de fabrikanten uit de hoge hoed getoverd om de kwekers te verleiden hun producten te kopen. Veelal wordt geschermd met het promotiepraatje dat het nieuwe product het resultaat is van wetenschappelijk onderzoek, maar de realiteit is dat er nauwelijks gedegen onderzoek is gedaan naar de optimale samenstelling van vogelvoer. De meeste kennis is gebaseerd op praktijk ervaringen in het verleden.  Als voorbeeld van hoe de vogelkwekers door de fabrikanten worden bedot en het geld uit hun zak wordt geklopt noemt Hedwig van der Horst het gebruik van Probiotica.
Probiotica is een verzamelnaam voor bacteriën die in het lichaam een nuttige functie vervullen. Met het innemen van o.m. probiotica preparaten, biogarde yoghurt en Yakult komen vooral lactobacillen in het lichaam terecht. Daar hebben deze melkzuurbacteriën de taak om in het maagdarmkanaal suikers om te zetten in zuren waardoor de ontwikkeling en groei van voor de gezondheid schadelijke bacteriën wordt belemmerd. Deze gedachte is gebaseerd op onze kennis over de darmflora bij zoogdieren in het algemeen en de mens in het bijzonder en is geëxtrapoleerd naar het vogelleven. Bij vogels, met uitzondering van de hoenderachtigen, gaat dit principe echter niet op. Bij gezonde zangvogels is het maagdarmkanaaal schoon van bacteriën en is het toedienen van Probiotica om de darmflora te beïnvloeden dus zinloos, domweg omdat er geen darmflora is. Voor het verschijnsel dat de pop de eerste dagen de ontlasting van de piepjonge vogels oppikt wordt vaak de verklaring gegeven dat hiermee de darmflora van de jonge vogel wordt opgebouwd. Vogels kennen echter geen bacterieleven in de darmen en dit kan dus niet de reden zijn. Aannemelijk is de veronderstelling dat de ontlasting van de jonge vogel nog heel veel halfverteerde voedselresten bevat en de jonge vogel dus via de door de pop opgenomen ontlasting gemakkelijk verteerbaar voedsel krijgt verstrekt.

Aanzuren
Het enige positieve gevolg van het vogels toedienen van melkzuurbacteriën via Yakult of biogarde is dat het zuurgehalte in de darmen wordt verhoogd waardoor de ontwikkeling en toename van bacteriën wordt belemmerd. Het effect van het toedienen van Probiotica voor dit doel is echter verwaarloosbaar klein. Om het zuurgehalte in het spijsverteringskanaal te verhogen zijn andere middelen veel effectiever.
Veel vogelfokkers verhogen de zuurgraad in het maagdarmkanaal van hun vogels door appelazijn of citroenzuur aan het drinkwater toe te voegen. Hedwig van der Horst is hiervan geen voorstander. De zuren in citroenzuur en appelazijn belemmeren weliswaar de ontwikkeling van bacteriën, zoals de coli bacterie, maar hebben ook een negatief effect op de kalkopname in het vogellichaam met als gevolg problemen met het aanmaken van een goede eischaal en ontwikkelingsachterstand van het skelet bij jonge vogels. Het gebruik van voornoemde zuren is daarom met name tijdens de broedtijd niet aan te bevelen.
Hedwig van der Horst is een voorstander van het ‘aanzuren’, maar geeft de voorkeur aan het gebruik van producten op basis van chlooramine of waterstofperoxide.  Met name gebruik van waterstofperoxide heeft als voordeel dat er geen restproducten in het lichaam achterblijven. Zij noemt Aqua-Clean van Kanters als een product op waterstofperoxidebasis dat je veel beter kunt gebruiken dan citroenzuur of appelazijn.

Megabacterie
De bewering dat het gebruik van zuren als appelazijn en citroenzuur de ontwikkeling van de megabacterie zou tegengaan is hoogst twijfelachtig. De megabacterie is eigenlijk een schimmel,  bevindt zich in de maag van een vogel en gedijt dus in een zure omgeving. Verhoging van de zuurgraad in de maag zou zelfs de ontwikkeling van de megabacterie kunnen stimuleren. Zolang de megabacterie zich tot verblijf in de maag beperkt zijn er geen problemen. Die ontstaan wel wanneer de schimmel zich door het maagdarm-kanaal gaat verspreiden. Eenmaal in de darmen beland is de aanwezigheid van de schimmel aan de hand van de ontlasting te constateren en kan doelgerichte medicatie toegediend worden. 

Vitamine A en  palmolie
Ziektebestrijding begint met het verhogen van de weerstand van de vogel. Vitamine A vervult hierbij een heel belangrijke rol. Krachtvoerfabrikanten zijn voortdurend op zoek naar een goede balans in de hoeveelheid vitamine A in het krachtvoer. Te veel vitamine A is nl. even nadelig als te weinig. Om-dat een overschot aan vitamine A het vogellichaam niet verlaat, maar wordt opgeslagen in de lever kan een te hoge dosering vitamine A tot leverproblemen leiden.  Om de weerstand van de vogel te verhogen ziet Hedwig van der Horst daarom niet de oplossing in het verhogen van de dosering vitamine A in het eivoer, maar in de verstrekking van caroteen in natuurlijke producten. Caroteen wordt, naar behoefte, door het lichaam omgezet in vitamine A en een teveel aan caroteen verlaat via de ontlasting het lichaam. Producten als wortelen en paprika bevatten veel caroteen, maar te weinig om in de behoefte aan vitamine A te kunnen voorzien. Hedwig van der Horst propageert daarom onbewerkte rode palmolie aan het vogelmenu toe te voegen. Rode palmolie is een ‘caro-teenbom’, waardoor de vogel in staat is de eigen weerstand te verhogen door caroteen om te zetten in vitamine A.
Palmolie verwerken in fabrieksmatig vervaardigde krachtvoeders is niet zo eenvoudig. Palmolie is een vet en daardoor beperkt houdbaar. Om de houd
-baarheid van het krachtvoer te verhogen wordt dit door de fabrikant verhit tot een temperatuur boven 50o C. Wordt palmolie verwarmd tot boven de 50o  C dan wordt de caroteen in de olie afgebroken en verliest de palmolie dus het voor de aanmaak van vitamine A essentiële bestanddeel.
Het caroteen in de palmolie heeft effect op de kleur van de vogel. Voor fokkers van zangkanaries is dit niet zo’n probleem, maar voor kwekers van kleurkanaries is het oppassen geblazen.

Ziekte en medicatie
Een vogel die zich niet lekker voelt zit dik. Dit zegt alleen iets over de algehele gesteldheid van de vogel, maar nog niets over de aard van de ziekte. Een vogel die dik zit moet nader bekeken worden. Voor de fokker zichtbare symptomen die duiden op een ziekte zijn o.m. een dikke buik, ontlastingsresten rond de cloaca, dunne ontlasting (Ik voeg er zelf aan toe: scherp borstbeen, hijgen, piepen, kraken bij het ademen, grote lever. J.P).
Niet alle dunne ontlasting hoeft te duiden op diarree, maar is er sprake van diarree dan kan dat verschillende oorzaken hebben, zoals de aanwezigheid van:
-          bacteriën
-          parasieten
-          schimmels/gisten
-          virussen

Mestonderzoek
Via mestonderzoek is vaak de oorzaak van de ziekte vast te stellen. Omdat zangvogels nauwelijks over een darmflora beschikken kunnen bacteriële infecties relatief gemakkelijk in de ontlasting ontdekt worden. In de eerste plaats is er de mogelijkheid de mest onder de microscoop te onderzoeken. Een veel betrouwbaardere onderzoeksmethode is het maken van een uitstrijkje van de ontlasting. Door middel van kleuring van het uitstrijkje kan de ziekteverwekkende bacterie herkend worden. Niet alle dierenartsen zijn toegerust  om een uitstrijkje en een kleurenanalyse te maken. Van in vogel-ziekten gespecialiseerde dierenartsen mag je dit wel verwachten. Een kleurenanalyse kan alleen gemaakt worden van relatief verse ontlasting en het moet ook zeker zijn dat de mest niet door ander bacterieleven is besmet. De ontlasting moet dus niet van de kooibodem opgeschept worden. Het is daarom aan te bevelen de zieke vogel te isoleren en de mest op aluminiumfolie op te vangen, dit dicht te vouwen en, al dan niet via de post, bij de dierenarts te (laten) bezorgen.  

Preventieve medicatie
Fokkers hebben nogal eens de neiging hun voor bepaalde ziektes gevoelige vogelbestand preventief tegen het ziek worden te behandelen. Een voorbeeld hiervan is het aan het begin van het broedseizoen aan alle vogels toedienen van Baycox en/of ESB3, of een moderne variant daarvan, om coccidiose tegen te gaan. Hedwig van der Horst adviseert kwekers dit niet te doen. Ziektebestrijding moet beperkt blijven tot het in een ‘noodsituatie’ toedienen van een middel dat voor het ziektebeeld een oplossing biedt. Het systematisch toedienen van medicatie aan gezonde vogels leidt tot een zwakkere weerstand bij de vogel en de schadelijke bacteriën bouwen een resistentie op tegen de in het medicijn aanwezige werkzame stof. Kortom, Hedwig van der Horst adviseert  alleen medicatie toe te dienen wanneer er ziekteverschijnselen zijn.
Het ongebreideld gebruik van antibiotica heeft er al toe geleid dat sommige bacteriën resistent zijn geworden voor bepaalde medicatie. Gebruik van antibiotica wordt daarom aan steeds strengere, wettelijke, regels gebonden. 

Kanariepokken of hapziekte
Regelmatig melden zich kanariefokkers bij Hedwig van der Horst met kanariepokken op het hok. Deze ziekte kan in het vogelverblijf voor een waar slagveld zorgen. De enige effectieve remedie is het enten van de vogels. De laatste jaren is de entstof niet alleen een stuk duurder geworden, maar ook steeds lastiger te verkrijgen. Ook in 2017 heeft Poulvac, de fabrikant van het vaccin, geen nieuwe entstof aangemaakt. Probeer maar eens iemand te vinden met nog een oud voorraadje. Het hoeft niemand te verbazen dat met deze schaarste op de markt malafide figuren hun slag proberen te slaan. Zo wordt in Oost Europa, Hedwig noemde Polen met name, gefabriceerde entstof op de Nederlandse markt aangeboden als een vervanger voor het product van Poulvac. Hedwig waarschuwt de fokkers er voor om dit product niet te kopen. Het is entstof voor kippen en voor de bestrijding van hapziekte bij kanaries volkomen  nutteloos; weggegooid geld.
Rest de fokkers om hapziekte te voorkomen door het vogelverblijf zo veel mogelijk vrij van muggen, de verspreiders van de ziekte,  te houden. Muggengaas kan hiervoor een probaat middel zijn.

Piepende en hijgende vogels
Met vogels die bij het ademen geluid, zoals gehijg, gepiep en gekraak,  produceren is iets aan de hand. Er zijn diverse mogelijkheden zoals:
-          luchtpijpmijt
-          longinfectie
-          megabacterie

Luchtpijpmijt is een parasiet, die bestreden kan worden met anti luchtpijpmijt. Meestal betreft het een vloeistof, met de werkzame stof  Ivermectine,  dat wordt toegediend door een druppeltje op de kale huid aan te brengen.
Zowel een longinfectie als de aanwezigheid van megabacterie is aan de hand van de ontlasting van de vogel vast te stellen. Leidt een anti luchtpijpmijt kuurtje niet tot het gewenste resultaat dan is mestonderzoek de volgende stap.

Oogziekten
Voor vogels met ontstoken ogen adviseert Hedwig van der Horst Oculsan oogdruppels. Op Internet heb ik eens naar dit product gezocht en het wordt uitsluitend geadviseerd voor gebruik bij honden en katten. Kennelijk heeft Hedwig er ook positieve ervaringen mee bij vogels.

Luizen, mijten
Niet zozeer een ziekte, maar wel heel vervelend voor vogels en voor jonge vogels zelfs levensbedreigend zijn mijten, in de volksmond vaak bloedluizen genoemd. Op de markt zijn twee soorten producten verkrijgbaar om mijten te bestrijden: chemische en natuurlijke.  Chemische bestrijdingsmiddelen doden de mijten, maar bij veelvuldig gebruik kunnen mijten resistent worden en verliest het product zijn werking. Variatie in gebruik van werkzame stoffen zorgt er voor dat mijten minder snel resistent worden. Het bekende druppeltje in de nek is een product met Ivermectine als werkzame stof. Mijten kunnen hiertegen een resistentie opbouwen. Gedoseerd gebruiken derhalve.
Tegenwoordig zijn er ook producten te koop op basis van sylicaten. Voorbeelden hiervan zijn Homeshield en Finecto. Dit is eigenlijk zand, maar dan miniem van grootte en heel scherp. De mijt die hier overheen loopt krijgt een krasje in de beschermhuid en droogt uit. Tegen dit product kunnen mijten geen resistentie opbouwen. Een andere natuurlijke methode is het gebruik van roofmijten, de zogenaamde Dutchy’s. Sommigen zijn over het inzetten van roofmijten laaiend enthousiast, anderen zijn wat minder positief.

Praktische info en tips
In vogelziekten gespecialiseerde dierenartsen zijn schaars en worden steeds schaarser. In het verleden behoorden vogelziekten tot de standaardopleiding van een dierenarts, maar dat is tegenwoordig niet meer het geval. Wil je bij een calamiteit bij je vogels een zinvol consult dan moet je er eigenlijk zeker van zijn dat de dierenarts zich in vogelziekten heeft gespecialiseerd. Bij de doorsnee dierenarts mag je geen specialistische kennis op vogelgebied verwachten. Vaak heeft de doorsnee dierenarts ook niet de juiste uitrusting om van de ontlasting een uitstrijkje en een kleurenanalyse te maken. Wil je de ontlasting van een zieke vogel door een in vogelziekten gespecialiseerde dierenarts laten onderzoeken en ben je niet in de gelegenheid om de arts persoonlijk te bezoeken verzend dan de ontlasting per post naar het door jou vertrouwde adres. Bezorg de envelop met het mestmonster nooit voor of tijdens het weekend ter post. Vrijdag geposte brieven worden nl. pas op dinsdag bezorgd! 
Hetzelfde geldt voor het opsturen van een dode vogel voor onderzoek. Bewaar de dode vogel in de koelkast, niet in de vriezer! tot het meest geschikte moment van verzending. Stop je de dode vogel in een gewone envelop dat loop je het risico dat het lichaam in de postsorteermachine wordt geplet. Verzend de vogel dus in een doosje. Voor kleine vogeltjes volstaat een luciferdoos(je). 
Voor een mestonderzoek brengt Hedwig van der Horst bijna 19 euro in rekening. Haar adresgegevens zijn: Vogelpraktijk ‘De Horst’, Dorpstraat 25B, 5133 AD, Riel. Tel. 06-54668826. Ze geeft er de voorkeur aan om via de mail te communiceren.E-mail: vogelpraktijkdehorst@hotmail.com.
In Den Haag is ook een in vogelziekten gespecialiseerde dierenartsenpraktijk. Paul Schilte heeft daar de mest van twee vogels laten onderzoeken en was hiervoor € 66,50 kwijt. ‘Den Haag’ is dus aanzienlijk duurder dan ‘Riel’.
Voor degene die toch graag persoonlijk contact met de dierenarts heeft en in de buurt van Den Haag woont hierbij het adres: Dierenkliniek ‘Het Zicht’, Het Zicht 61-63, 2543 AK, Den Haag. Uiteraard vragen naar de in vogelziekten gespecialiseerde dierenarts in de kliniek. Je kunt zonder afspraak binnenlopen. 

Slot
Bovenstaande is mijn weergave van een door dierenarts Hedwig van der Horst verzorgde lezing, die ik naar eer en geweten zo getrouw mogelijk heb geprobeerd te verwoorden. Hetgeen door Hedwig van der Horst naar voren is gebracht is overduidelijk haar visie, waarmee je het niet eens hoeft te zijn. Inmiddels heb ik ook ontdekt dat sommige vogelkwekers hun vraagtekens plaatsen bij hetgeen door haar wordt beweerd. Mocht je inhoudelijke vragen hebben over bovenstaande dan moeten die niet aan mij worden gericht, maar aan Hedwig van der Horst. Haar e-mailadres staat hierboven onder ‘Praktische info en tips’.

-0-

 

voeding

Palmolie

door Jaap Plokker

Jaren geleden vertrouwde een eigenaar van een Katwijkse dierenspeciaalzaak me toe dat hij op zaterdagochtend zonder navraag te doen wist waar de lezing die avond daarvoor bij ‘De Kanarievogel’ over was gegaan, want de winkel liep vol met vogelkwekers die allemaal om hetzelfde product vroegen, dat hij uiteraard op dat moment helemaal niet of slechts beperkt in voorraad had. Als vogelkwekers hebben wij een zwak voor producten die de hemel in worden  geprezen en, wees eerlijk, zijn we allemaal niet één of zelfs meerdere keren gevallen voor zo´n promotiepraatje? Deze keer een artikel over een product dat ik sinds kort aan mijn eivoer toevoeg: palmolie.

In de jaren dat ik voorzitter van de Katwijkse vogelvereniging ‘De Kanarievogel’ was werd ik regelmatig benaderd door pas beginnende kwekers die bijkans radeloos waren. Van Jantje kregen ze te horen dat ze dit moeten voeren, van Pietje dat en Klaasje had een nog beter voedingsadvies. Van al die goed bedoelde adviezen zagen ze door de bomen het bos niet meer en werd vervolgens aan mij gevraagd wat de beste tip was. Mijn antwoord was steevast een vraag: Waar ben je niet tevreden over? Als ze dan het antwoord schuldig bleven zei ik: ‘Dan moet je niets veranderen en het laten bij wat je nu gewend bent om te doen’.

Biggencompost
Niet altijd heb ik me aan mijn eigen advies gehouden. Een paar voorbeelden: In het najaar van 1995 werd bij ‘De Kanarievogel’ tijdens een lezing over kromsnavels door tropenkeurmeester Louis Polanen gemeld dat hij enige tijd de vogels biggencompost voorschotelde en hij met zijn agaporniden een ‘muiter kweekseizoen’ had gehad. Piet Hagenaars heeft toen via zijn relaties bezuiden de grote rivieren een baal biggencompost aangeschaft en tijdens een ledenvergadering een monster rond laten gaan. Diverse kwekers hebben toen bij Piet een baal biggencompost besteld, waaronder ondergetekende.
Eerlijk is eerlijk, de kanaries aten er goed van, gezien hun zwarte snavels en zwarte ontlasting, maar wat eet een kanarie niet zou je bijna zeggen. Mijn ervaring was dat de vogels het liefst in de compost zaten te spitten wanneer het vers was. De biggencompost was alleen verkrijgbaar in balen van 25 kg en zo veel aten mijn vogels ook weer niet. Kortom, na verloop van tijd was de compost uitgedroogd en het restant van de laatste baal is door mij gemengd met potgrond om spruitenplanten voor m‘n volkstuin op te kweken. Biggencompost schijnt nog steeds te bestaan, maar ik heb er onder
zangkanariekwekers al jaren niet meer over gehoord. 

Fenegriek poeder
Enige jaren geleden vernam ik van enkele NZHU leden dat zij fenegriek poeder aan het krachtvoer toevoegden om het verenpikken tegen te gaan. Nu had ik ook aardig wat poppen die niet van de staarten van hun jongen konden afblijven dus leek het mij de poging wel waard om het ook te doen. Aanvankelijk was het een hele toer om te ontdekken waar je het kon kopen en na stad en land te hebben afgereden kreeg ik te horen dat een winkel in paardensportbenodigdheden, ‘Pas de Deux’, op nog geen 500 meer van mijn huis, het verkocht. Ik heb een emmertje aangeschaft en iedere keer een dosering aan mijn krachtvoer toegevoegd. Ik merkte niet direct verschil, maar dacht:  ‘Baat het niet, schaden doet het ook niet’. Ik heb enkele jaren in de kweek en ruitijd fenegriek poeder door mijn krachtvoer gemengd, maar afgelopen najaar was het op en ben ik zo laks geweest, ook al was het niet zo ver fietsen, om geen nieuw emmertje fenegriek poeder te kopen. Wat is het resultaat tijdens het kweekseizoen tot dusver: Ik merk geen enkel verschil met het verenpikken tussen de periode dat ik wel en geen fenegriek door mijn krachtvoer mengde. Met het toevoegen van fenegriek poeder aan mijn krachtvoer ben ik definitief gestopt.

Palmolie
En nu ben ik dus weer voor de bijl gegaan. Op 15 mei 2017 heb ik bij de Eerste Voorburgse Kanarievogel Vereniging (EVKV) ‘De Kanarievogel’ een lezing bijgewoond van de in vogels gespecialiseerde dierenarts Hedwig van der Horst. Haar verhaal heeft me er toe gebracht om palmolie door mijn krachtvoer te mengen. Ik ben daar begin juni, dus tijdens het broedseizoen, mee begonnen. Wat waren mijn motieven en zie ik effect? Met Hedwig van der Horst constateer ik dat in de loop der jaren de leeftijd waarop mijn kweekvogels overlijden steeds jonger wordt. Ik ben vanouds gewend om uitzonderlijk goede kweekpoppen niet weg te doen en na jaren trouwe dienst overlijden zij dan op den duur op natuurlijke wijze. Had ik vroeger nog wel redelijk bejaarde kweekpoppen in mijn hok, de laatste decennia is het een uitzondering wanneer een pop bij mij vier jaar wordt. Dit jaar waren mijn oudste poppen van 2014. Zijn onze waterslagers de laatste decennia steeds zwakker en daardoor vatbaarder voor ziekten geworden, die ze door een afnemende natuurlijke weerstand van de vogels op steeds jongere leeftijd fataal worden? Wanneer Hedwig van der Horst dit beweert durf ik haar niet tegen te spreken. Haar adviezen om weer te werken naar een vogelbestand met een grotere intrinsieke weerstand zijn: het strenger selecteren van de kweekvogels, niet alleen op TT-kwaliteiten maar ook op constitutie, goede voeding en minder snel naar de medicijnpot grijpen, in ieder geval het niet preventief toedienen van medicatie.
Een van de factoren die leiden tot een grotere natuurlijke weerstand is, volgens van der Horst, het verstrekken van de juiste dosering vitamine A. Omdat aan het extra toedienen van vitamine A de nodige risico’s verbonden zijn adviseerde zij het verstrekken van palmolie vanwege de hoge dosis caroteen in dit product. De vogel zet in het lichaam de caroteen naar eigen behoefte zelf om in vitamine A, terwijl het overschot aan caroteen het lichaam op natuurlijke wijze verlaat. Kortweg heb ik dus besloten om, door middel van het toevoegen van palmolie aan het krachtvoer, mijn vogels in de gelegenheid te stellen meer vitamine A aan te maken met als doel de natuurlijke weerstand te verhogen.
Wanneer ik dit artikel schrijf is het begin september. Hoe kijk ik op het afgelopen seizoen terug?  Eind maart heb ik de poppen in broedhokken gedaan. De kweek begon moeizaam met relatief veel kleine legsel. Over de bevruchting mocht ik niet klagen. Uiteindelijk werden ook de legsels groter en heb ik in totaal, met 32 broedhokken, 106 jongen geringd. De eerste jongen werden op 15 april geboren en het laatste legsel kroop op 27 juni uit het ei. Vanaf het moment van ringen tot op heden zijn van deze 106 geringde jongen er 15 doodgegaan, met wisselende oorzaken. Sommige bleven in het nest al achter en zijn nooit uitgevlogen, enkele zijn tot bloedens toe doodgepikt, anderen leden aan een kwaal waarbij het leek of ze een grote bloedarmoede hadden: bleke hoorndelen en gelige buik. Van een enkeling heb ik het vermoeden dat het coccidiose/ataxoplasmose betrof, maar dit betrof een enkele vogel.

 
Foto. Een pot ongeraffineerde, rode, palmolie van 500 ml, zoals ik die in Leiden in een toko voor € 3,75 koop.

Heb ik door het verstrekken van palmolie minder uitval van jonge kanaries gehad?  Ik heb niet echt de indruk. Wel heb ik, voor mijn gevoel, minder last gehad van coccidiose/ataxoplasmose dan in voorafgaande jaren. Ik heb geen enkele keer de vogels preventief ESB3 of Baycox verstrekt. Omdat ik sommige vogels betrapte op wat ontstoken darmen heb ik alle jongen twee keer een BS kuurtje gegeven. Sommige jonge vogels die dik zaten en overduidelijk iets mankeerden heb ik afgezonderd en aan hen wel medicatie verstrekt, met wisselend resultaat.
Hedwig van der Horst gaf aan dat de caroteen rijke palmolie effect heeft op de kleur van de vogels. Nu is dat voor waterslagers niet echt een probleem. Ik zie echter niet zo veel kleurverandering bij de vogels sinds ik palmolie verstrek. Ter vergelijking: het verstrekken van rozenbottels heeft veel meer gevolgen voor de kleur van de vogels, maar mijn ogen zijn die van een zangkanariekweker en niet van een kleurkanariekweker. 
Ik heb de indruk dat dit jaar het verenpikken minder massaal is dan in voorafgaande jaren. Over de algehele gezondheidsituatie van mijn vogels ben ik op dit moment niet ontevreden. Zijn deze positieve constateringen een gevolg van het verstrekken van palmolie door het krachtvoer? Ik weet het niet; het zou kunnen. Ik heb in ieder geval besloten met het mengen van palmolie door het krachtvoer
voorlopig door te gaan. 

Verkrijgen en verstrekken
Nadat ik besloten had palmolie door mijn krachtvoer te mengen was het eerste probleem uiteraard: Hoe kom ik er aan? Die vraag was nog niet zo eenvoudig te beantwoorden. Ik kon me niet heugen het ooit eerder ergens te hebben zien staan. Op de markt in Katwijk verkocht de reformkraam het niet. Hoewel volgens Internet het product in het assortiment van AH zit, trof ik bij alle door mij bezochte AH vestigingen, inclusief de XXL in Leiden, geen palmolie in de schappen. Uiteindelijk heb ik het eerste potje maar via Internet besteld. Geen goedkope zaak, omdat de portokosten voor mijn rekening waren. Omdat Hedwig van der Horst verteld had dat palmolie door toko’s werd verkocht ben ik op goed geluk Toko ‘Nieuwe Wereld’ aan de Nieuwe Rijn in Leiden binnengestapt: Hoeveel potten wil je hebben? In deze toko kost een pot ongeraffineerde, rode, palmolie van een halve liter € 3,75.
Alleen de ongeraffineerde, rode, palmolie bevat het voor de vogels belangrijke caroteen. Er is ook geraffineerde palmolie op de markt, maar dat bevat geen caroteen (meer) en is dus voor ons doel ongeschikt.
De term ‘olie’ wekt de indruk dat palmolie vloeibaar is. Dat is bij kamertemperatuur niet het geval. Palmolie wordt vloeibaar boven de 300 C. Wordt de olie verhit tot boven de 500 C dan wordt het caroteen afgebroken. Ongeraffineerde palmolie op kamertemperatuur is een substantie die erg veel lijkt op chocopasta of roomboter buiten de koelkast op een mooie zomerse dag. Het is dus niet vloeibaar, wel smeerbaar en goed te mengen met krachtvoer. Nadat ik met een lepel de palmolie door het krachtvoer heb geroerd meng ik het nog een na met mijn handen. De warmte van mijn handen maakt de palmolie vloeibaarder en dan mengt het dus beter met het krachtvoer.  Heb ik een overschot dan bewaar ik het restant krachtvoer tot een volgende keer in de koelkast. Komt het met palmolie vermengde krachtvoer uit de koelkast dan is het voer door de palmolie stijf geworden. Even op temperatuur laten komen, desnoods met de hand er door roeren en door de warmte wordt de viscositeit lager en is het weer een heerlijk rul krachvoertje. 
Ik maak altijd meerdere porties krachtvoer tegelijk en vries het dan in. Een portie krachtvoer is bij mij: 9 beschuiten, 3 grote of 4 middelgrote hard gekookte eieren en drie schepjes Aves Opfok. In de keukenmachine wordt dit gemengd tot een heerlijk krachtvoertje dat de vogels graag eten. Om het iets ruller te maken doe ik er een lepel biogarde yoghurt door en in de broedtijd een theelepeltje stuifmeelkorrels. Aan zo’n portie voeg ik sinds kort twee theelepels, met kop, rode palmolie toe.
Als ik kijk hoe de vogels het krachtvoer eten merk ik geen verschil tussen het krachtvoer met en zonder palmolie. Beide worden door de vogels goed gegeten.

Slot
Op Internet heb ik eens gezocht naar info over het verstrekken van palmolie aan vogels. Het merendeel van de info had betrekking op kromsnavels. In de kringen van de houders en fokkers van kromsnavels is het verstrekken van palmolie dus niet ongebruikelijk. Kanariekwekers die palmolie verstrekken heb ik nog niet gesproken. Heb je ervaring met palmolie of ken je iemand die het aan zijn kanaries geeft dan hoor ik dat uiteraard heel graag: japlokker@ziggo.nl

-0-

 

vereniging

Mededelingen

Clubactiviteiten in 2017
In het najaar staan een drietal activiteiten op het programma:
Op zaterdag 25 november hopen we weer onze jaarlijkse afluisterochtend te organiseren.
Dinsdagavond 28 november houden we onze jaarvergadering. We zijn  gewend om voorafgaand aan de vergadering meegebrachte vogels af te luisteren.
Onze 33e clubkampioenschappen staan gepland voor 21 t/m 23 december 2017: Op donderdag 21 december zullen de vogels worden ingekooid, op vrijdag 22 december vindt de keuring plaats en op zaterdag 23 december 2017 hopen we met elkaar weer een uiterst gezellige en onderhoudende studiedag te beleven.
Alle activiteiten vinden plaats in het gebouw van Stichting Kleindierensport Katwijk, Oude ’s Gravendijckseweg 2a, 2221 DB te Katwijk.
Vergeet genoemde data niet in de agenda of op de kalender te noteren!

 

Wijziging e-mailadres Jaap Plokker
Jaap Plokker heeft inmiddels een nieuw e-mailadres. Naar het oude adres (id college) gemailde berichten komen sinds 1 augustus jl. niet meer aan. Mailtjes naar Jaap moeten gestuurd worden naar:  japlokker@ziggo.nl

-0-

  


TOP